Linksaf bij de Chinees in Grevenbicht

Het was nacht en mijn vader stuurde de auto linksaf bij de Chinees in Grevenbicht, een smal straatje in dat na drie lantaarnpalen aan zijn lot wordt overgelaten. Het licht van de laatste huizen ijlde nog even na in de spiegels van de auto en toen waren we alleen, tussen donkere weilanden en deinende maisvelden.
                In de verte moest ons eigen dorp liggen, maar het was totaal verduisterd, alsof men geen nachtelijke reizigers wenste te attenderen op haar bestaan. Dat kost weinig moeite. Aan deze kant van het dorp liggen de huizen met hun rug naar het donker.

Ineens kwamen er koplampen op ons af. Mijn vader remde en stuurde de rechterwielen de berm in. De koplampen remden niet en reden langs ons of we er niet waren.  
                Een klap.
                Eerst de verbazing en toen het antwoord: de spiegel was eraf gereden. Hij bungelde aan een paar elektriciteitsdraadjes langs het portier.
                We stopten. Ik keek achterom en zag de auto doorrijden. Pas een moment later gloeiden alsnog de remlichten op. Mijn vader stapte uit en begon de lange gang door het donker te maken, naar de andere auto. In de verte ging een autodeur open en toen nog twee deuren. Vier mannen stapten uit. Ik haastte me om mijn vader te achterhalen.
                Een man van mijn vaders leeftijd en drie jongens van rond de twintig stonden ons op te wachten.
                Mijn vader zei dat de spiegel eraf lag.
                Waarom ging je niet opzij? vroeg de man. Je was niet genoeg opzij gegaan.
                Ik stond stil, zei mijn vader. Jij reed te hard.
                Nee, je stond niet stil, zei een jongen. Dat is echt onzin.
                Waarom denk je dat ze die berm zo hebben gemaakt, dat is om opzij te gaan, zei een andere jongen.
                Ja als we zo gaan beginnen, zei mijn vader. Dit heeft geen zin. Zo lossen we niks op.
                Ik heb hetzelfde probleem als jij, zei de man.
                We liepen naar zijn spiegel, maar hij had een nieuwere auto en deze spiegel was alleen ingeklapt. De man klapte hem weer uit.
                Ja en nu? vroeg mijn vader.
                Ja, luister eens, jij had gewoon meer opzij moeten gaan.
                Ik was opzij gegaan en ik stond stil. Zo is het. Jij had moeten remmen. Je reed te hard.
                Schei toch uit man, je stond niet stil, zei die ene jongen weer.
                Ik reed niet hard, zei de man. Ik reed veertig, je mag hier zestig.
                Ja als we zo gaan beginnen, zei mijn vader. Bah, wat een geouwehoer. Hij maakte een wegwerpgebaar. Dit heeft geen zin.
                Het ging een poosje zo door. Ik zei ook een paar keer iets, maar het enige resultaat was dat er toen zes mannen waren die hun kleine waarheidjes op verhitte toon bleven herhalen.
                Je zou er iets sombers van kunnen vinden. Over dat niemand meer luistert of dat de hufterigheid toeneemt. Maar voor een lekkere portie pessimisme smaakte het verdomd caloriearm. Hoe iedereen zich ook inspande, de hufterigheid wilde maar niet op gang komen.
                Weet je, zei de man. Ik ken jou. Ik weet wie je bent.
                Ja, zei mijn vader, ik weet ook wie jij bent.
                Ja precies. Ik bel je morgen en dan maken we het in orde.
                Nee maar luister, zei mijn vader. Het is heel simpel. Ik stond stil aan de kant en jij had moeten remmen. Als je zo rijdt....
                ...jij stond niet stil, man, onderbrak de jongen. Hou daar toch eens mee op.
                Ja als we zo gaan praten, jongens, dat heeft dus geen zin.
                Pap, rustig, zei ik.
                Ik ben rustig.
                Kom, zei ik. We gaan. Hij gaat je morgen bellen.
 
Na een paar keer aandringen, was mijn vader eindelijk meegegaan. Een paar tellen nadat we weer op weg waren, zei hij: ach, ik koop op de sloop wel een nieuwe spiegel.
                Hij gaat je bellen, zei ik.
                Mijn vader staarde over het stuur de duisternis in en zei afgemeten: nou, dat moet ik nog zien.
                Dat de man niet zou bellen was niet in me opgekomen. Ik woon al lang in de stad, waarschijnlijk had ik in mijn herinnering de dorpse mores geromantiseerd, een erecode verzonnen die alleen kan bestaan in de hoofden van hen die er niet zijn.
 
Toen ik de volgende ochtend de keuken betrad en mijn eerst kop koffie inschonk, bleek de man al gebeld te hebben. Hij had aangeboden de helft van de spiegel te betalen. Dat hoefde niet. In het daglicht bleek de spiegel niet kapot. Mijn vader had hem weer vastgeklikt.
                Op het station gaf ik ineens een twee euro aan de straatmuzikanten, waarvan er een met een klarinet een Balkandeuntje aan het martelen was. Hij grijnsde en toonde me genereus zijn verwoeste gebit.




Feestdagen

1.
Toen we voorstelden om een kerstboom te gaan uitgraven in het kerstbomenasiel, zoals we ook de afgelopen twee jaar hadden gedaan, protesteerde onze dochter van zeven. Ze wilde een ‘neppe kerstboom’.
            ‘Maar we graven altijd zelf onze kerstboom uit,’ zei mijn vrouw.
            Mijn vrouw wil graag gezinstradities uitvinden. Dat lijkt haar fijn voor de kinderen. Het klinkt tegenstrijdig, tradities uitvinden, maar antropologen hebben ontdekt dat veel van onze tradities eigenlijk recente uitvindingen zijn waarvan we vervolgens doen alsof ze al eeuwenlang bestaan. Het enige dat mijn vrouw doet is het tempo wat opvoeren. Twee jaar een boom uitgraven wordt dan “altijd” een boom uitgraven.
            We vroegen onze dochter om te onderbouwen waarom ze een voorkeur had voor een nepboom.  Dan kunnen we bepalen met welk argument we haar voorstel humaan konden laten inslapen. Tot onze verbazing volgden er vijf steekhoudende argumenten. Uitsmijter: het is beter voor het milieu. Mijn vrouw keek mij vragend aan, wachtend tot ik het spuitje zou zetten in het voorstel.
            Maar ik knikte weemoedig: een nepboom zou waarschijnlijk beter zijn voor het milieu. 

2.
We reden naar het kerstbomenasiel, een perceel waar de bomen staan die je zelf mocht uitgraven. Afgedankte en beschadigde exemplaren stonden hoopvol in de houding terwijl gezinnetjes keurend langs de rijen dwaalden tot ze hun eisen genoeg hebben bijgesteld om een klein gebrek te vergeven – grote kale stukken, een kromme stam of takken die zich vooral aan de bovenkant van de boom concentreerden.
            Ik deed alsof de kinderen inspraak hadden. Ze werden vooral aangetrokken door extremen – de grootste, dikste, kromste, kaalste boom op het perceel.
            Steeds wezen ze eentje aan en dan zei ik: ‘Die? Weet je het zeker? Oké, goed dan. Doen we die. Laten we voor de zekerheid nog even daarachter kijken.’ Twee rijen verderop waren ze hun keuze alweer vergeten.
            Opvoeden bestaat in belangrijke mate uit het exploiteren van de zwakheden van je kinderen.
            Uiteindelijk werd het boom met een eetstoornis. Een lange graat met iele, korte takjes—model kapstok. Het was een aandoenlijk exemplaar dat me ontroerde juist door zijn lelijkheid. Ik realiseerde me: alle doorslaggevende argumenten van mijn dochter zouden tevergeefs zijn. Tegen de ontroering van een man op middelbare leeftijd is geen kruid gewassen. 

3.
Kerstmis met mijn ouders betekent ook: cadeautjes. Op mijn verlanglijstje stonden oplaadbare batterijen en een rol duct tape. Ik kreeg de duct tape. Het bijbehorende gedicht uitte enige kritiek op het nogal banale karakter van mijn verlangens. Mijn vrouw was het met de kritiek eens. Zelf had ze een kleine ovenschaal gevraagd, dat vond ze wezenlijk geschikter. Het maakte me niet uit. Ik was blij met mijn rol duct tape.

4.
Op oudjaar was de oudste dochter, die van zeven dus, ineens verontwaardigd dat ze geen rotjes mocht afsteken. De sterretjes die mijn vrouw had meegenomen hoonde ze weg: ‘Babyvuurwerk.’
            Het woord rotjes was nooit gevallen, laat staan dat we ze hadden kunnen weigeren.
            Ik had van mijn leven nog nooit vuurwerk gekocht, uit weerzin en ook een beetje uit angst. Dat laatste voelde als een restant uit mijn kindertijd, een mythisch ontzag voor het geweld ervan, mede gevoed door de campagnes waarin mensen met ontbrekende ledematen je wezenloos aangaapten, alsof ze door een monster waren aangevroten. De kinderangst heeft kunnen voortbestaan bij een gebrek aan ervaring uit eerste hand.
            Mijn vrouw koestert evenmin enige genegenheid voor vuurwerk. Maar we veinsden beide de nonchalance van een volwassene.
            Tien minuten nadat het woord rotjes gevallen was, stond ik met mijn dochter in een bunkerachtig zaaltje waar vuurwerk werd verkocht. Er schalde luide muziek door de ruimte. Op een groot scherm zagen we een DJ en een kolkende mensenmassa. Door het lawaai kon ik discreet met mijn dochter overleggen over de gewenste aanschaf. Ik vond een bestelformulier, maar de term ‘rotjes’ kwam er niet op voor. Alleen aanduidingen als “Army Tank Large” en “Ego Tripper”. De gedachte dat ik de een van de getatoeëerde mensen achter de kassa’s zou moeten vragen of ze ook rotjes hadden, vond ik ronduit intimiderend.
            Het formulier had een rubriek ‘kindervuurwerk’. Ik liep met de lijst naar de kassa en wees aan: “Vicious Six”. Toen vroeg ik wat het precies was. Het bleken vuurpijlen te zijn.
            Ik vroeg aan mijn dochter of ze misschien vuurpijlen wilde in plaats van rotjes. Tot mijn opluchting knikte ze enthousiast.
            ’s Avond was het dan zover. Ik zou de eerste pijl aansteken, daarna mocht onze dochter.
            Met het aangestoken lont naderde ik de wijnfles waarin de vuurpijl klaarstond voor vertrek. Ik hield het aanmaaklont tegen de ontsteking. Er gebeurde niets. Ik blies het lont aan. Weer niets. Ik liep naar binnen, nam een kaars mee naar buiten, stak het lont nog eens aan, beschermde het vlammetje met mijn hand en bracht het zo naar de vuurpijl. Tien, twintig seconden hield ik het tegen het lont. Niets. Om rustig te kunnen nadenken, ging ik enkele meters verderop staan. Inmiddels had ik verschillende keren het lont tegen de ontsteking gehouden. Dit leek me niet de bedoeling, waardoor de vuurpijl nu was omgeven door een grimmig aura van onberekenbaarheid.
            Ik liep opnieuw naar binnen en bestudeerde de vijf resterende pijlen van de Vicious Six. Toen ontdekte ik dat het rode uitstekende puntje aan de onderkant van de pijl niet de ontsteking was, maar een beschermkapje voor de ontsteking.
            Kort daarna ging de eerste pijl de lucht in.
            Met veel moeite haalde ik mijn dochter over om de tweede pijl samen aan te steken. Toen deze de lucht in ging en met een bevredigende hoeveelheid geweld tot ontploffing kwam, keek ik achterom om haar verheugde kindergezichtje in mijn geheugen op te slaan. Maar ze stond met de rug naar me toe, haar handen over de oren en zo ver voorovergebogen dat haar neus bijna haar navel raakte.
            De vier resterende pijlen observeerde ik in mijn eentje, alsof ik ze voor mezelf had gekocht. Het voelde als een mijlpaal, dat viel niet te ontkennen.

 5.
Eerder op oudjaarsdag was mijn vrouw even bevangen door de melancholie. Ze zou hapjes maken voor bij de films die we gingen kijken, te beginnen met de originele versie van Sjakie en de Chocoladefabriek, en vroeg ons om menusuggesties. De kinderen en ik besloten alle terughoudendheid te laten varen en stelden frietjes voor. Dat bleek niet het goede antwoord—omdat het geen hapje was, als ik het goed begrepen heb.
            Het duurde even voordat ze zichzelf weer opgericht had. ‘Ik ben gewoon niet goed in tradities verzinnen,’ concludeerde ze somber.




Midden in de winternacht

 Mijn dochter van drie en ik zingen een kerstlied. ‘Midden in de winternacht, hm hm hm hm hmmm hmmm.’ Een groot deel van de tekst is zoekgeraakt, ergens tussen een basisschool in de Westelijke mijnstreek en een eengezinswoning in de Randstad.
            Over de laatste zin voelen we ons echter allebei zeker. We zingen luid en traag: “Christus is geboren.”
            ‘Maar nú is die dood!’ zegt mijn dochter.
            Ja, nu is die dood.
            ‘Wie is er eigenlijk dood?’ vraagt ze.
            ‘Jesus Christus,’ zeg ik.
            ‘Ja, die. Dus nu kan die niet meer lopen.’
            Nee, nu kan die niet meer lopen.
            Mijn bevestiging is halfhartig, omdat het antwoord zo schraal voelt. Ik maak de wereld weer iets kleiner. Ik had ook kunnen zeggen: hij kan wel nog lopen. En dan zou zij vragen: hoe kan dat? En dan zou ik zeggen: omdat hij de zoon van God is en herrezen is uit de dood. En dan zou zij antwoorden: ooo ja. Want dat antwoordt ze, als ze geen idee heeft waar ik het over heb. Dat vindt ze prima. Over het grootste deel van de wereld heeft ze geen idee. Een Godenzoon meer of minder maakt daarin geen verschil.
            Ik bedoel: dit is een meisje dat elke dag begint met dezelfde drie vragen: ‘Ga ik vandaag naar de crèche? Wie gaat me brengen? Wie komt me halen?’ Soms gevolgd door een vierde vraag: ‘Is de Holy Kitty onderbroek nog in de was?’ Wanneer de vragen beantwoord zijn, duwt ze de deken van zich af en laat ze zich uit bed tillen. Er zijn een paar dingen die ze moet weten. De rest komt wanneer het komt.
            Het liefste zou ik die rest een beetje oprekken, zodat hij zaken kan bevatten die strikt genomen nergens op slaan. Zoals het feit dat er Godenzonen bestaan die hier en daar een wonder verrichten en hun wang gebruiken voor passief-agressieve vormen van verzet.
            Net als iedereen in de Westelijke mijnstreek, ben ik opgegroeid met de Godenzoon. Voor zover ik me kan herinneren, heb ik nooit in hem geloofd. Dat hoefde ook niet. De Godenzoon was er gewoon. Mensen hadden het er over hem. Dan besta je, onafhankelijk van wat de observator gelooft. Een beetje als de verre oom die je nooit hebt ontmoet, maar die af en toe ter sprake komt in familieconversaties.
            Toen ik het dorp verliet waarin ik was opgegroeid, bleef die verre oom daar achter, bij de gemeenschap die hem in het leven had geroepen. Als iemand er naar vroeg, zei ik: ik ben een atheïst.
            Tot het moment in mijn studententijd dat ik mezelf erop betrapte dat ik tegen God sprak. Het gebeurde sporadisch en alleen op momenten van wanhoop, maar dat deed aan het feit zelf niets af. Eerst dacht ik dat het een inconsistentie was, een weeffoutje dat gerepareerd moest worden. Maar ik bleek gehecht te zijn aan dat weeffoutje. Dus toen moest ik de beschrijving van mezelf aanpassen: Ik ben een atheïst die met God praat.
            Ondertussen zeg ik tegen mijn dochter: Ja, Jesus Christus is dood. En nee, dan kan die niet meer lopen.
            Daar was geen speld tussen te krijgen.
            Waar ook geen speld tussen te krijgen was: Ik ben het type vader dat de wereld kleiner maakt. De ene dag sneuvelt de onsterfelijkheid, de andere dag had ik geen weerwoord op het pleidooi van mijn oudste dochter, zeven jaar, dat een namaakkerstboom beter is voor het milieu dan de boompjes die we elk jaar zelf uitgraven in een naburig kerstbomenasiel.
            De jongste dochter en ik zochten samen op Youtube naar Midden in de winternacht, met de volledige tekst. De populairste clip was van een kinderkoor begeleid door het soort muzak dat je in liften wordt opgedrongen. Boemelend basje, beschaafd drummetje en een fleurig dwarsfluitje. Geen wonder dat de kinderen klonken alsof het heil dat ter wereld kwam hen gestolen kon worden.
            Dat arrangement kwam natuurlijk van de hand van een toegewijde vader, dat kon niet missen.




De uitdager

In het Amerikaanse tijdschrift The New Yorker dook een bioloog op die ik tien jaar geleden een keer heb ontmoet. Hij stond centraal in een stuk over Flevoland. De poging om een prehistorisch natuurgebied te scheppen rond de Oostvaardersplassen, had de aandacht getrokken van een Amerikaanse journaliste. Ze voerde de bioloog op als de geestelijk vader van het wonderlijke experiment.
                De bioloog beschrijft, met enige trots, hoe hij de gevestigde orde heeft uitgedaagd. Volgens de man werden zijn tegenstanders geleid door “vijfentwintig procent feitelijke argumenten en vijfenzeventig procent psychologie”.
                Mensen die zichzelf zien als uitdagers van de gevestigde orde, typeren die orde doorgaans als een mengsel van behoudzucht en kortzichtigheid. De suggestie is dat de uitdagers zelf vernieuwend en ruimdenkend zijn.
                De naam van de man, Frans Vera, kwam me bekend voor. En toen herinnerde ik me een vergadering bij het ministerie van, toen nog, Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, een jaar of tien geleden. De bioloog zat aan de hoek van een lange tafel, zwijgend.
                Een Amerikaanse collega en ik presenteerden een stuk dat de enigszins onconventionele mogelijkheid verkende om natuurherstel te realiseren door gebieden gedeeltelijk te bebouwen.
                Tegen het einde van de lange vergadering merkte de voorzitter op dat bioloog nog niets gezegd had. Wat hij er van vond?
                Zonder te gaan verzitten, meldde de bioloog zijn oordeel: ‘Totale flauwekul.’ In mijn herinnering zijn dit de enige twee woorden die hij die middag heeft gesproken.
                Mijn Amerikaanse collega zag die woorden als het begin van een gesprek. Na de bijeenkomst mailde hij de bioloog verschillende keren. Hij heeft nooit antwoord gekregen.




Het nummer van Diana

Afgelopen week was ik in Azerbaijan, een land op de grens van Azië, het Midden Oosten en Europa. Een soort Vaals dus, maar dan op continentale schaal.
            ‘Waar was je nou geweest?’ vroeg mijn vader.
            Het land ligt ingeklemd tussen Rusland, Georgië, Armenië, Iran. Een dictatuur met oliegeld, dat sinds het uiteenvallen van de Soviet Unie onder het bewind staat van een vader en zoon.
            In Baku, de hoofdstad, worden communistische woonbarakken worden afgewisseld met prestige-architectuur, waaronder de hoogste vlaggenmast van de wereld. Daaraan wappert een vlag van zeventig meter breed. Speciaal voor de mast is een immens plein aangelegd dat je niet mag betreden. Bij de trap naar het plein stond een zwart glanzend hokje met een intens verveelde veiligheidsbeambte. Hij zei niets, schudde slechts traag het hoofd, toen ik mijn linkervoet op de eerste trede zette. De Aziatische invloed zie je vooral ’s avonds. Dan is de stad verlicht in felle snoepkleuren.  
            Ik was in Baku voor een conferentie van de Verenigde Naties. Op een avond raakte ik verzeild in het kielzog van een Amerikaanse zakenman. Hij had een bedrijf dat handelde in IPv4-adressen. Dat zijn de internetnummers die onze computers gebruiken. Ze zijn inmiddels nagenoeg op en daardoor is er een lucratieve onderhandse markt in ontstaan. De handel is officieel niet toegestaan, maar de man had een sluiproute gevonden.
            Tijdens het diner keek de man regelmatig op zijn Blackberry. Net voor het toetje zei hij: ‘Mooi. Net een deal rondgemaakt van vijfendertig miljoen dollar. Dat betekent...’ Hij keek even peinzend in de zwoele Azerbaijaanse avondlucht. ‘... dat ik tussen de 2.3 en 2.5 miljoen dollar heb verdiend. Niet slecht voor twee uurtjes werk.’
            Later die avond trakteerde hij ons op sigaren en whisky. In ruil daarvoor luisterden het gezelschap naar zijn anekdotes en successen. Hij was een onderhoudend verteller.
            Midden in de nacht besloot hij een zakenvriend te bellen om hem een tip te vragen voor het nachtleven van Baku. De zakenvriend had veel in Azerbaijan gewerkt en zou een hechte persoonlijke band hebben met de president.
            De tip van de vriend bestond uit een telefoonnummer en een naam: Diana. Diana bleek de vrouw te zijn die het harem van de president bestierde. We hoefden maar de naam van de zakenvriend te laten vallen en Diana zou al onze wensen inlossen.
            Op dat moment besefte ik dat ik geen talent heb voor avontuur. Ik bedankte de man en ging terug naar mijn hotel.
            Twee dagen later vloog ik terug naar huis, in het besef nooit meer in Azerbaijan terug te keren. Dat was ook precies de reden om te gaan: ik zou anders nooit komen.
            Ik had er geen spijt van. Azerbaijan was een fascinerend land. Guus Hiddink gaat er vast nog eens een voetbalclub coachen. Dan krijgt ook hij het nummer van Diana.




Azerbaijan

Zaterdagochtend vloog ik naar Azerbaijan voor het Internet Governance Forum. Om half twaalf verscheen de stewardess van Azerbaijan Air in het gangpad met de lunchkar. Haar collega verzorgde de drankjes. Hij vroeg wat ik wilde drinken. ‘Whisky, red wine or white wine.’ Mijn blik ging naar de kar, waar ook cola en sinaasappelsap op stonden. Hij volgde mijn blik en zei: ‘We also have soft drinks, if you like.’
     Ik bestelde cola.
     Aan de andere kant van het gangpad zat een mooie jonge vrouw. Haar uiterlijk was een ongrijpbare combinatie van Aziatisch en Mediterraan. Ze bestelde een whisky.In plaats van een bekertje met een bodempje whisky, kreeg ze twee bekertjes. Eentje bijna tot de rand gevuld met whisky, eentje tot boven de rand gevuld met ijs.
     De lunch sloeg ze af, ze nam alleen het bakje met salade van het dienblad.
Na de whisky ging de vrouw slapen. Drie uur later, toen de landing werd ingezet, maakte de stewardess haar wakker. Ze keek monter om zich heen en begon haar make-up bij te werken, terwijl het vliegtuig met grote vaart de grond naderde.

Baku




Een gezegend mens

Het was zaterdagavond, half acht—de tijd waarop ik normaal gesproken onderuit zak voor de Bundesliga en ik langs fraaie affiches kom als Eintracht Braunschweig tegen FC Erzgebirge Aue, tot ik de samenvattingen van de eerste liga heb bereikt.

Maar deze zaterdagavond zat ik op een harde designstoel in een televisiestudio. Het was een live-uitzending van het programma Kassa en ik zou in debat gaan met een bankdirecteur, een vrouw die geheel in het zwart was gekleed, op een gele sjaal na die over haar schouders hing als de stola van een priestergewaad. In het begin van het gesprek werden er geen vragen aan mij gesteld. Ik luisterde naar de directeur en ondertussen zwol mijne kop steeds verder op met de argumenten die ik ’s middags had voorbereid. Toen kwam eindelijk de eerste vraag. Mijn lippen maakten zich los van elkaar en ik liep leeg als een ballon vol woorden.

Na afloop belde ik mijn vrouw. Ze vroeg of ik veel lovende reacties had gekregen. Ik zei dat ik een sms’je had gekregen. Nog tijdens de uitzending had een vriend me de mededeling gestuurd: ‘Je kunt haar nu pakken, ze is er helemaal rijp voor.’ Ik dacht dat hij het had over de directeur met de gele sjaal, maar het bleek te gaan over de presentatrice van het programma, waarvoor hij een meer dan zakelijke belangstelling had ontwikkeld.

Mijn dochters hadden ook gekeken, thuis, in hun pyjamaatjes. Later hoorde ik dat jongste, van drie, een beetje in paniek was geraakt omdat ik ineens in de televisie zat. ‘Hoe komt pappa nou weer uit de televisie?’ vroeg ze steeds indringender. Ze had al achter het dunne scherm gekeken, maar daar was ik ook al niet. Het was eng allemaal. De oudste, van zeven, kreeg ook een beetje buikpijn omdat de directeur met de gele sjaal kwaad leek te zijn op mij. Mijn vrouw probeerde haar tevergeefs het fenomeen ‘debat’ aan het verstand te brengen.

In de studio liet een medewerker van het programma me de reacties zien die via Twitter waren binnengekomen. Ze richtten zich bijna allemaal op de bank. Een van de uitzonderingen vatte mijn inbreng samen in twee woorden: #tja hoogleraar. Dat vond ik een mooie typering. Elke keer als je een hoogleraar in de media aantreft, zou je moeten denken: tja hoogleraar. Dat ruimt ontzettend op.
Tja hoogleraar. Ik denk het ook vaak, vooral als ik mezelf aantref in de media.

Op weg terug naar huis, voelde ik een lichte melancholie dat er geen Eintracht Braunschweig of Erzgebirge Aue thuis op me wachtte. De Bundesliga was niet opgenomen, omdat mijn gezin liefdevol Kassa had gekeken. Toen rekende ik uit hoe lang ik me zou mogen laven aan de werme belangstelling van mijn vrouw, voordat de samenvattingen van de Eredivisie zouden aanvangen. Het was niet lang. Ik voelde me een gezegend mens. Een ondankbaar mens, dat ook, maar tot dusver hadden mijn geliefden dat niet in mindering gebracht op mijn zegeningen.




Verslaving

Het bedrijfsuitje moest anders, dit jaar. Geen speurtocht of hindernisbaan, maar werken voor een goed doel. Dat idee kon op brede instemming rekenen.
    Het ging niet om het geld, maar toch werd het enthousiasme enigszins gedempt toen bleek dat goede doelen even duur waren als reguliere bedrijfsuitjes. De aanbieders van speurtochten en hindernisbanen hadden onze wensen allang voorzien en alvast de charitatieve markt overgenomen.
     Na enig speurwerk kwam onze leidinggevende bij de gemeente terecht. De plantsoenendienst had nogal geleden onder de bezuinigingen, met allerlei achterstallig onderhoud tot gevolg. Dat mochten we gratis komen doen en we kregen ook nog koffie toe. Oploskoffie, om precies te zijn.
    Ik zat in het groepje dat bruggen ging poetsen in de Delftse hout. Met schuursponsjes en emmers slootwater gingen we de bruggen te lijf.
    Na twee uur zwoegen, hadden we vier bruggen schoongemaakt. Twee waren enigszins schoon, bij de andere hadden we vooral de graffiti opgepoetst en van algen ontdaan.

Na de lunch hervatten we onze taak. Een tijdje poetsten we zwijgend. Toen keek een collega op haar horloge. Het was half twee. Volgens het programma resteerde er nog een half uur van het goede doel.
    ‘Misschien kunnen we nog net twee bruggen doen,’ zei de collega. Ze zei op een toon die beter paste bij de zin: misschien krijgen we wel champagne zo meteen.
    ‘Dat zou mooi zijn,’ zei iemand anders.
    ‘Anders gaan we gewoon wat langer door,’ zei een derde.
    Er ging iets van opwinding, van begeerte door de groep. Iedereen begon sneller te schrobben met de sponsjes. Als we doorwerkten, konden we misschien nog een brug doen.
    Je hoort mensen wel eens zeggen dat ze passie in hun werk zoeken. Meestal betekent het dat ze fantaseren over ander werk. Als je ons zag schrobben, moest je constateren: het gaat niet om het werk zelf. Je hebt mensen met een verslaving aan het nuttig zijn en mensen zonder die verslaving.




Aan een ramp ontsnapt

Op dinsdag bezocht ik een conferentie die plaatsvond in Phantasialand, een pretpark ten zuiden van Keulen. Het waren gescheiden werelden, de conferentie en het pretpark. De ramen van de conferentiezalen keken uit op schuifelende bejaarden en groepen geestelijk gehandicapten die een uitje hadden.
    ’s Middags sloeg ik een sessie over en glipte ik even het park in. Tegen de vrouw die de kaartjes controleerde zei ik dat ik een half uur had en ik vroeg haar wat ze me kon aanraden om te doen. Ze leek de vraag als een belediging op te vatten. ‘In een half uur kunt u niets doen. U kunt een beetje rondlopen,’ zei ze.
    Als kind ben ik ooit met mijn ouders naar het park geweest. De naam ervan wist nog jaren warme gevoelens op te roepen, maar ik had er geen beeld bij. Nu ik er weer rondliep, kwam er geen enkele herinnering bovendrijven.
    Ik vond een achtbaan. Het was misschien 20 jaar geleden sinds ik voor het laatst in een achtbaan zat. Het was een oudere achtbaan, meer iets voor mijn kinderen. Terwijl het treintje begon te rijden, maakte ik een filmpje om thuis te laten zien.
    De eerste afdaling zag er weinig indrukwekkend uit. Maar de plotselinge versnelling van het treintje verraste me. Er gebeurde iets vreemds: ik was er ineens van overtuigd dat ik er uit kon vallen. Ik besefte dat dat niet kon kloppen, maar verder leek alles er op te wijzen dat als mijn verkrampte greep om de beugel even zou verslappen, ik uit het karretje geslingerd zou worden. De betrouwbaarheid van die greep werd ernstig ondermijnd door het feit dat ik ook een telefoon moest vasthouden. Even had ik het uitzicht ermee gefilmd, maar vanaf de eerste bocht richtte de opname zich exclusief op mijn kruis.
    Na het uitstappen had ik even het gevoel aan een ramp te zijn ontsnapt. Dat gevoel kan ik iedereen aanraden.
    De conferentie was vooral een gelegenheid om contacten te onderhouden. Ik kreeg visitekaartjes van een Distinguished Laboratory Researcher uit Japan, van een Duitse directeur wiens functieomschrijving zich beperkte tot het woord Leiter en van een Erster Kriminalhauptkommissar. Die laatste verbood me hem ooit te e-mailen op het adres dat op het kaartje was vermeld, want dat zou hij genoodzaakt zijn dat formeel in behandeling te nemen. Ik beloofde hem nooit te zullen e-mailen.




Niet dezelfde plek (slot)

Wat er voorafging: deel 1, deel 2.

Na de man met de OV-fiets, arriveerde een man in een donkere auto. Het voertuig was her en der met stukjes duct-tape beplakt, zoals je de wondjes verzorgt van een scheerbeurt met een te bot mes. Zijn zoontje ging met een stripboek op een klapstoel zitten. Ondertussen zette de man met een geconcentreerde blik een grote De Waard-tent op – het type bezit dat bij een boedelscheiding wordt ingedeeld bij de kapitaalgoederen.
    Het zoontje deed eindeloos met het stripboek. Misschien kon hij niet zo goed lezen of wilde hij het contact met zijn leeftijdsgenoten nog even uitstellen.
    De gescheiden vriendinnen van mijn vrouw sloegen de man belangstellend gade. Hij had kort haar, een juristenbrilletje en een vriendelijke gezichtsuitdrukking.
    Ik vroeg hen hoe ze zijn sociaaleconomische status inschatten. Het leek me dat de dames niet op zoek waren naar een kostganger.
    Van de status kon je niets van zeggen, vond een van hen, een psychotherapeute. Ze was getrouwd geweest met een man die zichzelf had heruitgevonden als kunstenaar, dus ze leek me geschoold in het detecteren van uitvreters.
    Toen de tent overeind stond en de auto was weggebracht, zette de man een kopje kruidenthee voor zichzelf en het zoontje. Dat dronken ze op terwijl ze zwijgend naast elkaar zaten voor de tent.
    Mijn vrouw en haar vriendinnen dronken ook kruidenthee.
    Ik probeerde de interesse van de dames aan te wakkeren. Maar het wilde niet vlotten met de begeerte.
    Na de man met de OV-fiets en de man met de kruidenthee, trok mijn vrouw de heldere conclusie dat we ons soort mensen, onszelf dus eigenlijk, niet begeerlijk vonden.
    Die observatie sprak me aan. Waarheid is mooi, maar waarheid met beetje zelfkastijding is beter. De heroïek van de kleinburger ligt in het masochisme, het vermogen om genot te destilleren uit vernedering.
    Ik drink weliswaar geen kruidenthee, of welke thee dan ook, maar toch observeerde ik de man in het besef mezelf te observeren.
    Je hoort mensen wel eens zeggen dat ze op vakantie zo fijn tot zichzelf kunnen komen. Alsof dat moeilijk is. Je hoeft alleen maar om je heen te kijken, dan weet je precies wat voor vlees je in de eigen kuip hebt.
    Anderen zien dat ook. Een paar dagen eerder had de eigenaar van een kanoverhuurbedrijf meteen geraden op welke camping we stonden. Tussen zijn bedrijf en onze camping zaten zeker tien andere campings. Maar hij had geen moment geaarzeld.
    Wie moeite heeft tot zichzelf te komen, kan zich wenden tot kanoverhuur Nieuwe Brug.

Een van de vriendinnen van mijn vrouw had twee zoons meegenomen. De jongens waren een watergevecht begonnen. Na een poosje bood het kleine meisje van 208, de suboptimaal geplaatste tent die onze plek bezet hield, zich vrijwillig aan als doelwit. De jongens namen het aanbod dankbaar aan. De ene na de andere supersoaker werd op haar leeggespoten, terwijl het meisje kansloos met een halfgevuld emmertje achter de jongens aanhobbelde. Achter het doorweekte meisje liepen dan weer de ouders, moeder filmend met de iPad, vader met de videocamera.
    Na een poosje werd het tafereel wat ongemakkelijk. Het meisje weigerde de overmacht te erkennen. Na elke lading water keek ze beteuterd, maar ze ontkende dat ze wilde stoppen. Sommige mensen storten zich al vroeg op het masochisme.
    Achter de rug van de jongens om trok de man de aandacht van zijn vrouw. Ze keek op van haar iPad en volgde de blik van de man. Die knikte eerst naar een grote jerrycan met water en daarna naar het doelwit voor dat water: de jongens die hun doorweekte dochter achtervolgden.
    De vrouw glimlachte en schudde toen langzaam het hoofd. Haar fatsoen was sterker dan het medelijden met haar dochter. Dat nam me voor haar in.
    Ik stond op, pakte een spuit en holde achter de jongens aan. Het duurde even, maar toen waren ze net zo doorweekt als het kleine meisje.
    Terwijl ik stond uit te hijgen en wachtte tot de dansende vlekken uit mijn gezichtsveld wegtrokken, vroeg het kleine meisje of ze mij nat mocht maken.
    De moeder zei tegen haar dat ik juist probeerde te helpen.
    Ze negeerde de moeder. ‘Mag het?’ vroeg ze weer aan mij.
    Ik zei dat het mocht.
    Ze leegde haar emmertje met een laf boogje over mijn broek.
    Toen riep ze: ‘Ha ha, je kont is nat. Kijk mamma, zijn kont is nat, ha ha.’
    ‘Sorry,’ zei de vrouw tegen mij.
    ‘Geen probleem,’ zei ik.
    Met de broek als een natte luier om mijn heupen, begon ik terug te lopen naar onze plek.
    De zon verblindde me. Hij hing recht voor me, net boven de boomtoppen. Door de spleten die mijn oogleden open lieten, keek ik het naar het gras vlak voor mijn voeten.
    Toen ik aan het licht was gewend en weer opkeek, zag ik de tent. Hij stond op me te wachten, strak en rimpelloos, in een aura van hard wit licht, als een object uit de toekomst. Ik hoefde alleen maar naar binnen te gaan en ik zou meegenomen worden.
    Ik begon me nu al te verheugen op het afbreken.




Niet dezelfde plek (2)

Eerder: deel 1.

Toen de gescheiden vriendinnen hun huisraad hadden ingeruimd en hun kinderen hadden opgestart, konden we de andere mensen op het veldje even doornemen.
    Er was het lesbische stel dat de gehele vakantie in harembroeken doorbracht en hand in hand naar het washok liepen. ‘Die zijn nog niet zo lang samen,’ mompelde mijn vrouw. Ik hoopte dat ze gelijk had. Handhouders stellen relaties met meer pragmatische omgangsvormen in een schril daglicht.
    Ze hadden een klein meisje bij zich dat de mollige van het stel aansprak met mamma en de ander met haar voornaam. Het kind wilde ook af en toe met de voornaam spelen. Meer zei ze niet, alleen dat: ik wil met je spelen. Dan glimlachte de vrouw beleefd naar het kind, zoals als een sommelier naar een dinergast kijkt die heeft gemeld zin te hebben in een ‘lekker wijntje’. Daarna begon ze geduldig aan een serie vragen om de kinderwens nader te specificeren.
     Een keer had het meisje gezegd dat ze een voorstelling wilde geven met de vrouw. Alle kinderen van het veldje verzamelden zich op de draaimolen, bij wijze van publiek. Het meisje zei: ‘Ik ben de prinses.’ Toen liep ze een eindje weg. ‘Je kunt me niet zien, want dat is zo bij voorstellingen.’ Ze bleef staan. De vrouw keek licht nerveus naar het publiek. Iemand op de draaimolen vroeg wanneer het nou begon. Toen kwam het meisje terug. ‘Ik ben de prinses,’ zei ze weer.
    ‘Dan ben ik de prins,’ zei de vrouw ineens. Ze trok het meisje achterover en gaf haar een lange, innige kus op haar mond. Daarna keek ze tevreden naar het publiek.
    ‘Nee, nee,’ gilde het meisje. ‘Niet kussen, ik ben de prinses.’ Ze had haar mond afgeveegd en was boos weggelopen. De vrouw had toen maar een buiging gemaakt naar het publiek.

Verder stonden er alleen gezinnen op het veld. Er was zegge en schrijven één man gesignaleerd die buiten een zichtbaar gezinsverband opereerde. Op een avond arriveerde hij per OV-fiets met een klein rugzakje over de schouder. Hij sloot prompt aan bij het lesbische kampement. Een groot deel van de avond zagen we alleen zijn benen, die uit het koepeltentje staken waar het dochtertje in sliep.
    Ik hoor mijn vrouw zelden of nooit roddelen, al heb je daar ook iemand voor nodig die meedoet en ik heb er weinig aanleg voor, behalve een gebrek aan morele principes. Maar nu stortte ze zich met een zekere verbetenheid op het doorgronden van het verhaal van de man met de OV-fiets. Misschien was hij kortstondig getrouwd geweest met de moeder van het kind. Maar die mogelijkheid schrapte ze uiteindelijk. Het lukte haar niet om de man aantrekkelijk te vinden en dat was een vereiste, ook voor een fantasie over een inmiddels gedoofde liefde. Het kwam door de OV-fiets, concludeerde ze bedremmeld. Blijkbaar liet het geelblauwe voertuig, een groot uitgevallen kinderfiets, zich niet verenigen met de belofte van erotische ontroering.
    Mijn vrouw is zelf fervent gebruiker van de OV-fiets en dat feit was haar niet ontgaan toen ze haar oordeel over de man uitsprak. Zelf hield ik mijn mond. Ik verplaats me regelmatig met een vouwfiets. Die zou ik nog hoger op de lijst van erotiekwerende vervoermiddelen zetten.
    Het roddelen maakte plaats voor een beduusd zwijgen aan weerzijden van ons campingtafeltje.

(Wordt vervolgd.)




Niet dezelfde plek

We gingen naar dezelfde camping als vorig jaar. Als ik dat aan iemand vertelde, was de volgende vraag steevast: Ook dezelfde plek?
    Nee, het was niet dezelfde plek. We stonden een meter of acht verderop en daarover was ik enigszins ontstemd. Vorig jaar waren we min of meer per toeval op nummer 208 beland, maar daarna heb ik aan zoveel mensen verteld hoe optimaal die plek was – tussen de bomen, een mooi stuk gras erbij, de kont naar de buren, zicht op het speeltuintje met onze kroost, buiten gehoorsafstand van het toiletblok maar niet te ver voor nachtelijke kinderplassen – dat ik het zelf ben gaan geloven. Als ik eenmaal iets geloof, dan raak ik er niet meer zomaar vanaf. Dat komt omdat mijn religie veel werk maakt van bewijsvoering en bewijzen moffel je niet zomaar weer onder het gras. Met apodictische geloofsartikelen heb ik niets.
    De hele vakantie observeerde ik de mensen die dit jaar op 208 stonden met een zekere vijandigheid. Ze hadden hun tent verkeerd gezet en daardoor werd een groot deel van de optimaliteit verkwanseld. Ze hadden net zo goed op onze plek, 209, kunnen staan. Ook hielp het niet dat de vrouw hun kinderen filmde met een iPad.
    Elk jaar neem ik me voor om Applebezitters van de deportatielijst af te halen, maar telkens blijkt dat ze er niet af willen. Misschien moet ik hen gaan zien als rokers. Mensen die we een zwakheid gunnen, zolang ze extra accijns betalen en hun hobby niet pal voor de ingang van gebouwen of in benauwde vergaderruimtes uitoefenen.
    We waren 208 misgelopen omdat halverwege onze vakantie twee gescheiden vriendinnen van mijn vrouw zouden komen met hun kinderen. Hun plekken moesten aansluiten op de onze en dat bleek alleen mogelijk met 209.
    De dames arriveerden op een zonnige zaterdagmiddag. Ik hielp hen met het opzetten van de tenten. We hadden ze snel overeind, maar overeind was niet genoeg, ik wilde dat ze strak en rimpelloos zouden staan. Het feit dat de dames zelf daar geen waarde aan hechtten, gaf mijn missie de heroïsche glans van de man die in zijn eentje de onverschilligheid van het universum trotseert.
    Het opzetten van de tent is het mooiste moment van de vakantie. Daar kan ik wekenlang naar verlangen. Het een na mooiste moment is het afbreken van de tent, als alle rommel eruit is en je eigenhandig de zelfgeschapen perfectie ontmantelt, alsof het je koud laat.
    Mijn vrouw vindt spirituele harmonie in het ontwerpen van een wiskundig optimale indeling van de kratten waarin we onze spullen opbergen, inclusief een zelf-referentiële krat voor spullen die niet in de krattenindeling passen.
    Onze verlangens zijn op onze verplichtingen gaan lijken. Er zijn ongetwijfeld levensbeschouwingen die dat als het pad naar geluk zien.
    (Overigens heeft mijn vrouw in de zeven jaar van ons huwelijk nog nooit het woord spiritueel in de mond genomen – en het woord harmonie alleen in combinatie met koperen blaasinstrumenten en goudkleurige fourragères. Je ontdekt pas achteraf wat je werkelijk aan iemand bindt. Ik heb ooit wel vrouwen liefgehad die graag over spiritualiteit mochten spreken. Ik gun ze het allerbeste, en een plekje op de deportatielijst, net onder de Applebezitters. )

Lees verder: deel 2.