Draaikolk
anp-66595772.jpg

Iemand die me een warm hart toedraagt, probeerde een interview te versieren bij een krant. Ter promotie van mijn roman. Hij vroeg of ik een link kon leggen tussen de roman en de actualiteit van de gele hesjes. Het enige denkbare antwoord op die vraag is Ja. Dat is het deel van het fenomeen boekverkoop dat ik praktiseer: op alles ja zeggen.

Toen moest ik dus die link gaan leggen. Ik las een paar artikelen over de gele hesjes. Onmiddellijk zat ik te oordelen. Het is moeilijk over boze mensen te lezen zonder eerst hun boosheid te wegen. Elke boosheid wil iets. Het is zelf een oordeel. En zo roept het ene oordeel het andere op. Een draaikolk. En onderin die kolk bevind zich de zuigende kracht die de draaiing gaande houdt: jezelf moreel hoger of lager te achten dan anderen.

Het deed me denken aan een mooie passage in My Name Is Lucy Barton: “It interests me how we find ways to feel superior to another person, another group of people. It happens everywhere, and all the time. Whatever we call it, I think it’s the lowest part of who we are, this need to find someone else to put down.

Terzijde: ik heb de laatste weken meer tijd op Twitter doorgebracht dan in de voorafgaande vijf jaar bij elkaar. Nu pas viel me op hoezeer Twitter een wereldomspannende beoordelingsmachine is. Nagenoeg alles kan worden weggelaten uit een tweet, maar niet het oordeel. Goed fout leuk stom schandalig grappig mooi ontroerend onrechtvaardig. Honderden miljoenen uren aan inspanning om de werkelijkheid te recenseren.

Als ik iets moet vinden van, zeg, gele hesjes, als ik niet opzij kan stappen, noem het apathie, noem het vluchten, noem het verstrooiing, als dat allemaal niet kan, dan is de melancholie niet ver meer weg. The lowest part of who we are. De link met mijn boek leggen zou ook het boek in de draaikolk zuigen.

Langzaam verschoof mijn opdracht van het leggen van de link naar het niet ondankbaar willen zijn, het niet willen teleurstellen van de persoon die het interview voor mij wilde versieren. Ik stuurde hem een paar zinnen. Iets over de strijd tussen politiek over vijanden versus politiek over systemen. Als je je ogen een beetje dichtkneep en meteen daarna iemand je riep dat het eten klaar was, kon het doorgaan voor een inzichtje. ‘Super interessant,’ schreef hij terug. Zoals altijd bleef ik achter met het voornemen om me beter te verdiepen in zaken waarover ik iets had beweerd. Dat voornemen hinkt achter me aan als trouwe oude hond die er niets aan kan doen dat hij binnenkort een spuitje gaat krijgen.

Betrapt
green-tea-white-mug-1296x728.jpg

Ondanks mijn sabbatical fietste ik naar de universiteit, naar mijn kantoorkamer, voor een afspraak met iemand van een ministerie. Ik constateerde dat ik geen tegenzin voelde. Bijna opluchting, zelfs. De dag had nut, de dag werd door anderen ingevuld. Het is ongemakkelijk om voor je eigen nut verantwoordelijk te zijn. En blijkbaar kan ik moeilijk zonder nut.

Ik word geleefd, zei ik toen ik het erg druk had. Vandaag wilde ik graag geleefd worden.

De eerste die ik sprak was de Spaanse collega die ook bij afspraak zou aanschuiven. You suck at doing a sabbatical, zei hij. Daarna brandde hij los over kwesties die hij wilde bespreken.

Ik haalde thee. Tegenwoordig ben ik een theedrinker. Het kan raar lopen in een mensenleven. Bij de automaat zei iemand lachend: wat kom jij doen? Iemand anders zei: jij was toch met sabbatical? Er zat een ondertoon van leedvermaak in, dat ik faalde in mijn sabbatical. Leedvermaak is vorm van jaloezie. En ik lachte alsof ik betrapt was. Ik wilde de jaloezie koesteren.

Hagedis
lizard-2708667_960_720.jpg

Ik moet je toch even iets zeggen, zei vriend W. We zaten in een verlaten brasserie net voorbij de slagboom van wat een vakantiepark scheen te zijn, een uur of twee lopen vanaf Venlo. Vriend D. was even naar het toilet.
Oké, zei ik
Als je praat, dan zwelt er hier in je hals een enorme ader op. Echt enorm. Vooral als je opgewonden praat.
Oké, zei ik. Ik had net opgewonden gepraat. Mijn vingertoppen betasten de aangewezen plek. Ik voelde iets met de substantie van een blaar. Huid over vocht.
W. had mij om advies gevraagd over een frustrerende kwestie in zijn loopbaan en het advies was nogal met mij aan de haal gegaan. Vriend D. had opgemerkt dat W. in tranen zat. Ik had de tranen niet gezien, omdat ik zijdelings naast W. zat. Maar je kon er ook minder geruststellende redenen voor aanvoeren.
Nu verdwijnt ‘ie, zei W. Wacht, ik maak snel een foto.
Ik keek ongemakkelijk naar buiten, terwijl hij zijn telefoon met gestrekte arm in mijn richting hield.
Toen toonde hij me de foto. Links in mijn hals zat een hagedis onder mijn huid. Met rare knobbels en vertakkingen. Ik werd acuut misselijk en gaf hem de telefoon terug. Ik slikte een paar keer en onderdrukte de neiging om opnieuw de plek te betasten, een deel van mijn lichaam waartegen ik ineens een grote weerzin voelde.
Wat moet ik met die informatie? vroeg ik, deels aan mezelf.
Misschien moet je er toch even een dokter naar laten kijken, zei W. glimlachend. Die rechtvaardiging kwam er iets te monter uit, naar mijn smaak.
Wie had er nog meer naar de opgezwollen hagedis zitten kijken? Keek mijn vrouw hier al jaren naar? Ik praat niet vaak opgewonden thuis, maar tijdens seks was de hagedis er wellicht ook en je moest al zoveel dingen vergeten om seks te hebben. Daarna dacht ik aan mijn manier van praten tegenover collega’s en studenten. Het woord bevlogen, waar ik evaluaties gretig op uitpluis, was zijn charme enigszins kwijt.
Waarom had W. me met deze kennis opgescheept? Werd hier iets verrekend? Hij was ook de eerste die ooit opmerkte dat ik een kale plek kreeg op mijn kruin, herinnerde ik me ineens. Aan de andere kant: het is een bewierookt ingrediënt van goede vriendschap dat de ander bereid is je een ongemakkelijke waarheid te vertellen, een spiegel voor te houden. Of in dit geval een foto.
D. kwam terug van het toilet. We betaalden de lunch en gingen weer op weg. We spendeerden een aangenaam etmaal met elkaar. Ergens in dat etmaal was ik de hagedis weer vergeten.
Gisteravond vroeg ik W. of hij de foto’s van het weekeinde wilde delen. Toen ik door de collectie bladerde, bleek dat hij ook de weerzinwekkende foto van mijn hals had meegestuurd. O ja, dat. Ik merkte dat het voor acceptatie nog te vroeg was, dus moet ik de hagedis opnieuw proberen te vergeten. De tweede keer lijkt me dat een stuk lastiger.

Sinterklaasloze horizon
plus-bomenwijk.jpg

Er stond een roedel zwarte pieten bij de Plus. Ik telde één roetveegpiet. Het gezelschap had van de ingang een slalomparcours gemaakt. Op het parcours hing een broeierige verveling. Elke passant kreeg commentaar. Jules, mij jongste, kreeg strooigoed aangeboden door een piet. Ze nam het aan. Daarna bood nog een andere piet haar strooigoed aan. Ze schudde haar hoofd en lachte haar innemendste lach. Hoezo niet, vroeg de piet? Hou je niet van snoep? Ze liep door. Opnieuw bood een piet haar snoep aan. Nee? Waarom niet? Hé? Waarom niet? Hou je niet van snoep. Of mag het niet van pappa?

We waren binnen. Daar bleek Sinterklaas te staan. Jules’ lach zat gebeiteld op haar gezicht en haar blik was op een Sinterklaasloze horizon gericht. Toen passeerden we de poortjes en bereikten we de traditievrije zone.

Gelukkig vroeg Sinterklaas niets aan me, zei ze. Want ik geloof niet eens in hem.

Michel van EetenKommentieren
Opzichtig
masculinity-modernity-1-638.jpg

Het essay over masculiniteit dat ik gisteren aanhaalde, bevat een pijnlijk rake typering van gedrag dat ik ook vertoon: “showboating asceticism”. Wat mijn vrouw aanhaalt, vaak positief, als mijn soberheid, is tegelijkertijd ook opzichtig. Het wil gezien worden. Het herkennen van dit soort absurdisme in jezelf maakt de huidige discussie over “male privilige” soms vervreemdend. Of, zoals Phil Christman vraagt:

“Why, from the top of a nasty gender hierarchy, should we feel so risible?”

Klik hier voor het hele essay What Is It Like to Be a Man?

Michel van EetenKommentieren
Zazen (slot)
717wHetbWYL._SL1000_.jpg

(Wat er voorafging: 1, 2.)

Om vijf uur werden we gewekt en een half uur later zaten we alweer op de matjes. Ik had besloten om naar huis te gaan, maar om half zes in de ochtend is doortastendheid een schaars goed. We gingen zingen. Sutra’s. Dat was verrassend opbeurend. We dreunden lange reeksen Japanse lettergrepen, voortgestuwd door iemand die een straf tempo sloeg op een houten vis. Het dreunen werd hier en daar dramatisch geaccentueerd met een hengst tegen een klankschaal, een fijn noodklokachtig effect.

Daarna begon, jawel, het mediteren. Ontbijten was voor later. Dat vond ik prima. De gedachte aan een boterham riep geen enkele lust bij me op. Misschien begon ik me los te maken van aardse behoeften.

Ik ademde en telde en probeerde vriendschap te sluiten met de vlijmende pijn die alweer snel was teruggekeerd in mijn rug – het soort vriendschap waarbij je vooral de ander wil overhalen jou leuk te vinden, om vervolgens diens appjes langdurig onbeantwoord te laten.

Ergens die ochtend besloot ik de lunch te halen en dan te vertrekken. Het laatste uur was afschuwelijk. Ik probeerde te begrijpen waarom ik niet opstond en wegging. Ik had inmiddels zo’n zeven uur mediteerervaring en in die tijd was er niets veranderd. Geen nieuwe gedachten, geen andere gemoedstoestand, niets. Het was ontstellend saai. Een pijnlijk soort saai. Dat was de bedoeling, vermoedde ik, maar hoelang moet je saaiheid ondergaan om te constateren dat je die afdoende hebt ervaren? Ik wist nu dat ik verslaafd ben aan prikkels. Waarvan akte.

Toch stond ik niet op. Ik voelde diepe vernedering bij het idee ik de eerste zou zijn die knakte. Blijkbaar was niet-kleinzerig zijn enorm belangrijk voor mijn zelfbeeld. Ik herinnerde me ineens een boeiend essay dat stelde dat veel mannen het opzoeken en verdragen van pijn als een doel in zichzelf nastreven. Het leek me een idee van mannelijkheid dat ergens in de puberteit was blijven steken, of zelfs in een eerder tijdperk. Die relativering werd door het deel van mijn brein dat doorgaans nors zwijgend toekijkt, weggehoond als de uitvlucht van een mietje. Ik bleef zitten. Met tranen in de ogen haalde ik de lunch.

Na de lunch was er kort gelegenheid voor de deelnemers om vragen te stellen. Ik zei dat ik alleen maar bezig was met pijn en ademhaling. Hoe is dat als je heel ervaren bent in meditatie? De zenleraar antwoordde: precies hetzelfde. Iedereen heeft pijn. Een man naast me zei dat hij bijna was opgestaan tijdens het laatste uur. Anderen mompelden instemmend. Ik vroeg wat de functie was van de pijn. Je zou in beginsel ook comfortabel kunnen gaan zitten ademen. De leraar zei dat pijn je dwong om je focus in het hier en nu te houden. Ze voegde eraan toe dat als je het echt niet meer volhield, je op een stoel mocht gaan zitten.

De volgende zazen zat ik als enige in de kring op een stoel. Het voelde als het strafbankje. Gelukkig schreven de regels voor dat niemand je mocht aankijken. De ronde daarna zaten er ineens vier mensen op een stoel. Ik ging terug naar het kussen.

De rest van het weekeinde telde ik elk uur opnieuw hoeveel uren er nog zouden volgen. Ik wist nu dat ik zou blijven zitten tot het einde. De vraag was alleen nog hoe onaangenaam die beslissing zou uitpakken.

Er zat iets heel ironisch in het feit dat je een techniek gebruikt om middels pijn je ego uit te schakelen en dan te ontdekken dat het ego je juist beloont voor het opzoeken van pijn.

Ben je blij dat je het hebt gedaan, vroeg iemand na afloop. Jawel. Maar de zweethut had me destijds interessanter ontregeld.

Michel van EetenKommentieren