Opgetrokken tennissokken

Een jongeman verdedigt in heldere zinnen zijn proefschrift tegenover zeven hoogleraren in toga. Op de eerste rij van de publiek zit zijn vader, een man wiens pantalon zo ver is omhoog gekropen dat de bedekking van zijn onderbenen nu vooral voor rekening komt van zijn witte, hoog opgetrokken tennissokken. De man heeft een kapsel dat alleen nog maar als parodie bestaat. Tussen de wijd openhangende panden van zijn colbertje rust een stropdas op het witte overhemd. Midden op de stropdas bevindt zich een gele gitaar en daar omheen dansen een aantal bonte figuurtjes die ik niet kan onderscheiden vanaf mijn positie. De das is volkomen verkeerd gestrikt. Het brede uiteinde reikt tot net onder de tepels, het dunne uiteinde is zo lang dat de man het overschot in zijn pantalon heeft gestopt. Het lijkt alsof de gele gitaar van een elektriciteitskabel is voorzien.
    De jongeman glimt. Hij onderkent de gebreken van zijn proefschrift, brengt die desgevraagd zonder omhaal onder woorden, maar hij glimt desalniettemin. Vroeger was hij ski-instructeur, lees ik in de korte biografie die achter in het proefschrift is opgenomen.
    De vader glimt ook. Hij slaat het ene been over het andere, trekt de tennissokken nog eens op en legt een hand op de ineengevouwen handen van zijn vrouw, de moeder.
    Het gebeurt niet vaak meer dat ik kan waarnemen waar de universiteit vroeger in moet hebben gegrossierd: sociale mobiliteit.

Miesepies | Zondag 08 Juli 2012 - 11:44 pm | | Tekst | Drie reacties

Holocaust-ontkenner

Vorige week verschenen er berichten in de krant over cyberaanvallen op en van het Nederlandse leger. Ik werd gebeld door een journalist die vroeg: ‘Is het mogelijk om heel Nederland plat te leggen met een cyberaanval?’ Die vraag krijg ik ongeveer een keer per maand.
    Het is een onderwerp waar overdrijving de norm is geworden. Degene met de meest levendige fantasie, domineert het debat. Voor alle duidelijkheid: het lijkt me zinnig dat het leger haar systemen kan verdedigen en, binnen militaire operaties, de systemen van tegenstanders kan aanvallen. Maar veel zaken die nu onder het kopje ‘cyberoorlog’ worden geschaard, zijn marginale vormen van criminaliteit of activisme.
    Laatst was ik te gast bij de VVD. Twee Kamerleden en tiental andere partijgenoten wilden zich laten informeren over het onderwerp cyberoorlog. Mijn poging om de overdrijving te bestrijden, stuitte op scepsis. Sprekers verontschuldigden zich telkens eerst voor het feit dat ze niet deskundig waren, om vervolgens mij toe te spreken over de ernst van de dreigingen. De kennisoverdracht verliep in andere richting dan verwacht.
    Op een gegeven moment sloeg de scepsis om in irritatie. Een jonge vrouw, waarvan later bleek dat ze als juriste aan de universiteit werkte, zei: ‘Ik vind het, met alle respect, nogal zinloos om te praten over of cyberoorlog wel of niet bestaat. Het lijkt me beter om ervan uit te gaan dat het bestaat.’
    Toen begreep ik: mensen zijn gehecht aan hun dreigingen. Die kun je niet zomaar afpakken.
    Ergens halverwege de bijeenkomst zei ik: ‘Ik voel me net een holocaust-ontkenner.’
    Op weg naar huis, vroeg ik me af aan welke dreigingen ik gehecht ben.

Miesepies | Maandag 02 Juli 2012 - 10:38 am | | Tekst | Drie reacties

Schoktherapie

In een rek van een souvenirstalletje op de Wilhemstrasse, naast de Berlijnse muur, zag ik het tenue hangen van de Deutsche Mannschaft. Mijn vrouw en ik fietsten er langs. Even overwoog ik niets tegen haar te zeggen. Maar ik had schoktherapie nodig. Ik stopte, liep naar het rek en hield het tenue omhoog. Ze knikte. Dit zouden we meenemen naar huis, voor onze dochter van zes.
    De eerste week van het toernooi had onze dochter in het oranje gelopen. Toen Nederland de tweede wedstrijd had verloren, constateerde ze: ze zijn gewoon niet goed. Het was een zakelijke constatering, zonder teleurstelling.
    Tijdens de kwartfinales was ze eerst voor Frankrijk, want daar was oma op vakantie, en daarna voor Spanje, want daar woonde Sinterklaas.
    Toen we thuiskwamen uit Berlijn, trok ze meteen het Duitse tenue aan. Nu was ze voor Duitsland, zei ze. Toen ze later in bed lag, wist ze waarom: het was het land dat het dichtste bij Nederland lag. Met haar handen gebaarde ze: je had Duitsland en Nederland en daar zat helemaal geen plek meer tussen. Dichterbijer kon niet.
    Inderdaad.
    Als kind moet ik ook zo gedacht hebben. Ergens tussen toen en nu is iets misgegaan. Nu ben ik iemand die nog bijna dagelijks denkt aan het binnenkantje links van Robben dat uiteenspat op de rechtervoet van Casillas. Of aan Ambrosini die uit de dekking van Van Bommel is weggelopen. Of aan de driftige pasjes van Arsjavin langs Ooijer. Niemand denkt daar vrijwillig aan.
    Een tijd lang vond ik mijn overreactie amusant. Het is fijn om af en toe een mysterie te zijn voor jezelf. Weinig is zo onverdraaglijk als redelijkheid. Bovendien was mijn reactie functioneel: als je angst, hoop en teleurstelling uit het voetbal haalt, blijft er een soort balletvoorstelling over. Een matige balletvoorstelling begeleid door het geluid van een eindeloos doorspoelende WC.
    Maar de laatste tijd amuseert mijn teleurstelling me niet meer, ik wil er vanaf. De vraag is hoe. Ik bezit zekere vaardigheden op het gebied van het relativeren en voetbal is eminent relativeerbaar. Je hoort het mensen wel eens doen. Voetbal is een handvol miljonairs die tussen twee reclameblokken door achter een stuk leer aanhollen, dat soort teksten.
    Er is inderdaad geen enkele reden waarom je je eigen welzijn zou verbinden met de prestaties van voetballers. Die sluitende conclusie kent slechts een klein gebrek: een reden blijkt volstrekt overbodig te zijn.
    Het enige alternatief is mezelf te ontregelen. Noem het schoktherapie. In de trein naar huis vond ik een krantje met foto’s van een lachende Van der Vaart in het water van de Côte d’Azur. ‘Moet hij niet onder een dekbed ergens liggen huilen?’ vroeg mijn vrouw. Ik heb langdurig en geconcentreerd naar de foto gekeken. Dat was een begin. Toen dacht ik aan mijn meisje in Duits tenue. Ze juichte. Dat werkte nog beter. Straks juich ik voor de Italianen en dan kan de genezing niet meer ver weg zijn.
    De ochtend na onze thuiskomst, wilde mijn dochter het tenue aan naar school. Ik dacht: oei, misschien moet ze daar nog even mee moest wachten. Nog niet iedereen is klaar voor schoktherapie. Maar toen realiseerde ik me: het zijn kinderen. Het wordt Sinterklaas tegen pizza. Dat kan niet mis.

Miesepies | Vrijdag 29 Juni 2012 - 10:50 am | | Tekst | Eén reactie

Nieuwe column L1 Radio

Een nieuwe column voor L1 Radio, gebaseerd op het stukje over zandlopers van mensen met afstand tot de arbeidsmarkt, laffe liefdadigheid en nog zo wat zaken.

Miesepies | Woensdag 25 April 2012 - 08:30 am | | Tekst | Zeven reacties

Voorgefrankeerd

Twee maanden geleden zat ik in een Maastrichts restaurant naast Cor Bosman, lid van de provinciale staten van Limburg. Het was enkele weken nadat Bosman landelijke bekendheid had verworven omdat hij een statenlid van de PvdA had omschreven als een ‘uitgekotst stuk halalvlees’.
    Een stuitende uitspraak, maar de ophef die daarop volgde onderstreepte ook iets dat me al vaker is opgevallen: er is een grote groep mensen die genot ontleent aan het verontwaardigd zijn.
    Toen ik naast Bosman zat vroeg ik hem of hij bedreigd werd. Hij haalde zijn schouders op. Zijn email had hij al tijden niet geopend. Wel kreeg hij ongeveer tien scheldbrieven per dag via de reguliere post, waaronder een dagelijkse brief van iemand die steeds een voorgefrankeerde bedrijfsenvelop gebruikte waaruit hij het bedrijfslogo had geknipt.
    Verontwaardiging is een hobby. Voor alle hobby’s geldt: ze moeten wel een beetje betaalbaar blijven.

Miesepies | Dinsdag 24 April 2012 - 11:16 am | | Tekst | Geen reacties

De zandloper

Ergens in de gemeente Beek, Zuid-Limburg, douchen de mensen 1 minuut en 42 seconden korter dan voorheen. Zeggen ze zelf.
    Eerst hadden ze bezoek gekregen van een “Energieteam”. Het team had hen een zandloper gegeven voor in de badkamer. Toen de bewoners enkele maanden later gebeld werden, beweerden ze dat ze korter douchten. Gemiddeld 1.7 minuten korter.
    Of dat waar is, mag je betwijfelen. Ik vermoed dat de antwoorden van de bewoners op de telefonische enquête niet zozeer hun daadwerkelijke douchetijden uitdrukten, als wel hun wens om het Energieteam niet teleur te stellen.
    Volgens het persbericht bestond het team uit “mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt”. Ik weet niet precies welke tragiek er schuil gaat achter dat ambtelijke eufemisme. Ik stel me timide mensen voor in blauwe windjacks waarop het logo van het Energieteam is gedrukt. Terwijl je de koffie uitschenkt, frunniken ze onder de tafel met de ritssluiting van hun jack. Maar als het moment komt om de energiebesparingstips te geven, bloeien ze ineens op. Dit gedeelte hebben ze voorbereid, getraind, geleefd. Het hoogtepunt is de overhandiging van de zandloper. Bedankjes worden uitgesproken, handen worden geschud en het team wordt uitgezwaaid bij de voordeur.
    Als je na hun bezoek wordt gebeld met de vraag of de zandloper nut heeft gehad, dan wil je geloven dat je korter gedoucht hebt. Of je wilt op zijn minst dat de ander dat gelooft. En die ander, in dit geval de gemeente Beek, wil het ook graag geloven.

Wij hebben thuis ook zo’n zandloper. Er was een meisje aan de deur geweest, een collectante voor een goed doel. Omdat ik laf ben, doe ik mee aan alle charitas die mij thuis weet aan te treffen. Dit wetende is het onmogelijk om enige voldoening te halen uit mijn vrijgevigheid. Na elke gift blijf ik achter met een kater. Deze keer bleef ik achter met een kater en een zandloper.
    Ik gaf de zandloper aan mijn vrouw. Mijn vrouw doucht lang: ’s ochtends zo’n twintig, dertig minuten, vaak ’s avonds ook nog een keer. Dat heeft minder met lichaamsreiniging te maken dan met zelfmedicatie.
    Enige tijd geleden had ik me voorgenomen om te zwijgen over haar douchegebruik. Wat zelfmedicatie betreft, is het een van de meer onschuldige vormen. Mijn vrouw is niet aan de drank, zet thuis geen Sky Radio op en catalogiseert haar klachten jegens mij doorgaans in stilte. Bovendien heeft ze op mijn verzoek afgezien van een auto, wasdroger, vriezer, comfortabele binnenhuistemperatuur en het doorspoelen van de WC na kleine boodschappen, behalve als er bezoek is of de schoonmaakster komt. Dus.
    Toch moest ik haar die zandloper geven. Er was geen ontkomen aan, ook al wist ik dat hij geen enkel effect zou hebben. Ze nam hem zonder zichtbare reactie in ontvangst. Toen ik hem een paar dagen later aantrof op de kast, heb ik ‘m zelf op de deur van de douchecel geplakt.
    Inmiddels gebruiken de kinderen het zuignapje ervan om te tekenen op de beslagen deur.
    Nu is het wachten op het moment dat het meisje terugkeert, die van het goede doel dat ons de zandloper heeft gegeven. Bij haar volgende collecte zal ik zeggen: het is een wonder, we douchen ineens korter. Ik heb het even uitgerekend voor je: 1 minuut en 42 seconden korter, om precies te zijn. En vervolgens zal ik mijn portemonnee trekken.

Miesepies | Donderdag 19 April 2012 - 1:59 pm | | Tekst | Twee reacties

Iets moois

Na afloop van het interview, vroeg ik aan de journaliste van RTL Nieuws wat ze onder mijn naam zou zetten, aan het begin van het journaalitem. Dat vond ze een goede vraag.
    De cameraman had een shot nodig waarin ik zou doen alsof ik aan het werk was. Ik begon zo geloofwaardig mogelijk op mijn toetsenbord te tikken.
    Ik wilde dat ze vroeg wat mijn functie was. Niet dat ze die informatie zou gebruiken. Het zijn teveel woorden voor het kleine balkje dat maar even in beeld komt. Maar ik vond dat ze het moest vragen. En dan kon ik zeggen dat hij te lang was om het in het balkje te zetten.
    Eigenlijk wilde ik dat mijn titel genoemd zou worden. Het is een ontnuchterende constatering dat je je gehecht hebt aan een handvol letters. Alsof de jaren die eraan voorafgingen anders tevergeefs waren. Het is een beetje als met boeken die me niet bevallen: die lees ik toch uit. Niet uit plichtsbesef of een ander nobel motief, maar als een vorm van wraak op het boek. Door het uit te lezen, hoef ik het verlies niet te accepteren, de gedachte dat de uren die er al in gestoken zijn tevergeefs waren. Je kunt het ook hoop noemen.
    Maar goed. Ik durfde haar niet te vragen of ze de titel wilde gebruiken, want dat zou onbescheiden overkomen. Twee ijdelheden streden om voorrang, maar het was een ongelijke strijd.
    Ik vroeg of ze er in ieder geval niet telecomexpert onder wilde zetten, of iets dergelijks.
    ‘Zo werd je in de radiojournaal aangekondigd, hè?’ zei ze. ‘Het klonk inderdaad een beetje raar.’
    Ze beloofde dat ze er iets moois van zou maken.
    Toen ik het item ’s avonds op televisie zag, vergat ik te kijken naar het onderschrift. Een ongeschoren kop debiteerde een tegeltjeswijsheid.
    Later keek ik het fragment terug en las ik de woorden die mijn aanwezigheid in het item moesten verklaren: ‘Technologie deskundige.’ Met spatie. Het klonk als een grap. Nee, het was een grap.
    De vrouw had haar woord gehouden.

Miesepies | Donderdag 05 April 2012 - 9:54 pm | | Tekst | Drie reacties

De zwetende mens (slot)

(Wat voorafging, staat hier.)

De brandstapel werd aangestoken. Toen was het tijd voor het voorbereidende gesprek. We gingen de tipi binnen en vormden een kring rond de leider van de zweethut, een sympathieke man van mijn leeftijd. Hij legde uit dat het idee was dat ons pantser zou smelten door de hitte en dat we daardoor dichter bij onszelf zouden komen. Als ik het goed onthouden heb.
    Toen vroeg hij ons waarom we waren gekomen.
    Een vrouw zei: ‘Om het leven te vieren.’
    Ik heb me altijd afgevraagd hoe dat er uit zou zien, het leven vieren. Een paar uur later zou ik een glimp van het antwoord opvangen: het laten van indrukwekkende boeren, afgewisseld met zingen in een soort fantasietaal.
    Maar zover was het nog niet.
    Toen ik aan de beurt was, zei ik dat ik er was gekomen om mezelf in het nauw te drijven.
    De leider vond dat geestig en vroeg of hij het op zijn website mocht zetten. Daar had ik niets op tegen.
    Ik zei ook dat ik het ritueel met de stenen beschamend had gevonden en dat ik die schaamte eigenlijk nogal overbodig vond. Als er iets moest smelten, dan graag het overschot aan schaamte.
    De leider knikte begripvol en vond het goed dat ik me bewust was van mijn weerstand.
    Ondertussen waren buiten twee vuurmensen druk in de weer met de brandstapel. De stenen moesten steeds ingekapseld blijven door het brandende hout. Op een gegeven moment gaf een van hen te kennen dat de stenen op temperatuur waren.
    Dat was het sein om naakt te gaan. Zonder ophef verdween alle kleding in meegebrachte weekendtassen of supermarktzakken.
    Even later zaten we in de donkere hut. De kleine ingang bleef nog even open, zodat de vuurmensen met een riek de eerste stenen naar binnen konden brengen. De basaltblokken waren zo heet dat ze oranje licht afgaven. Toen de ingang werd afgesloten, zaten we in een totale duisternis, afgezien van de betoverende gloed van de stenen in het midden van de hut. Er volgden enkele rituelen en al snel ging het eerste water op de stenen.
    Ik heb de neiging om wat daarna volgde samen te vatten in zes woorden: ik blijk niet bestand tegen hitte. In sauna’s heb ik nergens last van, maar dit was heel iets anders.
    Met een uiterste wilsinspanning kwam ik de eerste ronde door. Ik begrijp wel dat je moet proberen te ontspannen, niet moet vechten met de hitte, maar de hitte vocht met mij.
    Uit de duisternis klonk af en toe de stem van de leider, die op medelevende toon vroeg hoe het met me ging.
    Van tevoren had ik verwacht dat het verblijf in de hut op meditatie zou lijken. Stilte, ronddraaien in je eigen gedachten tot je vanzelf een keer op een andere plek uitkomt. Maar het was een drukte van jewelste. We moesten zingen, praten, luisteren en dan weer zingen. Ik had nauwelijks tijd om te kermen.
    Tijdens de tweede ronde zong ik uit volle borst mee met de indianengezangen. Als ik zong, had de hitte minder grip op me. De leider had les gehad en zong heel verdienstelijk. De rest improviseerde zelf wat. Wat ik deed, leek nergens op. Maar dat was een luxeprobleem. Tussen mij en de aftocht stond alleen vormeloos gezang. Ik huilde en jammerde mee. Het eerste doel was alvast bereikt: mijn schaamte smolt in hoog tempo.
    Tijdens de derde ronde, die draaide om dankbaarheid voor onze naasten, kreeg ik een paniekaanval. Het fenomeen paniekaanval is me vreemd. De enige keer dat ik iets vergelijkbaars heb gevoeld is toen ik als achtjarig jongetje per ongeluk een doelpunt maakte en de rest van het elftal boven op mij wenste te liggen. Ik kreeg geen adem meer en was er van overtuigd dat ik het niet zou overleven.
    Ik schreeuwde dat ik eruit moest. Maar ik wachtte wel gedwee op toestemming. Het respect voor gezag zit diep. De leider probeerde me te kalmeren, maar ik was te ver heen. Toen gaf hij de vuurmensen de opdracht om de ingang te openen. Ik kroop erheen en voelde de koele lucht langs mijn hoofd stromen. De leider vroeg opnieuw om even te wachten met het verlaten van de hut. Ik bleef zitten, in de buurt van de opening. Na enkele seconden ebde de paniek weg. Ik zei dat de deur weer dicht kon.
    Het restant van de derde ronde was de schaamte geheel weggesmolten, samen met het vermogen om na te denken. Toen het mijn beurt was om te ‘bidden’, kwam er een enorme woordenbrij uit mijn mond. Ik werd overspoeld door gevoelens van dankbaarheid. Na enige tijd onderbrak de leider me met het verzoek de rest van mijn gebed in één zin samen te vatten.
    Toen de ronde klaar was, wist ik met heel veel moeite uit de hut te kruipen. De vierde laatste ronde was kort en hevig. Dat ging beter. Daarna lagen we naakt in het donkere bos naar de sterren te kijken, wachtend op de terugkeer van normale lichaamsfuncties.
    We sloten de dag af met soep, brood en wat etenswaren die mensen zelf hadden meegebracht. Wijn, die in de hut naast me had gezeten en schijnbaar moeiteloos de hitte had verdragen, stortte ineens in. Totaal. Pas nadat hij een uur in foetushouding onder een deken had gelegen, was hij weer aanspreekbaar.
     De volgende dag deden we rustig aan. Ik probeerde het gevoel van dankbaarheid vast te houden en vroeg me af hoe ik mijn vrouw dit moest gaan uitleggen.
    Op maandag, anderhalve dag na de zweethut, herinnerde ik me delen van wat ik in de hut had gezegd. En ik kromp ineen. Letterlijk. Toen wist ik dat hij weer terug was, mijn vriend de schaamte.

Miesepies | Dinsdag 27 Maart 2012 - 10:55 pm | | Tekst | Zeven reacties

De zwetende mens

We gingen dus naar een zweethut. Daan had me een paar keer over zijn ervaringen verteld en de laatste keer had ik mezelf uitgenodigd. Daar moest hij even over nadenken. Ik sta niet bekend om mijn ruimhartige bejegening van de zwetende medemens. Uiteindelijk stemde hij toe.
    We vroegen Wijn ook mee. En zo arriveerden we op een zaterdagochtend gedrieën in een bos tussen Nijmegen en Venray. De leider van de ceremonie zat met een bekertje koffie te wachten aan een picknicktafel, naast een tipi.
    Een voor een arriveerden de andere deelnemers – drie vrouwen en een man op een motor. De ochtend werd besteed aan voorbereidingen. We hakten brandhout, versleepten stenen en bouwden de hut door tientallen dekens te draperen over een iglovormig skelet van boomtakken.
    Na de lunch begon de ceremonie met het plaatsen van de stenen op de vuurstapel. Na negen rituele stenen, mochten de deelnemers enkele stenen aan iets opdragen. De vrouwen droegen stenen op aan de lente, de liefde en de natuur. De motorrijder droeg een steen op aan het wegennet. Dat nam me voor hem in.
    Ik overwoog een steen op te dragen aan de onverbiddelijkheid, maar ik merkte dat ik de lettergrepen opspaarde in mijn mond, als een fluim die ik de anderen voor de voeten zou spugen. Het leek me beter een ander woord te zoeken. Voordat het zweten begonnen was, verdiende de medemens het voordeel van de twijfel. Daarna vermoedelijk ook.
    De brochure had gesproken over het in contact komen met jezelf. Sommige van die contacten zou ik liever beperken tot verjaardagen en een kaartje met Kerst.

(Morgen verder.)

Miesepies | Maandag 26 Maart 2012 - 10:04 pm | | Tekst | Eén reactie

Nieuwe radiocolumn L1

Ook deze keer in het dialect, op veler verzoek. Het is een licht bewerkt gedeelte van dit stukje.

Miesepies | Woensdag 21 Maart 2012 - 12:49 am | | Tekst | Eén reactie

Slettebak

Gisteravond verscheen een rapport over de vermeende ‘integriteitsschendingen’ door wethouder Van Rey in Roermond. De conclusie hoeft niet te verrassen: de wethouder heeft zich niet aan de gedragscode gehouden.
    Gedragscodes zijn organisatorische fantasieën over de ideale mens. Ze drukken uit wie we denken dat we moeten zijn. Net als de tien geboden. De praktijk is dat ik mijn ouders alleen eer als ik een oppas nodig heb en dat ik op onbewaakte momenten ook wel eens de vrouw van een ander begeer, om maar iets te noemen. Pas als je iemand tegenkomt die elke dag zijn ouders eert en nooit de vrouw van een ander begeert, begrijp je dat de gedragscode geen ideaal mens schept. Waarmee ik mijn tekortkomingen niet wil wegpoetsen, overigens.
    De productie van gedragscodes is een bedrijfstak die ons zuiverheidsidealen verkoopt, net als de controle op de naleving ervan. De controleurs hebben altijd dezelfde boodschap: de code is niet nageleefd. Dan kun je concluderen dat onze ambtenaren en bestuurders door en door corrupt zijn, maar het lijkt me logischer om te concluderen dat de gedragscode een ondeugdelijk product is. Een brandalarm dat altijd afgaat, breng je terug naar de winkel. Je begint niet alvast te blussen.

In de schaduw van de zaak Van Rey speelde nog een vermakelijk akkefietje rond wetenschappelijke integriteit.
    Toen dagblad De Limburger afgelopen najaar de eerste aantijgingen tegen de wethouder publiceerde, voerde ze ook twee hoogleraren op – ‘deskundigen op het gebied van bestuurlijke integriteit’. De hoogleraren velden alvast een negatief oordeel over het gedrag van de wethouder.
    De lokale VVD noemde daarop de hoogleraren ‘prostituees van De Limburger’.
    Het beeld dat een regionale krant zich liet verwennen door twee hoogleraren, stemde me ronduit vrolijk. Twee instituten in verval die troost vinden bij elkaar, daar past slechts mededogen.
    Kort daarna trok de VVD die uitspraak weer in. Dat was een beetje jammer. De universiteit van Maastricht had rectificatie geëist. Ze vond het “meer dan een belediging”, maar een opmerking die de integriteit betwijfelde van haar integriteitsdeskundige.
    Dat roept de vraag op: bestaat er zoiets als een integere prostituee? Natuurlijk bestaat die.
    Prostitutie is in de eerste plaats een zakelijke transactie. Het lijkt me dat je die op een integere manier kunt afwerken. Wie zegt dat het niet kan, verklaart het kapitalisme één grote integriteitschending. Dat laatste mag een populair standpunt zijn, daarmee is het nog niet correct.
    De reden waarom de universiteit zo fel reageerde op de term prostituees, is dat het een pijnlijke waarheid blootlegt: hoogleraren zijn op afroep beschikbaar voor het gerief van journalisten. Quotejes van deskundigen dienen een journalistieke pointe, niet andersom. Het heeft minder met wetenschap te maken dan met het verlangen naar aandacht. Ik zeg dit in het volle besef van het feit dat ik zelden of nooit een uitnodiging van een journalist afsla.
    Toen de VVD sprak over prostituees, schoot De Limburger de hoogleraren te hulp door te vermelden dat er van betaling geen sprake was. Dat onderstreept onbedoeld de tragiek. Als je de financiële transactie weglaat, blijft er van de prostituee alleen een slettebak over.

Miesepies | Dinsdag 20 Maart 2012 - 08:35 am | | Tekst | Vijf reacties

De borstkas van een Argentijn

Tijdens de lunch keek ik een deel van de halve finale tussen Nederland en West Duitsland van het EK van 1988. Die wedstrijd had ik nooit eerder gezien. Destijds boeide voetbal me niet. Ik herinner me dat ik met enkele klasgenoten in een Grieks restaurant aan de Rijksweg in Sittard zat. Tijdens het toetje hoorden we met enige tussenpozen claxonerende auto’s passeren. Geen van ons associeerde dat geluid met voetbal.
     Ik probeerde de verschillen te zien tussen voetbal van nu en dat van 1988. Die waren minder groot dan ik had verwacht. Wel viel me op dat de huidige obsessie met balbezit ontbrak. Beide teams probeerde snel naar voren te combineren en leken te accepteren dat de meeste van die pogingen zouden leiden tot balverlies. Je zou denken dat het spel daardoor aantrekkelijker werd, maar dat was niet zo. Het werd wel spannender.
    Andere detail: het feit dat men de bal nog mocht terugspelen in de handen van de keeper, maakt pressing nagenoeg onmogelijk. En juist daardoor was er weinig reden om terug te spelen op de keeper. Het gebeurde maar een handvol keren.
    Maar het meest opvallende was het morele universum waarin de strijd zich afspeelde, afgaande op het commentaar van Ten Napel. Terwijl Van Basten grossiert in schwalbes, klaagt Ten Napel over Duitsers die simuleren en kaarten aannaaien. ‘Dat hoort niet.’ De Nederlandse spelers maken meer overtredingen dan de Duitsers, maar het commentaar maant de Nederlanders aan om zich niet te laten provoceren dan de Duitsers.
    Er wordt wel eens gedaan alsof Wilders het slachtofferdenken heeft uitgevonden. Maar het is een nationale hobby.
    Een jaar of tien geleden kwam ik op een feestje in Berkeley een Amerikaan tegen die fanatiek voetbal volgde. Hij vertelde me dat Nederlandse elftal bekend stond als gemeen en achterbaks. Ik was geschokt door die mededeling. Nu denk ik: ook ik geloofde in de slachtofferrol. Ik herinner me nog de intense genoegdoening die ik voelde toen Bergkamp stiekem zijn noppen plantte in de borstkas van een Argentijn. Van dat genot ben ik nog steeds niet helemaal verlost.

Miesepies | Dinsdag 13 Maart 2012 - 11:19 pm | | Tekst | Eén reactie