Verborgen verhalen (1)

Op 9 oktober las ik drie korte verhalen voor tijdens een voorstelling in de Stadsschouwburg Sittard-Geleen over "verborgen verhalen", onderdeel van het programma rond het fotoproject "SecretCity". Dit was het eerste verhaal.

Maasstraat, Obbicht

Geen van de jongens kwam bij Jimmy thuis en Jimmy kwam bij geen van de jongens thuis. Zijn huis zat geklemd tussen twee grotere panden en het leek alsof de muren langzaam ineengedrukt werden. Plakken van het witte stucwerk waren van de gevel gevallen.
           Toen Peet na het eten bij het huis arriveerde, zag hij alleen de nieuwe fiets van Hecker staan. Heckers ouders voerden een kleine winkel in het dorp en hij had altijd de beste spullen.
           Die ochtend hadden ze een enorme vis gevangen, in een poel die door het hoogwater in het weiland naast de Maas was achtergelaten. Normaal vingen ze hoogstens een baarsje, nauwelijks langer dan een vinger. Ze noemden het baarsjes omdat iemand had beweerd dat het baarsjes waren en niemand hem had tegengesproken. Ze waren zo klein dat je de haak er niet goed uit kreeg. Het was altijd gedoe, tot de dag waarop Jimmy het visje op de grond legde, de hak van zijn gummilaars op de staart zette en met een korte ruk de haak door de kaak heentrok. Een deel van de vissenkop bleef aan de haak zitten. Dat was goed aas, volgens Jimmy.
           De grote vis zag er ziek uit. Oranje met zwarte vlekken. Jimmy kwam op het idee om hem aan Clim Paland te verkopen. Niemand durfde mee. Jimmy kwam terug met twintig gulden en had toen iedereen uitgenodigd voor een barbecue.
           De woonkamer was donker, op het geflikker na van een televisie. Er was geen deurbel en Peet klopte op het raam. Het jongere zusje van Jimmy deed open. Ze liep terug naar de televisie. Peet ging door de keuken in de richting van de tuin. Als tuin het goede woord was. In het hoge onkruid lagen koelkasten, een wasmachine, een aanhanger met lekke banden, steigerpijpen en nog meer.
           ‘Aha, daar heb je die kleine van Conjour,’ zei de vader van Jimmy. Hij hing in een leren fauteuil, het soort stoel dat bij de televisie hoorde te staan, niet buiten.
           Jimmy en Hecker stonden verderop bij een kleine barbecue.
           ‘Jong, haal me nog eentje.’ De vader schudde met het lege blikje alsof het een zoutvaatje was.
           Peet had eerst niet door dat de man hem bedoelde. Toen ging hij naar de koelkast. De schappen lagen vol met bier en een doorzichtige fles sterke drank. Hij bracht het blikje naar de man en ging bij Jimmy en Hecker staan.
           ‘Waar is iedereen?’ vroeg hij.
           Ook de moeder was nergens te bekennen. Misjel had verteld dat ze laatst ineens bij de judoclub was opgedoken. Ze wilde meetrainen. Ze had allerlei vragen gesteld over trappen en zelfverdediging. Zodra de leraar had uitgelegd dat je bij judo niet mocht trappen, was ze weer vertrokken.
           Met een gebarsten wieldop wuifde Jimmy lucht over de kooltjes.
           ‘Je moet het vlees gaan halen,’ zei Hecker.
           Jimmy wuifde zwijgend verder.
           Achter hen klonk gekreun. De vader kwam overeind uit de fauteuil. Even later drukte hij Hecker en Peet een blikje bier in de handen. ‘Hier. Jimmy trakteert.’
           Jimmy keek naar de kolen en knipperde een paar keer, alsof er een vliegje in zijn ogen was beland.
           Peet keek naar het blikje in zijn handen. Hij had wel eens een sneeuwwitje gedronken, maar nooit echt bier. Hij was negen, hij hoorde geen bier te drinken, hij wilde geen bier drinken. Hij zei: ‘Nee, dank u.’
           ‘Stel je niet zo aan,’ zei de man. ‘Die is voor jou. Of voel je je er te goed voor, net als Flipje daar?’ Met zijn hoofd knikte hij in de richting van Jimmy, die maar in de kolen bleef staren.
           ‘Kom hier,’ zei de man. Hij trok het lipje van beide blikjes. Er kroop wat schuim uit de opening. ‘Drink maar. Kom op. Hup. Laat het niet warm worden, Jimmy trakteert.’
           ‘Pap, laat ze, ze willen niet,’ zei Jimmy, zonder de man aan te kijken.
           ‘Bemoei jij je er niet mee. Dat jij zo’n mammakindje bent, dan hoeven zij het nog niet te zijn.’
           De man keek Peet indringend aan. Niet bedreigend, eerder geduldig, alsof hij desnoods de hele avond niets anders zou doen dan Peet aankijken, tot hij een slok zou nemen.
           Peet nam een slok.
           ‘Hè hè,’ zei de man tevreden. ‘Dat mag je zeker niet bij jullie thuis, hè? Van die droogkloot. Ik zie hem wel eens fietsen. Zegt me nog geen goeiendag. Hij daar wordt er ook zo eentje.’ Hij gebaarde weer naar zijn zoontje.
           De vader sjokte terug naar zijn fauteuil.
           ‘Jongen, haal nou dat vlees,’ zei Hecker.
           ‘Er is geen vlees,’ zei Jimmy.
           ‘Hoe bedoel je? Wat gaan we dan barbecueën? Wat heb je dan gekocht?’
           ‘Ik heb niks gekocht.’
           ‘Hoezo heb je niks gekocht? Wat heb je dan met ons geld gedaan?’
           ‘Ons geld?’ Voor het eerst keek Jimmy op van de barbecue. ‘Ik heb die vis verkocht, jij niet. Jij was te schijterig om mee te gaan.’
           ‘Nou en, ik heb hem gevangen,’ zei Hecker. ‘Wat heb je met het geld gedaan? Ik wil de helft.’
           ‘Het geld is weg.’
           ‘Waarheen dan, godverdomme?’ zei Hecker.
           ‘Je hebt het in je handen,’ zei Jimmy.
           Hecker keek verbouwereerd naar het blikje. ‘Godverdomme.’ En toen: ‘Idioot. Waarom heb je hem dat geld gegeven?’
           Hij keek achterom. De vader stond te zeiken naast de aanhanger. Toen gooide Hecker het blikje zo hard als hij kon over het hek, richting de Maasdijk. Het verdween zonder geluid in het donker. Daarna liep hij naar het huis. De klap van de voordeur liet het keukenraam trillen tegen de sponning.
           ‘Enne, heibel in de tent?’ vroeg de vader geamuseerd.
           ‘Blijf jij of ga je ook weg,’ vroeg Jimmy op vlakke toon.
           ‘Ik blijf,’ zei Peet. Hij was opgelucht dat de jongen iets tegen hem zei, iets aan hem vroeg.
           ‘Dan ga ik het eten halen,’ zei Jimmy.
           Hij verdween naar binnen en kwam terug met een wit plastic doosje, het soort doosje waar de Chinees in Born de bami in deed.
           Hij toonde de inhoud aan Peet en zei: ‘Die zijn echt lekker op de barbecue.’
           In het doosje lagen een stuk of tien van die kleine baarsjes. Bij de meeste ontbrak een deel van de kop. Peet kon geen woord uitbrengen. Hij lustte geen vis, zelfs vissticks niet. De glibberige, glinsterende smurrie in het doosje bezorgde hem een weeïg gevoel in zijn maag. Wanneer had Jimmy die gevangen? Hoe lang lagen die al in dat doosje?
           Jimmy legde de visjes op het rooster. De kooltjes begonnen te sissen.
           ‘Ze zijn echt lekker,’ zei hij hoopvol.
           Peet knikte.
           De vader kwam aangelopen met de doorzichtige fles uit de koelkast. Hij gaf een borrelglaasje aan Peet en schonk het vol. ‘Dit hebben we ook gekocht voor vanavond. Ik ga het niet alleen opdrinken, dat is niet gezellig.’
           ‘Ik lust het niet,’ zei Peet voorzichtig.
           ‘Dat hoeft ook niet. Gewoon in een keer achterover tikken. Wordt je sterk van.’
           Peet keek naar Jimmy, maar die staarde naar de visjes.
           ‘Kom op, niet te ingewikkeld maken. Dat hoef je hem niet vragen.’
           Peet aarzelde.
           ‘Luister, als jij je ook te goed voelt, dan donder je maar op, net als die sukkel van Hecker. Dan mag Sjimsalabim hier alleen zijn visjes opeten.’
           Met een teug nam Peet het vocht in zijn mond. Hij gaf het glaasje terug. De tranen sprongen hem in zijn ogen. Hij wachtte tot de man wegging, zodat hij het spul kon uitspugen. Maar de man bleef staan. Peet keek zo neutraal langs hem heen, in het luchtledige. De drank schrijnde in zijn mond. Met moeite haalde hij door zijn neus adem. Zijn oren sloegen dicht, alsof iemand er handen overeen had gelegd. En toen kwam de nasi omhoog die hij thuis had gegeten. In een reflex slikte hij die terug, samen met de drank. Meteen begon hij te hoesten.
           De man lachte en klopte hem goedmoedig op zijn rug. ‘Zo doe je dat. Zie je dat Jimmy? Je moet niet overal zo’n drama van maken.’
           Peet voelde hoe grote hoeveelheden speeksel zich door zijn keel omhoog werkten. Hij slikte en slikte, maar zijn mond liep steeds vol. Het leek alsof de nasi in zijn maag tot leven was gekomen.
           Met een schuimspaan probeerde Jimmy de visjes van het rooster te scheppen, maar ze zaten vast en vielen uiteen. Hij gooide witte brokjes op een bordje. Er staken zoveel dunne graatjes uit dat de brokjes behaard leken te zijn.
           Hij pakte een stukje vis met zijn vingers en stopte het in zijn mond. ‘Smaakt prima, probeer maar.’
           Achter hen liet de vader een luide boer, gevolgd door een tevreden zucht.
           ‘Je moet niet op hem letten,’ zei Jimmy. ‘Gewoon doen of hij er niet is.’
           Hij hield het bord in Peets richting en keek hem bijna smekend aan.
           Peet pakte een brokje vis. Zodra de witte drab zijn tong raakte en de graten in zijn gehemelte prikten, kwam alles wat in zijn maag zat met een enorm geweld omhoog en naar buiten.
           Tussen de eerste en de tweede golf, hoorde hij de vader gieren van het lachen. ‘Och Jimke, ik geloof niet dat hij van je visjes houdt.’
         Peet rende. Halverwege de Broekstraat liep hij het veld in en hij ging in het hoge gras op zijn zij liggen, de armen om zijn knieën geslagen, wachtend tot het trillen zou stoppen. Toen hij thuiskwam, vroeg zijn moeder waar hij geweest was.
         ‘Nergens,’ zei hij.

Efficiëntie

Na een afspraak in Amsterdam Zuid hadden we zeven minuten om de eerstvolgende trein te halen. Ik stelde mijn Braziliaanse en Iraanse medewerkers voor om te rennen. Anders zouden we twintig minuten moeten wachten.
           We renden.
           Hijgend stonden we op het perron, net op tijd.
           ‘Waarom hebben we eigenlijk gerend?’ vroeg de Iraniër. Hij leek enigszins gedesoriënteerd.
           ‘Omdat we nu twintig minuten bespaard hebben,’ zei ik.
           ‘Bespaard voor wat?’
           ‘Voor de rest van onze levens.’
           Hij keek me nadenkend aan, maar zag af van verdere vragen.
           Toen de treindeuren opengingen, zei hij: ‘Ik kan me de afgelopen twee uur niet meer herinneren.’

Mijn geloof is een achterlijk geloof

De afgelopen week verbleef ik in Korea. In Seoul, om precies te zijn. Het was mijn eerste bezoek aan het land. Ik verkeerde in het gezelschap van enkele ambtenaren en een kolonel. In de taxi van het vliegveld naar het hotel, werd energiek geroddeld over de ambtenaren die niet mee waren. Regelmatig stokte het gesprek omdat men afgeleid was door de hoogbouw die zich uitstrekte langs de rivieroevers en tussen de groene heuvels.

Meer dan tien miljoen mensen wonen hier. Toch deed de stad verrassend ruim en ontspannen aan. En schoon. Ergens in de taxirit merkte ik op dat ik nergens graffiti zag. Ook de dagen erna kwam ik geen letter tegen. De straat was verschoond van kauwgom en lege colablikjes.

[[popup file="Seoulmetro.jpg" description="(thumbnail)" ]]

Op het metroperron stelden reizigers stelden zich op in twee rijen, als een soort erehaag voor de uitstappende passagiers. In de metro stonden jongeren spontaan hun plaats af aan oudere reizigers. Als ze de ouderen zagen staan, tenminste. Veel mensen, jong en oud, waren verdiept in hun smartphone of tablet.

Dat registreerde ik allemaal nauwgezet, of ik wilde of niet. Als brave burgerman zoek ik voortdurend naar tekenen van verval, van het ontrafelen van de sociale orde. In de seculiere religie van de middenklasse wordt de rol van de duivel vervuld door de medemens die zich niet aan de regels houdt. Ik wil deze kerk niet aanhangen, laat staan verkondigen, maar een kenmerk van het ware geloof is dat de wil niet ter zake doet.

De verlossing komt ook van de medemens, van hen die zichzelf in de hand houden en wegcijferen. Nederlanders zijn er niet zo goed in. Als we het al doen, vinden we dat we een schouderklopje verdiend hebben. Dat zegt genoeg. De bewoners van Seoul, daarentegen, bezorgden me een moeilijk te beteugelen optimisme over de menselijke beschaving.

Mijn beeld was natuurlijk een illusie, een staaltje oriëntalisme dat vroeg of laat ontmaskerd zou worden. Na een paar dagen kwam ik wijken waar ook wat zwerfafval op straat lag. In de metro zag ik hoe een kleine oude vrouw de rij negeerde en voordrong bij het instappen. In de metrocoupé stond ze binnensmonds te schelden. Toen de volle metro in beweging was gekomen, viel ze uit tegen een bepukkelde scholier die niet meteen was opgestaan om haar een zitplaats aan te bieden. De jongen stond meteen op en liet daarbij zijn wiskundehuiswerk vallen. De anderen mensen in de coupé staarden onaangedaan voor zich uit. Toen de vrouw plaats had genomen, keek ze een poosje boos om haar heen. Ze zag me kijken en dat kwam me op een vuile blik te staan.

Ergens kwam het als een opluchting dat de idylle verstoord werd. Je kunt niet het paradijs aanschouwen en daar geen consequenties aan verbinden. Ik hou niet van consequenties. Ze zijn tijdrovend en je weet nooit waar ze toe leiden.

De laatste dagen van het verblijf zag ik meer passagiers voordringen. Ook botsten er regelmatig mensen tegen elkaar. Niemand reageerde daar op. De Koreanen waren wellicht niet beter dan wij, ze waren in ieder geval stoïcijnser. Niet voor de eerste keer moest ik een populistische conclusie trekken: mijn geloof is een achterlijk geloof.

De schoonheid afdwingen

Op een doordeweekse middag, enkele weken geleden, toen de zomer nog leek te begrijpen dat ze verplichtingen had tot 21 september, spoedde ik me naar het Muziektheater in Amsterdam. Er werd een opera van Wagner opgevoerd, eentje uit de cyclus Der Ring des Nibelungen, en die duren lang. Dit deel duurde vijfenhalf uur en daarom moest er al aan het einde van de middag begonnen worden. De bezoekers met hun stijlvolle avondkleding knipperden enigszins onwennig in het felle zonlicht.
           Ik bezoek de operacyclus met twee vrienden. Eigenlijk had ik jaren geleden besloten pas na mijn vijftigste te beginnen met Wagner. Het is dus iets eerder geworden. Toen een van de vrienden belde of ik mee wilde, zei ik: prima. Ik dacht: dan heb ik het maar gehad.
           Er gaat een zekere dwang uit van het begrip ‘meesterwerk’. Bij sommige mensen roept dat verzet op, maar ik gedij bij dwang. Ik word nerveus van de vraag wat ik zelf wil. Dan kijk ik ineens in een onpeilbare afgrond.
           De bel ging en we begaven ons naar de zaal. Het orkest zat gereed in het reusachtige decor dat zoveel lof had gekregen in de recensies. Het licht ging uit en de dirigent kwam op. Een groot applaus zwol aan. En hield aan. Sommige mensen stonden op en klapten vol overgave.
           De staande ovatie is een verplichte onderdeel van elke voorstelling in het Muziektheater, maar dan wel na afloop. Nu was er nog geen noot gespeeld.
           De dirigent liet het orkest opstaan.
           Het applaus verhevigde. Hier en daar werd gefloten. Mannen riepen: ‘Bravo!’ Het zijn altijd mannen die roepen.
           Eerst observeerde ik de geestdrift met wantrouwen. Hier stonden mensen nadrukkelijk hun edele inborst te afficheren. Kijk eens hoe ik in vervoering raak van de allerverfijnste kunst. Dat die kunst nog moest worden opgevoerd, was een overkomelijk detail.
           Even later begon ik te twijfelen. Deze mensen veinsden niet zozeer ontroering, ze verlangden er intens naar. Dit buitenkansje lieten ze zich niet ontnemen. Hier werd de ontroering afgedwongen.
           Een paar minuten later kon de voorstelling dan eindelijk beginnen. Kort daarna begon ook het gevecht tegen de slaap. Op de momenten dat ik mijn ogen open had, zag ik mijn vrienden knikkebollen. Na drie voorstellingen weten we dat Wagner niet alleen kunst is, maar ook een duursport. Voor zover je vechten tegen de slaap een sport kunt noemen.
           Heel af en toe werd er meerstemmig gezongen en dan veerden we meteen op. Maar Wagner had iets tegen duetten. En tegen op tijd thuis zijn. Misschien vond hij het burgerlijke uitvindingen. Dat zijn het wellicht ook. Van vijfenhalf uur aan trage monologen kon je veel zeggen, maar burgerlijk was het niet.
           Na afloop wandelden ietwat bedrukt naar de tram.
           ‘Ach,’ zei een van mijn vrienden. ‘We hebben in ieder geval flink gedenivelleerd vanavond.’
          Het bekostigen van opera is, zoals bekend, een subsidie van arm naar rijk. Zolang als ik de vriend ken, is hij bezig af te rekenen met zijn sociaaldemocratische opvoeding. Er zit schot in. Over een jaar of tien is hij klaar om voor het eerst geen PvdA te stemmen. Bij de provinciale verkiezingen of zo.
           De gedachte dat we geld van de armen hadden verbrast, beurde ons op, maar het betekende niet dat we vijfenhalf uur schoonheid zomaar uit onze kleren schudden.
           ‘Ja, verzuchtte de andere vriend. ‘Het is wel hard werken, het denivelleren.’
           Het genoegen dat we hier met elkaar deelden was niet zo netjes. Niet zo burgerlijk, zou je kunnen zeggen. Zo hadden we toch nog iets meegekregen van meneer Wagner.

Concurrentie tussen doden

Mijn vrouw en ik waren enkele dagen in New York. Op zaterdagochtend liepen we vanaf 31st Street langs de westelijke oever naar de zuidpunt van Manhattan. Het gebied is een dode hoek tussen de vele toeristische bestemmingen op het eiland.
           We passeerden een kooi met de omvang van een omgevallen kantoorkolos. Daarin oefenden golfers hun afslag door ballen in de richting van New Jersey te slaan.
           Een stuk verderop stond weer een kooi, iets kleiner deze keer. Binnenin wachtten meisjes van een jaar of acht in rode tenues tot hun­­ voetbalwedstrijd zou gaan beginnen. De ouders keken toe vanuit hun SUV's die als een stilstaande file rondom kooi stonden opgesteld. Je mocht er eigenlijk niet parkeren en iedereen liet de motor draaien als alibi om daar stil te kunnen staan. Achter het glas zaten moeders en vaders die hun koffie dronken, de krant lazen of telefoneerden, en ondertussen met een schuine blik de meisjes in de kooi observeerden.
           Tegen het middaguur kwamen we in de buurt van Ground Zero, waar het herdenkingsmonument voor 11 september wordt gebouwd. De toeristen zijn nagenoeg overal op Manhattan, maar hier hadden ze als een ware bezettingsmacht de straten overgenomen.
           Om het monument te kunnen bezoeken, moest je eerst een kaartje halen bij het bezoekerscentrum een eind verderop. Er bevond zich een rij van een meter of vijftig voor de ingang. Geüniformeerde medewerkers stonden als kilometerpaaltjes langs het traject. In het centrum zelf bleek de rij nog langer. Iedereen schuifelde beleefd achter elkaar aan.
           Met videobeelden en voorwerpen werd verteld over de levens van de mensen die waren omgekomen. De inzet van de tentoonstelling was duidelijk: het abstracte cijfer van drieduizend doden moest vervangen worden door drieduizend gezichten, drieduizend mensen met hun eigen verhaal.
           Een verdedigbaar streven, maar het stond me toch een beetje tegen. Ze namen zoveel plaats in, de drieduizend individuen. Onwillekeurig moest ik denken aan de slachtoffers die nog zouden volgen en die elders opeengestapeld liggen in een handzaam getal. Ook tussen doden bestaat concurrentie.
          Maar het meest fnuikende effect van de individualisering van de ramp was dat het mijn bedenking, elke bedenking, in een persoonlijke belediging veranderde. Een belediging van de brandweerman die me aanstaarde vanaf een levensgrote foto. Of van de receptioniste over wie zo liefdevol werd gesproken door haar nabestaanden op het videoscherm.
          Toen we ons kaartje bemachtigd hadden, sloten we aan bij de menigte voor de toegangspoort van Ground Zero. Het bleek de eerste van een lange serie rijen te zijn voordat we het monument zelf bereikten. We schuifelden, we openden onze tassen, we liepen door scanners en poortjes, we stonden stil en we schuifelden verder, overal geëscorteerd door ernstig kijkende geüniformeerden. Ik dacht: eigenlijk is deze rij is het monument. Ik was alleen met mijn verveling en met mijn gedachten over wat zich verderop, achter de schutting, had afgespeeld. Bij een bedevaart gaat ook het niet om de bestemming.

Bos met whisky

Een week geleden ging de telefoon. Niet mijn mobiele toestel, maar het zwarte plastic kastje dat aan het uiteinde zit van onze vaste lijn. Ik hoor het geluid zo zelden dat ik altijd even moet nadenken welk apparaat mijn aandacht probeert te trekken.

Ik nam op en noemde mijn naam. Er volgde een korte stilte, een toon, en toen een vrouwelijke computerstem die vertelde dat iemand een sms-bericht had gestuurd naar dit nummer. Ze las het nummer op van de afzender. Ik herkende het niet, maar dat zegt weinig. Het enige nummer dat ik uit mijn hoofd ken is dat van mijn ouders, omdat ik dat al dertig jaar bel. Al bel ik het vaker niet, zo hebben mijn ouders wel eens opgemerkt.
           Als twintiger belde ik ongeveer met de frequentie van de Elfstedentochten. Tijdens een van die gesprekken vroeg mijn vader of ik een foto wilde opsturen, zodat ze zouden weten hoe ik er uitzag. Dat vond ik een redelijk verzoek, maar het bleek een grapje te zijn.

De computerstem werkte hakkelend het sms-bericht af. Alleen flarden kon ik volgen. Er was een “we” die in het bos lekker aan de whisky zaten en alles was goed. Toen werd de lijn verbroken.

Ik vroeg mijn vrouw of ze iemand kende die in het bos aan de whisky zat. Ze keek me aan alsof ik haar een moord in de schoenen probeerde te schuiven.

Een paar dagen later ging weer de telefoon. Opnieuw de stilte gevolgd door de computermevrouw. Het nummer herkende ik nog steeds niet. Deze keer kon ik niets volgen van de korte boodschap. Ik voelde een lichte paniek. Iemand probeerde hier te communiceren. Waarschijnlijk niet met ons, maar toch. Ik wist echter geen manier om het bericht te laten herhalen.

Vandaag ging weer de telefoon. Nu hoorde ik: “Hallo lieverds, we zijn weer veilig geland. We zien jullie zondag bij pappa’s verjaardag.”

Dat was het dus. Ouders die hun kinderen probeerden te bereiken, vanuit een bos met whisky. Ze hebben geen antwoord van hun kinderen gehad. En dat was precies wat ze hadden verwacht, vermoed ik.