De ochtend van de grootste ramp uit de universitaire geschiedenis wilde mijn dochter geen chocopasta. Daarmee kwam een eind aan een lange reeks van boterhammen met chocopasta bij het ontbijt.
Ik prentte mezelf in dat ik dit aan mijn vrouw moest vertellen.
Ik ben geen aanhanger van de theorie dat een relatie draait om communicatie, maar totdat ik weet waar een relatie dan wel om draait, zie ik het als mijn verantwoordelijkheid om gespreksstof aan te leveren.
Er kwam een cryptisch mailtje binnen van L. over de brandverzekering van de TU Delft. L. werkt bij een verzekeringsbedrijf. Enkele jaren geleden had hij me verteld hoe hij de TU Delft, mijn werkgever, van een brandverzekering had voorzien.
Ik begreep niet waarom hij daar nu over mailde.
‘Pappa, op vakantie opzetten,’ riep mijn dochter vanuit de achtertuin.
Als ik in de buurt kom van de computer is dat een aanleiding om verzoeknummers in te dienen. De computer is tevens muziekinstallatie.
Ik zette Op Vakantie op.
‘Nee, pappa, van de schilpad.’
Ik klikte vooruit naar het zevende nummer.
Mijn vrouw belde.
Ze klonk opgewonden.
‘Erg hè?’ zei ze.
Ik vroeg wat er erg was.
Toen bleek de universiteit in de brand te staan.
‘O ja?’ zei ik
Ik liep met de telefoon naar de achtertuin en keek in de richting van de campus.
Het was onbewolkt.
‘Ik zie niks,’ zei ik.
In de loop van de dag belde ze nog een paar keer met nieuwe informatie. Bijvoorbeeld dat de brand was ontstaan door kortsluiting van een koffiezetapparaat.
Ze vroeg of ik nog ging kijken.
Ik zei dat ik de groentetas nog moest halen. En een bedzeiltje bij de Hema.
Toen constateerde ze dat ik er niet erg van onder de indruk leek.
Ik had kunnen zeggen dat ik apathisch ben. Niet uit principe, maar uit efficiëntie-overwegingen. Maar dat wist ze al. Dus ik zei dat de brand een nogal abstracte gebeurtenis was, vooralsnog.
Bij het avondeten was ze namens mij teleurgesteld dat niemand me gebeld had om te vragen of ik wel in orde was.
Ik vroeg me af of ik meer emoties kon uitbesteden.
Als iemand anders die tegen lagere kosten kan produceren, dan moet je niet om sentimentele redenen de vooruitgang belemmeren.
De volgende ochtend ging ik weer naar mijn kantoor, een meter of 500 van het inmiddels ingestorte gebouw.
Ik vroeg aan een collega of hij een dag eerder de brand had meegekregen.
Hij zei dat hij af en toe op Nu.nl had gekeken.
Een andere collega had ook op Nu.nl gekeken.
Niemand was naar buiten gegaan.
Ik vroeg of er nog verbroedering had plaatsgevonden tussen mensen die in de wandelgangen nieuws hadden uitgewisseld.
Ja, dat was zo.
Alleen ging het niet over de brand.
Het gespreksonderwerp van de dag was dat iedereen die ochtend per email was ontslagen.
Die email had ik ook gehad.
Een computer van onze personeelsafdeling had die nacht iedereen zijn ontslag aangezegd.
Ik voelde een zekere teleurstelling toen meteen daarna het bericht binnenkwam waarin het hoofd van de personeelsafdeling mededeelde dat niemand was ontslagen en dat er geen reden was voor paniek.
Het was enigszins geruststellend dat ik niet alleen was in mijn apathie, maar de afwezigheid van iemand die enige opwinding wist te voelen maakte het geheel nogal bloedeloos. Met schouderophalen ben je na een paar minuten wel klaar.
’s Avonds las ik dat de NRC de brand belangwekkend genoeg vond om een deel van de voorpagina en een groot deel van de derde pagina er aan te wijden.
Misschien branden er minder vaak gebouwen af dan ik dacht.
Eigenlijk is elke ramp een vorm van goed nieuws.
Een ramp is per definitie een uitzondering.
Toen de aanslagen van 11 september 2001 hadden plaatsgevonden was het goede nieuws dat het niet veel vaker gebeurde.
Met alle respect voor hardwerkende terroristen, maar het lijkt me een sector waar je ook met een bescheiden vooropleiding best aardige resultaten kunt boeken.
Vanmiddag kreeg iedereen een mail dat de medewerkers van het bedrijf dat de koffieautomaten op de campus onderhoudt vijandig werden bejegend door studenten en medewerkers.
Niet iedereen haalt zijn schouders op over uitbesteding.
Her en der doken prachtige foto’s op van het vervallen gebouw.
Ik weet niet precies waarom, maar kijkend naar die foto's voelde ik iets dat je hoop zou kunnen noemen.
Ik zou kunnen zeggen dat ik geen tijd heb, tegen Yanne die, niet voor het eerst, opmerkt dat het hier stil is.
Maar ik heb net een helft van Bayern München tegen Zenit St. Petersburg gekeken, terwijl ik CD hoesjes kopieerde van de Amazon website naar mijn digitale muziekcollectie.
Dat is eerder een teken van verveling dan van tijdgebrek.
In een uitzending van VPRO’s Boeken beweerde een filosoof dat verveling een vorm van onbehagen is ten opzichte van het leven.
Ik zou kunnen zeggen dat er de afgelopen paar jaar enkele taboes zijn bijgekomen. Onderwerpen waarover ik met moeite kan nadenken, laat staan dat ik er publiekelijk over zou schrijven.
Maar ook die taboes zijn er al een tijd.
Vandaag sloeg ik, zoals gebruikelijk, de uitnodiging af van mijn collega’s om mee te gaan lunchen. Ooit heb ik gezegd dat ik, ondanks de afwijzingen, toch de uitnodiging op prijs stel. Misschien omdat het suggereert dat ze me nog niet afgeschreven hebben.
Ze blijven me trouwhartig vragen.
Later haalde ik zelf lunch.
Behalve een wandeling naar de koffieautomaat was ik mijn kamer nog niet uit geweest.
Het halen van de lunch is een vaste route.
Vanuit het trappenhuis zag ik hoe allerlei collega’s in de zon zaten te eten.
Er was nog plek aan hun tafel, maar daarvan ging geen enkele aantrekkingskracht uit.
Ik verzamelde mijn gebruikelijke selectie uit het kantineaanbod en liep met het dienblad terug naar mijn kamer.
Via de vaste, tevens meest efficiënte route.
Mijn actieradius wordt steeds kleiner.
Niet omdat er iets mis is met mijn omgeving.
Het is eerder dat ik naar het centrum wordt getrokken.
Als een knikker in een kommetje.
Het is geen onaangenaam gevoel.
Het zou niet vreemd zijn als je uit deze beschrijving de indruk overhoudt dat ik enigszins contactgestoord ben.
Toch deel ik die indruk niet.
Mijn directe omgeving deelt die indruk evenmin, vermoed ik.
Het is niet dat ik geen contact kan leggen.
Alleen ben ik regelmatig de reden vergeten waarom dat ook alweer wenselijk was.
Ik probeer aan veel dingen te denken en het is onvermijdelijk dat je wel eens wat vergeet.
Eergisteren was ik van streek omdat ik bij het wakker worden besefte dat ik vergeten was de vuilnisbak buiten te zetten. Op dat moment was het al te laat. Dat gevoel bleef de rest van de dag bij me.
Mijn vrouw vroeg laatst of ik zeker wist of ik niet toch autistisch was.
Het was een oprechte vraag, geen beschuldiging.
Ze had haar tandenborstel in de aanslag.
Ik lag al in bed.
Ik zei dat ik niet autistisch was, omdat ik me wel in de gedachtegangen van anderen kan verplaatsen.
Ze knikte. ‘Dat is waar.’
Het was ontwapenend om deze vraag zo laconiek te bespreken.
Toen preciseerde ze haar observatie: ‘Je kan je wel verplaatsen in anderen, je kan er alleen niet naar handelen.’
Op die samenvatting had ik weinig af te dingen.
De afgelopen dagen bracht ik door tussen rampenonderzoekers. Voorafgaand aan de conferentie werden de CV’s van de deelnemers rondgestuurd. Die bevatten opsommingen van de rampen die ze bestudeerd hadden, zoals militairen hun onderscheidingen op de borst dragen. Een Luitenant ter zee eerste klas legde me ooit uit wat de verschillende onderscheidingen inhielden. Hij noemde ze plakplaatjes. ‘De meeste krijg je als je gewoon komt opdagen.’
Met rampen werkt het op een vergelijkbare manier. Als je kwam opdagen op een conferentie over een ramp, kon je hem op de lijst zetten. Deze conferentie was in Louisiana en de meest populaire ramp was de orkaan Katrina.
Zelf weet ik niets van rampen, maar omdat ik was uitgenodigd door een bevriende wetenschapper had ik voor de gelegenheid ook een mening gefabriceerd over rampen. Er was gelukkig weinig vraag naar mijn mening.
Bij het voorstelrondje stond een meneer op die zei dat hij de baas was geweest van FEMA ten tijde van Katrina. FEMA is de federale rampenbestrijdingsorganisatie die, volgens de rampenonderzoekers, de ramp juist had vergroot in plaats van bestreden. De meneer sloot zijn introductie af met de mededeling: ‘Ik ben hier om jullie de kans te bieden te spreken met de kapitein van de Titanic.’
Aan het einde van de tweede dag werden de rampenonderzoekers in een bus geladen en naar het huis van de Chancellor van de universiteit gereden. De Chancellor woonde in een langgerekte bungalow die uitkeek over een meer. De rampenonderzoekers schuifelden wat onwennig door de luxueuze vertrekken op weg naar de tuin waar de bar was ingericht. Op de tafels lagen zorgvuldig gerangschikte fotoboeken die door niemand werden aangeraakt.
In de tuin bestelde ik een gin tonic. Een van de rampenonderzoekers zei tegen me dat het een echt zuidelijk drankje was. Daarna praatten we een moment over het zonnige weer. Het meer weerkaatste goudkleurig zonlicht en met half dichtgeknepen ogen nipten we aan onze drankjes.
Tijdens mijn tweede gin tonic hield de Chancellor een toespraak. Hij had een kalme stem die zonder hoorbare inspanning de achterste rijen haalde van het gezelschap. Een rampenonderzoeker vertelde me dat de Chancellor de baas was geweest van NASA ten tijde van de ramp met de Challenger. Ik besefte ineens dat er duizenden kapiteins van de Titanic zijn. Eigenlijk is iedereen de kapitein van zijn of haar hoogstpersoonlijke Titanic. Als je een leven lang de tijd heb, vind je altijd wel een ijsberg.
Naast de Chancellor stond een kleine, tengere vrouw die het onderwerp bleek te zijn van de toespraak. Ze was onderwijzeres en astronaut. In de jaren tachtig was NASA een programma begonnen om onderwijzers de ruimte in te lanceren. In 1986 had ze in de Challenger moeten zitten die ontplofte. Maar ze kreeg de griep, of iets dergelijk. Dat stukje van de toespraak verstond ik niet. In haar plaats verongelukte een andere onderwijzeres.
Met die uitkomst nam ze geen genoegen. Ze trainde verder tot ze weer aan de beurt was. Dat duurde ruim vijftien jaar. Toen het moment eindelijk daar was, verongelukte shuttle Columbia op de laatste vlucht voordat zij zou vertrekken. Zoals de Chancellor het vertelde was die ramp een persoonlijke tegenslag voor haar. Ook aan de dood ontsnappen kan een ramp zijn.
De conferentie werd volledig gefinancierd door een lokale ondernemer. De man zat de hele dag achter in de conferentieruimte. Aan het einde van de dag ging het gerucht dat hij de conferentie zeer boeiend vond. De opluchting onder de onderzoekers was voelbaar.
Ik bestelde nog een gin tonic en tuurde naar het hypnotiserende gouden water. Naast me zei iemand dat het had gevroren in Nederland.
Ik zat alleen aan het uiteinde van een lange rij lege stoelen.
Over enkele minuten zou de uitreiking van de Dutch Bloggies beginnen.
De meeste mensen bevonden zich nog in de buurt van de bar.
Goedgeklede mensen met bijpassende kapsels.
Uit de tweehonderd aanwezigen had ik twee gezichten herkend.
En niemand aangesproken.
Mijn vrouw stuurde een sms’je dat we nog brood en melk nodig hadden.
Een groepje nam plaats in mijn rij.
Het waren er zoveel dat ook de stoel naast me bezet werd.
Een jongen ging zwijgend zitten.
Ik zweeg eveneens.
Optisch zat ik nu niet meer alleen.
Ik keek om me heen.
De lijnen van het Haagse stadhuis zijn recht en herhalend en toch verdwaalt je oog in het geheel.
Rechts van me was de balie waar ik ooit mijn bescheiden had overlegd om in het huwelijk te mogen treden.
De uitreiking begon.
Ik had een beetje last van het patatje met pindasaus dat ik op het station had genuttigd.
Bovendien had ik de fout gemaakt om in de trein het commentaar te lezen dat de redactrice had genoteerd op het manuscript van mijn roman. Dan overvalt me de gewaarwording dat ik de bomen moet redden die aan het drukken van het zoveelste debuut geofferd gaan worden.
Ik probeerde mezelf op te beuren met het feit dat we eindelijk een goede titel hadden.
‘Halfwaardetijd.’
Toen begon ik ook aan de titel te twijfelen.
De uitreiking verliep ondertussen in hoog tempo.
We klapten na elke categorie.
Af en toe lachten mijn buurman en ik tegelijk. Vooral als de winnaar de trofee uiteen liet vallen. Daarvoor was schijnbaar weinig nodig. Een jurylid grapte iets over een Ikea-bouwpakket.
De prijs voor het best geschreven weblog bevond zich in de staart van het programma.
Het applaus was inmiddels aardig uitgedund.
Een jurylid las het juryrapport voor.
Hij haalde een lelijke zin aan uit een stukje van enkele weken geleden.
Dat deed een beetje pijn.
Toen hij naar de aankondiging van de winnaar toewerkte haalde hij een andere zin aan die pijn deed. Een gratuite mening over Balkenende.
Toen wist ik dat ik gewonnen had.
Alleen niet waarom.
Ik bleef zitten tot het jurylid klaar was.
Toen ik was opgestaan, vroeg ik me af of de jongen naast me verbaasd was, maar ik keek niet achterom.
Ik nam de prijs in ontvangst.
Het beeldje viel prompt uiteen.
In mijn oren klonk een soort witte ruis.
Ik hoorde dat het jurylid me vroeg wat er door me heen ging.
Een eerdere winnaar was dat ook gevraagd.
Diens antwoord had geluid: “Lachuh.”
Vanaf dat moment had ik geprobeerd iets anders te verzinnen.
Maar niet van harte.
Alleen uit angst, eigenlijk, want het leek me bijzonder onwaarschijnlijk dat ik zou winnen.
Dit weblog heeft zijn meest magere jaar beleefd.
En ik stond tussen Wim de Bie en Martin Bril.
Ver was ik niet gekomen met het antwoord.
Flarden tekst drongen zich in willekeurige volgorde aan me op.
Ik stamelde iets over dat ik mijn ouders moest vertellen over het weblog. En over dat het weblog vorig jaar was doodverklaard door Sargasso en dat het dus een soort necrofiele award was.
Ik was allang de controle kwijt over wat er gebeurde.
Toen ik terugliep naar mijn stoel voelde het alsof ik een autowrak achter me aansleepte.
Ik nam weer plaats.
De jongen naast me keek niet op.
We hervatten ons zwijgen.
Ik durfde niet meteen mijn vrouw te sms’en en veinsde interesse in de categorie die na mij kwam.
Toen de ceremonie afgelopen was, wachtte ik een minuutje af of me nog een reden te binnen zou schieten om te blijven.
Na die minuut vertrok ik.
Op weg naar huis haalde ik twee pakken melk en een rol beschuit.
Het brood was op.
Ik had me voorgenomen om bij binnenkomst tegen mijn vrouw te roepen: 'Hier is de winnaar.'
Maar ze was aan het telefoneren.
Gisteravond ontving ik een Dutch Bloggie voor best geschreven weblog.
Totaal onverwacht, conform de conventie.
Afgaande op mijn humeur vanochtend heeft mijn stamelende antwoord op de vraag 'Wat gaat er nu door je heen' meer indruk op me gemaakt dan de Bloggie.
Vooralsnog.
Later meer.
Eerst moet ik rondjes rennen door de kamer ('Nee, pappa, jij niet die kant op') en de rest van het ochtendprogramma afwerken. Straks mag ik hand in hand dansen met andere gegeneerde ouders tijdens iets dat genereus wordt aangeduid als kindermuziekles. Daarna denk ik ongetwijfeld een stuk milder terug aan gisteravond.
Lieve Vera,
Deze maand heb je voor het eerst je moeder neergeschoten.
Ze was er enigszins door ontdaan.
Je stak je wijsvinger naar haar uit en zei ernstig: ‘Pioew pioew, mamma, pioew pioew.’
Je moeder zag dat als de eerste grote slag die ze verloor tegen de maatschappij.
Zelf laat ik de maatschappij graag het vuile werk opknappen. Ik heb altijd veel plezier beleefd aan pioew pioew, maar dat is niet het soort wijsheid die je geacht wordt op je eigen kind over te dragen. Toch denk ik met liefde terug aan de Britse helm, het koppel met veldfles van het Amerikaanse leger en het groen uniformjasje waarin ik jarenlang heb rondgelopen. Tegenwoordig laat ik de computer de schietgeluiden maken.
Ik kreun er hoogstens nog passend bij.
Ook op dit terrein doet de computer allerlei vaardigheden verloren gaan.
Je zal merken dat de cultuurpessimisten overal een aanleiding in zien om de ondergang van onze beschaving aan te kondigen.
Laten we hopen dat ze gelijk hebben.
Ik ben wel toe aan iets anders.
Het was een zware maand voor je moeder.
Een week eerder waren jullie ook al met de crèche naar de McDonalds geweest.
Dus nu is het 0-2 voor de maatschappij.
Je kan het scoreverloop van de rest van de wedstrijd waarschijnlijk zelf wel voorspellen.
Mijn advies is daarom om zo snel mogelijk op te houden met tellen.
Je kan het beste voor spek en bonen meedoen.
Verder begon je deze maand meer verhalen te vertellen, meestal tijdens het eten.
Praktisch gezien gaat dit als volgt:
Jij: Gevallen!
Ik: O ja, ben je gevallen?
Jij: Ja, gevallen!
Ik: Waar ben je gevallen?
Jij knikt ernstig.
Ik: Ben je op de crèche gevallen?
Jij: Ja, gevallen. Mamma, ben gevallen!
Mamma: O jeetje.
Ik: Waarom ben je gevallen? Wat gebeurde er?
Jij, met een ondertoon van zelfmedelijden: Ja. Heel! Hard!
Verder wil ik graag voor het verslag laten vastleggen dat alle kunstjes die we je laten doen, ook door onszelf worden meegedaan. Dan heet het geen mishandeling, maar solidariteit.
Het gaat niet van harte, maar jij eist het.
Zo zaten we deze maand bijna elke avond met zijn drieën op de grond, terwijl we probeerden onze tenen tegen onze neus te duwen.
Dat is vanwege een liedje uit de musical van Nijntje, jouw favoriete vermaak van de afgelopen tijd. Verderop in het liedje wordt ook gevraagd om je oren bij je neus te doen.
Alle drie kraaien we dan verbaasd dat dat helemaal niet kan.
Je zou denken dat de verbazing enigszins slijt, maar het tegendeel blijkt het geval.
Technisch gezien heet dat: overacting.
Het is een belangrijke vaardigheid.
Tot slot moet ik nog een bekentenis doen.
Vorige week heb ik je op het asfalt laten vallen bij de crèche.
Ik tilde je uit het kinderzitje, terwijl ik met mijn andere hand de fiets vasthield.
Toen ik mijn evenwicht verloor, kon ik niet kiezen tussen het loslaten van de fiets of van jou.
Niet-kiezen is ook een vorm van kiezen, blijkt.
Je zal merken dat je vader daar erg bedreven in is.
Toen je hoofd het asfalt raakte klonk het alsof een blok openhaardhout op een steen viel.
Je moeder vroeg later die ochtend of ik er nog ziek van was.
Vroeger kon ik een dag misselijk zijn als ik bijvoorbeeld in je vinger had geknipt bij het verzorgen van je vlijmscherpe nageltjes. Ook al was jij het na vijf minuten al weer vergeten.
Maar die dag was ik niet misselijk.
Misschien ben ik minder bang je pijn te doen.
Of ik heb dat geaccepteerd als iets onvermijdelijks.
Zoals een slogan uit deze tijd al zegt: De maatschappij, dat ben je zelf.
Ik zei tegen mijn vrouw dat ik een brief ging sturen aan de NRC.
Het was zaterdagochtend en ik had net mogen kennismaken met het vernieuwde magazine van de krant, genaamd Z. Het was een onaangename kennismaking en ik wilde de krant daarvan op de hoogte stellen. Ik had, kortom, een mening over journalistiek.
Niet alleen heb ik van mijn leven nog nooit een brief aan een krant gestuurd, de gedachte is zelfs nooit eerder bij me opgekomen.
Dat argument wilde ik gebruiken.
Geachte redactie,
Niet alleen heb ik van mijn leven etc.
Gelukkig realiseerde ik me op tijd dat deze zin, of een variant daarop, waarschijnlijk een klassieke opening is van een vast deel van de binnenkomende brieven.
De krant publiceert zoveel ingestuurde meningen dat ik soms denk dat ik onderdeel uitmaak van een kleine groep lezers die te lui waren om ook een mening in te sturen. Dat er een lijstje op de redactie hangt waarop de laatste non-schrijvers staan genoemd, op volgorde van de duur van hun abonnementen.
Aangezien de NRC een wat ouwelijke schare lezers schijnt te hebben, sta ik met mijn schamele tien abonnementsjaren waarschijnlijk onderaan dat lijstje.
Ik dwaal af. Het punt was: ik had een mening over journalistiek.
Ik had kunnen weten dat er iets mis was.
De avond ervoor had ik de opname van Sesamstraat gestart, als onderdeel van Vera’s avondroutine. In plaats van Sesamstraat kreeg ik een journaaluitzending te zien.
Het was een zeldzame kans om het journaal te zien.
Vrijwillig stel ik er me niet aan bloot.
Afijn, het bleek een ingelaste journaaluitzending.
Ik vroeg aan mijn vrouw of er iemand dood was.
Ze wist van niks.
Toen keken mijn dochter en ik een minuut of tien naar een persconferentie van Balkenende. Mijn dochter vroeg niet waar Pino bleef, maar dat kun je Balkenende niet aanrekenen, vind ik.
De minister-president deed een ernstig beroep op Wilders om zijn verantwoordelijkheid te nemen.
Er volgden wat vragen, waarop Balkenende bijna letterlijk diezelfde zinnen herhaalde.
Ik begon me op te winden.
In het kort schoof ons regeringshoofd de verantwoordelijkheid voor geweld en wat dies meer zij in de schoenen van de meneer die een filmpje ging uitbrengen.
Het was een zeldzaam zwakzinnige argumentatie.
Als er electoraal gewin mee te halen was, zou ik het ter kennisgeving hebben aangenomen.
Maar die verzachtende omstandigheid gold niet.
Een kort moment had ik sympathie voor Wilders.
Toen volgde de bespreking door de mensen van het journaal.
De journalisten, zullen we ze gemakshalve maar even noemen.
Ze waren zichtbaar onder de indruk van de stellingname van ons regeringshoofd.
De man op de persconferentie zei tegen de presentator: “Nou, Friso (het kan ook een andere naam geweest zijn, daar wil ik even af wezen), dat zijn zeer stevige uitspraken van Balkenende.”
Er waren allerlei adjectieven die in die zin bruikbaar waren geweest, maar het woord “stevig” zit daar niet bij.
Desalniettemin was Friso het roerend eens met deze diagnose.
Niemand gaf ook maar enige indicatie van het besef dat de redenering van Balkenende wellicht nadere ondervraging behoefde.
Het kan zijn dat het journaal Balkenendes standpunt al zo vaak fijntjes heeft gefileerd, in een van de talloze uitzendingen die ik heb gemist, dat het niet meer nodig was. Die gedachte kwam op dat moment helaas niet bij me op.
Na afloop, toen Sesamstraat dan toch eindelijk begonnen was, begon ik erover tegen mijn vrouw.
Ergens viel zelfs het woord “abject,” een woord dat ik van mijn leven nog nooit gebruikt had.
Toen bleek ik ook al een mening te hebben over journalistiek.
Als we dit gemakshalve even onder de noemer journalistiek schuiven.
En zojuist had ik de neiging om uit te gaan leggen waarom Balkenendes redenering zo “abject” is.
Maar die uitleg is ongetwijfeld al uitstekend door anderen verwoord, dus dat zou een soort tweedehandsmening zijn.
Ik heb niks tegen tweedehandsmeningen, ik grossier erin, maar het hele idee is toch dat je daarmee werk bespaart. Om het dan alsnog zelf te doen is alsof je zelf een stoel maakt en die vervolgens naar de kringloopwinkel brengt.
Ik wil me niet opwinden over de kwestie van het filmpje.
Ik wil me al helemaal niet opwinden over journalistiek.
Over het algemeen wil ik me niet opwinden, maar dat is meer een karakterfout.
Het probleem is dat ik mijn afstand aan het verliezen ben tot de hysterie.
Mijn cocon begint barsten te vertonen.
Aan het einde van het interview keek de man me wantrouwig aan.
‘Dus dit was het?’
‘Ja.’ Ik raapte mijn papieren bijeen.
‘Heb je nu wat je nodig hebt?’
‘Zeker, dit was zeer bruikbaar. Nogmaals bedankt voor uw tijd.’
‘Ja, ik vraag het maar even. De onderzoekers die ik normaal hier langs krijg hebben meestal een vragenlijst. Maar jij fietst er als een soort Matthijs van Nieuwkerk doorheen.’
Ondanks dat ik het een flatteuze vergelijking vind, had ik een poosje de pest in over die opmerking.
Alsof ik betrapt was.
Ik kan best een vragenlijst maken, maar de waarheid is dat ik in de meeste antwoorden niet geïnteresseerd ben.
Wat ik doe heet: onsystematisch.
Systematisch wil zeggen dat je ook naar dingen moet vragen die je niets kunnen schelen.
Overigens zijn daar vaak goede redenen voor.
Mijn interviews zijn jachtige zoektochten naar onderhoudende informatie.
Ik weet niet precies wie ik probeer te onderhouden.
Mezelf, maar ook de respondent en anderen – collega’s, opdrachtgevers, het is niet een duidelijke groep.
Dat doet blijkbaar denken aan Matthijs van Nieuwkerk.
Je zou kunnen betogen dat ik een geheim verlangen koester om ook op de televisie mensen te interviewen, maar ik geloof dat niet.
Toch raakt het aan iets wezenlijks.
In het romanmanuscript dat ik aan het herschrijven ben staan zeker vijftien interviews beschreven.
Mijn redactrice vindt dat ik daar in moet schrappen of ze duidelijker met het plot moet verbinden.
Ik ben echter gehecht aan de kleine verrassingen die erin naar voren komen.
Het is goed mogelijk dat mijn verrassingen nogal particulier van aard zijn. Diverse van lezers van het manuscript hebben me gemeld de interviews integraal over te slaan.
Een van Van Nieuwkerks bijzondere gaven is dat hij altijd nieuwsgierig lijkt.
Er zijn weinig interviewers die überhaupt nieuwsgierig lijken, laat staan altijd.
Ik probeer ook nieuwsgierig te zijn in de medemens, maar de medemens maakt het me niet gemakkelijk.
Als ik mezelf hoor praten, in de hoedanigheid van medemens, krijg ik vaak de neiging om vooruit te spoelen.
In alle redelijkheid kan ik mijn gebrekkige nieuwsgierigheid niet toeschrijven aan de medemens.
Net zoals je een ander niet verantwoordelijk kan maken voor je erectie, ook niet als je die ander een vergoeding verstrekt voor een stukje professionele dienstverlening. Contractueel koop je daarmee alleen een inspanningsverplichting, geen garantie op een resultaat.
Noodzakelijkerwijs krijgt ook Van Nieuwskerk te maken met gasten die hem niet werkelijk interesseren.
Er komen heel wat lichtgewichten en windbuilen voorbij.
Dus moet zijn nieuwsgierigheid deels gesimuleerd zijn, op techniek zijn gebaseerd.
Je zou kunnen beweren dat gesimuleerde nieuwsgierigheid minder waard is dan echte nieuwsgierigheid, maar ik ben geen aanhanger van deze gedachtengang.
Uit medisch onderzoek blijkt dat simulanten soms zo goed de symptomen weten na te bootsen, dat ze echt ziek worden.
Waardoor ze niet langer een simulant zijn.
Dat is mijn streven.
Ik probeer uit alle macht de symptomen van nieuwsgierigheid te simuleren, in de hoop ooit getroffen te worden door de daadwerkelijke aandoening.
Ik gaf een dag les aan legerofficieren.
Majoors uit de verschillende onderdelen van de krijgsmacht.
Bij de marine heten ze dan ‘Luitenant ter zee der 1ste klasse.’
Het was de eerste keer dat ik voor legerofficieren optrad.
Ze droegen allemaal hun uniform in het klaslokaal.
Sommige uniformen leken een imitatie van het leger, zoals de harmonie-uniformen waartussen ik een aanzienlijk deel van mijn jeugd heb doorgebracht.
De hele dag werd ik met U aangesproken.
Aan het begin van de dag had ik gevraagd om elkaar te tutoyeren.
Dat was goed.
Maar gaandeweg de ochtend spraken ze me toch weer met U aan.
We hebben een bijzonder beleefd leger.
Elke pauze vroeg tenminste één officier of hij soms een kopje koffie voor me mee kon nemen.
Het is moeilijk om beleefdheid te associëren met het vermogen te doden.
Als we de Amerikanen mogen geloven doodt ons leger met een zekere tegenzin.
Tijdens de lunch vroeg ik mijn chaperonne, een Luitenant ter zee der 1ste klasse uit de onderzeedienst, of ze onderling nog hadden gesproken over de kritiek van Gates op de Nederlandse troepen in Uruzgan.
Hij schudde zijn hoofd.
Oninteressant.
Ik vroeg waar ze dan wel over hadden gesproken.
Hij veerde op en vertelde hoe ze de avond ervoor een flesje wijn hadden opengemaakt en uitgebreid hadden gesproken over het boek dat ik had voorgeschreven voor de cursus.
Daar had je tenminste iets aan.
Het boek ging over het functioneren van overheidsbureaucratieën.
Lieve Vera,
Ik ben een gebrekkig schrijver gebleken. Negenentwintig maanden lang strandden mijn pogingen aan of over je te schrijven in kitsch proza. Warm kitsch proza, maar desalniettemin onuitstaanbaar. Zoals je wijn ook niet moet opwarmen. Het feit dat bepaalde volkeren dat toch doen, maakt het geen beter idee.
Ik verwijt je niets.
Niet hardop, in ieder geval.
De relatie tussen ouder en kind is een mijnenveld.
Deze mijn heet: wurgende liefde.
Straks loop ik weer op een andere mijn.
Statistisch gezien mag je aannemen dat ik over enkele zal kunnen schrijven.
Recent liep ik op de mijn die heet: corruptie.
Sinds je tegen ons bent gaan praten, maken je moeder en ik ons vrolijk over je versprekingen.
Leedvermaak dat zich aandient in de vorm van vertedering.
Een kleine verklarende woordenlijst:
Jotter (yoghurt)
Opsuiven (opschuiven)
Klielili Klieli (kiele kiele)
Bananaan (banaan)
Zeepraat (zebra)
Toppetee (kopje thee)
Tuffel (knuffel)
Tusje (kusje)
Enzovoorts.
Het leedvermaak is niet bijzonder fraai, maar dat is niet de corruptie waar ik op doelde.
Je moeder en ik kunnen geen afscheid nemen van je verhaspelingen.
We blijven vragen of je nog jotter wil, al dan niet met een bananaantje.
En of we nog een tusje mogen, en zo nee, dan een tuffel misschien?
Jij bent alweer verder.
Je uitspraak normaliseert in hoog tempo.
Wij vechten tegen het verval, proberen elke dag je taalgebruik te corrumperen, alsof je een bejaarde bent die we uit de klauwen van een oprukkende dementie moeten redden.
Dit is de prijs die je betaalt voor vertedering.
Een fijne warme emotie.
Verslavend.
Wij zijn de junkies die de kleine criminaliteit niet schuwen.
Het verlangen is hevig, maar ook vluchtig.
Ik breng je ’s ochtends naar de crèche en terwijl ik wegfiets mis ik je al.
’s Avonds fiets ik hard naar huis, zodat ik er ben wanneer jij arriveert en je gezichtje tegen het raampje van de voordeur drukt, om te kijken of ik al sta te wachten.
En dan, zodra ik je hebt vastgehouden, ebt het verlangen weg.
Alsof je junk food bent, een begeerde hamburger.
Zodra je een paar happen hebt genomen, weet je niet meer waar je je druk over maakte.
Zoals ik al zei, ik verwijt je niets.
Ik probeer je hoogstens af en toe op te eten.
Dag lief hamburgertje van me.
Mijn vrouw draaide op haar zij en nam een houding aan alsof ze elk moment een granaatinslag verwachtte.
‘Snel, slapen,’ zei ze. ‘Anders zijn we morgen weer zo moe.’
Ik klapte laptop dicht waarop we net The West Wing hadden gekeken en aaide even over de donkere krullen, het enige deel van mijn echtgenoot dat niet onder het dekbed schuil ging.
‘Je programmeert jezelf verkeerd,’ zei ik. ‘Je moet tegen jezelf zeggen dat je morgen fris weer wakker wordt.’
Onder het dekbed klonk een schampere reactie.
Ik keek op de wekker en deed het licht uit.
‘We hebben nog zes uur, dat is meer dan genoeg.’
Met een paar rupsachtige heupbewegingen bewoog ik naar haar kant van het bed, waar het altijd warmer is. Het is dat de biologie haar zaken redelijk op orde heeft, anders zou ik overtuigd zijn van het feit dat vrouwen gemiddeld een graad of tien warmer zijn dan mannen.
‘Weet je dat ze de wetenschap er nog niet achter is hoeveel slaap een mens nodig heeft?’ vroeg ze.
Ik schoot in de lach en zei dat we toch niet van de wetenschap afhankelijk zijn om te weten hoeveel slaap we nodig hebben.
Buiten reed de laatste tram langs.
In de stilte die volgde, voelde ik de slaap mijn lichaam binnendringen.
‘Ik wel,’ fluisterde mijn vrouw op verontschuldigende toon.
Ik wil graag aanpikken bij 2008.
Daarom laat ik de zes losse eindjes die op mijn lijstje stonden voor wat ze zijn – op eentje na. Die over mijn mail aan een van de prinsen van Oranje. Eigenlijk alleen omdat ik het had beloofd, want ik heb er verder niets over te melden.
Na dit losse eindje gaat 2007 het archief in, rafelig en wel.
Verder wens ik u een goed 2008.
Afijn.
Ik kreeg dus een mailtje van een meneer Van Oranje. Laten we zeggen dat zijn voornaam Constantijn was.
De naam riep geen enkele associatie bij me op.
De mail was in het Engels. Iets over een vragenlijst ter voorbereiding van een ambtelijke workshop waar ik aan deel zou nemen.
Mijn oog viel op het emailadres van de afzender, omdat hij een eigen domeinnaam gebruikte met zijn familienaam. De naam oogde wat rommelig: oranje.eu.com. Niet professioneel. Verder gebeurde er niets in mijn hoofd.
De mail bleef onbeantwoord.
Een paar weken later stuurde hij een herinnering.
Ik keek naar de vragenlijst.
Elke deelnemer werd geacht aan te geven wat de meest urgente problemen waren op basis van een bijgevoegde lijst van maatschappelijk leed op het betreffende terrein.
Ik probeerde de lijst in te vullen, maar liep meteen vast.
Het lukte me niet een mening te vormen over welk leed nodig aan meer erkenning toe was. Het waren allemaal vrij beschaafde vormen van leed, voor zover ik beroepsmatig bekend met ze was. Daarnaast vermeldde de lijst enkele vormen die ik niet kende. Mijn eerste reactie is dan niet om te denken dat er schrijnend onrecht onopgemerkt is gebleven.
Na een paar minuten gaf ik het op.
Ik opende een bericht en tikte: Beste Constantijn.
In gedachten zag ik een junior medewerker voor me van het organiserende onderzoeksbureau.
Midden twintig, in bezit van enkele prachtige Italiaanse pakken die hij had aangeschaft kort nadat het bureau hem in dienst had genomen.
In enkele zinnen legde ik uit waarom ik de vragenlijst niet kon invullen.
Een paar minuten na verzending kreeg ik een mailtje terug.
Beste Michel.
Bladiebla.
“Dus je opinie is wel degelijk waardevol,” vond Constantijn.
Onzin, maar van het onberispelijke soort.
Een week later meldde ik mij in een klein zaaltje in het Circustheater in Scheveningen voor de workshop. Er zouden tien deelnemers zijn, naast de organisatoren. Ik schudde iedereen rond de koffietafel de hand. Sommige mensen kende ik, al duurde het soms even voor ik me hun naam kon herinneren.
Toen ik het zaaltje inliep om mijn tas neer te zetten, zat er in een hoek een jongen achter de laptop die de projector bediende. ‘De junior,’ dacht ik nog.
De eerste inhoudsloze dia stond al op het scherm.
Ik legde mijn spullen op een willekeurige zitplaats.
De jongen kwam overeind en liep naar me toe.
Zijn gezicht had iets bekends.
In gedachten ging ik enkele eerdere workshops af.
‘Mag ik me even voorstellen?’ vroeg hij.
Ik knikte.
‘Ik ben Constantijn van Oranje.’
Ik groette hem en stelde mezelf voor.
‘Fijn dat u gelegenheid zag om deel te nemen aan de workshop.’
Ik zocht naar een gepaste standaardantwoord in mijn repertoire, maar hakkelde uiteindelijk iets over dat het me een bijzonder interessante workshop leek.
Hij knikte en liep terug naar zijn laptop.
Zijn grijze pak viel een beetje tegen en hij was iets ouder dan ik had verwacht.
De rest van de dag maakte hij ijverig notulen van de weinig interessante workshop, zonder een woord te zeggen.
Vlak voor de lunch herinnerde ik me waar ik hem van kende.
Om de een of andere reden voelde ik ineens een grote sympathie voor hem.