Zazen (slot)

717wHetbWYL._SL1000_.jpg

(Wat er voorafging: 1, 2.)

Om vijf uur werden we gewekt en een half uur later zaten we alweer op de matjes. Ik had besloten om naar huis te gaan, maar om half zes in de ochtend is doortastendheid een schaars goed. We gingen zingen. Sutra’s. Dat was verrassend opbeurend. We dreunden lange reeksen Japanse lettergrepen, voortgestuwd door iemand die een straf tempo sloeg op een houten vis. Het dreunen werd hier en daar dramatisch geaccentueerd met een hengst tegen een klankschaal, een fijn noodklokachtig effect.

Daarna begon, jawel, het mediteren. Ontbijten was voor later. Dat vond ik prima. De gedachte aan een boterham riep geen enkele lust bij me op. Misschien begon ik me los te maken van aardse behoeften.

Ik ademde en telde en probeerde vriendschap te sluiten met de vlijmende pijn die alweer snel was teruggekeerd in mijn rug – het soort vriendschap waarbij je vooral de ander wil overhalen jou leuk te vinden, om vervolgens diens appjes langdurig onbeantwoord te laten.

Ergens die ochtend besloot ik de lunch te halen en dan te vertrekken. Het laatste uur was afschuwelijk. Ik probeerde te begrijpen waarom ik niet opstond en wegging. Ik had inmiddels zo’n zeven uur mediteerervaring en in die tijd was er niets veranderd. Geen nieuwe gedachten, geen andere gemoedstoestand, niets. Het was ontstellend saai. Een pijnlijk soort saai. Dat was de bedoeling, vermoedde ik, maar hoelang moet je saaiheid ondergaan om te constateren dat je die afdoende hebt ervaren? Ik wist nu dat ik verslaafd ben aan prikkels. Waarvan akte.

Toch stond ik niet op. Ik voelde diepe vernedering bij het idee ik de eerste zou zijn die knakte. Blijkbaar was niet-kleinzerig zijn enorm belangrijk voor mijn zelfbeeld. Ik herinnerde me ineens een boeiend essay dat stelde dat veel mannen het opzoeken en verdragen van pijn als een doel in zichzelf nastreven. Het leek me een idee van mannelijkheid dat ergens in de puberteit was blijven steken, of zelfs in een eerder tijdperk. Die relativering werd door het deel van mijn brein dat doorgaans nors zwijgend toekijkt, weggehoond als de uitvlucht van een mietje. Ik bleef zitten. Met tranen in de ogen haalde ik de lunch.

Na de lunch was er kort gelegenheid voor de deelnemers om vragen te stellen. Ik zei dat ik alleen maar bezig was met pijn en ademhaling. Hoe is dat als je heel ervaren bent in meditatie? De zenleraar antwoordde: precies hetzelfde. Iedereen heeft pijn. Een man naast me zei dat hij bijna was opgestaan tijdens het laatste uur. Anderen mompelden instemmend. Ik vroeg wat de functie was van de pijn. Je zou in beginsel ook comfortabel kunnen gaan zitten ademen. De leraar zei dat pijn je dwong om je focus in het hier en nu te houden. Ze voegde eraan toe dat als je het echt niet meer volhield, je op een stoel mocht gaan zitten.

De volgende zazen zat ik als enige in de kring op een stoel. Het voelde als het strafbankje. Gelukkig schreven de regels voor dat niemand je mocht aankijken. De ronde daarna zaten er ineens vier mensen op een stoel. Ik ging terug naar het kussen.

De rest van het weekeinde telde ik elk uur opnieuw hoeveel uren er nog zouden volgen. Ik wist nu dat ik zou blijven zitten tot het einde. De vraag was alleen nog hoe onaangenaam die beslissing zou uitpakken.

Er zat iets heel ironisch in het feit dat je een techniek gebruikt om middels pijn je ego uit te schakelen en dan te ontdekken dat het ego je juist beloont voor het opzoeken van pijn.

Ben je blij dat je het hebt gedaan, vroeg iemand na afloop. Jawel. Maar de zweethut had me destijds interessanter ontregeld.

Michel van EetenKommentieren