Het zijn vreemde dagen.
Gezinsgeluk is een soort verdoving. Zo een waar je een zekere lichtheid van in je hoofd krijgt.
Ik poetste net een streepje poep van de wc-bril. Vera moest zelf haar billen afvegen omdat ik iets met Jules aan het doen was. Weet niet meer wat. Er was me verteld dat ze inmiddels zelf haar billen kan afvegen, maar tot nu toe zag ik geen noodzaak die vaardigheid in te schakelen. Delegeren is vaak een synoniem voor inefficiëntie.
Over inefficiëntie gesproken, onze politici hebben het steeds vaker over mensen ‘in het spitsuur van hun leven’. Meestal gevolgd door iets wat empathie moet uitdrukken. Ik ben bang dat ik strikt genomen tot de doelgroep behoor van die boodschap en dat bevalt me maar matig. Ik vond het prettiger toen politici me geen empathie probeerden te verkopen. Toen voelde ik me aangesproken door een categorie als ‘de oppassende burger’. Prima lui, de oppassende burgers, je hebt er geen omkijken naar, maar het zijn ook een beetje sukkels. Juist die sukkeligheid ontsloeg de politieke woordvoerders van de plicht tot empathie.
Het gezinsgeluk kende dit weekeinde een ongewone cesuur. Mijn vrouw reisde met enkele vriendinnen en alle bijbehorende kroost af naar een vakantiepark. Halverwege het weekeinde meldde ze telefonisch dat het weliswaar verschrikkelijk was, het vakantiepark, maar toch ook wel erg prettig.
De markt kent ons beter dan wij onszelf en dat is soms confronterend, maar zelden onprettig.
Ik keek dit weekeinde zeven films. (Meest verrassend: Unser täglich Brot.)
Zondagavond besloot ik mijn laptop van een schone installatie van Windows te voorzien. Ik heb nooit geprobeerd geluk te definiëren, maar het is in ieder geval dit: een schone Windows-installatie.
Alleen ging het mis. De laptop liep voortdurend vast. Wat ik ook deed, het hielp niet.
Uiteindelijk stopte ik de vorige harde schijf er weer in, waarop een oude, maar functionerende installatie stond.
Prompt liep die ook vast.
Het duurde nog een avond en een ochtend voor ik het euvel had gevonden. Ik had tijdens de schone installatie ook nog even snel een BIOS-update gedaan. Even snel, dat is een omineuze uitdrukking in deze context. De update had de IRQ’s van alle randapparaten op hetzelfde nummer gezet. Niemand wil dit weten, maar ooit ga ik dit stukje teruglezen en me afvragen wat het euvel ook alweer was. Ik kan alle crises die me als computerbezitter hebben bezocht in groot detail construeren. Daar streef ik niet naar. Sommige vaardigheden maak je je eigen ondanks jezelf.
Vanochtend, vlak voordat ik Vera uit school ging halen, was het opgelost. Vera gaat af en toe een ochtend ‘wennen’ – zoals dat heet in het jargon van de kinderprofessionals. Een soort Jip en Janneketaal waarin het woord ‘lekker’ sterk oververtegenwoordigd is. Ook deze ochtend had Vera weer een ‘lekker ochtendje’ gehad. Het onderwijs is zoals bekend gefeminiseerd en de populariteit van ‘lekker’ is daar een direct gevolg van. Je hoort het ook op andere plekken. Lekker in je vel zitten. Of: Lekker even een weekendje weg zijn. Of: Lekker dan.
Het is een bepaalde groep vrouwen die deze zes letters de kracht toeschrijft het leven tot zijn essentie te reduceren.
Ik dwaal af. Vera gaat dus naar school. Zo goed als. Het is een constatering die onvermijdelijk de verzuchting uitlokt dat het allemaal zo snel gaat. Daar kan ik niets tegen in brengen. Het gaat snel. Weemoed is onmiskenbaar deel van het gezinsgeluk.
De afgelopen dagen woonde ik een conferentie bij van onderzoekers en ambtenaren. Er is een lange periode geweest waarin ik nauwelijks conferenties bezocht. Het moderne kantoorbestaan heeft rituele vormen van zingeving nodig, maar ik had de indruk dat de rituelen beter gedijden in mijn afwezigheid.
Dat is langzaam veranderd, moet ik inmiddels constateren. Gisteren werd me duidelijk waarom: Ik ben een zakkenroller geworden. Terwijl het ritueel wordt uitgevoerd, snuffel ik rond in de zakken van de aanwezigen. Mijn bezoek is geslaagd als ik naar huis kan met een paar curieuze feitjes of amusante ideeën.
Zo hoorde ik gisteren dat de meldkamer van de politieregio Amsterdam-Amstelland per dag zo’n 200 bommeldingen binnenkrijgt. Deze informatie beurde me enorm op. De mensen die de telefoon beantwoorden besluiten in bijna alle gevallen de betreffende informatie te negeren. Daarvoor moeten we ze dankbaar zijn. Zodra een melding wordt voorgelegd aan een superieur is escalatie nauwelijks meer te voorkomen. Dan moet iedereen ineens zijn taak gaan uitvoeren. Waar dat toe leidt zagen we eerder dit jaar rond de Ikea in Amsterdam.
Tijdens het diner hoorde ik nog de interessante theorie dat de films van Walt Disney worden getekend door mannen met een moedercomplex. In veel verhalen komt de moeder op brute wijze om het leven. Ik moet toegeven dat ik het een van de charmantste eigenschappen vind van die films.
Waar komt Barbapappa vandaan? Ik zal het maar meteen zeggen: uit de grond. Als een soort bloembol. Nee, ik geloofde het eerst ook niet.
Sinds Vera Youtube heeft ontdekt worden allerlei jeugdmysteries ontrafeld. Zo weet ik ook sinds kort waarom ik het liedje van Peppi en Kokki nooit verder kon zingen dan ‘toet toet, boing boing, Peppi en Kokki’. Omdat het namelijk onnazingbaar is.
Voordat ze Youtube ontdekte, keek ze filmpjes uit een door mij met veel zorg aangelegde videotheek op de multimediacomputer in onze woonkamer. De typering ‘met veel zorg’ is niet overdreven. Zo ben ik drie avonden bezig geweest met het omzeilen van de kopieerbeveiliging van Jungle Book en het omzetten van het DVD-formaat naar een makkelijk afspeelbaar videobestand, met behoud van beeldkwaliteit. Vooral dat laatste blijkt een soort anale fixatie bij me op te roepen. Bij het afspelen drukte ik mijn neus tegen het dertig inch beeldscherm, speurend naar compressie-artefacten. Als ik teveel blokjes zag, deed ik de hele conversie weer over, met andere instellingen. Het uiteindelijke resultaat heb ik een paar keer met veel bevrediging aanschouwd. Haarscherp en toch tot een vijfde van de omvang teruggebracht. Niet dat die verkleining nodig was, met twee terabyte aan opslagruimte. Maar zelfopgelegde beperkingen verhogen de arbeidsvreugde.
Toen ontdekte Vera Youtube. Sindsdien kijken we elke avond na het badje naar een gruwelijk korrelig filmpje. Vera wuift compressie-artefacten wel heel achteloos weg. Dat heeft ze van haar moeder.
Afijn. Barbapappa dus.
Vooral de Duitse Barbapappa is op Youtube terug te vinden. Die bevalt mij ook beter, al was het maar om het vibrato van de meneer die Barbalalaaaaaaaaaa zingt. Die gaat met plezier naar zijn werk, dat hoor je meteen. Ook hoor ik liever Ra-Ro-Rick, Barbatrick, dan Huup Huup, Barbatruuk. Het rijmt, meer zeg ik niet.
Op een gegeven moment vroeg Vera om de aflevering “van de vingernas, van dat Barbapappa gesloten is”. Vingernas is gevangenis. En inderdaad, ik zag een plaatje van Barbapappa achter tralies. Titel: Die Geburt. Rare titel, dacht ik nog.
Het begint met een keurig Duits gezin. Papa met snor, aktetas en hoedje, moeders de vrouw onzichtbaar in een huisje, een poes en twee van die kinderen die altijd vrolijk zijn, maar nooit eens een leuk idee hebben.
Terwijl de kinderen, een jongen en meisje, in de tuin spelen, zie je onder de grond een roze bloembolletje met twee oogjes. Of zoals de verteller zegt: Ein winziges Klumpchen. Toen regende het en begon het Klumpchen te wuchsen. Te groeien, als het ware. Uiteindelijk komt Barbapappa uit de grond en stelt zich in vlekkeloos Duits voor aan de twee kinderen. Het eerste dat die doen is hem meenemen naar Vati en Mutti. Dat soort kinderen, inderdaad.
‘Een Barbapappa?’ zegt de vader. ‘Wat moet ik daarmee? We hebben al een poes. Ik roep de dierentuin aan.’
Even later wordt Barbapappa afgevoerd in een kooi, huilend.
Gelukkig weet hij uiteindelijk te ontsnappen.
De volgende aflevering blijkt hij vreemd genoeg weer terug te zijn bij die saaie kinderen en hun vader, die vindt dat een poes al bont genoeg is als huisdier.
Dan volgen enkele tragische verhalen over de zoektocht van Barbapappa naar andere Barbapappa’s. Die kinderen hobbelen wat achter hem aan, maar ze zullen nooit eens zeggen: Zal ik de raket misschien even van je overnemen, Barbapappa? Of: Waarom zet je niet een advertentie op Markplaats?
Uiteindelijk vindt Barbapappa een Barbamamma. Hij is net terug uit het heelal, wanneer ze als een mol uit de grond opduikt. Zonder aarzeling verklaart Barbapappa haar de liefde en ze trekken zich terug in een huisje. De volgende ochtend stapt Barbapappa met een blik van bevredigde wellust uit de voordeur en blijkt mamma de buidel vol eitjes te hebben. Die stoppen ze in de grond.
Juist.
Kort daarna dumpt Barbapappa eindelijk de duffe kinderen. Die duiken enige jaren later op als sidekicks van Pippi Langkous, waar hun rol zich beperkt tot het spuien van burgerlijke bezwaren bij Pippi’s plannen. Zodat kindjes als ik zich ook met iemand konden identificeren.
Blijft de vraag waar het eitje van Barbapappa vandaan kwam. Is er nog ergens een Barbapappapappa? We hebben nog heel veel afleveringen te gaan, maar ergens hoop ik dat een rechthebbende zich binnenkort bij Youtube meldt en alle filmpjes offline laat halen.
Toen ik vertelde dat ik naar een helderziende ging, maande mijn vrouw me aan wel eerlijk te zijn tegen de man.
Maar het mooie van deze helderziende bleek dat je niet tegen hem kon liegen. Niet doelgericht, in ieder geval.
De helderziende heet Joost. Na afloop van onze sessie vroeg ik hem hoe hij zijn beroep benoemde. Hij zei: ‘Energie-reader.’ Dat lijkt me een geschikte naam voor een relatiegeschenk van Nuon. Of misschien voor de meteropnemer, wanneer managers besluiten dat de functieomschrijving ‘meteropnemer’ in al zijn nauwkeurigheid iets te weinig allure uitstraalt. Ik vond het enigszins ontsierend, misschien omdat ik die voorliefde niet begrijp voor het rondstrooien van brokjes Engels.
In het afgelopen jaar heeft Joost een kleine schare webloggers en schrijvers op bezoek gehad. Hij nodigt ze uit. De afspraak is: hij leest je energie en jij schrijft er een stukje over. Die stukjes plaatst Joost vervolgens op de site van zijn praktijk. Een van de sympathiekere vormen van marketing.
Op zijn eerste uitnodiging antwoordde ik terughoudend. Ik heb me vroeger door verschillende geliefdes laten overhalen me ‘open te stellen’ voor esoterische praktijken en die ervaringen hebben mijn nieuwsgierigheid tamelijk vakkundig uitgeroeid.
Na zijn tweede uitnodiging realiseerde ik me ineens dat ik mijn eigen scepsis niet meer interessant vond. Ik geloof er niet in, prima. Dat is nog geen reden je energie niet te laten readen.
En zo zat ik gistermiddag op een stoel in een bovenkamertje aan een Utrechts woonerf. Op zo’n stoel die je dwingt rechtop te zitten.
Joost zat op een identieke stoel recht tegenover me, op een meter afstand.
Terwijl hij zich concentreerde bekeek ik het interieur. Er lagen allerlei stenen op tafeltjes en plankjes, het soort stenen dat, om mij onbekende redenen, mensen in het alternatieve circuit tot een grote verzamelwoede weet te brengen.
Toen zag ik, tussen de stenen, een kleine bandiet.
Een zwart playmobielpoppetje met een zwarte cowboyhoed, een zwarte zakdoek over zijn neus en mond, twee kogelriemen om het bovenlijf en in elke hand een pistool. Alleen al dat bandietje maakte de reis naar Utrecht de moeite waard. Ik probeerde te bedenken wat het verhaal was van het bandietje. Dat er een verhaal was, leek me duidelijk.
Joost keek me recht in de ogen en zei dat hij af en toe zijn ogen dicht zou gaan doen. Dat vond ik een geruststellende mededeling. Ik kan niemand langer dan enkele seconden in de ogen kijken. Dan krijg ik het gevoel dat er stoppen op het punt staan door te slaan, ergens vlak achter mijn ogen. Met een uiterste wilsinspanning kan ik die tijdspanne soms oprekken, bijvoorbeeld als ik het idee heb dat wegkijken mijn zojuist gedane bewering leugenachtig doet voorkomen. Overigens zegt mijn vrouw dat ik dan gekweld kijk, hetgeen mijn waarachtigheid evenmin bevordert.
De sessie duurde anderhalf uur. Ik zei niets, op de mededeling na dat ik niets te zeggen had. Joost vroeg me alleen af en toe mijn naam uit te spreken.
‘Hallo, Michel van Eeten,’ antwoordde hij dan. Glimlachend. Met zijn ogen dicht.
Tijdens de sessie vertelde hij wat hij in mijn energie zag. Ik had niet verwacht iets nieuws te horen en hoorde dat dan ook niet. Wat niet wil zeggen dat het onjuist was of oninteressant. Maar ik vermoed dat een trouwe lezer van dit weblog me even accuraat zou kunnen ontleden.
Wat me voor Joost innam is dat hij zeer zorgvuldig en helder formuleerde. Dat hield hij anderhalf uur lang vol, ook als hij toch alleszins vage observaties probeerde te articuleren. Ik dacht: esoterie zou een stuk verdraaglijker zijn als andere beoefenaren dezelfde taalbeheersing als Joost zouden hebben.
De sessie begon met een sterk beeld dat mijn huidige preoccupaties zeer handzaam samenvatte. Gaandeweg de reading merkte ik dat mijn aandacht aan het verschuiven was. Ik begon Joost interessanter te vinden dan de mededelingen over mezelf. Na afloop probeerde ik hem te interviewen, maar hij moest zijn kinderen van school halen, dus dat was niet mogelijk. Ons schoolsysteem predikt tolerantie, zolang als iedereen maar tijdig zijn kinderen komt afhalen.
We namen afscheid bij zijn voordeur. Ik fietste twee keer verkeerd voor ik de uitgang van het woonerf had gevonden.
Ik keek voetbal. Mijn vrouw kwam even naast me zitten. Ze komt graag naast me zitten als ik voetbal kijk, want dan zit ik stil en kan ze op mijn schoot slapen.
Vroeger wilde ze nog wel eens vragen welke competitie het was. Het antwoord beklijfde niet, dus die vraag hebben we achter ons gelaten.
De bal werd wat breed gespeeld, onderschept en weer breed gespeeld. Het soort voetbal dat veel mannen in mijn omgeving deed klagen dat de samenvattingen van RTL te lang waren.
Alleen mensen die niet van voetbal houden zeggen zoiets. There is no such thing als een te lange samenvatting.
Een korte samenvatting kijken is alsof je van de Tour alleen alle eindsprints bekijkt, van Idols alleen het winnende lied luistert, van een boek alleen de, nou ja, samenvatting leest.
Maar ik ben alleen in die mening, schijnt.
Ik mis evenzeer de analyses van Jan van Halst. Ook dat is een vrij eenzaam soort missen. Gelukkig kan ik bij Match of the Day nog wel fijne ontledingen zien van verdedigers die precies op tijd inschuiven of falende zonedekking op het middenveld of hoe het toch mogelijk is om tussen de linies te spelen terwijl je tegenstanders dat proberen te beletten.
Een rood poppetje wierp in, waarna het eindeloze zoeken naar de vrije man op het middenveld weer verder ging. Ondertussen werd er jolig gezongen op de tribunes.
Toen zei mijn vrouw ineens: Zo is het veel spannender dan een samenvatting.
Ik keek naar haar hoofd in mijn schoot. Ze wil nog wel eens praten in haar slaap, al ging dat tot dusver nooit over voetbal. Maar ze sliep niet.
En ik dacht: het huwelijk is een mooie uitvinding.
Het linker toilethokje was vrij.
Het rechter ook, maar daarin is het licht al maanden stuk. Voorafgaand aan het overlijden heeft de spaarlamp dagenlang onregelmatig geknipperd, waardoor de stoelgang een nogal surrealistische aangelegenheid werd.
Ik ging het linker hokje binnen. Hier is de toiletbril stuk. Een van de klemmen is verdwenen. Bij een onvoorzichtige beweging komt de gehele bril los van de pot.
Al maanden lang ga ik er van uit dat de reparaties nu elk moment kunnen plaatsvinden. Ik heb zelf de defecten niet gemeld aan het gebouwbeheer. Enkele tientallen mannen maken gebruik van dit toilet en een van hen zal bellen. Dat was de aanname, in ieder geval. Zo werkt het ook bij defecte kopieerapparaten.
Maar er is een verschil.
Kopieerapparaten worden ook door vrouwen gebruikt.
Ik heb geen kennis uit eerste hand van de staat van onderhoud van de vrouwentoiletten, maar ik maak me sterk dat een defect binnen een dag aan gebouwbeheer zou zijn gemeld. Als het de volgende dag nog niet verholpen zou zijn, zou er opnieuw gebeld worden.
Nee, dan de mannen. Enkele tientallen mannen, mezelf incluis, blijken al maandenlang in een soort chicken game verwikkeld zijn: Welke sukkel gaat er bellen.
Ondertussen draperen we voorzichtig onze billen op de loszittende toiletbril. En zuchten we als we onnadenkend het andere hokje inlopen, de deur op slot doen en dan vervolgens merken dat het licht het niet doet. Wat we al wisten. Het mooiste is het moment dat dan volgt: de zojuist ingesloten man drukt nog een keer of drie op de lichtknop. Dat kun je goed horen vanuit het linker hokje. Klik klik klik. Dan de zucht, dan het slot dat wordt opengedraaid, dan de deur die zich opent, dan het wegbenen uit de toiletruimte.
O ja, en dan het niet bellen.
Vandaag besloot ik, voorzichtig zittend in het linkerhokje, dat ik ging bellen.
Of nee, dat ik de secretaresse ging vragen om te bellen.
De enige vraag was nog of ik dat per email ging doen of dat ik de vijf meter zou lopen naar haar kamer. Het liefst natuurlijk per email, maar het respect van secretaresses is niet iets om lichtvaardig te verspelen.
Tijdens het handenwassen had ik mijn besluit genomen.
Net voor ik naar buiten liep, opende ik de deur van het rechterhokje. Ik drukte op de knop. Er gebeurde niks. Net toen ik de deur weer wilde sluiten, sprong de lamp aan. De spaarlamp, moet ik zeggen.
Verbluft verliet ik de toiletruimte.
Ooit heeft onderzoek beweerd dat menstruatiecycli synchroon gaan lopen bij samenwonende vrouwen. Misschien zijn wij, de tientallen mannen die dit toilet bezoeken, ook gesynchroniseerd geraakt. Ik kon een gevoel van verbondenheid niet onderdrukken.
Nu die toiletbril nog.
Zaterdagmiddag arriveerde ik in Venlo voor een radio-uitzending. In de winkelstraten die het station verbonden met het café waar de uitzending zou plaatsvinden, was een rode loper uitgerold.
Hoeveel gemeentelijk winkelplannen zullen niet de uitdrukking bevatten: de rode loper uitrollen voor het winkelende publiek. Om vervolgens iets op te merken over bloembakken en parkeerfaciliteiten. In Venlo neemt men beleidspoëzie aanzienlijk serieuzer.
Ik ga het café binnen. De uitzending, het cultuurprogramma van de Limburgse zender L1, is al enkele uren bezig. Een medewerker heet me welkom en wijst naar een oudere man, die met mij het laatste uur zal verzorgen.
De oudere man begroet me en verontschuldigt zich dat hij mijn boek niet heeft gelezen.
Ik knik. Het cynisme dat gearriveerde schrijvers verspreiden over de media maakt dat ik hier niet door verrast ben. Bovendien had de redactie me pas donderdag gebeld, omdat een andere gast was verhinderd.
Dan zegt de man iets waaruit blijkt dat hij niet de presentator is, maar eveneens een gast. Als hij begrijpt welke conclusie ik had getrokken, reageert hij geschokt. Hij deinst letterlijk achteruit bij de gedachte dat de presentatoren het boek niet gelezen zouden hebben. Dat zou een schande zijn.
Terwijl we wachten op het laatste uur van de uitzending wordt de man aangekondigd als ‘cultureel ondernemer’.
Ik vind dat een sympathieke functieomschrijving.
Hijzelf blijkt er minder gelukkig mee.
'Waarom?' vraag ik.
Het doet hem teveel aan ‘centjes’ denken. Hij trekt een vies gezicht. Hij voegt er nog aan toe: ‘Ik ben altijd braaf in loondienst geweest.’
Afstand houden tot ondernemers en centjes werd lang gezien als een relikwie uit een ander tijdperk. Innmiddels is het een stellingname waarmee je weer gezien mag worden.
We brengen samen een genoeglijk uur door met de presentatoren, die zich uitstekend voorbereid blijken te hebben.
(L1 heeft geen audio-archief, maar de uitzending wordt morgen, dinsdag, herhaald om 20:00u.)
(Wat er voorafging.)
Toen de kookwekker de nul had bereikt, werd er fluisterend overlegd tussen de witte jassen. Het viel me nu pas op dat het drie jonge vrouwen waren. Twintigers, hooguit begin dertig.
Een van hen, een vrouw met sproeten en pluizig rood haar, keek me aan en verkondigde het oordeel: ‘Ze komt wat moeilijk op gang.’
De zorgvuldigheid waarmee ze dat medische eufemisme uitsprak, maakte dat er iets brak in mij. Ik knikte. Ik wist niets meer.
Jules werd per couveuse afgevoerd. Ik liep er werktuiglijk achteraan. We sloegen linksaf, terug de kraamkamer in.
De seconden die toen volgden ben ik kwijt. Het volgende moment wierp ik me huilend in de armen van mijn vrouw. Ik zag nog net haar geschrokken blik. Ze dacht dat er iets mis was gegaan met Jules. Met moeite wist ik dat misverstand te herstellen.
Samen keken we een moment naar de couveuse.
Ondertussen bestreed mijn lichaam uit alle macht de incontinentie van mijn ogen. Er werd gestaag terreinwinst geboekt.
Ik voelde schaamte en tegelijkertijd iets van trots over mijn gejank. Ik huil ongeveer twee keer per decennium en dat lijkt hoe langer hoe meer op een tekortkoming. Het huilen heeft een enorme emancipatie doorgemaakt de laatste jaren. Niemand kijkt meer op van mensen die huilen om meeslepende boeken, stotterende kinderen, overleden bekende Nederlanders, onbeantwoorde liefde, beantwoorde liefde, middels siliconen herrezen borsten, onbeleefde helpdeskmedewerkers, winnaars van talentenjachten op televisie, verliezers van talentenjachten op televisie, en natuurlijk ook om een breed assortiment aan onrecht in de wereld.
Na mijn gesnik in de kraamkamer koesterde ik me even in de warme boezem van de medemens.
Ik liet mijn vrouw achter en volgde de couveuse door de gangen. Mijn ogen bleven waterig, ook al wreef ik ze af en toe droog met mijn trui. ‘Kijk,’ zei ik in gedachten tegen het medisch personeel, ‘kijk, ik huil. Ik ben net als jullie.’
Na een poosje viel me op dat het medisch personeel zorgelijk naar me keek. Ik begreep niet waarom. Huilende vaders zijn eerder regel dan uitzondering, neem ik aan. Het leek alsof ze het roken: hier is iets niet in de haak.
Later die avond liep ik van de kinderafdeling terug naar de kraamafdeling, waar mijn vrouw werd opgelapt. De neiging te huilen was nog niet helemaal weg. De lift naar beneden was leeg. Ik probeerde even toe te geven aan die neiging. Er gebeurde niets. Om het een handje te helpen begon ik hardop te snikken, als een soapsterretje. Maar mijn ogen waren droog en bleven droog.
Door de nachtelijke regen liep ik van het ziekenhuis naar het station. Dikke, warme druppels na een broeierige dag. In plaats van het drankenkabinet te openen, maakte ik thuis een bakje muesli met melk klaar.
~oOo~
(Inmiddels maakt iedereen het goed. Bijgevoegd enig bewijsmateriaal.)
Na de eerste bevalling van mijn vrouw, drieënhalf jaar geleden, was ik enkele weken lichtelijk drankzuchtig.
Deze keer niet.
Misschien omdat ik even heb gehuild, een paar minuten nadat Jules met grof geweld aan mijn vrouw was ontrukt. De vorige keer verzette mijn lichaam zich daartegen, alsof tranen een vorm van incontinentie zijn. Daar valt wat voor te zeggen.
Deze keer werd het echter overrompeld.
De bevalling was een slagveld. Of beter: een verkeersongeluk.
Geschreeuw, getrek, hitte, zweet, bloed, kots, opgerolde mouwen, piepende alarmen, loodgietergereedschap, infusen en plakband. Heel veel plakband. Doorzichtig, wit, bruin, kilometers ervan. Genoeg voor alle seizoenen van MacGyver en de bevoorrading van een middelgrote doehetzelfketen.
Plakband stond de hele dag centraal in het medische proces. Elke verpleegkundige en arts droeg minimaal één rol in een jaszak. Er ging geen bezoek aan het kraambed voorbij zonder dat de betreffende professional de rol tevoorschijn haalde en ergens nog een plakbandje toevoegde. De hand waarop het infuus was aangebracht groeide in de loop van de dag uit tot een bolvormige klomp die als een soort pacman de onderarm van mijn vrouw begon te verorberen.
Ik viel niet flauw. Wel keek ik af en toe achter me of er scherpe voorwerpen stonden. Tijdens het hoogtepunt van de uitdrijving voelde ik alleen nog maar de behoefte om iedereen van mijn vrouw af te duwen en haar mee naar huis te nemen, met de mededeling dat we bij nader inzien nog even moesten nadenken over de wenselijkheid van verdere voortplanting.
Op het moment dat Jules ter wereld kwam bestudeerde ik de oneffenheden op de witte muur achter het hoofdeinde van het kraambed. De hand van mijn vrouw was inmiddels zo heet dat ik bang was dat hij versmolten was met de mijne.
Jules bleek een wit bloederig spookje dat even aan mijn vrouw werd getoond, zoals je een bewijsstuk toont aan een sceptische jury, en toen meteen werd afgevoerd door drie witte jassen. Ik holde er achteraan.
De witte jassen verzamelden zich in een ruimte rondom iets dat een reanimatietafel bleek te heten. De naam deed geen recht aan de absurdistische installatie die niet zou misstaan in het Stedelijk Museum.
Jules werd op de tafel gelegd, waarna een witte jas een beademingspomp op haar gezichtje zette. De andere witte jassen deden niets. Of beter gezegd: ze observeerden in stilte.
Het leek alsof ze mediteerden.
De stilte werd alleen onderbroken door het geluid van apparaten. Ergens in de installatie telde een kookwekker af, elke minuut markerend met een opbeurend geluidje dat vooral probeerde uit te drukken dat het geen alarm was.
Eindelijk klonk een zwak huilen van Jules, gedempt door de ademhalingspomp.
De kookwekker telde ondertussen verder af en ik vreesde het moment dat hij bij nul zou arriveren, alsof het een quiz was en we nog maar even hadden om het juiste antwoord te roepen.
(Morgen het slot. Het loopt goed af, heus.)
Ze is woensdagavond geboren, na een lange dag waarin ik me verdiepte in winterbanden, nadacht over MacGyver, met washandjes depte en mijn vrouw wilde ontvoeren.
Moeder en dochter zijn nog in het ziekenhuis. Thuis tellen Vera en ik af.
Nog twee nagekomen besprekingen. Het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds heeft Tegennatuur geselecteerd als een van de tien boeken die ze onder de aandacht brengen van buitenlandse uitgevers. Daarvoor heeft men een Engeltalige beschrijving van het boek gemaakt met enkele genereuze zinnen, zoals deze:
“Debut novelist Michel van Eeten has a tremendous talent for looking at things from the reverse side.”
Zojuist plaatste 8weekly een uitgebreide recensie van Tegennatuur. Een paar hoogtepunten:
“Voor karakters en landschappen geldt: een natuur in ontwikkeling treft tegenkrachten waarvan zij afhankelijk wordt. Tegennatuur van Michel van Eeten beschrijft dit machtsspel meeslepend en beschouwend.”
“Essayistische vragen met geestige antwoorden...”
“De lezer worstelt mee in het machtsspel, de intuïtieve sympathie strijdt met de ratio. De mens kan immers niet kiezen: hij wil behouden en gebruiken. Maar hij moet kiezen, in elk geval voor meer literair lekkers van Van Eeten.”
Het is overigens de tweede recensie die wijst op taalfouten: “Van Eetens grammatica is soms onjuist (‘het enige, dat (...) iets, dat’), maar dat valt in het niet bij de heldere symboliek en het poëtische idioom, dat alinea’s voorziet van aforistische gedachtestrepen...”
Eerder wees Koen Eykhout al op “taalslordigheidjes”. Daarnaast kreeg ik gisteren een reactie van een lezer die melding maakte van een “ongewone en geestige vertaalfout”.
Het is modieus om uitgevers de schuld te geven van de gebrekkige taalverzorging die veel nieuwe romans schijnt te kenmerken. Zelf zou ik eerder de auteur aanwijzen. Maar zoals bekend is het identificeren van schuldigen iets anders dan het probleem oplossen.
Veellezer IJsbrand van boeklog.info schreef een van de mooiste besprekingen tot nu toe. “Goede boeken, als deze, laten de lezer over onderwerpen nadenken, waar die voorheen blind voor was.”
Daarnaast is een zwerfboek besproken. Begin februari stuurde de uitgever tien exemplaren het land in. De meest zuidelijke bestemming was Ham in Belgisch Limburg. Dens moest eerst zes studieboeken doorwerken, maar vorige week kwam hij toe aan Tegennatuur. Zijn bespreking lees je hier (en hier).
De overige zwerfboeken staan op onderstaande kaart. (Ik wilde eigenlijk elke nieuwe bespreking via de kaart melden, maar het gaat mijn technische vermogens te boven om de kaart zo weer te geven dat de betreffende tekstballon geopend is. Suggesties zijn welkom.)
Zwerfboeken Tegennatuur weergeven op een grotere kaart