Onbegrepen
IMG_20181229_171019.jpg

Na een hilarische opvoering van Hamlet, toen mijn vrouw de jassen was gaan halen, bekende ik aan mijn kinderen dat ik een beetje had moeten huilen tijdens de slotscène, een opbeurend lied waarin de doden het gezelliger bleken te hebben dan de levenden. Dat was meteen nadat Angela Merkel en een tiental kleine Merkellinetjes met een Europese vredesmacht de geïmplodeerde Deense monarchie kwamen redden.
Waarom moest je dan huilen? vroeg Jules.
Ik begrijp het ook niet, zei ik eerlijk. Zo beginnen de beste gesprekken.
Kunnen we nu tikkertje doen op het plein? vroeg ze. Dat had je beloofd.
Ik knikte. Een oude man en zijn onbegrepen verdriet, dat vinden alleen oude mannen interessant.

Michel van EetenComment
Noorden
Naamloos.png

Op maandagochtend, na een uur of drie te hebben gestampt over glibberige dijken en door drassige weilanden, verlangde ik naar een rustpauze. De regen had me in een prettige cocon van melancholie gebracht, een rare combinatie van afwezig en aanwezig zijn in het ontvolkte landschap. Ik wachtte tevergeefs op een bankje of iets anders om op te zitten. In sommige gemeentes kom je om in de bankjes. In andere gemeentes lijkt het idee dat je ergens in het niets zou willen neerzijgen een volkomen absurd idee.

Bij een haakse bocht, om een dorpje te mijden aan de andere kant van de dijk, stopte ik met lopen en probeerde ik mezelf over te halen om dan maar in het modderige gras te gaan zitten. Maar de afstand tussen mij en het gras leek onoverbrugbaar. Ik boog voorover om mijn telefoon te raadplegen. Er zou een café in het dorpje zijn en het was zelfs open op maandagochtend.

Ik verliet de route richting het dorpje. Het heette Noorden. Wankele lintbebouwing op de rand van een veenplas, inclusief lantaarnpalen in alle standen behalve rechtovereind. En ook: een rechthoekige uitleg met enkele tientallen planmatige aangelegde rijtjeshuizen uit de jaren zestig. Iemand had ooit ambitie gehad met dit plaatsje, ondanks dat het op maximale afstand lag van alles dat je een bestemming zou kunnen noemen.

In het café stonden alle stoelen op de tafels. Er brandde licht, maar de deur zat op slot. Ik zeeg neer op de stoeprand. Een oude vrouw met een hond liep voorbij. Ze knikte en ik knikte terug.

Tegenover het café zag ik iets dat zichzelf een bistrobar noemde. De kans dat die wel open was op maandagochtend leek me klein, maar ik sleurde mijn rugzak om en liep erheen. De deur was niet op slot. De inrichting bleek verrassend hedendaags. Veel ongeschaafd hout, ironische wildtrofeeën, een marktkraampje met delicatessen. Het had niet misstaan in een middelgrote stad.

Tussen de tafeltjes stonden stofzuigers. Een oude man in een vissersbroek van PVC mompelde iets door zijn gedeeltelijk ontbrekend gebit heen. Ik vroeg of ze open waren. Hij mompelde weer iets dat ik uiteindelijk ontcijferde als ‘baas’. Hij wees naar iemand achterin de zaak. Ik herhaalde mijn vraag, nu iets luider. Ja, nee, ik ben nog aan het werk, antwoordde de baas, iemand van mijn leeftijd maar dan hipper gekleed. Omdat ik heel graag wilde zitten, legde ik dat antwoord uit in eigen voordeel. Voorzichtig begon ik mijzelf uit de regelkleding te takelen. Het genot van de fauteuil was zalig. Even overwoog ik mijn drijfnatte sokken ook uit te doen, maar ik wilde het geduld van de baas niet op de proef stellen. Tussen het stofzuigen door bracht hij me een kop thee. Een droevig kijkende hond meldde zich om geaaid te worden. Ik vroeg de baas hoe laat ze lunch serveerden. Ja, nee, om twaalf uur.

Ik zou een klein uur looptijd verliezen. Ach.

De baas stak haastig maar doortastend de open haard aan, ook al was er verder niemand in de bistrobar. Het is hard werken, hoor, op maandag, deelde hij mee. Ik nam me voor niet te karig te bestellen van de lunchkaart.

Ik las in mijn boek, dronk mijn thee en wachtte tot het twaalf uur was.

Een vrouw kwam binnen, keek verbaasd naar mij en begroette toen de man, die nu achter de bar scharrelde. Ze bond een schort om. Het was nu twaalf uur, maar ik durfde hen niet te roepen.

Toen gebeurde er iets onbegrijpelijks. De bistrobar liep helemaal vol. Alsof er bus was gearriveerd. Maar het waren allemaal losse stellen en gezelschappen die in het tijdsbestek van een kwartier binnendruppelden. In Delft zijn de meeste eetgelegenheden niet eens ’s avonds open op maandag. Hier, in het afgelegen Noorden, een dorp waar je niet eens toevallig door heen rijdt omdat het aan geen enkele verbindingsweg ligt, zat het vol voor de lunch.

Naast me keuvelden twee mannen van een jaar of veertig over of het te vroeg was voor winterbanden. Tegenover me zat een gepensioneerd stel met een oudere man, wellicht de vader van een van hen.

De serveerster meldde zich aan hun tafel. Of ze misschien een wijntje wilden of iets anders.
Een wijntje? De vrouw keek de tweede mannen aan. Die zeiden niets, maar keken hoopvol naar haar.
Ja doe maar, besloot de vrouw.
Rood of wit?
Weer keek ze naar de mannen. Ze glimlachten schaapachtig.
Doe maar wit.
Chardonnay, pinot grigio, of sauvignon blanc?
Er brak even paniek door op het gezicht van de vrouw.
Nu sprong de man, haar man vermoedelijk, in de bres. Doe maar chardonnay.
Alledrie?
Ja.
En wat mag ik te eten voor u brengen vandaag?
De vrouw bestelde de dagsoep en een broodje met twee kroketten.
De mannen wilden hetzelfde.
Toen de serveerster was vertrokken, boog de oude man zich naar de ander. Wat was dat nou?
Wat bedoel je? Chardonnay?
Zegt me niks, zei de oudste man.
Het is nat, zei de ander. En der zit alcohol in.
Toen zwegen ze een paar minuten.
Mooi vuurtje, zei de oude man.
Daarna keek hij even naar mij. Neutraal, zoals je naar een vogel kijkt op de rand van een bushokje. Ik besloot mijn sokken aan te houden.

Michel van EetenComment
Oneindig

Ik liep de afgelopen twee dagen het marskramerpad. Van Leiden, door de veengebieden in het Groene Hart, naar Breukelen, net boven Utrecht. Het bracht me door vreemde landschappen. Gisteren was er de mist die alles isoleerde en tegelijkertijd een oneindige ruimte schiep. Dingen zweefden in een uniform vlak zonder randen. Vandaag kwam de regen en werd de oneindigheid horizontaal. Uitgestrekte akkers en weilanden. Fabrieksmatig ingerichte ruimte die door de schaal iets bovenmenselijks krijgt. Boerderijen en bomen zijn rafeltjes aan de einde van de vlakte. Het enige dat de nabijheid van leven verraadde was de sporadische strook strontlucht en zo nu en dan een passerende tractor.

Aan het einde van de middag viel ineens mijn schoenzool eraf. Morgen dus noodgedwongen huiswaarts.

Michel van EetenComment
Bagagedrager
turks-fruit-fiets-dam-04.jpg

Jules zat achterop mijn fiets. Ze zit eigenlijk nooit meer achterop, maar vanochtend waren we te laat voor een afspraak bij de oogarts en ze melkte dat handig uit. We gaan veel sneller als ik achterop zit, pappa. Dat is waar. Bovendien geef ik me op zo’n moment van logistieke falen graag over aan een blinde drift om mijn trappers rond te malen alsof die het tijdverloop in het universum kunnen terugdraaien.

Na de afspraak fietsten we in de ochtendzon naar haar school, omgeven door de glinstering van smeltend rijp in de groenstroken. Haar handen lagen teder op mijn heupen. Onder die aanraking voelde ik mijn beenspieren zwellen en slinken bij elke trap, terwijl mijn heupbeen soeverein zweeft boven het zadel, alsof het ontkoppeld is van mijn benen. Een intieme sensatie die me deed denken aan prille middelbareschoolliefdes. Heeft er daarna ooit nog eens iemand zo haar handen op mijn heupen gelegd? Op een gegeven moment wordt iedereen zelfvoorzienend, vervoerstechnisch. Eigenlijk was het al raar dat het tijdens de middelbare school gebeurde, waar iedereen ook al zelf een fiets heeft. Dus wanneer gebeurde dat? Wanneer ze een lekke band had?

Als een vriendje een lekke band had, dan hield hij je niet vast bij je heupen. Toen ik dat zelf wel een keer deed, achterop bij een jongen die zo hard fietste dat ik bang was eraf te kukelen, mompelde hij: je kunt je ook aan de bagagedrager vasthouden, hoor.

Michel van EetenComment
Bubbel
Оптимист_и_пессимист.jpg

Ik ben hier blijkbaar te dom voor, zei D. geagiteerd. Wat hij bedoelde was: jij praat abstracte onzin. En ik dacht: wat ben jij toch een ongelooflijk arrogante eikel. Ik ga nu naar huis en wil niks meer met jou te maken hebben.

Meteen daarna zag ik hoe onpraktisch dit voornemen was, omdat D. een van mijn beste vrienden is en ik dan een heel nieuw iemand moet gaan inwerken.

Het ging weer eens over nationalisme en integratie en andere begrippen die als hondenstront aan je schoenzolen blijven zitten. Voor de derde keer in een maand raakte ik van de kook. Daar klopt iets niet. Andere mensen raken van de kook, ik niet. Mijn zelfbeeld, een woord dat in toenemende mate klinkt als een grap, meent dat mijn gevoelshuishouding is overgereguleerd. Normaal moeten mijn emoties langs allemaal mannetjes met slagbomen voordat ze tot mij doordringen, laat staan uitgesproken worden. Elk van hen controleert de papieren en vroeg of laat blijft er een slagboom dicht. Nee, meneertje, uw lading irritatie voldoet niet aan de invoereisen. Hier mag alleen goed onderbouwde boosheid naar binnen. Ik zie geen onderbouwing op de vrachtbrief staan. U zult moeten omdraaien. Luister, ik doe u een plezier, want mijn collega verderop is nog strenger. Zelfs als u een pallet rechtvaardiging bij u had, gaat hij u vertellen dat uw boosheid niet functioneel is in deze situatie en dus niet door mag. En dan zit u met dure opslagkosten daar. Nee, u kunt het beter nu meteen afvoeren naar de stortplaats. Is voor iedereen beter.

Als ik D. zie, dan zijn die mannetjes met verlof en staan alle slagbomen open. Dat is fijn, vriendschapstechnisch gezien, behalve die ene keer per jaar, als ik te laat door heb dat er een brandende vrachtwagen mijn gemoedstoestand komt binnengereden.

Terwijl: we voerden zo’n keurig gesprek. Vier mannen van middelbare leeftijd bespraken een boek van een Nobelprijswinnares over de teloorgang van de Sovjet-Unie. Keuriger wordt het niet. We debiteerden observaties, af en toe een keurige mening, afgewisseld met een vriendelijk woord over de Italiaanse wijn.

Toen we daar heel tevreden zaten te soezen in onze geestelijke rijkdom, ging het gesprek ongemerkt naar nationalisme en integratie en vreemdelingen en allemaal woorden die inmiddels bij mij de alarmbellen doen afgaan. D. debiteerde meningen en ik dacht: jezus, jij ook al? Jij tuimelt ook al in deze valkuilen?

Heel even zag ik de toekomst vergaan. Ik begin te veranderen in een cultuurpessimist, een hobby waar ik altijd enorm op heb neergekeken.

Ineens had ik enorme behoefte aan een bubbel, aan een kleine kring van gelijkgestemden die je de illusie geven dat de buitenwereld langzaam aan het doordraaien is, maar dat er hier, rond de tafel, troost is te vinden. Sommige mensen zien de bubbel als de oorzaak van het probleem. Maar zelfs een racist gun ik een bubbel. Een racist zonder troost is gevaarlijker dan eentje met, speculeer ik.

Michel van EetenComment
Symbiose
clownfish_sea_anemone-581b994d3df78cc2e879cc71.jpg

Ik heb een nieuwe profielfoto nodig, zei mijn vrouw. Voor op mijn werk. Op die ik nu heb, lijk ik wel 18.
    Wanneer was die foto dan gemaakt? vroeg ik.
    Tijdens een interview voor het bedrijfsblad, net nadat ik mijn proefschrift had verdedigd. Jules was nog niet geboren.
    Dan is het tijd voor een nieuwe foto, ja.
    Jij krijgt natuurlijk steeds leuke foto’s van je uitgever en zo. Maar hoe moet ik dat doen?
    Dan ga je bij een fotograaf langs.
    Nee, ik wil niet bij een fotograaf. Ik vind mezelf altijd zo stom uitzien op foto’s.
    Hoe doen je collega’s het dan?
    Sommige kiezen gewoon een vakantiefoto met een of ander Grieks eiland op de achtergrond. Of eentje met hun kinderen. Maar veel hebben ook iets professioneels, met zo’n studioachtergrond.
    Dat heet een fotograaf.
    Ja, oké.
    Dat zie je eigenlijk alleen bij vrouwen, profielfoto’s met kinderen. Bij mannen kom ik dat zelden of nooit tegen.
    Dat is omdat vrouwen meer symbiotisch zijn met hun kinderen dan mannen.
    Ik wilde meteen deze theorette tot de grond toe afbreken. Een van de voordelen van huissloof te zijn, is dat je dit soort folklore niet over je kant hoeft te laten gaan.
    Ik kan mensen niet te dicht bij me in de buurt hebben, vervolgde mijn vrouw. Maar bij de kinderen heb ik dat totaal niet. Vrouwen vinden het gewoon normaler om de kinderen als deel van zichzelf te zien. Mannen hebben dat minder.
    Hou toch op, dat heeft niets met normaal of symbiose te maken. Dit gaat om een profielfoto, de hele functie van dat ding is dat je eigen hoofd centraal staat. Dan staan er niet toevallig kinderen op die foto. Je weet ook hoe dit werkt, die vrouwen hebben tientallen foto’s doorgespit om een leuk exemplaar te vinden. En dan komen ze heel toevallig uit op eentje met de kinderen. Die waar ze alleen op staan, zijn gek genoeg allemaal niet zo leuk. Nee, die kinderen worden hier ge-appropriate voor eigen doeleinden. Ze worden gebruikt als een soort magische make-up.
    Pappa, waarom maak jij niet een leuke foto van mamma?
    Nee, schatje, dat is te gevaarlijk. Dat moet je aan professionals overlaten. 

Michel van EetenComment