Aan mijn amoebe (slot)

Eerder: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7.

Dit is de laatste dag van mijn leven dat ik niet vader ben. Of de een na laatste dag ? in het licht van de dertienduizend voorafgaande dagen wil ik daar vanaf wezen.

Wat ik bedoel is: dit is de tijd van onomkeerbaarheid. Jij bent de eerste mens die ons alleen zal kennen als vader en moeder. Drie vreemden, vastgeketend aan een idee. En een bloedband, zeggen sommige mensen dan ? maar dat is hetzelfde.

Soms ketenen milieuvrienden zich uit overtuiging vast aan een spoorlijn, bijvoorbeeld om een trein met radioactief afval tegen te houden. Maar even overtuigd gaat iedereen om vijf uur weer naar huis. Of iets later, als een van de milieuvrienden zich verslapen had of de cameraploeg niet op tijd was. Een overtuiging is mooi, maar het moet wel praktisch blijven.

Ik realiseer me nu pas dat wij drieën het domein van het praktische definitief hebben verlaten. Het is onwennig. Ik heb geen aanleg voor het onbekende.
    Mijn moeder, jouw oma, vertelt nog steeds het verhaal hoe ik als jongetje niet verder mocht dan de hoek van de straat. Ik ging nooit voorbij die hoek. Mijn iets jongere broer ging af en toe voorbij de hoek en moest dan teruggeroepen worden uit de volgende straat. En mijn jongste broer was regelmatig halve dagen zoek. Ze hebben hem wel eens in een ander dorp moeten ophalen.

Soms zie je iets maandenlang, een leven lang, aankomen ? en ben je toch verrast als het zo ver is. Voor iemand die soms bang is nooit meer verrast te worden, is dat goed nieuws.

Tot zo.

Onderscheidend en herkenbaar

Op de hoek van de straat stond een groepje kaalgeschoren en gemillimeterde jongens. Zwarte bomberjacks, zwarte militaire broeken, zwart schoeisel. Op de rug van het jack was een witte slogan geborduurd, maar ik was nog te ver om ?m te lezen.

Eentje stond te gebaren ? de rest keek. Een paar hadden de handen in de zakken, de heupen schuin, op een been leunend. De gebarende jongen zwaaide van links naar rechts met een opengesperde hand ? daaro moest iets gebeuren. De anderen keken. Hij leek te zwaaien naar het conservatoriumgebouw. Veel geestdrift zat er niet in. Een donker meisje met een cello liep langs hen, geconcentreerd pratend in een mobieltje.

Ik remde vlak voor het groepje, om af te slaan naar het ministerie. Toen pas kon ik het borduursel op de rug van de aanvoerder lezen. In een zwierig lettertype stond: De Glazenwasser.

Ergens op kantoor had een marketingfiguur met behulp van powerpoint betoogd dat een huisstijl onderscheidend en toch herkenbaar moest zijn. Hij kon tevreden zijn.

Optimalisatievraagstuk

De wereld is een antwoordbaak, sinds de VIHB zwanger is. Mensen leveren zelf bijbehorende vraag.

?Waar jij naar ziekenhuis gaan?? vroeg onze Indiase schoonmaakster.
De VIHB zei dat we bij het Westeinde zaten.
?Waarom jij niet bij Bronovo? Veel beter. Westeinde is niet goed.?
?Wat is er mis met het Westeinde??
?Daar zijn viel te viel buitenlanders.?

Vrouwen leveren ervaringen en meningen, mannen leveren logistiek advies. Hoe je wanneer wat moet doen.
    Ooit dachten mensen dat de filosofie de grote levensvragen zou beantwoorden, maar het blijkt de logistiek te zijn. In ieder geval voor dertigers.

Logistiek is het antwoord op het grote zelfmedelijden. Een baan, een gezin, de matige prestaties van de favoriete voetbalclub. Wat moet ik, wat wil ik. Ik moet nog hinkstapspringen op de maan. En nog wat jatten van een Italiaan.
    Als er zoveel te doen is, wordt efficiëntie een synoniem voor zingeving. Ik zie vrienden opbloeien als ze kunnen vertellen hoe slim ze nu weer iets hebben geregeld.

Ik doe het zelf ook. Alles wordt een optimalisatievraagstuk. Aangeboden informatie wordt gescand en onmiddellijk van een advies of oplossing voorzien. Als de informatie te langzaam doorkomt of er herhaling in zit, dwaal ik af. Ga ik in gedachten andere dingen optimaliseren. Als je een hamer hebt, ziet de hele wereld er uit als een spijker ? dat is een van de nuttigste uitdrukkingen die ik van mijn studie heb overgehouden.

De VIHB was vandaag gedetineerd in het Westeinde. Ze belde op dat de medische staf overwoog om haar op te nemen en morgen de bevalling in te leiden. Het duurde even voor ik die informatie verwerkt had. Daarna begon ik uit te rekenen hoelang het zou duren om twee seizoenen van Friends op de laptop te zetten die meegaat naar het ziekenhuis. Ik heb me voorgenomen de VIHB ongans te amuseren gedurende de weeën. Tijdwinst is alles. Harry Potter deel zes zit ook al in de ziekenhuistas.

Maar het bleek loos alarm. Toen er na drie uur eindelijk een echte dokter aan te pas kwam ? die zijn schaars in het Westeinde, maar ik kan zo snel geen causaal verband leggen met het aantal buitenlanders ? vond deze dat we nog wel even konden wachten.

Daarover moesten we natuurlijk praten, na afloop. De VIHB zag me al afdwalen. De informatie was bekend, de benodigde handelingen bepaald. De optimalisatiemachine maalde verder over iets anders. Ik geloof op de bobbel die in de houten vloer was ontstaan.
De VIHB zei dat er na de geboorte wellicht een poos lang over de bevalling gepraat moest worden.
Ik knikte.
Ze zei dat het er dan niet toe zou doen of we het er al over hadden gehad.
Ik knikte en lachte en zuchtte.
Ze had het uitknopje gevonden.

Homo

Iemand schreef dat hij haast zou zeggen: homo. En dat zijn moeder helaas nooit had gezegd 'wat je begint, moet je afmaken.' Want dat zou nu toch verdomd toepasselijk zijn geweest.

Dit is precies het soort retoriek waar ik gevoelig voor ben. Dus speciaal voor L.: de integrale versie van Zoet donker bier.

Please make it stop

Ik selecteerde een passage voor de volgende aflevering van Zoet donker bier. In de passage kwamen de woorden ?bier? en ?lachen? vaak voor. Herhaling schijnt ook een stijlfiguur te zijn.

Maar mij verveelde het vooral. Zoet donker bier is een tamelijk vervelend verhaal, blijkt. Er zit nog een aardig slot aan, met een tragische vaderfiguur, maar ik had geen zin meer om door te lezen. Dus dat ga ik ook niet van u vragen.

Morgen weer een gewoon stukje. Over voortplanting of daaromtrent.
(Is het al zo ver? Nee, het is nog niet zo ver.)

Zoet donker bier 2

Eerder: 1.

Maar dit jaar wilde ik niet meelachen, godverdomme.
Drinken hielp, had ik gemerkt. Dus ik dronk. Meestal had ik steeds minder zin in bier als het later werd. Op het eind van de avond nam ik nog amper glazen van de dienbladen bier die langskwamen. Ik zag hoe de jongens juist sneller gingen drinken. Sommigen kotsten halverwege de avond en dronken dan weer verder. Dat was wilskracht. Dit jaar ging ik niet zeiken en doordrinken.

Vandaag was de optocht. We dronken al twee dagen en het hielp.
Normaal liepen we mee in de optocht met een carnavalswagen. Maar we hadden deze keer geen zin gehad om er een te bouwen. Iemand riep dat we gewoon allemaal vuilnis op de wagen moesten gooien. Dat vonden we een gaaf idee. Pas daarna kwam Ron met het motto: er rijdt steeds meer troep mee in de optocht. Je moest een motto hebben en dit was een goed motto.
Vuilnis op de wagen – het klonk makkelijker dan het was. De eerste vuilniszakken die we van thuis meenamen lagen als een molshoopje in het midden van de carnavalswagen. Toen we vorig jaar met de groep op de wagen hadden gestaan, was me niet opgevallen hoe uitgestrekt tien bij drie meter is. Uiteindelijk reed Har met het busje van het schildersbedrijf waar hij werkte een paar keer naar een vuilnisbelt bij Stokkem, aan de overkant van de Maas. Daarna had Har ook nog het motto geschilderd op de grote houten platen die aan de zijkant van de wagen hingen.

Vanochtend verzamelden we bij café Tilly. Frank had de tractor bij zich. Nadat die aan de wagen was gekoppeld, gingen we bij Tilly aan de bar zitten. Eerst koffie, daarna weer bier. De schlagermuziek stond nog zacht.
Har en Frank waren bezig het optochtnummer voorop de tractor te bevestigen met ijzerdraad. We hadden nummer 14. Vroeger hadden we wel eens een nummer in de veertig gehad, maar de optocht werd elk jaar korter.

Om half twee vertrokken we naar de opstelplaats. Iedereen had armgaten en een hals in een vuilniszak geknipt en de zak over zijn jas aangetrokken. Sommigen hadden een tweede vuilniszak als een soort tulband om het hoofd gedraaid en vastgeplakt. We liepen met de wagen mee.
Bij de opstelplaats werd het eerste krat aangebroken. Na een kwartiertje kwam de optocht schuifelend in beweging. Dat was nog het meest vermoeiend: anderhalf, twee uur lang schuifelen. Als je zou kunnen doorlopen stelde het niks voor.
Het publiek langs de kant applaudisseerde lauw. Er waren maar weinig wagens dit jaar, dus zelfs onze wagen kreeg applaus.
Langzaam kwamen we in de stemming. De vermoeidheid van de vorige avonden zakte weg en we werden melig van het geklap en geschuifel. Na een uur waren de drie kratten bier op de wagen leeg. Ik had voor de zekerheid nog snel twee flesjes in mijn jas gestopt, ook al was het flesje in mijn hand nog bijna vol. Bert rende vooruit, om een paar kratten van zijn ouders te pakken. De optocht kwam halverwege de route door zijn straat.

Frank en Ron renden rond met een opengescheurde vuilniszak en dreigden die op mensen in het publiek te gooien. Dat had succes. Het applaus werd wat voller.
Af en toe keek ik naar de toeschouwers en probeerde te zien waar mijn vader stond. Maar ik wist niet wat hij aanhad. Gisteren was hij als viking de cafés afgegaan. Vandaag was ik te vroeg weggegaan om te zien wat hij had aangetrokken. Ik zou hem nog wel tegenkomen vandaag. Zoals ik met de jongens op stap ging, ging hij mee met “de mannen,” zoals hij het zei.
Frank en Ron gingen op de wagen zitten. Even gebeurde er niks. De toeschouwers keken naar ons en wij naar hen.

(Wordt vervolgd.)