De meneer van de banken

Eens in de twee jaar koop ik nieuwe schoenen bij Dungelmann in Den Haag. Ik wacht tot de uitverkoop begint en vind dan altijd een geschikt paar in het rek met de afgeprijsde modellen. Geluk is een kwestie van afgebakende verlangens.

De keuze valt steeds op ongeveer dezelfde schoenen; een kruising van gympen met herenschoenen – een type dat gemaakt is voor mannen die leeftijdstechnisch gezien over zouden moeten naar de herenschoen, maar daar emotioneel nog niet klaar voor zijn.

Mijn vrouw heeft ooit gezegd dat dit type me goed staat. Misschien was ook zij emotioneel nog niet gereed voor mijn overgang naar de herenschoen. Laatst bekende ze dat ze, in een pril stadium van onze relatie, er bijna een punt achter had gezet toen ze me voor het eerst in een pak zag, met daaronder zwarte herenschoenen. Ze had niets tegen pakken, maar ze zag zichzelf niet als de vrouw van een man in een pak.

Afgelopen woensdag stapte ik Dungelmann binnen. De uitverkoop vond plaats op de eerste verdieping. Een medewerkster keek rustig toe hoe ik het rek met de afgeprijsde schoenen bestudeerde.

Toen kwam een man de trap op, vermoedelijk de eigenaar. Hij ging bij de medewerkster staan en zei: ‘Je weet toch wel wie dat is?’
           Ik keek op om te zien wie hij bedoelde.
           De man keek naar mij.
           De vrouw schudde haar hoofd.
           ‘Dat is de meneer van de banken,’ zei hij op een gespeeld verwijtende toon.
           De vrouw wist het nog steeds niet.
           Zelf kreeg ik het idee dat hij opbouwde naar de clou van een mop.
           ‘Als je iets wil weten over fraude met banken en zo, dan kun je het aan de professor hier vragen,’ glunderde de man.
            ‘Aha,’ mompelde de vrouw.
           ‘Dat klopt, toch? U bent toch de meneer van de banken?’ vroeg de man aan mij.
           Inmiddels begreep ik waar hij het over had. Vier dagen eerder was ik op televisie geweest, in Vara’s Kassa. Ik heb de afgelopen jaren vaker in televisieprogramma’s opgetreden, maar nooit eerder ben ik om die reden door een onbekende aangesproken.
           Het was beschamend om herkend te worden, alsof ik betrapt was op een slechte eigenschap. Ik vind de televisieoptredens leuk, te leuk, en onder dat genot vermoed ik een beerput aan persoonlijk falen.
           Ik bevestigde dat ik de meneer was, zij het niet van de banken. In de uitzending zat ik tegenover een meneer van de banken.
           ‘We krijgen nogal veel bn’ers hier in de zaak,’ zei de man. ‘Vandaar dat ik het meteen zag.’
           Dat vond ik een merkwaardige redenering.
           Ik koos een paar schoenen uit en daarmee liepen we naar de toonbank.
           Terwijl de man het bedrag aansloeg, zei hij: ‘Het is een leuk programma, Kassa. Ja, ik vind niet alle onderwerpen leuk. Daar ben ik heel eerlijk in, hoor.’ De toon waarop hij dat laatste zei, suggereerde dat hij zijn eerlijkheid enigszins moedig vond.
           Ik rekende af en wenste hem nog een fijne dag.
           De meneer van de banken ging naar huis met zijn nieuwe schoenen, hopend op een complimentje van zijn vrouw.




¤

Vorige week was ik bij een bijeenkomst op de 36e verdieping van een ministerie. Voor het eerst zag ik Den Haag als een buitenlandse metropool.


10/12 - 0

Een journalist van een radiozender belde me. Hij wilde een uitzending maken over toekomstige cyberaanvallen die Nederland zouden gaan lamleggen. "Een licht filosofisch programma," noemde hij het.

19/11 - 0

Verborgen verhalen (2)

Op 9 oktober las ik drie korte verhalen voor tijdens een voorstelling in de Stadsschouwburg Sittard-Geleen over "verborgen verhalen", onderdeel van het programma rond het fotoproject "SecretCity". Dit was het tweede verhaal.

Raadhuisstraat, Berg

Buiten stopte een auto. Maurice herkende het gorgelende geluid van de vergrootte uitlaat nog voor hij de auto had gezien. Ze hadden hem gevonden. Hij liet zich naast de bank zakken, uit het zicht, en overdacht zijn opties. Boven sleepten de pantoffels van zijn moeder over het laminaat op de overloop. De wasdroger zoemde.
        De motor van de auto voor het huis draaide stationair. Er was nog geen portier opengegaan.
        Hij had wel vaker pillen gekocht van Dano. Dertig, veertig, vijftig stuks. Na schooltijd, soms eerder, fietste hij vanuit het Kleesj door Limbrichterveld, naar de vierde flat. Wanneer hij ze verkocht had, betaalde hij Dano terug. Maar vorige week, op carnavalszondag, had hij iets te snel een paar pillen achter elkaar genomen. Ze waren gaan zuipen en ‘s ochtends zaten ze met een paar man bij Paultje. Toen had hij het station in Sittard gebeld en gezegd dat hij van actiegroep Rara was en dat er over 30 minuten een bom zou ontploffen. Iedereen lachen. Hoeveel rotzooi hij ook binnenkreeg, hij kon altijd geloofwaardig overkomen; kalm, met overwicht. Een poosje geleden had hij mensen gebeld die genoemd waren in de gemeenteberichten in de Trompetter omdat ze een of andere vergunning hadden gekregen. Dan draaide hij op zondagochtend hun nummer, zogenaamd vanuit het gemeentehuis, en vertelde hen dat de vergunning helaas toch niet verleend kon worden. Hij belde alleen op zondagochtend, dat was de sport.
        De dag na zijn bommelding zou hij op de voorpagina van de krant zien dat ze de stationsbuurt hadden afgesloten en dat het hele treinverkeer rond Sittard drie uur lang had stilgelegen. De frituur tegenover het station was met een enorme hoeveelheid friet blijven zitten die ze voor carnavalszondag hadden ingekocht.
        Hij had het zelf niet meegekregen. Kort na het telefoontje kwam hij erachter dat hij de zak met pillen was kwijtgeraakt. Hij wist bij God niet waar dat gebeurd was. De zak zat nog vol, hij had pas een paar pillen verkocht en een paar zelf geslikt. Hij belde Dano om te vertellen wat er gebeurd was en dat hij iets langer nodig zou hebben om het geld te regelen. Dano zei daar niks mee te maken te hebben. Nu stond hij hier voor de deur.
        Zijn moeder slofte boven wat heen en weer.
        Maurice liep naar de keukendeur, trok hem geruisloos open en wandelde om het huis heen, naar de auto.
        De motor draaide nog steeds stationair. Dano zat op de passagiersstoel, met het raampje open.
        ‘Wat doe jij hier?’ zei Maurice.
        Het werd een herhaling van hun telefoongesprek, tot het moment waarop Dano het handschoenenkastje opende. In het licht van het kleine gloeilampje lag een zwart pistool. ‘Of moet ik je daarmee voor je kop schieten?’ vroeg hij.
        Het was een belachelijke zin en een belachelijk voorwerp, een rekwisiet bij een matig toneelstukje. Maurice wist zeker dat er niet geschoten ging worden, maar toch voelde hij zijn beenspieren in pap veranderen. Hij hoorde ook hoe de vanzelfsprekendheid, het overwicht, uit zijn stem was verdwenen. Hij bleef lullen, maar er viel niets meer te lullen. Hier hield het op. Hij kon niet voorbij die conclusie denken: hier hield het op.
        Ineens stond zijn moeder achter hem, aan het begin van het tuinpad, in haar schort met bloemen. Ze had de krulspelden ingedaan.
        ‘Kom eens hier,’ zei ze.
        Maurice keek naar Dano en liep toen naar haar toe, terwijl hij nadacht over wat ze gehoord kon hebben en hoe hij dat ging ontkennen.
        ‘Wat heb je nodig?’ vroeg ze zachtjes.
        ‘Hoe bedoel je,’ zei Maurice. Ze kon niets weten, herhaalde hij tegen zichzelf.
        ‘Wat heb je nodig,’ vroeg ze weer. ‘Hoeveel?’
        Hij slikte. ‘Ik heb niks nodig,’ wilde hij zeggen. ‘Waar heb je het in vredesnaam over. Ga naar binnen.’
        Maar hij zei: ‘Negenhonderd.’
        Ze draaide zich om en liep weg.
        Maurice keek naar de auto. Hij zag de ogen van Dano in de zijspiegel.
        Zijn moeder kwam terug en drukte hem een dubbelgevouwen stapeltje biljetten in handen. Waar kwam dat geld vandaan? Waarom had ze zoveel geld in huis?
        Hij liep naar de auto en stak het geld door het open raam. Toen hij zich omdraaide, was zijn moeder alweer verdwenen. Tergend langzaam rolde de auto de straat uit. Maurice liep terug naar het huis. Hij haalde rustig adem en opende de keukendeur. Hij was klaar om een verhaal te vertellen over het geld. Hij wist nog niet welk verhaal, dat wist hij pas als hij begon te praten, als zijn moeder een vraag gesteld zou hebben, maar hij voelde dat het zou lukken, dat hij overwicht zou hebben.
        De keuken was verlaten. Zijn moeder had niet gewacht op het verhaal. Boven ratelden de rolluiken. Die liet ze altijd zakken als zijn vader overging van de middagdienst naar de nachtdienst. Daarna klonk alleen nog de wasdroger in het huis.





Verborgen verhalen (1)

Op 9 oktober las ik drie korte verhalen voor tijdens een voorstelling in de Stadsschouwburg Sittard-Geleen over "verborgen verhalen", onderdeel van het programma rond het fotoproject "SecretCity". Dit was het eerste verhaal.

Maasstraat, Obbicht

Geen van de jongens kwam bij Jimmy thuis en Jimmy kwam bij geen van de jongens thuis. Zijn huis zat geklemd tussen twee grotere panden en het leek alsof de muren langzaam ineengedrukt werden. Plakken van het witte stucwerk waren van de gevel gevallen.
           Toen Peet na het eten bij het huis arriveerde, zag hij alleen de nieuwe fiets van Hecker staan. Heckers ouders voerden een kleine winkel in het dorp en hij had altijd de beste spullen.
           Die ochtend hadden ze een enorme vis gevangen, in een poel die door het hoogwater in het weiland naast de Maas was achtergelaten. Normaal vingen ze hoogstens een baarsje, nauwelijks langer dan een vinger. Ze noemden het baarsjes omdat iemand had beweerd dat het baarsjes waren en niemand hem had tegengesproken. Ze waren zo klein dat je de haak er niet goed uit kreeg. Het was altijd gedoe, tot de dag waarop Jimmy het visje op de grond legde, de hak van zijn gummilaars op de staart zette en met een korte ruk de haak door de kaak heentrok. Een deel van de vissenkop bleef aan de haak zitten. Dat was goed aas, volgens Jimmy.
           De grote vis zag er ziek uit. Oranje met zwarte vlekken. Jimmy kwam op het idee om hem aan Clim Paland te verkopen. Niemand durfde mee. Jimmy kwam terug met twintig gulden en had toen iedereen uitgenodigd voor een barbecue.
           De woonkamer was donker, op het geflikker na van een televisie. Er was geen deurbel en Peet klopte op het raam. Het jongere zusje van Jimmy deed open. Ze liep terug naar de televisie. Peet ging door de keuken in de richting van de tuin. Als tuin het goede woord was. In het hoge onkruid lagen koelkasten, een wasmachine, een aanhanger met lekke banden, steigerpijpen en nog meer.
           ‘Aha, daar heb je die kleine van Conjour,’ zei de vader van Jimmy. Hij hing in een leren fauteuil, het soort stoel dat bij de televisie hoorde te staan, niet buiten.
           Jimmy en Hecker stonden verderop bij een kleine barbecue.
           ‘Jong, haal me nog eentje.’ De vader schudde met het lege blikje alsof het een zoutvaatje was.
           Peet had eerst niet door dat de man hem bedoelde. Toen ging hij naar de koelkast. De schappen lagen vol met bier en een doorzichtige fles sterke drank. Hij bracht het blikje naar de man en ging bij Jimmy en Hecker staan.
           ‘Waar is iedereen?’ vroeg hij.
           Ook de moeder was nergens te bekennen. Misjel had verteld dat ze laatst ineens bij de judoclub was opgedoken. Ze wilde meetrainen. Ze had allerlei vragen gesteld over trappen en zelfverdediging. Zodra de leraar had uitgelegd dat je bij judo niet mocht trappen, was ze weer vertrokken.
           Met een gebarsten wieldop wuifde Jimmy lucht over de kooltjes.
           ‘Je moet het vlees gaan halen,’ zei Hecker.
           Jimmy wuifde zwijgend verder.
           Achter hen klonk gekreun. De vader kwam overeind uit de fauteuil. Even later drukte hij Hecker en Peet een blikje bier in de handen. ‘Hier. Jimmy trakteert.’
           Jimmy keek naar de kolen en knipperde een paar keer, alsof er een vliegje in zijn ogen was beland.
           Peet keek naar het blikje in zijn handen. Hij had wel eens een sneeuwwitje gedronken, maar nooit echt bier. Hij was negen, hij hoorde geen bier te drinken, hij wilde geen bier drinken. Hij zei: ‘Nee, dank u.’
           ‘Stel je niet zo aan,’ zei de man. ‘Die is voor jou. Of voel je je er te goed voor, net als Flipje daar?’ Met zijn hoofd knikte hij in de richting van Jimmy, die maar in de kolen bleef staren.
           ‘Kom hier,’ zei de man. Hij trok het lipje van beide blikjes. Er kroop wat schuim uit de opening. ‘Drink maar. Kom op. Hup. Laat het niet warm worden, Jimmy trakteert.’
           ‘Pap, laat ze, ze willen niet,’ zei Jimmy, zonder de man aan te kijken.
           ‘Bemoei jij je er niet mee. Dat jij zo’n mammakindje bent, dan hoeven zij het nog niet te zijn.’
           De man keek Peet indringend aan. Niet bedreigend, eerder geduldig, alsof hij desnoods de hele avond niets anders zou doen dan Peet aankijken, tot hij een slok zou nemen.
           Peet nam een slok.
           ‘Hè hè,’ zei de man tevreden. ‘Dat mag je zeker niet bij jullie thuis, hè? Van die droogkloot. Ik zie hem wel eens fietsen. Zegt me nog geen goeiendag. Hij daar wordt er ook zo eentje.’ Hij gebaarde weer naar zijn zoontje.
           De vader sjokte terug naar zijn fauteuil.
           ‘Jongen, haal nou dat vlees,’ zei Hecker.
           ‘Er is geen vlees,’ zei Jimmy.
           ‘Hoe bedoel je? Wat gaan we dan barbecueën? Wat heb je dan gekocht?’
           ‘Ik heb niks gekocht.’
           ‘Hoezo heb je niks gekocht? Wat heb je dan met ons geld gedaan?’
           ‘Ons geld?’ Voor het eerst keek Jimmy op van de barbecue. ‘Ik heb die vis verkocht, jij niet. Jij was te schijterig om mee te gaan.’
           ‘Nou en, ik heb hem gevangen,’ zei Hecker. ‘Wat heb je met het geld gedaan? Ik wil de helft.’
           ‘Het geld is weg.’
           ‘Waarheen dan, godverdomme?’ zei Hecker.
           ‘Je hebt het in je handen,’ zei Jimmy.
           Hecker keek verbouwereerd naar het blikje. ‘Godverdomme.’ En toen: ‘Idioot. Waarom heb je hem dat geld gegeven?’
           Hij keek achterom. De vader stond te zeiken naast de aanhanger. Toen gooide Hecker het blikje zo hard als hij kon over het hek, richting de Maasdijk. Het verdween zonder geluid in het donker. Daarna liep hij naar het huis. De klap van de voordeur liet het keukenraam trillen tegen de sponning.
           ‘Enne, heibel in de tent?’ vroeg de vader geamuseerd.
           ‘Blijf jij of ga je ook weg,’ vroeg Jimmy op vlakke toon.
           ‘Ik blijf,’ zei Peet. Hij was opgelucht dat de jongen iets tegen hem zei, iets aan hem vroeg.
           ‘Dan ga ik het eten halen,’ zei Jimmy.
           Hij verdween naar binnen en kwam terug met een wit plastic doosje, het soort doosje waar de Chinees in Born de bami in deed.
           Hij toonde de inhoud aan Peet en zei: ‘Die zijn echt lekker op de barbecue.’
           In het doosje lagen een stuk of tien van die kleine baarsjes. Bij de meeste ontbrak een deel van de kop. Peet kon geen woord uitbrengen. Hij lustte geen vis, zelfs vissticks niet. De glibberige, glinsterende smurrie in het doosje bezorgde hem een weeïg gevoel in zijn maag. Wanneer had Jimmy die gevangen? Hoe lang lagen die al in dat doosje?
           Jimmy legde de visjes op het rooster. De kooltjes begonnen te sissen.
           ‘Ze zijn echt lekker,’ zei hij hoopvol.
           Peet knikte.
           De vader kwam aangelopen met de doorzichtige fles uit de koelkast. Hij gaf een borrelglaasje aan Peet en schonk het vol. ‘Dit hebben we ook gekocht voor vanavond. Ik ga het niet alleen opdrinken, dat is niet gezellig.’
           ‘Ik lust het niet,’ zei Peet voorzichtig.
           ‘Dat hoeft ook niet. Gewoon in een keer achterover tikken. Wordt je sterk van.’
           Peet keek naar Jimmy, maar die staarde naar de visjes.
           ‘Kom op, niet te ingewikkeld maken. Dat hoef je hem niet vragen.’
           Peet aarzelde.
           ‘Luister, als jij je ook te goed voelt, dan donder je maar op, net als die sukkel van Hecker. Dan mag Sjimsalabim hier alleen zijn visjes opeten.’
           Met een teug nam Peet het vocht in zijn mond. Hij gaf het glaasje terug. De tranen sprongen hem in zijn ogen. Hij wachtte tot de man wegging, zodat hij het spul kon uitspugen. Maar de man bleef staan. Peet keek zo neutraal langs hem heen, in het luchtledige. De drank schrijnde in zijn mond. Met moeite haalde hij door zijn neus adem. Zijn oren sloegen dicht, alsof iemand er handen overeen had gelegd. En toen kwam de nasi omhoog die hij thuis had gegeten. In een reflex slikte hij die terug, samen met de drank. Meteen begon hij te hoesten.
           De man lachte en klopte hem goedmoedig op zijn rug. ‘Zo doe je dat. Zie je dat Jimmy? Je moet niet overal zo’n drama van maken.’
           Peet voelde hoe grote hoeveelheden speeksel zich door zijn keel omhoog werkten. Hij slikte en slikte, maar zijn mond liep steeds vol. Het leek alsof de nasi in zijn maag tot leven was gekomen.
           Met een schuimspaan probeerde Jimmy de visjes van het rooster te scheppen, maar ze zaten vast en vielen uiteen. Hij gooide witte brokjes op een bordje. Er staken zoveel dunne graatjes uit dat de brokjes behaard leken te zijn.
           Hij pakte een stukje vis met zijn vingers en stopte het in zijn mond. ‘Smaakt prima, probeer maar.’
           Achter hen liet de vader een luide boer, gevolgd door een tevreden zucht.
           ‘Je moet niet op hem letten,’ zei Jimmy. ‘Gewoon doen of hij er niet is.’
           Hij hield het bord in Peets richting en keek hem bijna smekend aan.
           Peet pakte een brokje vis. Zodra de witte drab zijn tong raakte en de graten in zijn gehemelte prikten, kwam alles wat in zijn maag zat met een enorm geweld omhoog en naar buiten.
           Tussen de eerste en de tweede golf, hoorde hij de vader gieren van het lachen. ‘Och Jimke, ik geloof niet dat hij van je visjes houdt.’
         Peet rende. Halverwege de Broekstraat liep hij het veld in en hij ging in het hoge gras op zijn zij liggen, de armen om zijn knieën geslagen, wachtend tot het trillen zou stoppen. Toen hij thuiskwam, vroeg zijn moeder waar hij geweest was.
         ‘Nergens,’ zei hij.




Na een afspraak in Amsterdam Zuid hadden we zeven minuten om de eerstvolgende trein te halen. Ik stelde mijn Braziliaanse en Iraanse medewerkers voor om te rennen. Anders zouden we twintig minuten moeten wachten.
           We renden.
           Hijgend stonden we op het perron, net op tijd.
           ‘Waarom hebben we eigenlijk gerend?’ vroeg de Iraniër. Hij leek enigszins gedesoriënteerd.
           ‘Omdat we nu twintig minuten bespaard hebben,’ zei ik.
           ‘Bespaard voor wat?’
           ‘Voor de rest van onze levens.’
           Hij keek me nadenkend aan, maar zag af van verdere vragen.
           Toen de treindeuren opengingen, zei hij: ‘Ik kan me de afgelopen twee uur niet meer herinneren.’

30/10 - 1

Mijn geloof is een achterlijk geloof

De afgelopen week verbleef ik in Korea. In Seoul, om precies te zijn. Het was mijn eerste bezoek aan het land. Ik verkeerde in het gezelschap van enkele ambtenaren en een kolonel. In de taxi van het vliegveld naar het hotel, werd energiek geroddeld over de ambtenaren die niet mee waren. Regelmatig stokte het gesprek omdat men afgeleid was door de hoogbouw die zich uitstrekte langs de rivieroevers en tussen de groene heuvels.

Meer dan tien miljoen mensen wonen hier. Toch deed de stad verrassend ruim en ontspannen aan. En schoon. Ergens in de taxirit merkte ik op dat ik nergens graffiti zag. Ook de dagen erna kwam ik geen letter tegen. De straat was verschoond van kauwgom en lege colablikjes.

Op het metroperron stelden reizigers stelden zich op in twee rijen, als een soort erehaag voor de uitstappende passagiers. In de metro stonden jongeren spontaan hun plaats af aan oudere reizigers. Als ze de ouderen zagen staan, tenminste. Veel mensen, jong en oud, waren verdiept in hun smartphone of tablet.

Dat registreerde ik allemaal nauwgezet, of ik wilde of niet. Als brave burgerman zoek ik voortdurend naar tekenen van verval, van het ontrafelen van de sociale orde. In de seculiere religie van de middenklasse wordt de rol van de duivel vervuld door de medemens die zich niet aan de regels houdt. Ik wil deze kerk niet aanhangen, laat staan verkondigen, maar een kenmerk van het ware geloof is dat de wil niet ter zake doet.

De verlossing komt ook van de medemens, van hen die zichzelf in de hand houden en wegcijferen. Nederlanders zijn er niet zo goed in. Als we het al doen, vinden we dat we een schouderklopje verdiend hebben. Dat zegt genoeg. De bewoners van Seoul, daarentegen, bezorgden me een moeilijk te beteugelen optimisme over de menselijke beschaving.

Mijn beeld was natuurlijk een illusie, een staaltje oriëntalisme dat vroeg of laat ontmaskerd zou worden. Na een paar dagen kwam ik wijken waar ook wat zwerfafval op straat lag. In de metro zag ik hoe een kleine oude vrouw de rij negeerde en voordrong bij het instappen. In de metrocoupé stond ze binnensmonds te schelden. Toen de volle metro in beweging was gekomen, viel ze uit tegen een bepukkelde scholier die niet meteen was opgestaan om haar een zitplaats aan te bieden. De jongen stond meteen op en liet daarbij zijn wiskundehuiswerk vallen. De anderen mensen in de coupé staarden onaangedaan voor zich uit. Toen de vrouw plaats had genomen, keek ze een poosje boos om haar heen. Ze zag me kijken en dat kwam me op een vuile blik te staan.

Ergens kwam het als een opluchting dat de idylle verstoord werd. Je kunt niet het paradijs aanschouwen en daar geen consequenties aan verbinden. Ik hou niet van consequenties. Ze zijn tijdrovend en je weet nooit waar ze toe leiden.

De laatste dagen van het verblijf zag ik meer passagiers voordringen. Ook botsten er regelmatig mensen tegen elkaar. Niemand reageerde daar op. De Koreanen waren wellicht niet beter dan wij, ze waren in ieder geval stoïcijnser. Niet voor de eerste keer moest ik een populistische conclusie trekken: mijn geloof is een achterlijk geloof.





De schoonheid afdwingen

Op een doordeweekse middag, enkele weken geleden, toen de zomer nog leek te begrijpen dat ze verplichtingen had tot 21 september, spoedde ik me naar het Muziektheater in Amsterdam. Er werd een opera van Wagner opgevoerd, eentje uit de cyclus Der Ring des Nibelungen, en die duren lang. Dit deel duurde vijfenhalf uur en daarom moest er al aan het einde van de middag begonnen worden. De bezoekers met hun stijlvolle avondkleding knipperden enigszins onwennig in het felle zonlicht.
           Ik bezoek de operacyclus met twee vrienden. Eigenlijk had ik jaren geleden besloten pas na mijn vijftigste te beginnen met Wagner. Het is dus iets eerder geworden. Toen een van de vrienden belde of ik mee wilde, zei ik: prima. Ik dacht: dan heb ik het maar gehad.
           Er gaat een zekere dwang uit van het begrip ‘meesterwerk’. Bij sommige mensen roept dat verzet op, maar ik gedij bij dwang. Ik word nerveus van de vraag wat ik zelf wil. Dan kijk ik ineens in een onpeilbare afgrond.
           De bel ging en we begaven ons naar de zaal. Het orkest zat gereed in het reusachtige decor dat zoveel lof had gekregen in de recensies. Het licht ging uit en de dirigent kwam op. Een groot applaus zwol aan. En hield aan. Sommige mensen stonden op en klapten vol overgave.
           De staande ovatie is een verplichte onderdeel van elke voorstelling in het Muziektheater, maar dan wel na afloop. Nu was er nog geen noot gespeeld.
           De dirigent liet het orkest opstaan.
           Het applaus verhevigde. Hier en daar werd gefloten. Mannen riepen: ‘Bravo!’ Het zijn altijd mannen die roepen.
           Eerst observeerde ik de geestdrift met wantrouwen. Hier stonden mensen nadrukkelijk hun edele inborst te afficheren. Kijk eens hoe ik in vervoering raak van de allerverfijnste kunst. Dat die kunst nog moest worden opgevoerd, was een overkomelijk detail.
           Even later begon ik te twijfelen. Deze mensen veinsden niet zozeer ontroering, ze verlangden er intens naar. Dit buitenkansje lieten ze zich niet ontnemen. Hier werd de ontroering afgedwongen.
           Een paar minuten later kon de voorstelling dan eindelijk beginnen. Kort daarna begon ook het gevecht tegen de slaap. Op de momenten dat ik mijn ogen open had, zag ik mijn vrienden knikkebollen. Na drie voorstellingen weten we dat Wagner niet alleen kunst is, maar ook een duursport. Voor zover je vechten tegen de slaap een sport kunt noemen.
           Heel af en toe werd er meerstemmig gezongen en dan veerden we meteen op. Maar Wagner had iets tegen duetten. En tegen op tijd thuis zijn. Misschien vond hij het burgerlijke uitvindingen. Dat zijn het wellicht ook. Van vijfenhalf uur aan trage monologen kon je veel zeggen, maar burgerlijk was het niet.
           Na afloop wandelden ietwat bedrukt naar de tram.
           ‘Ach,’ zei een van mijn vrienden. ‘We hebben in ieder geval flink gedenivelleerd vanavond.’
          Het bekostigen van opera is, zoals bekend, een subsidie van arm naar rijk. Zolang als ik de vriend ken, is hij bezig af te rekenen met zijn sociaaldemocratische opvoeding. Er zit schot in. Over een jaar of tien is hij klaar om voor het eerst geen PvdA te stemmen. Bij de provinciale verkiezingen of zo.
           De gedachte dat we geld van de armen hadden verbrast, beurde ons op, maar het betekende niet dat we vijfenhalf uur schoonheid zomaar uit onze kleren schudden.
           ‘Ja, verzuchtte de andere vriend. ‘Het is wel hard werken, het denivelleren.’
           Het genoegen dat we hier met elkaar deelden was niet zo netjes. Niet zo burgerlijk, zou je kunnen zeggen. Zo hadden we toch nog iets meegekregen van meneer Wagner.





Concurrentie tussen doden

Mijn vrouw en ik waren enkele dagen in New York. Op zaterdagochtend liepen we vanaf 31st Street langs de westelijke oever naar de zuidpunt van Manhattan. Het gebied is een dode hoek tussen de vele toeristische bestemmingen op het eiland.
           We passeerden een kooi met de omvang van een omgevallen kantoorkolos. Daarin oefenden golfers hun afslag door ballen in de richting van New Jersey te slaan.
           Een stuk verderop stond weer een kooi, iets kleiner deze keer. Binnenin wachtten meisjes van een jaar of acht in rode tenues tot hun­­ voetbalwedstrijd zou gaan beginnen. De ouders keken toe vanuit hun SUV's die als een stilstaande file rondom kooi stonden opgesteld. Je mocht er eigenlijk niet parkeren en iedereen liet de motor draaien als alibi om daar stil te kunnen staan. Achter het glas zaten moeders en vaders die hun koffie dronken, de krant lazen of telefoneerden, en ondertussen met een schuine blik de meisjes in de kooi observeerden.
           Tegen het middaguur kwamen we in de buurt van Ground Zero, waar het herdenkingsmonument voor 11 september wordt gebouwd. De toeristen zijn nagenoeg overal op Manhattan, maar hier hadden ze als een ware bezettingsmacht de straten overgenomen.
           Om het monument te kunnen bezoeken, moest je eerst een kaartje halen bij het bezoekerscentrum een eind verderop. Er bevond zich een rij van een meter of vijftig voor de ingang. Geüniformeerde medewerkers stonden als kilometerpaaltjes langs het traject. In het centrum zelf bleek de rij nog langer. Iedereen schuifelde beleefd achter elkaar aan.
           Met videobeelden en voorwerpen werd verteld over de levens van de mensen die waren omgekomen. De inzet van de tentoonstelling was duidelijk: het abstracte cijfer van drieduizend doden moest vervangen worden door drieduizend gezichten, drieduizend mensen met hun eigen verhaal.
           Een verdedigbaar streven, maar het stond me toch een beetje tegen. Ze namen zoveel plaats in, de drieduizend individuen. Onwillekeurig moest ik denken aan de slachtoffers die nog zouden volgen en die elders opeengestapeld liggen in een handzaam getal. Ook tussen doden bestaat concurrentie.
          Maar het meest fnuikende effect van de individualisering van de ramp was dat het mijn bedenking, elke bedenking, in een persoonlijke belediging veranderde. Een belediging van de brandweerman die me aanstaarde vanaf een levensgrote foto. Of van de receptioniste over wie zo liefdevol werd gesproken door haar nabestaanden op het videoscherm.
          Toen we ons kaartje bemachtigd hadden, sloten we aan bij de menigte voor de toegangspoort van Ground Zero. Het bleek de eerste van een lange serie rijen te zijn voordat we het monument zelf bereikten. We schuifelden, we openden onze tassen, we liepen door scanners en poortjes, we stonden stil en we schuifelden verder, overal geëscorteerd door ernstig kijkende geüniformeerden. Ik dacht: eigenlijk is deze rij is het monument. Ik was alleen met mijn verveling en met mijn gedachten over wat zich verderop, achter de schutting, had afgespeeld. Bij een bedevaart gaat ook het niet om de bestemming.





Bos met whisky

Een week geleden ging de telefoon. Niet mijn mobiele toestel, maar het zwarte plastic kastje dat aan het uiteinde zit van onze vaste lijn. Ik hoor het geluid zo zelden dat ik altijd even moet nadenken welk apparaat mijn aandacht probeert te trekken.

Ik nam op en noemde mijn naam. Er volgde een korte stilte, een toon, en toen een vrouwelijke computerstem die vertelde dat iemand een sms-bericht had gestuurd naar dit nummer. Ze las het nummer op van de afzender. Ik herkende het niet, maar dat zegt weinig. Het enige nummer dat ik uit mijn hoofd ken is dat van mijn ouders, omdat ik dat al dertig jaar bel. Al bel ik het vaker niet, zo hebben mijn ouders wel eens opgemerkt.
           Als twintiger belde ik ongeveer met de frequentie van de Elfstedentochten. Tijdens een van die gesprekken vroeg mijn vader of ik een foto wilde opsturen, zodat ze zouden weten hoe ik er uitzag. Dat vond ik een redelijk verzoek, maar het bleek een grapje te zijn.

De computerstem werkte hakkelend het sms-bericht af. Alleen flarden kon ik volgen. Er was een “we” die in het bos lekker aan de whisky zaten en alles was goed. Toen werd de lijn verbroken.

Ik vroeg mijn vrouw of ze iemand kende die in het bos aan de whisky zat. Ze keek me aan alsof ik haar een moord in de schoenen probeerde te schuiven.

Een paar dagen later ging weer de telefoon. Opnieuw de stilte gevolgd door de computermevrouw. Het nummer herkende ik nog steeds niet. Deze keer kon ik niets volgen van de korte boodschap. Ik voelde een lichte paniek. Iemand probeerde hier te communiceren. Waarschijnlijk niet met ons, maar toch. Ik wist echter geen manier om het bericht te laten herhalen.

Vandaag ging weer de telefoon. Nu hoorde ik: “Hallo lieverds, we zijn weer veilig geland. We zien jullie zondag bij pappa’s verjaardag.”

Dat was het dus. Ouders die hun kinderen probeerden te bereiken, vanuit een bos met whisky. Ze hebben geen antwoord van hun kinderen gehad. En dat was precies wat ze hadden verwacht, vermoed ik.





Uitvreters

Het IMF vergaderde, het Internationaal Monetair Fonds. Ze hadden het onder andere over de vooruitzichten van de grote economieën voor de komende jaren. Daarin kwam naar voren dat het aandeel van Europa in de wereldeconomie zal wegzakken tot achter China en de VS. In Nederland leidde dat tot sombere krantenkoppen en politici die het als hun plicht zagen om ons te verlossen van ons laatste restje optimisme.

Achter die somberheid zit een eenvoudig beeld dat niet te ontkennen lijkt: als China welvarender wordt, gaat dat ten koste van onze welvaart. Ze eten ons de kaas van het brood.

Dat beeld klinkt logisch, maar er klopt niets van. De groei van China maakt ons allemaal rijker. Wij groeien de komende jaren ook verder, zij het veel minder snel. En als we krimpen, dan komt dat niet omdat de Chinezen groeien.

Waarom vertellen onze politici dat niet? Je zou denken dat burgers zitten te wachten op hoopvolle berichten die ook nog eens waar zijn. Maar dat blijkt niet te kloppen. De burger wantrouwt dit soort praatjes. Deels is dat onbegrip. De burger ziet de wereldeconomie als een groot uitgevallen versie van de huishoudportemonnee. Elke Euro die naar de Chinees gaat, gaat niet naar ons. En er groeien niet spontaan Euro’s bij in onze portemonnee. Dat gebeurt in de wereldeconomie wel, maar dat klinkt zo belachelijk dat het er bij de burger niet in wil.

Maar naast het onbegrip is er nog een reden waarom we graag somberen over de Chinese opmars: omdat de hardwerkende Chinezen ons confronteren met onze angst dat we zelf volgevreten en lui zijn. Het calvinisme zit nog diep in ons. Onze welvaart, met zijn arbeidsduurverkortingen, inflatiecorrecties en sociale voorzieningen, maakt ons ongemakkelijk. We voelen ons een beetje schuldig over die welvaart. We zijn uitvreters geworden, dat is de angst. Een beetje zelfkastijding is een effectief antwoord op die angst. We verlossen onszelf van het kwade. Amen.





Lessen in onvermijdelijkheid

Het was acht uur in de ochtend, een paar minuten voor we de deur uit moesten. Jules liet haar tandenborstel in het rooster van de verwarming vallen. Ik snauwde iets. Ze kromp ineen en probeerde haar gezicht in haar schouder te begraven. Na een paar seconden vroeg ze met een bedremmeld stemmetje: ‘Pappa het is toch niet zo erg?’
           Nee, het was niet zo erg.
           Ik tilde het rooster op en pakte de tandenborstel.
           Ze is snel geïntimideerd door mijn gesnauw, maar ze laat rustig de tandenborstel nog een keer in het rooster vallen. Het ouderlijk gezag is een ongure bui die af en toe langskomt. Alleen een megalomaan denkt dat hij zelf de regen heeft opgeroepen. De hypnotiserende kwaliteiten van spleten in roosters staan er helemaal los van.
           Daarna snauwde ik tegen Vera dat ze nou eindelijk haar haren moet kammen.
           Ja haa.
           Pappa werkt een lijst af. Pappa is goed in de ochtend. Wat het bereiken van de operationele doelen betreft, tenminste. Excellent zelfs.
           Het probleem met het loslaten van grote ambities is dat je er een heleboel kleine voor terugkrijgt. Pappa zal herinnerd worden als een humeurige man.
           Inmiddels drong tot Jules door dat ze deze ochtend naar school zou gaan. Voorafgaand aan haar vierde verjaardag, gaat ze een ochtend per week naar school. Haar grote zus vond dat destijds een feest, maar Jules ondergaat het als een hond die in het bos wordt achtergelaten. Ze laat het verraad met een zekere gelatenheid over zich heen komen.
           Toen ik haar de eerste keer bracht, klampte ze zich aan mij vast. Ze jammerde niet. Het concept van onvermijdelijkheid is haar bekend. Het is mijn belangrijkste opvoedingsstrategie. Daarna zette ik haar op het stoeltje. Ze bleef zitten als een zakje aardappelen. Ik kuste en omhelsde haar, maar ze reageerde niet. Net voor ik de klas verliet, hoorde ik haar stem achter me, vervormd, alsof ze zich onder water bevond.
           ‘Pappa.’
           ‘Ja?’
           ‘Mijn ogen zijn nat.’
           Weer iets dat haar overkomen was. Weer een regenbui.
           Op dat moment haatte ik alles en iedereen die het onvermijdelijk maakte dat ze daar moest zitten. Ik wilde haar mee naar huis nemen en daar zou ze altijd het kleine dier blijven en ik haar god, de god die met een hand haar ondersteboven kon houden of met de toets van zijn wijsvinger haar zachte lijfje in extase kon brengen.
           Afhankelijkheid die liefde kweekt – het is bespottelijk idee waar ik nooit in geloofd zou hebben. Onder volwassenen heeft afhankelijkheid hetzelfde opbeurende effect als incontinentie.
           Ik depte haar natte ogen met mijn mouw en liet haar toen achter. Vanaf het schoolplein zwaaide ik nog door het raam. Ze zwaaide traag terug, haar blik somber maar zonder verwijt. Eerder zoals je naar een lotgenoot kijkt. Jij kan er ook niets aan doen, dat zei die blik.
           De grote verrader blies eerst een handkus door het raam en daarna de aftocht.
           En vandaag? Vandaag gingen we weer.
           De lessen in onvermijdelijkheid vallen nooit uit.





De zwartrijder

Ik zit met mijn tas op schoot in een tram die bij elke halte mensen opzuigt uit het duister. De kantooruren zijn net ten einde, maar veel passagiers kijken alsof ze nu op weg zijn naar een tweede baan, eentje met matige secundaire arbeidsvoorwaarden.
            Voor me gaat een vrouw zitten van een jaar of vijftig. Ze heeft het soort droevige haar dat bij bouviers voor de ogen hangt. Als we twee straten verder zijn, staat ze ineens op en loopt ze met haar chipkaart naar de kaartlezer bij de deur. Dan gaat ze weer zitten.
            Prompt verschijnen er drie controleurs in burger. De vrouw wordt aangesproken door een vrouwelijke controleur van haar eigen leeftijd. Die deelt haar mee dat ze te laat heeft ingecheckt. Ze moet 50 euro betalen of een legitimatiebewijs laten zien. Terwijl de vrouw in haar tas begint te graven, mompelt ze haar bezwaren binnensmonds.
           Ze overhandigt haar paspoort. Tegelijkertijd probeert ze iemand te bellen. Er wordt opgenomen. Als de vrouw haar mond opent voor de mededeling ‘Ja, met mij’, ontsnapt haar een grote klodder kwijl die het gemompel bijeen had gebracht. Ze veegt hem snel weg met de rug van haar hand. Dan zegt ze in de telefoon: ‘Ja, ik heb weer een boete in de tram en moet blijven zitten. Dus.’ Ze hangt op.
           De controleur is een hele poos bezig met het overschrijven van de gegevens van het paspoort op een formulier. De tram rijdt verder – een en dan twee haltes voorbij waar de vrouw had willen uitstappen. Ze kijkt naar de schrijvende controleur en zegt: ‘Zo, nou voel je je zeker een hele pief, hè?’ En dan: ‘Jij hebt zeker geen kinderen die thuis zitten te wachten tot je gaat koken?’
           Zonder op te kijken antwoordt de controleur: ‘Nee.’
           De vrouw trilt van woede, maar haar stem wil zich maar niet verheffen. ‘Nou, jij hebt weer je gehaktballetje verdiend voor vandaag. Goed hoor, hè. Echt knap.’
           De andere passagiers en ik kijken naar een vis die spartelt op het droge. De vrouw vecht met haar fatsoen, of eigenlijk: met de dressuur die zo diep in haar zit dat hij haar woede hulpeloos laat.
           ‘U bent niet verplicht te antwoorden,’ zegt de controleur, ‘maar wat was de reden waarom u geen geldig vervoerbewijs heeft.’
           ‘Ha,’ schampert de vrouw. ‘Dat heb ik wel. Hier, controleer het maar.’
           De controleur realiseert zich haar fout en zwijgt.
           De vrouw houdt zelf haar chipkaart bij de kaartlezer. ‘Hier, zie je, tot ziens. Nu ben ik uitgecheckt.’ Maar de triomf die ze even had gevoeld, is alweer verdwenen. De futiliteit van haar gelijk zuigt de lucht uit haar stem.
           Dan overhandigt de controleur haar de bon.
           De handen van de vrouw aan trekken het papier. Ze wil het verscheuren voor de ogen van de controleur, maar weer wint haar dressuur en ze beperkt zich tot opzichtig verkreukelen. De papierbal propt ze het in haar tas.
           De tien, vijftien seconden tot de tram eindelijk weer stopt, staat ze zwijgend voor de uitgang.
           Als de vrouw is uitgestapt, beginnen ineens verschillende passagiers opgewonden tegen de controleur te praten. Ze krijgt complimenten voor hoe kalm ze gebleven is. Anderen spreken ondertussen schande van de onbeleefdheid van de vrouw, weer anderen over het zwartrijden. De lethargie van de passagiers heeft plaatsgemaakt voor een mengsel van opluchting en wellust.
           Waarom maakte een milde overtreding zoveel los? Een vrouw had zich niet aan de regels gehouden. Maar dat was niet bepaald bedreigend. Nee, ergens herinnert elke overtreding ons aan het feit dat wij die keuze ook hebben. De diepste burgerlijke angst is dat er regels zijn waar je je niet aan hoeft te houden, dat je meer keuze hebt dan je wilt toegeven, dat alles anders zou kunnen.
           Fatsoen is de mythe dat je niets doet met de onvrede over je eigen leven omdat je te netjes bent, in plaats van te laf.





Eben Emaël

Eben Emaël. We zouden naar de Sint Pietersberg fietsen, tot ik ineens die woorden op de kaart zag staan, net over de Belgische grens, op een steenworp van Maastricht. Eben Emaël, een mysterie op fietsafstand.
           Maar er was nog een andere reden.
           Toen ik de op de lagere school zal, las ik het liefst boeken over de Tweede Wereldoorlog. Enkel over de militaire kant ervan, de rest was me te zwaarmoedig of te saai, dat weet ik niet meer. Enkele keren per jaar viel er een folder in de bus die een abonnement aanprees op een hele serie boeken die mijn selectieve interesse deelde (van een bedrijf dat inmiddels oorlog heeft ingeruild voor borduren en tarot kaartleggen). Mijn ouders piekerden er niet over om die serie te kopen, maar de folder bood altijd een deeltje aan ter kennismaking, voor een gulden of tien. Als ik het deeltje nog niet had, dan bestelden mijn ouders het. Ik keek vooral naar de foto’s.
           Toen ik Eben Emaël zag staan, herinnerde ik me een zwart-wit foto: een hoge en lange schuine wand langs een kanaal. Het zou een fort zijn. Ik begreep de foto niet. Die ongerijmdheid had hem beschermd tegen het verloop van drie decennia, duizenden liters bier, vele honderden boeken en een onschatbaar aantal uren geouwehoer.
          Het fort bleek gesloten, maar toevallig stond er een gids te wachten op een groep voor een besloten rondleiding. We mochten mee. Een kleine drie uur lang dwaalden we door het enorme ondergrondse complex.
         De gids was een onopvallende man van mijn leeftijd die, als ik hem goed begreep, meer tijd in het fort doorbracht dan bij zijn gezin. Vroeger zou ik daar schamper over gedaan hebben.
         Het verhaal van het fort is prachtig. Het werd vlak voor de oorlog aangelegd en gold als een onneembare vesting, een van de beste forten ter wereld. De allereerste oorlogshandeling van de Nazi’s op 10 mei 1940 was het uitschakelen van het fort. Het duurde 15 minuten. Volgens de Belgen was het 30 minuten.
        De gids herhaalde het vaak, heel vaak, en met een zekere wellust: 15 minuten. Het had iets van leedvermaak, wat vreemd aandeed in het licht van zijn toewijding aan het fort. Maar later dacht ik: juist het falen van hen die we bewonderen en liefhebben biedt troost. Als zij al falen, dan mogen wij dat ook.




Voor de liefhebber, de column voor L1 Radio van deze maand. Gebaseerd op onderstaand stukje, maar dan in de Originalfassung.

09/01 - 0

Linksaf bij de Chinees in Grevenbicht

Het was nacht en mijn vader stuurde de auto linksaf bij de Chinees in Grevenbicht, een smal straatje in dat na drie lantaarnpalen aan zijn lot wordt overgelaten. Het licht van de laatste huizen ijlde nog even na in de spiegels van de auto en toen waren we alleen, tussen donkere weilanden en deinende maisvelden.
                In de verte moest ons eigen dorp liggen, maar het was totaal verduisterd, alsof men geen nachtelijke reizigers wenste te attenderen op haar bestaan. Dat kost weinig moeite. Aan deze kant van het dorp liggen de huizen met hun rug naar het donker.

Ineens kwamen er koplampen op ons af. Mijn vader remde en stuurde de rechterwielen de berm in. De koplampen remden niet en reden langs ons of we er niet waren.  
                Een klap.
                Eerst de verbazing en toen het antwoord: de spiegel was eraf gereden. Hij bungelde aan een paar elektriciteitsdraadjes langs het portier.
                We stopten. Ik keek achterom en zag de auto doorrijden. Pas een moment later gloeiden alsnog de remlichten op. Mijn vader stapte uit en begon de lange gang door het donker te maken, naar de andere auto. In de verte ging een autodeur open en toen nog twee deuren. Vier mannen stapten uit. Ik haastte me om mijn vader te achterhalen.
                Een man van mijn vaders leeftijd en drie jongens van rond de twintig stonden ons op te wachten.
                Mijn vader zei dat de spiegel eraf lag.
                Waarom ging je niet opzij? vroeg de man. Je was niet genoeg opzij gegaan.
                Ik stond stil, zei mijn vader. Jij reed te hard.
                Nee, je stond niet stil, zei een jongen. Dat is echt onzin.
                Waarom denk je dat ze die berm zo hebben gemaakt, dat is om opzij te gaan, zei een andere jongen.
                Ja als we zo gaan beginnen, zei mijn vader. Dit heeft geen zin. Zo lossen we niks op.
                Ik heb hetzelfde probleem als jij, zei de man.
                We liepen naar zijn spiegel, maar hij had een nieuwere auto en deze spiegel was alleen ingeklapt. De man klapte hem weer uit.
                Ja en nu? vroeg mijn vader.
                Ja, luister eens, jij had gewoon meer opzij moeten gaan.
                Ik was opzij gegaan en ik stond stil. Zo is het. Jij had moeten remmen. Je reed te hard.
                Schei toch uit man, je stond niet stil, zei die ene jongen weer.
                Ik reed niet hard, zei de man. Ik reed veertig, je mag hier zestig.
                Ja als we zo gaan beginnen, zei mijn vader. Bah, wat een geouwehoer. Hij maakte een wegwerpgebaar. Dit heeft geen zin.
                Het ging een poosje zo door. Ik zei ook een paar keer iets, maar het enige resultaat was dat er toen zes mannen waren die hun kleine waarheidjes op verhitte toon bleven herhalen.
                Je zou er iets sombers van kunnen vinden. Over dat niemand meer luistert of dat de hufterigheid toeneemt. Maar voor een lekkere portie pessimisme smaakte het verdomd caloriearm. Hoe iedereen zich ook inspande, de hufterigheid wilde maar niet op gang komen.
                Weet je, zei de man. Ik ken jou. Ik weet wie je bent.
                Ja, zei mijn vader, ik weet ook wie jij bent.
                Ja precies. Ik bel je morgen en dan maken we het in orde.
                Nee maar luister, zei mijn vader. Het is heel simpel. Ik stond stil aan de kant en jij had moeten remmen. Als je zo rijdt....
                ...jij stond niet stil, man, onderbrak de jongen. Hou daar toch eens mee op.
                Ja als we zo gaan praten, jongens, dat heeft dus geen zin.
                Pap, rustig, zei ik.
                Ik ben rustig.
                Kom, zei ik. We gaan. Hij gaat je morgen bellen.
 
Na een paar keer aandringen, was mijn vader eindelijk meegegaan. Een paar tellen nadat we weer op weg waren, zei hij: ach, ik koop op de sloop wel een nieuwe spiegel.
                Hij gaat je bellen, zei ik.
                Mijn vader staarde over het stuur de duisternis in en zei afgemeten: nou, dat moet ik nog zien.
                Dat de man niet zou bellen was niet in me opgekomen. Ik woon al lang in de stad, waarschijnlijk had ik in mijn herinnering de dorpse mores geromantiseerd, een erecode verzonnen die alleen kan bestaan in de hoofden van hen die er niet zijn.
 
Toen ik de volgende ochtend de keuken betrad en mijn eerst kop koffie inschonk, bleek de man al gebeld te hebben. Hij had aangeboden de helft van de spiegel te betalen. Dat hoefde niet. In het daglicht bleek de spiegel niet kapot. Mijn vader had hem weer vastgeklikt.
                Op het station gaf ik ineens een twee euro aan de straatmuzikanten, waarvan er een met een klarinet een Balkandeuntje aan het martelen was. Hij grijnsde en toonde me genereus zijn verwoeste gebit.





Feestdagen

1.
Toen we voorstelden om een kerstboom te gaan uitgraven in het kerstbomenasiel, zoals we ook de afgelopen twee jaar hadden gedaan, protesteerde onze dochter van zeven. Ze wilde een ‘neppe kerstboom’.
            ‘Maar we graven altijd zelf onze kerstboom uit,’ zei mijn vrouw.
            Mijn vrouw wil graag gezinstradities uitvinden. Dat lijkt haar fijn voor de kinderen. Het klinkt tegenstrijdig, tradities uitvinden, maar antropologen hebben ontdekt dat veel van onze tradities eigenlijk recente uitvindingen zijn waarvan we vervolgens doen alsof ze al eeuwenlang bestaan. Het enige dat mijn vrouw doet is het tempo wat opvoeren. Twee jaar een boom uitgraven wordt dan “altijd” een boom uitgraven.
            We vroegen onze dochter om te onderbouwen waarom ze een voorkeur had voor een nepboom.  Dan kunnen we bepalen met welk argument we haar voorstel humaan konden laten inslapen. Tot onze verbazing volgden er vijf steekhoudende argumenten. Uitsmijter: het is beter voor het milieu. Mijn vrouw keek mij vragend aan, wachtend tot ik het spuitje zou zetten in het voorstel.
            Maar ik knikte weemoedig: een nepboom zou waarschijnlijk beter zijn voor het milieu. 

2.
We reden naar het kerstbomenasiel, een perceel waar de bomen staan die je zelf mocht uitgraven. Afgedankte en beschadigde exemplaren stonden hoopvol in de houding terwijl gezinnetjes keurend langs de rijen dwaalden tot ze hun eisen genoeg hebben bijgesteld om een klein gebrek te vergeven – grote kale stukken, een kromme stam of takken die zich vooral aan de bovenkant van de boom concentreerden.
            Ik deed alsof de kinderen inspraak hadden. Ze werden vooral aangetrokken door extremen – de grootste, dikste, kromste, kaalste boom op het perceel.
            Steeds wezen ze eentje aan en dan zei ik: ‘Die? Weet je het zeker? Oké, goed dan. Doen we die. Laten we voor de zekerheid nog even daarachter kijken.’ Twee rijen verderop waren ze hun keuze alweer vergeten.
            Opvoeden bestaat in belangrijke mate uit het exploiteren van de zwakheden van je kinderen.
            Uiteindelijk werd het boom met een eetstoornis. Een lange graat met iele, korte takjes—model kapstok. Het was een aandoenlijk exemplaar dat me ontroerde juist door zijn lelijkheid. Ik realiseerde me: alle doorslaggevende argumenten van mijn dochter zouden tevergeefs zijn. Tegen de ontroering van een man op middelbare leeftijd is geen kruid gewassen. 

3.
Kerstmis met mijn ouders betekent ook: cadeautjes. Op mijn verlanglijstje stonden oplaadbare batterijen en een rol duct tape. Ik kreeg de duct tape. Het bijbehorende gedicht uitte enige kritiek op het nogal banale karakter van mijn verlangens. Mijn vrouw was het met de kritiek eens. Zelf had ze een kleine ovenschaal gevraagd, dat vond ze wezenlijk geschikter. Het maakte me niet uit. Ik was blij met mijn rol duct tape.

4.
Op oudjaar was de oudste dochter, die van zeven dus, ineens verontwaardigd dat ze geen rotjes mocht afsteken. De sterretjes die mijn vrouw had meegenomen hoonde ze weg: ‘Babyvuurwerk.’
            Het woord rotjes was nooit gevallen, laat staan dat we ze hadden kunnen weigeren.
            Ik had van mijn leven nog nooit vuurwerk gekocht, uit weerzin en ook een beetje uit angst. Dat laatste voelde als een restant uit mijn kindertijd, een mythisch ontzag voor het geweld ervan, mede gevoed door de campagnes waarin mensen met ontbrekende ledematen je wezenloos aangaapten, alsof ze door een monster waren aangevroten. De kinderangst heeft kunnen voortbestaan bij een gebrek aan ervaring uit eerste hand.
            Mijn vrouw koestert evenmin enige genegenheid voor vuurwerk. Maar we veinsden beide de nonchalance van een volwassene.
            Tien minuten nadat het woord rotjes gevallen was, stond ik met mijn dochter in een bunkerachtig zaaltje waar vuurwerk werd verkocht. Er schalde luide muziek door de ruimte. Op een groot scherm zagen we een DJ en een kolkende mensenmassa. Door het lawaai kon ik discreet met mijn dochter overleggen over de gewenste aanschaf. Ik vond een bestelformulier, maar de term ‘rotjes’ kwam er niet op voor. Alleen aanduidingen als “Army Tank Large” en “Ego Tripper”. De gedachte dat ik de een van de getatoeëerde mensen achter de kassa’s zou moeten vragen of ze ook rotjes hadden, vond ik ronduit intimiderend.
            Het formulier had een rubriek ‘kindervuurwerk’. Ik liep met de lijst naar de kassa en wees aan: “Vicious Six”. Toen vroeg ik wat het precies was. Het bleken vuurpijlen te zijn.
            Ik vroeg aan mijn dochter of ze misschien vuurpijlen wilde in plaats van rotjes. Tot mijn opluchting knikte ze enthousiast.
            ’s Avond was het dan zover. Ik zou de eerste pijl aansteken, daarna mocht onze dochter.
            Met het aangestoken lont naderde ik de wijnfles waarin de vuurpijl klaarstond voor vertrek. Ik hield het aanmaaklont tegen de ontsteking. Er gebeurde niets. Ik blies het lont aan. Weer niets. Ik liep naar binnen, nam een kaars mee naar buiten, stak het lont nog eens aan, beschermde het vlammetje met mijn hand en bracht het zo naar de vuurpijl. Tien, twintig seconden hield ik het tegen het lont. Niets. Om rustig te kunnen nadenken, ging ik enkele meters verderop staan. Inmiddels had ik verschillende keren het lont tegen de ontsteking gehouden. Dit leek me niet de bedoeling, waardoor de vuurpijl nu was omgeven door een grimmig aura van onberekenbaarheid.
            Ik liep opnieuw naar binnen en bestudeerde de vijf resterende pijlen van de Vicious Six. Toen ontdekte ik dat het rode uitstekende puntje aan de onderkant van de pijl niet de ontsteking was, maar een beschermkapje voor de ontsteking.
            Kort daarna ging de eerste pijl de lucht in.
            Met veel moeite haalde ik mijn dochter over om de tweede pijl samen aan te steken. Toen deze de lucht in ging en met een bevredigende hoeveelheid geweld tot ontploffing kwam, keek ik achterom om haar verheugde kindergezichtje in mijn geheugen op te slaan. Maar ze stond met de rug naar me toe, haar handen over de oren en zo ver voorovergebogen dat haar neus bijna haar navel raakte.
            De vier resterende pijlen observeerde ik in mijn eentje, alsof ik ze voor mezelf had gekocht. Het voelde als een mijlpaal, dat viel niet te ontkennen.

 5.
Eerder op oudjaarsdag was mijn vrouw even bevangen door de melancholie. Ze zou hapjes maken voor bij de films die we gingen kijken, te beginnen met de originele versie van Sjakie en de Chocoladefabriek, en vroeg ons om menusuggesties. De kinderen en ik besloten alle terughoudendheid te laten varen en stelden frietjes voor. Dat bleek niet het goede antwoord—omdat het geen hapje was, als ik het goed begrepen heb.
            Het duurde even voordat ze zichzelf weer opgericht had. ‘Ik ben gewoon niet goed in tradities verzinnen,’ concludeerde ze somber.





Midden in de winternacht

 Mijn dochter van drie en ik zingen een kerstlied. ‘Midden in de winternacht, hm hm hm hm hmmm hmmm.’ Een groot deel van de tekst is zoekgeraakt, ergens tussen een basisschool in de Westelijke mijnstreek en een eengezinswoning in de Randstad.
            Over de laatste zin voelen we ons echter allebei zeker. We zingen luid en traag: “Christus is geboren.”
            ‘Maar nú is die dood!’ zegt mijn dochter.
            Ja, nu is die dood.
            ‘Wie is er eigenlijk dood?’ vraagt ze.
            ‘Jesus Christus,’ zeg ik.
            ‘Ja, die. Dus nu kan die niet meer lopen.’
            Nee, nu kan die niet meer lopen.
            Mijn bevestiging is halfhartig, omdat het antwoord zo schraal voelt. Ik maak de wereld weer iets kleiner. Ik had ook kunnen zeggen: hij kan wel nog lopen. En dan zou zij vragen: hoe kan dat? En dan zou ik zeggen: omdat hij de zoon van God is en herrezen is uit de dood. En dan zou zij antwoorden: ooo ja. Want dat antwoordt ze, als ze geen idee heeft waar ik het over heb. Dat vindt ze prima. Over het grootste deel van de wereld heeft ze geen idee. Een Godenzoon meer of minder maakt daarin geen verschil.
            Ik bedoel: dit is een meisje dat elke dag begint met dezelfde drie vragen: ‘Ga ik vandaag naar de crèche? Wie gaat me brengen? Wie komt me halen?’ Soms gevolgd door een vierde vraag: ‘Is de Holy Kitty onderbroek nog in de was?’ Wanneer de vragen beantwoord zijn, duwt ze de deken van zich af en laat ze zich uit bed tillen. Er zijn een paar dingen die ze moet weten. De rest komt wanneer het komt.
            Het liefste zou ik die rest een beetje oprekken, zodat hij zaken kan bevatten die strikt genomen nergens op slaan. Zoals het feit dat er Godenzonen bestaan die hier en daar een wonder verrichten en hun wang gebruiken voor passief-agressieve vormen van verzet.
            Net als iedereen in de Westelijke mijnstreek, ben ik opgegroeid met de Godenzoon. Voor zover ik me kan herinneren, heb ik nooit in hem geloofd. Dat hoefde ook niet. De Godenzoon was er gewoon. Mensen hadden het er over hem. Dan besta je, onafhankelijk van wat de observator gelooft. Een beetje als de verre oom die je nooit hebt ontmoet, maar die af en toe ter sprake komt in familieconversaties.
            Toen ik het dorp verliet waarin ik was opgegroeid, bleef die verre oom daar achter, bij de gemeenschap die hem in het leven had geroepen. Als iemand er naar vroeg, zei ik: ik ben een atheïst.
            Tot het moment in mijn studententijd dat ik mezelf erop betrapte dat ik tegen God sprak. Het gebeurde sporadisch en alleen op momenten van wanhoop, maar dat deed aan het feit zelf niets af. Eerst dacht ik dat het een inconsistentie was, een weeffoutje dat gerepareerd moest worden. Maar ik bleek gehecht te zijn aan dat weeffoutje. Dus toen moest ik de beschrijving van mezelf aanpassen: Ik ben een atheïst die met God praat.
            Ondertussen zeg ik tegen mijn dochter: Ja, Jesus Christus is dood. En nee, dan kan die niet meer lopen.
            Daar was geen speld tussen te krijgen.
            Waar ook geen speld tussen te krijgen was: Ik ben het type vader dat de wereld kleiner maakt. De ene dag sneuvelt de onsterfelijkheid, de andere dag had ik geen weerwoord op het pleidooi van mijn oudste dochter, zeven jaar, dat een namaakkerstboom beter is voor het milieu dan de boompjes die we elk jaar zelf uitgraven in een naburig kerstbomenasiel.
            De jongste dochter en ik zochten samen op Youtube naar Midden in de winternacht, met de volledige tekst. De populairste clip was van een kinderkoor begeleid door het soort muzak dat je in liften wordt opgedrongen. Boemelend basje, beschaafd drummetje en een fleurig dwarsfluitje. Geen wonder dat de kinderen klonken alsof het heil dat ter wereld kwam hen gestolen kon worden.
            Dat arrangement kwam natuurlijk van de hand van een toegewijde vader, dat kon niet missen.





De uitdager

In het Amerikaanse tijdschrift The New Yorker dook een bioloog op die ik tien jaar geleden een keer heb ontmoet. Hij stond centraal in een stuk over Flevoland. De poging om een prehistorisch natuurgebied te scheppen rond de Oostvaardersplassen, had de aandacht getrokken van een Amerikaanse journaliste. Ze voerde de bioloog op als de geestelijk vader van het wonderlijke experiment.
                De bioloog beschrijft, met enige trots, hoe hij de gevestigde orde heeft uitgedaagd. Volgens de man werden zijn tegenstanders geleid door “vijfentwintig procent feitelijke argumenten en vijfenzeventig procent psychologie”.
                Mensen die zichzelf zien als uitdagers van de gevestigde orde, typeren die orde doorgaans als een mengsel van behoudzucht en kortzichtigheid. De suggestie is dat de uitdagers zelf vernieuwend en ruimdenkend zijn.
                De naam van de man, Frans Vera, kwam me bekend voor. En toen herinnerde ik me een vergadering bij het ministerie van, toen nog, Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, een jaar of tien geleden. De bioloog zat aan de hoek van een lange tafel, zwijgend.
                Een Amerikaanse collega en ik presenteerden een stuk dat de enigszins onconventionele mogelijkheid verkende om natuurherstel te realiseren door gebieden gedeeltelijk te bebouwen.
                Tegen het einde van de lange vergadering merkte de voorzitter op dat bioloog nog niets gezegd had. Wat hij er van vond?
                Zonder te gaan verzitten, meldde de bioloog zijn oordeel: ‘Totale flauwekul.’ In mijn herinnering zijn dit de enige twee woorden die hij die middag heeft gesproken.
                Mijn Amerikaanse collega zag die woorden als het begin van een gesprek. Na de bijeenkomst mailde hij de bioloog verschillende keren. Hij heeft nooit antwoord gekregen.





Het nummer van Diana

Afgelopen week was ik in Azerbaijan, een land op de grens van Azië, het Midden Oosten en Europa. Een soort Vaals dus, maar dan op continentale schaal.
            ‘Waar was je nou geweest?’ vroeg mijn vader.
            Het land ligt ingeklemd tussen Rusland, Georgië, Armenië, Iran. Een dictatuur met oliegeld, dat sinds het uiteenvallen van de Soviet Unie onder het bewind staat van een vader en zoon.
            In Baku, de hoofdstad, worden communistische woonbarakken worden afgewisseld met prestige-architectuur, waaronder de hoogste vlaggenmast van de wereld. Daaraan wappert een vlag van zeventig meter breed. Speciaal voor de mast is een immens plein aangelegd dat je niet mag betreden. Bij de trap naar het plein stond een zwart glanzend hokje met een intens verveelde veiligheidsbeambte. Hij zei niets, schudde slechts traag het hoofd, toen ik mijn linkervoet op de eerste trede zette. De Aziatische invloed zie je vooral ’s avonds. Dan is de stad verlicht in felle snoepkleuren.  
            Ik was in Baku voor een conferentie van de Verenigde Naties. Op een avond raakte ik verzeild in het kielzog van een Amerikaanse zakenman. Hij had een bedrijf dat handelde in IPv4-adressen. Dat zijn de internetnummers die onze computers gebruiken. Ze zijn inmiddels nagenoeg op en daardoor is er een lucratieve onderhandse markt in ontstaan. De handel is officieel niet toegestaan, maar de man had een sluiproute gevonden.
            Tijdens het diner keek de man regelmatig op zijn Blackberry. Net voor het toetje zei hij: ‘Mooi. Net een deal rondgemaakt van vijfendertig miljoen dollar. Dat betekent...’ Hij keek even peinzend in de zwoele Azerbaijaanse avondlucht. ‘... dat ik tussen de 2.3 en 2.5 miljoen dollar heb verdiend. Niet slecht voor twee uurtjes werk.’
            Later die avond trakteerde hij ons op sigaren en whisky. In ruil daarvoor luisterden het gezelschap naar zijn anekdotes en successen. Hij was een onderhoudend verteller.
            Midden in de nacht besloot hij een zakenvriend te bellen om hem een tip te vragen voor het nachtleven van Baku. De zakenvriend had veel in Azerbaijan gewerkt en zou een hechte persoonlijke band hebben met de president.
            De tip van de vriend bestond uit een telefoonnummer en een naam: Diana. Diana bleek de vrouw te zijn die het harem van de president bestierde. We hoefden maar de naam van de zakenvriend te laten vallen en Diana zou al onze wensen inlossen.
            Op dat moment besefte ik dat ik geen talent heb voor avontuur. Ik bedankte de man en ging terug naar mijn hotel.
            Twee dagen later vloog ik terug naar huis, in het besef nooit meer in Azerbaijan terug te keren. Dat was ook precies de reden om te gaan: ik zou anders nooit komen.
            Ik had er geen spijt van. Azerbaijan was een fascinerend land. Guus Hiddink gaat er vast nog eens een voetbalclub coachen. Dan krijgt ook hij het nummer van Diana.