Ook vlees moet vertroeteld worden

Het zit er even niet in, dagelijks hier iets te plaatsen. Tot 10 maart zit het er niet in, om precies te zijn. Dan dien ik mijn oratie uit te spreken aan de Technische Universiteit Delft. Het is een ritueel – maar een ritueel dat ik serieus neem.

Je hebt ruwweg twee opties voor het schrijven van een oratie: Of je zet je onderzoek van de voorafgaande jaren nog eens op een rijtje, gevolgd door enkele voornemens voor de toekomst. Of je maakt iets nieuws. Een breuk met het voorafgaande. Ik had behoefte aan een breuk. Dus verzon ik medio december een onderwerp waar ik nog nooit over had geschreven: Fatalisme.
    Sindsdien denk ik na over de vraag hoe je fatalisme kunt verkopen als politieke boodschap. Dat amuseert me. Wat niet wil zeggen dat het opschiet. Het is nu medio februari en ik ben nog niet halverwege met de tekst. Het schrijven moet tussen de bedrijven door en er waren nogal wat bedrijven de laatste weken.
    Collega’s vragen me of ik al nerveus ben. Dan zeg ik: nee. Of ik zeg: ja. Het is allebei waar.
    Hoe dan ook, ik moet me even concentreren. Waarvoor mijn excuses. Op 11 maart zien we elkaar hier weer terug.
    Of misschien de dag ervoor. U bent van harte uitgenodigd de oratie bij te wonen. Het auditorium van de TU Delft is immens en oogt dan ook altijd deprimerend leeg tijdens oraties. En andere gelegenheden. Het schijnt dat Frans Bauer de zaal ooit heeft weten te vullen tijdens een feestje van de personeelsvereniging. Verder ken ik het alleen als een locatie die minachting uitdrukt. Ik heb ruzie gemaakt tot op het niveau van het College van Bestuur om in een kleinere zaal te mogen oreren. Dat mocht niet. Conclusie: Ik ben een slechte ruziemaker.
    Hoe dan ook, u zou me een groot genoegen doen dit openbare ritueel bij te wonen. “Meat in the room,” noemen Amerikaanse diplomaten dat, heb ik recent geleerd. Ik zal al het aanwezige vlees dankbaar zijn. Bijkomende voordeel is dat u me kunt zien struikelen in toga. Na afloop wordt er gratis drank geserveerd. Ook vlees moet vertroeteld worden.

“Techniek van de onmacht: Fatalisme in politiek en technologie”
Auditorium, Aula van de Technische Universiteit Delft
Mekelweg 5, Delft
Woensdag 10 maart, 1500u.





Professor 6

Ik las een wetenschappelijk artikel van een auteur met de achternaam: 6. Inderdaad, het cijfer zes. Voornaam: Perri.
    Ik keek in de literatuurlijst. Die begon met diverse publicaties van 6, P. Daarna kwam Adams, G.

Ik dacht eerst dat er iets mis was gegaan bij het opmaken van het tijdschrift. Een korte zoekactie genereerde echter een hele serie artikelen van Perri 6. Professor Perri 6. Het zou een aardige naam zijn voor een robot in een kinderserie.

Ook op zijn officiële webpagina bij de Nottingham Trent University stond hij onder die naam vermeld. Ik voelde de behoefte een foto van de man te zien. Maar het enige dat ik vond was een close-up van een lego-poppetje. Uit de ruimtevaartserie, als ik me niet vergis.

Toen belandde ik op Wikipedia. Daar stond het volgende: “Professor Perri 6 is a noted British social scientist. He changed his name from David Ashworth to Perri 6 in 1983, stating that he was amused by the notion of ‘6, P’ appearing in academic papers.”

Verwarring zaaien is een van de sympathiekere vormen van amusement. Maar ik bewonderde vooral de volstrekte frivoliteit van zijn naamsverandering. Een beschaafde verzetsdaad tegen de wurgende ernst van de academie. Verzet is doorgaans nog humorlozer dan datgene waartegen het zich afzet. Maar Perri 6 had een sluiproute gevonden.

Net voor ik mijn kleine excursie wilde beëindigen, vond ik een opname van een toespraak van Perri 6. Dat was even schrikken. Een geaffecteerde Britse stem oreerde traag en bombastisch over een nogal triviaal punt. Humorloos, zou ik normaal gezegd hebben. Maar nu vroeg ik me af of dit deel was van de strategie van verwarring waarin meneer 6 zich had gespecialiseerd.





Ja ik stem in Delft

Op de markt in Delft stonden twee stewardessen te zingen voor een metershoog rood potlood. Ze waren omringd door een kluitje toeschouwers.
    Ik wilde eerst verder fietsen, maar het kluitje had aandacht nodig. Warmte. Ze stonden bijeen in een hoek van het grote lege plein. Je ziet dezelfde formatie bij pinguïns die langdurige sneeuwstormen moeten trotseren. Het mistige plein werd gevuld met luide muziek en de zang van de stewardessen. Iets over dat het fijn was te mogen stemmen.
    Het kluitje bestond bijna geheel uit leden van politieke partijen. De CDA’ers in een groen windjack dat de laatste campagne van Lubbers nog meegemaakt leek te hebben. De VVD’ers in fluorescerende veiligheidshesjes. Die zochten toenadering tot de straatwerkers. Of ze waren bang aangereden te worden.
    Op gepaste afstand van de politiek actieven stond een man met zijn hondje te kijken. Verder kon ik geen burger ontwaren.
    Halverwege viel de geluidsinstallatie uit. De kille mist drong blijkbaar niet alleen de ledematen binnen.
    De stewardessen zongen dapper verder. De burgemeester, met ambtsketen, zwaaide mee met het nu onhoorbare lied.
    Toen de muziek weer aanging zaten de zangeressen een toon te hoog. Als je stug volhoudt zit je al snel een toon te hoog.
    De installatie viel nog een paar keer uit. Naast de burgemeester sprongen nu ook andere partijsympathisanten in het gat.
    ‘Ja, jullie doen het heel goed,’ riep een van de stewardessen.
    Toen het einde van het nummer was bereikt, klonk er een kort applausje. Daarna keerde de stilte weer op het lege plein.
    Ik las de tekst op het grote rode potlood. Jaikstemindelft.nl.
    Ik nam me voor dat adres te bezoeken, vanaf verschillende computers. Ergens in de komende maanden zouden de politiek actieven er doorheen zitten. Terwijl ze in hun plastic bekertjes koffie stonden te roeren, zou iemand erop wijzen dat er in ieder geval de website aardig bezocht was geweest.
    Politiek is een hond die geschopt wordt, maar die blijft terugkomen in de hoop ooit een aai van het baasje te krijgen. Daar krijg je valse honden van, heb ik me laten uitleggen.





Maand drieënvijftig

Lieve Vera,

Het was de maand waarin je te weinig sliep. Niet omdat je niet wilde slapen, maar omdat je te vroeg gewekt werd. Vond jij. Elke ochtend probeer ik je wakker te krijgen. Elke ochtend draai je van me weg en begin je hartstochtelijk te jammeren als ik je uit bed til.
    Dit was ook de maand dat je niet meer naar school wilde. Een paar maanden lang was school de beste uitvinding sinds het perenijsje. Toen werd je juf ernstig ziek en raakte je, samen met een paar klasgenootjes, op drift als een stel zigeuners.
    Begin deze maand kwam je eindelijk weer terug in je eigen lokaal. Met twee nieuwe juffen. Weer twee. Ik heb teveel nieuwe juffen zien komen en gaan. Sommige gezichten zag ik een enkele ochtend, daarna kwam er alweer een nieuw gezicht. Misschien werd het verzorgen van kleuteronderwijs ergens als cursus aangeboden, tussen expressief kleien en de poëziewerkplaats. Even lijkt het bevredigender, het boetseren met kinderzieltjes in plaats van klei. Maar ik had er alle begrip voor dat de vrouwen na een ochtend, misschien twee, terugverlangden naar een koude, zwijgzame homp klei. Daarom besloot ik niet meer te vragen naar hun namen.
    Nu heb je twee juffen. Dat komt omdat bijna iedereen in het onderwijs in deeltijd blijkt te werken. Behalve je oude juf. We missen haar allebei. Je verafgode haar zozeer dat je haar wetten als een soort sharia invoerde hier in huis. Veel woorden werden verbannen. We moesten om de beurt praten. Lachen was vaak niet toegestaan. Je glom als je ons corrigeerde en je glom als je het zelf goed deed, in de klas. De sharia wordt gezien als instrument van onderdrukking, maar jij had ontdekt dat het leidde tot reproduceerbaar geluk.
    De twee nieuwe juffen zijn erg verschillend. De eerste laat je even vergeten dat je school niet meer leuk vindt. De tweede is iemand die je daar weer aan herinnert. Ze boezemt je angst in. Ineens klamp je je weer aan mijn been vast. En de afgelopen week barstte je voor het eerst in huilen uit, toen je moeder je achterliet in de klas.
    Ik wist eerst niet wat je bezwaar was tegen de tweede nieuwe juf. Totdat ik haar aankeek. Ze heeft de dood in de ogen. Een blik die ik ken van journaalbeelden uit rampgebieden en van ontmoetingen bij de koffieautomaat in mijn kantoor. Het is meteen duidelijk: ze kan er niets aan doen. De dood heeft intrek genomen in haar ogen. Waarschijnlijk stond de zaak al een poosje leeg.
    Als volwassene raak je gewend aan die blik. Je probeert de blik te vermijden. Maar soms ontmoet je hem toevallig. Bijvoorbeeld omdat de ander staat te wachten tot de automaat iets gebrouwen heeft dat, volgens het bijschrift onder de betreffende knop, Wiener Melange heet. Dan kijk je de dood aan en knik je vriendelijk. Je beseft dat er momenten zijn geweest waarop je zelf die blik had, zonder het te weten. Het te willen weten. De vriendelijk knikkende medemens helpt daarbij. Je zult merken dat je vader een groot voorstander is van vriendelijk knikken. Er zijn weinig situaties denkbaar waarin dat een ongepaste reactie is. Zodra ik ontdekt heb welke dat zijn, zal ik je daarover inlichten.
    Maar goed. Volwassenen zijn gewend aan die blik. Jij, daarentegen, trekt de enige juiste conclusie: je wilt vluchten.
    Vluchten is een belangrijke menselijke vaardigheid. Het belang ervan kun je herkennen aan de grote schaal waarop het wordt ontmoedigd.
    Als je vier bent is vluchten nagenoeg onmogelijk. Ja, kinderen vluchten in hun fantasieën, zeggen volwassenen dan. Maar fantasie, dat is vluchten voor beginners. Net als je weg bent, klinkt er een stem. Je kijkt op en aanschouwt ineens weer het gezicht van de vrouw die zich over je heen buigt. In haar ogen schuilt geen leegte, dat zou aanzienlijk draaglijker zijn. Nee, er is nog wel iets van leven in te ontdekken, maar dat leven is omstandig aan het creperen.
    Als je moeder morgen dit leest, zal ze me aanspreken op deze onbarmhartige woorden over je tweede juf. Ik weet nog niet precies hoe ze dat zal doen. Dat is het aardige van je moeder. Maar ze zal niet ontkennen dat jouw wil om te vluchten een gepaste reactie is. En dat we je op dat vlak vooralsnog weinig te bieden hebben.
    Je moeder en ik zijn allebei aan het oefenen met vluchten. Ik zal je op de hoogte houden van onze vorderingen.





Twee primeurs

Terwijl ik een boek las over het leven in de accountancy, koekjesproductie, raketbouw en andere beroepen die ik nooit zal beoefenen, maakte mijn vrouw beneden in de keuken een kruikje voor me. En een kop thee.
    Voor het eerst in mijn leven had ik om een kruikje gevraagd. Je maakt mij niet wijs dat dit geen mijlpaal is. Ik ging ervan uit dat het kruikje gevuld zou worden met warm kraanwater, maar mijn vrouw stond erop er kokend water in te doen. Het was een kleine moeite om er nog een kopje thee aan toe te voegen, zei ze. Uit milieu-overwegingen stemde ik daarmee in. Tevergeefs opgewarmd warm water vervuld me met een zekere somberheid. Overigens hebben milieu-overwegingen wel vaker een opstuwend effect op mijn consumptiepatroon. Je zou daaruit het failliet van die overwegingen kunnen concluderen, maar zoals bij vele regelsystemen is het bestaan ervan belangrijker dan het resultaat.
    De ibuprofen begon effect te sorteren en ik kreeg ineens een beetje trek.
    Naast het bed lag mijn telefoon aan de oplader.
    Ik pakte de telefoon en belde de mobiel van mijn vrouw.
    Ik luisterde of ik de beltoon van mijn vrouw door de vloer van de slaapkamer kon horen. Het is een soort liftmuziekje. Maar ik hoorde niets.
    Mijn vrouw nam enigszins verbaasd op. Na het kruikjesverzoek was dit interne telefoonverkeer een tweede primeur. Ik werd ineens bevangen door een gevoel van optimisme over wat de toekomst nog allemaal zou brengen.
    Ik vroeg mijn vrouw of ze ook nog een bakje chips mee wilde nemen. Die nieuwe, ja.
    Even later arriveerde mijn bestelling.
    Daarna ging mijn vrouw douchen.
    Ik overwoog mijn laptop te gaan halen en even een stukje te tikken. Optimisme is een vorm van agitatie en dat moet ergens in afgevoerd worden. Een ogenblik mediteerde ik op de vraag of het tikken van een stukje niet met terugwerkende kracht mijn hulpverzoek in een bedenkelijk daglicht zou stellen.
    Ik bleef in bed.
    De nieuwe chips, iets met pittige oosterse kruiden, combineerde verrassend goed met de kruidenthee. Terwijl ik het hoofdstuk over de accountants uitlas, ebde de agitatie langzaam weg. Maar niet helemaal.





De bovenhand

In een hotel in Amsterdam had ik een afspraak met de Chief Technical Officer van TrendMicro, een wereldwijd opererend computerbeveiligingsbedrijf. De vorige keer dat ik hem sprak, liepen we naar de koffiehoek van de Bijenkorf en trakteerde ik hem op koffie met appelgebak. Deze keer had hij een verdieping van zijn hotel afgehuurd. Bij de receptie raadpleegden ze een schema. Ik moest naar kamer 4.16. Hij zou van de ene naar de andere kamer gaan, als een arts langs de patiënten in een ziekenhuis.

Hij kwam binnen, precies op tijd, schudde mijn hand en begon me uitvoerig te bedanken voor het feit dat ik ervoor gezorgd zou hebben dat de Nederlandse overheid wereldwijd vooropliep bij het bestrijden van botnets.
    Ik zei dat hij mijn rol schromelijk overschatte.
    Nee, dat vond hij niet. Hij herhaalde nog een keer zijn compliment.
    Een belachelijk compliment. Ik zei nogmaals dat àls de Nederlandse overheid al vooropliep, het niet aan mij te danken was.
    Weer wuifde hij mijn bezwaren weg.
    Toen zei ik dat ik voor het verslag wilde laten aantekenen het niet eens te zijn met zijn bewering.
    ‘Je bent te bescheiden,’ zei hij glimlachend.
    Soms is generositeit een vorm van agressie. Een manier om de overhand te krijgen. Je kunt iemands hand iets te stevig vastpakken of je kunt iemand iets te genereus complimenteren.
    Desondanks werd het prettig gesprek. Onderdanigheid is een onderschatte vorm van geluk.





Strijden als Grover

Ik parkeerde mijn fiets naar het hoofdgebouw van het opleidingsinstituut voor krijgsmachtofficieren. Voor de ingang waren twee militairen bezig met het hijsen van een vlag die ik niet herkende. Er staat een hele rij vlaggenmasten en ze waren halverwege. Een soldaat hield de vlag vast, een ander knoopte hem vast. Daarna drukte hij op een knopje drukte in de mast en werd de vlag met een zoemend geluid gehesen.

Het gebouw zelf doet sterk denken aan een zwembad uit de jaren zeventig. De binnenmuren zijn opgetrokken uit gasbetonblokken, de deuren zijn geel, de vloertegels grijs. Het ruikt ook als een zwembad. Een combinatie van chloor en toiletverfrisser.

In de gang langs de klaslokalen hing een staatsieportret van de vorige lichting die de opleiding doorlopen had. In het midden van de eerste rij had men een lege stoel neergezet. Ik vroeg een van de cursisten naar de reden van de lege stoel. Hij zei dat er twee deelnemers door persoonlijke omstandigheden de opleiding niet hadden kunnen afmaken en dat de stoel symbolisch stond voor hun aanwezigheid in de groep. Het gewicht waarmee hij “persoonlijke omstandigheden” uitsprak, suggereerde dat het een eufemisme was voor een bermbom of zelfmoordaanslag.

In de korte pauzes bleef ik meestal in het leslokaal. Ik bekeek onder andere de stickers op de muur. Het waren logo’s van verschillende krijgsmachtonderdelen – kleurrijke knutselwerkjes die uit de handen waren gebleven van de huisstijlpolitie en communicatieafdeling. Sommige onderdelen beeldden zichzelf af als sesamstraatfiguren of tekenfilmdieren. Ik zou ook het liefst als Grover ten strijde trekken.


Dit was het derde jaar dat ik les gaf in deze opleiding. De eerste keer moest ik wennen aan de formele beleefdheden die werden aangehouden. Men stond erop dat aan het begin van de dag een van de officieren mijn CV zou voorlezen aan de klas. Er zijn weinig situaties die ik beschamender vind. Slavoj Žižek heeft ooit beweerd dat dit fenomeen, wanneer iemand over je praat tegenover een ander en je herkent jezelf niet in de beschrijving, een vorm is van symbolische castratie.

Een andere beleefdheid bestond eruit dat ik voortdurend werd vergezeld door een chaperonne. Toen was dat een Luitenant der eerste klasse uit de onderzeedienst. De officier haalde koffie voor me en gaf me een rondleiding in de bedrijfskantine waarbij hij de slaatjes, broodjes, kroketten, kuipjes met kipkerrie en de soep van de dag voorzag van een korte recensie, om zo mijn keuzeproces te vergemakkelijken. Hij zag het ook als zijn taak om het gesprek gaande te houden tijdens de lunch.

Vorig jaar vergat men mijn CV voor te lezen bij aanvang van de les. Toen die omissie in de loop van de dag werd geconstateerd leidde dat tot enige consternatie onder de officieren. Uiteindelijk werd iemand aangewezen die aan het einde van de dag alsnog mijn CV ging voorlezen.

Gisteren liep het anders. Er werd geen CV voorgelezen en ik kreeg geen chaperonne. Niemand begon erover. Misschien dat de zorgen over de oorlog langzaam het opleidingsinstituut zijn binnengedrongen.





Een omineuze titel

Toen ik de woonkamer binnenkwam, met mijn muts nog over de oren, zei mijn vader dat Docters van Leeuwen in het journaal mijn naam had genoemd. En een boek van mij.
    Er waren zoveel dingen mis met die mededeling dat ik er vanuit ging dat ik hem niet goed had verstaan. Ik was ingesteld op een zin als: Nou, je fietslamp doet het weer en de heg is ook geknipt. Maar die zin zou pas later op de middag volgen. Dus ik zei: ‘Wat?’
    ‘Het ging over Irak. Heb je daar een boek over geschreven?’
    ‘Hij noemde mijn naam? Weet je het zeker?’
    ‘Ja.’ De suggestie dat hij niet zou weten wanneer de naam van zijn zoon genoemd werd in het journaal, stond hem niet aan.
    ‘En een boek?’
    ‘Ja.’
    ‘Welk boek?’
    Maar mijn vader wist niet meer welk boek. ‘Noem er eens een paar,’ zei hij.
    Met tegenzin noemde ik een titel.
    ‘Nee, die was het niet. Geloof ik.’
    Ik heb ooit meegeschreven aan een boekje waarvan Docters van Leeuwen een van de belangrijkste auteurs was. Maar als het om dat boekje ging, was er geen enkele reden om mijn naam te noemen.
    ‘Nee,’ zei mijn vader. ‘Die was het ook niet.’
    ‘En ook niet de roman?’
    ‘Nee, dan had ik het wel onthouden.’
    Zijn mededeling bij mijn binnenkomst was laconiek geweest, alsof het normaal was dat mijn naam in het journaal werd genoemd. Een van de effecten van sociale mobiliteit is dat je ouders niet meer weten wat normaal is. Met een ruimhartig gebaar nemen ze dan maar aan dat alles normaal is.
    Mijn vader had van mij uitleg verwacht. Nu die uitbleef, werd hij ook onrustig.
    ‘Kun je dat niet euh, op de televisie terugkijken, hoe heet het, bij ons kun je dat dan nog op de receiver opslaan, als je op de knop drukt.’
    Ik zocht op Uitzending gemist naar het journaal van twaalf uur.
    ‘Ja, dit is het,’ zei mijn vader opgewonden. ‘Straks komt het.’
    Ik spoelde vooruit. Het was niet zozeer een journaaluitzending, maar een gedeelte van de live-uitzending rondom de persconferentie van de commissie Davids. Helemaal aan het einde verscheen Docters van Leeuwen in beeld. Na twee zinnen werd de opname afgebroken. Mijn naam was niet gevallen.
    Ik ging koken. Ik wilde liever eerst mijn donkere pak en grijze stropdas uittrekken, maar ik had mijn vrouw beloofd mijn hoogleraarstoga aan te trekken. Met een zekere begerigheid had ze daarom gevraagd. In een huwelijk is het zaak niet lichtzinnig om te springen met begerigheid. Onder de toga moet een donker pak en een grijze stropdas.
    Terwijl ik andijvie sneed, realiseerde ik me de oplossing voor het journaalmysterie. Docters van Leeuwen, die ik sporadisch tegenkom in Den Haag, had me verward met iemand anders. Iemands boek was genoemd omdat het iets met Irak of oorlog of het volkenrecht van doen had. En Docters had daar de verkeerde auteursnaam aan gekoppeld.
    Na het eten zocht ik toch nog een keer op Uitzending gemist. Mijn vader stond naast me. Toen vond ik een langere registratie van de live verslaggeving. Deze keer was Docters er niet afgeknipt. Gespannen wachtte ik op het moment.
    Helemaal aan het einde gebeurde het. De presentatrice probeerde langzaam de uitzending af te sluiten. Docters was echter nog niet klaar. Het ging over tunnelvisie. Hij zei: ‘Daar zijn mooie proefschriften over geschreven. Euh. Maar, laat maar.’
    Mijn proefschrift van elf jaar geleden bevat alleen in een zeer fantasierijke lezing elementen die je, als je daartoe geneigd zou zijn en als de voorraden van de duizenden academische boeken die gaan over tunnelvisie om niet nader te noemen redenen allemaal in rook zouden zijn opgegaan, zou kunnen scharen onder de noemer: tunnelvisie.
    Het gesprek bewoog weer weg van proefschriften.
    En toen, in de allerlaatste seconden van de uitzending, vergezeld van een verontschuldigend handgebaar voor het feit dat hij de afronding van de uitzending ophield, zei Docters: ‘Michel van Eeten, ik zeg het toch nog maar even, heeft er een mooi proefschrift over geschreven. Dat heet: Dialoog tussen de doven.’
    De presentatrice sloot het gesprek af met de woorden: ‘Een omineuze titel.’





Ovenfriet met spruitjes

Dit weekeinde keek ik met mijn twee dochters naar de vallende sneeuw. Mijn vrouw was een paar dagen weg. Vlak na haar vertrek belde mijn schoonmoeder of de verwarming het deed, of ik nog boodschappen nodig had, of er verder nog iets was. Er was verder niets, de verwarming deed het, de boodschappen waren gedaan. We hebben twee dagen ovenfriet met spruitjes gegeten. En ik had Belgisch bier in huis gehaald. Als mijn vrouw thuis is drink ik wijn, maar in haar afwezigheid bleek ik ineens weer een bierdrinker te zijn. Het was alsof mijn lichaam zich een eerder leven herinnerde. Een leven waarin het woord bierbuik me weinig angst in boezemde. Sinds ik getrouwd ben, boezemen allerlei zaken me angst in. Let wel, als ik nog iets van mijn leven maak, is het uit angst. Wat dat betreft kwam het huwelijk niets te vroeg.

We keken naar de sneeuw en het was goed. Ik stemde in met elk verzoek van Vera en mocht als beloning mijn stapel ongelezen afleveringen van The New Yorker verkleinen. Af en toe kwam ze naar de bank om op schoot te zitten of om een boekje te lezen. De rest van de tijd scharrelde ze door de kamer. Jules lag op haar buik en draaide als een kompas mee met de magnetische pool die haar grote zus is.
    Ik herinnerde me een moment tijdens tweede Kerstdag. Het is donker. Ik parkeer de leenauto om de hoek bij mijn schoonouders. Vera is net in slaap gevallen. We besluiten dat mijn vrouw en Jules al naar binnen gaan en ik bij Vera blijf zitten.
    Zitten in een stilstaande auto is een genot dat me iedere keer weer overvalt. In de droge, besloten akoestiek hoor ik haar ademhaling en de mijne. Af en toe schiet er een spasme door een van haar ledematen. Op de garage naast ons heeft iemand een lichtslang gehangen in de vorm van een rendier. Sporadisch rolt een auto om de hoek van het woonerf, de lichten doorsnijden onze cabine. De straten heten hier geen straten maar zijdes. Als in: Brechtzijde.
    De twintig minuten in die auto was het mooiste moment van Kerst.
    Ook toen las ik trouwens The New Yorker. Op mijn telefoon. Dat wil zeggen, verder dan de openingsregels kwam ik niet. Ik kan alleen prettig niets doen als ik iets te doen heb.

Zaterdagavond keek ik My Sister’s Keeper. Sentimenteel, maar niet zonder effect. Een kind sterft aan kanker.
   Soms fantaseer ik dat Vera of Jules een afschuwelijke ziekte krijgt. Een beeld is het, een flits, meer dan een fantasie. De pijn die het oproept is verslavend. De intense gewaarwording dat ik aan een ander mens gehecht ben.
    Toen ik eindelijk naar bed ging, was het gestopt met sneeuwen.





Vogelhuisje

De afgelopen dagen werkten er mannen op onze gang die in alle kantoorkamers een mysterieus houten plankje met een donker gat in het midden monteerden. Precies boven de deurpost. Het heeft iets van een vogelhuisje.
    Vanmiddag liep ik het secretariaat binnen. Twee van de vier secretaresses waren aanwezig. Ze zaten naar de deur gedraaid, maar ze keken over me heen, naar het vogelhuisje.
    ‘Nee, ik had dat ding ook nog niet gezien,’ zei de een. ‘Wanneer hebben ze dat gemaakt?’
    ‘Geen idee. Wat zou het zijn?’
    ‘Zou er een camera in zitten, misschien? Dat ze op alle secretariaten er eentje gehangen hebben.’ Ze stak haar hand op en zwaaide glimlachend naar het vogelkooitje.
    Haar laconieke reactie op zo’n vorm van toezicht, deed me denken aan de wetenschappers die alle organisaties opvatten als varianten van gevangenissen. De secretaresses hebben het, voor zover ik weet, naar hun zin op het secretariaat. Die twee zaken hoeven elkaar niet uit te sluiten. Ik heb ook wel eens fantasieën waarin ik langere tijd in een gevangenis moet doorbrengen. Om de een of andere reden vervult me dat met een geluksgevoel.
    Ik keek even naar het vogelhuisje en zei toen dat iedereen zo’n ding op zijn kamer had gekregen.
    ‘O,’ zei ze.
    ‘Het is een ontruimingsluidspreker.’
    Ik had het aan de monteur gevraagd die in mijn kamer had gewerkt. Hij kon me niet vertellen waarom we die kregen. Later hoorde ik dat vlak voor Kerst het brandalarm was afgegaan. Er was enige rookontwikkeling geweest in een andere vleugel. In onze vleugel had schijnbaar iedereen doorgewerkt en beweerd het alarm niet gehoord te hebben. Enkele mensen hebben hun vakantie geofferd om deze schrijnende misstand uit de wereld te helpen. Je kunt veel zeggen over onze gevangenissen, maar niet dat ze verwaarloosd worden.





Maand tweeënvijftig

Lieve Vera,

Gisteren heb je me genezen van het waanidee een goede vader te zijn. Achteraf verbaast het me dat je er tweeënvijftig maanden voor nodig had.
    Je zat ziek thuis, samen met mij en je zusje. Het was pas de tweede of derde keer dat we je thuis hoefden te houden in viereneenhalf jaar. Wij doen niet aan ziekte. Vooral uit efficiëntieoverwegingen. Het negeren van symptomen is doorgaans aantrekkelijker dan de verstoring in de huishoudelijke logistiek die we uitzieken noemen.
    Je had mij ook besmet, maar omdat ik op dinsdagen niet hoef te werken, telt het niet als ziekte en bleef de huishoudelijke logistiek gespaard. Of je zusje de ziekteverwekker had binnengekregen was niet duidelijk. Ze heeft sinds haar geboorte een loopneus, meestal in combinatie met de raspende ademhaling van een kettingroker. Ook zij doet niet aan ziekte.
    Je moeder had gedoucht en het pand verlaten. De eerste rituele handelingen hadden we voltooid. Boterhammen waren opgegeten, verzoeken om televisie te mogen kijken waren afgewezen, jullie kleren waren aangetrokken en het speelgoed was uit de kast gehaald. Ziek of niet, je speelde zoet vakantietje onder een deken waarmee we een tent hadden gefabriceerd. Je zusje had intussen haar doorlopende project hervat: het in de mond stoppen van onze gehele huisraad.
    Toen wilde ik ook even douchen. Ik geef toe, op dat moment jammerde ik al een beetje van binnen. Helaas had ik geen koorts, blijkbaar waren een paar pijntjes al voldoende om de deur open te wrikken naar iets dat ik verafschuw: zelfmedelijden. Een soort emotionele incontinentie.
    Ik ontkleedde mezelf en zette de douche aan. Het water bleef steenkoud. Ik kleedde me weer aan en toog naar de verwarmingsketel. Fout 5, stond er op de display. Bel uw gediplomeerd monteur, stond er in het boekje. De verwarming deed het evenmin. Ik pakte extra truien uit de kast, voor mezelf en jullie. Jij hoefde er geen. Je vond het lekker warm, zei je. Volgens de thermostaat was het toen nog zeventien graden.
    Terwijl jij lief speelde, probeerde ik te werken. Je moet niet willen werken als je thuis bent met twee kinderen. Dingen niet willen, dat gaat me echter steeds slechter af. Een verontrustend vooruitzicht.
    Je kwam bij me staan. Wilde ook even typen.
    Nee, zei ik.
    Wilde op schoot.
    Nee, zei ik.
    Wilde dat ik mee kwam op vakantie.
    Nee, zei ik.
    Wilde dat ik meehielp met een puzzel die je ineens hoegenaamd te moeilijk vond om alleen te maken.
    Nee, zei ik.
    Toen me duidelijk werd dat ik niet verder kon werken, verschoonde ik je zusje en gaf haar een fruithapje. Ik had geen zin om een verse appel te pureren en pakte een potje uit de kast. Terwijl ik dat bij haar naar binnen lepelde, kwamen zeven nieuwe e-mails binnen.
    De temperatuur in de kamer was inmiddels veertien graden. De monteur zou aan het einde van de middag komen.
    Ik knuffelde je zusje, snoof de geur op van haar hals, maar omdat mijn neus verstopt was, rook ik niets. Ze trok aan mijn haren en ik legde haar weer op de grond.
     Je vroeg nog een keer iets, ik weet niet meer wat, en ik zei weer nee. En zette me schrap voor het gejengel dat zou volgen.
    Maar er volgde geen gejengel. We hebben veel energie gestoken in het afleren van gejengel. Voortdurende correctie. Opvoeden is het breken van iemands wil, totdat er een aangepast mensje ontstaat dat niemand tot last is, geen verstoringen meer veroorzaakt in het logistieke proces. Dat jij over een jaar of tien mij als een stuk vuil gaat behandelen, is een geruststellend idee, in dat verband. Beter dat, dan je om vergeving te vragen.
    Je jengelde dus niet. In plaats daarvan jengelde ik. In mijn hoofd. Ik wilde dit niet meer. Wilde weg. Even probeerde ik mezelf vrij te pleiten. Overmacht, zoiets. Iedereen zit er wel eens doorheen. Maar dit was geen overmacht. En ik ben niet iedereen. Meende ik. Je jengelde niet. Ik jengelde. Het grote zelfmedelijden, dat ik honend had aanschouwd bij anderen, had me eindelijk in zijn klauwen.
   Weer een terrein om middelmatig op te zijn. Waarvoor dank, schatteboutje.





Buitenaards wezen

Gisteravond, voordat ik naar bed ging, schoor ik mezelf. De laatste keer was ergens voor de Kerst. Mijn baardgroei is bescheiden – de baardgroei van een wijf, grapte ik vroeger, toen ik nog een voormalig gereformeerd collega had die mij het gevoel gaf dat het een enigszins choquerend grapje was. Hem mis ik niet, maar dat gevoel wel. Als het choqueren je niet van nature afgaat, is het zaak een publiek te zoeken dat aan een half woord genoeg heeft.
            Overigens vond die collega het hele leven choquerend. Dat drong pas tot me door toen ik een keer bij hem thuis kwam en zag dat hij zijn flessen drank bovenop een hoge kast legde, uit het zicht. In eerste instantie dacht ik dat hij een liefde voor overmatige alcoholconsumptie probeerde te verbergen. Maar navraag leerde dat hij de naakte aanblik van flessen buitenlands gedestilleerd choquerend vond. Alsof het een collectie pornografie betrof. Vervolgens vond hij het bijna even choquerend dat ik die mening niet was toegedaan.
            Het was aangenaam om zijn universum te betreden. Om even een buitenaards wezen te zijn.
           Ik verlang er nog wel eens een buitenaards wezen te zijn, maar de voormalig gereformeerde collega emigreerde een paar jaar geleden naar een ander continent. Verder is mijn leven bevolkt met soortgenoten. Ooit moet me dat een goed idee hebben geleken.





Hyena's

Op het besneeuwde schoolplein bekogelt een groep kinderen een leraar. Hij rent weg. De kinderen achtervolgen hem in jachtformatie. Gillend. Het zijn taferelen die ik ken van documentaires over hyena’s en voetbalhooligans.
    ‘En nu allemaal op meester Hans! Allemaal op meester Hans!’ roept de rennende leraar, zijn armen om zijn hoofd gevouwen.
    Het roedel handhaaft de achtervolging.
    Aan de andere kant van het plein staat een man te glimlachen.
    Meester Hans, vermoed ik.





De boodschap

Ik moet dringend een boodschap verzinnen. Rond de lunch komt een journalist me interviewen over een onderzoeksrapport dat vorige week is verschenen.

Tot voor kort dacht ik dat een interview een gesprek is waarin iemand vraagt naar informatie waarin hij of zij geïnteresseerd. Dat blijkt een misvatting. Tijdens een mediatraining werd me uitgelegd dat de journalist moet zien als een notulist die je boodschap voor de wereld mag optekenen.
    Mediatraining laat zich samenvatten in zeven woorden: Nieuws kun je niet overlaten aan journalisten.
    Met andere woorden: je moet zelf je boodschap bedenken.
    Maar ik heb geen boodschap.
    Ik heb een rapport geschreven over iets dat ik interessant vind. Tussen de begrippen ‘interessant’ en ‘nieuws’ heb ik echter zelden een relatie kunnen ontdekken. Het interessante is zelden nieuws, het nieuws is zelden interessant.
    Ik lees de krant en kijk af en toe een journaal. Dat doe ik ongeveer met hetzelfde genoegen als het scheiden van afval.
    Voor zover ik begrijp wat voor nieuws doorgaat, voel ik weinig aandrang het zelf te maken. Net zomin als ik de straten wil afschuimen op zoek naar composteerbare etensresten.

Als je geen antwoord hebt op de vraag wat nieuws , vallen mensen vaak terug op een andere strategie: verontwaardiging. Dat heet dan: een opinie. Ook dat blijkt weer nieuws te zijn. Opinieleiden laat zich samenvatten in vijf woorden: Het is niet goed genoeg. Wat er niet goed genoeg is, laat zich naar believen invullen. De wereld, de isolatie van gezinswoningen, de waarschuwingsborden voor gevaarlijke stromingen in zeewater, het fietstrommelbeleid – de lijst is zo eindeloos dat je niet hoeft te blozen als je niets weet te verzinnen dat wel goed genoeg is.
    Ik vind het vaak wel goed genoeg. In ieder geval zie ik niet hoe het beter kan. Die houding noemt men dan cynisch, verrassend genoeg. Ontevredenheid is beter, dat is de onderliggende boodschap van het nieuws. Ik ben regelmatig ontevreden, maar vind dat meer een aanleiding voor stilzwijgend alcoholgebruik dan voor het grootschalig verspreiden van bedrukt papier. Als ik al een boodschap heb, dan is het wellicht deze: deel uw opinie eens wat vaker met een fles whiskey.
    Die boodschap zou ik zelf als eerste ter harte moeten nemen. In plaats daarvan neem ik deel aan een interview. Ik wil maar zeggen: de kans is groot dat de journalist een interessantere boodschap weet te verzinnen.





Trapdoden

Bij ongelukken op kantoor denk ik in de eerste plaats aan een hartaanval. Onheil dat je zittend kan treffen. Niet aan een fatale misstap op de trap. Toch waren alle trappen van het kantoor dat ik vandaag bezocht voorzien van de mededeling: ‘Please hold the rail!’ Alle trapgebruikers die ik zag volgden deze aanwijzing op. Naast de eerste trede stond ook nog een bordje dat het gebruik van mobiele telefoons op de trap verboden was.

Het kan bijna niet anders of iemand heeft er statistieken over aangelegd en het bedrijf heeft daar vervolgens de uiterste consequentie uit getrokken. Trapdoden zijn vermijdbare doden. Krijg daar maar eens een speld tussen.

Ik was een paar keer eerder in het gebouw. Voorafgaand aan de bijeenkomsten vindt meestal een veiligheidsinstructie plaats. Een keer kregen we een kort filmpje te zien waarin een man ongelukkig uitgleed op een trap in een fabriek. Een funniest home video-achtig tafereel. Je ziet de uitgijder, de smak doet je in een reflex lucht tussen je opeengeklemnde tanden door naar binnen zuigen, maar verder oogt het ongevaarlijk. Dat is dus schijn, hebben ze hier uitgerekend. De trap ruïneert levens. Er schijnt ook een respectabel aantal mensen zodanig uit te glijden in bad dat ze het niet kunnen navertellen. De dood moet het hebben van de routine, de banaliteit. Rare fataliteiten geven wat jeu, maar tikken natuurlijk niet aan.

De eerste keren dat ik de trap gebruikte hield ik de leuning niet vast. Het voelde teveel alsof ik een hondje was dat een kunstje geleerd moest worden. Niemand sprak me er op aan.

Vandaag hield ik wel de leuning vast. Ik dacht: Nu ben ik een hond die een kunstje heeft geleerd. Vroeger was ik een hond die geen kunstjes had geleerd. Je maakt me niet wijs dat zo’n hond je liever is.





Tochtige straathoek

In plaats van een stukje te schrijven, worstelde ik met de vraag of ik ook moest gaan Twitteren. Eigenlijk was het geen vraag. Ik worstelde met de realisatie dat ik ook zou gaan meedoen. Halfslachtig verzet.
    Een fuik is een verbluffend eenvoudig voorwerp. Zo eenvoudig dat het me niet zou verbazen als een vis door heeft wat er aan de hand is zodra hij zich voorbij de mond van de fuik heeft gewaagd. Maar dat wil blijkbaar niet zeggen dat je je kunt omdraaien en door dezelfde opening verder trekt om een andere hoek van het beekje te verkennen.

Ik klikte verder langs twitterpagina’s, eerst van bekenden, daarna van wilvreemden. De gezelligheid vierde hoogtij.
    Ooit waren weblogs gezellig. Misschien zijn sommigen dat nog steeds, maar de mijne voelt tegenwoordig meer als een tochtige straathoek. Er komen veel mensen langs, maar iedereen is op weg naar iets anders. Af en toe groet iemand in het voorbijgaan. Een enkeling zet een ogenblik de tas met boodschappen neer.

Blijkbaar zoek ik gezelligheid. Meer in het bijzonder op internet. Ik kan de fuik wel verlaten, graag zelfs, maar dit stukje zelfkennis poets ik daarmee niet meer weg.

Ik keek of ze naam ‘bijzinnen’ nog vrij was. Die bleek vergeven aan iemand die eerder dit jaar enkele meditaties heeft uitgevoerd op ruis, zwarte lijntjes en de werkelijkheid. Het laatste van de in totaal vijf berichten luidt: ‘ontdaan van betekenis’. Dat klinkt als een conclusie waarna alleen nog gezwegen kan worden.

Op de fiets naar huis verheugde ik me op nasi. Die had ik gisteren gemaakt en zou nu nog beter smaken. Maar mijn vrouw had omelet met spinazie gebakken. Daar hoorde een logistiek verhaal bij waar geen speld was tussen te krijgen. Ik at de omelet en zag op als een berg tegen de wedstrijd van AZ later op de avond.





Het Nederlands van geesteszieken

Ik ontving een merkwaardige brief. Iemand vroeg of de held uit zijn roman mocht “neuken” met een van de vrouwelijke personage uit de mijne. De rest van de brief was opgesteld in het archaïsche Nederlands dat geliefd is bij een bepaald type geesteszieken.

Een jaar of tien geleden zag ik de brieven die binnenkwamen bij het ministerie dat belast is met de planning voor Schiphol. Sommige epistels maakten diepe indruk op me. Ik herinner me een brief waarin over de gehele lengte van de pagina een soort kurkentrekker was getekend. Dat bleek een voorstel te zijn voor een nieuwe aanvliegroute. De brievenschrijver was zo overtuigd van de superioriteit van zijn idee, dat hij alle resterende ruimte op de bladzijde gebruikte om het complot te ontwarren dat deze oplossing wilde tegenhouden. Ergens in de kantlijn dook in verticaal geschreven zinnen het Vaticaan op, weet ik nog.
    Destijds werd die brief bekeken met verbazing over de zonderlingen die ronddwaalden buiten de veilige muren van het ministerie. Het aantal van zulke brieven liet toe dat de beantwoordende ambtenaar met een warm hart kon hopen dat de schrijver spoedig zijn medicatieregime weer zou hervatten.
    Inmiddels, nu de kranten zonder ironie schrijven over nanochips in griepvaccinaties, heeft verbazing plaats gemaakt voor onbehagen, vermoed ik. De zonderlingen hebben elkaar gevonden en houden daarmee op zonderlingen te zijn. Voor hun eigen gevoel hebben ze die status nog niet helemaal hebben afgeschud, lijkt het. Begerig bekleden ze zichzelf met de tekenen die maatschappelijk gezag moeten uitdrukken. In de kringen van de inentingswaanzinnigen dwaalt bijvoorbeeld een zekere professor doctor ingenieur Anton van Putten rond. Ik heb een kleine tien minuten op internet gezocht, maar ik kon niet vinden bij welke universiteit deze man dan professor zou zijn. Zelfs zijn eigen CV laat na dit te vermelden, terwijl het zich toch de nodige moeite getroost om de verdiensten van de heer van Putten in detail uit te meten. De inentingswaanzinnigen zullen verheugd zijn geweest dat kwaliteitskrant NRC hem desalniettemin voorzag (mirror) van alle door hem begeerde titels.

Strikt medisch gezien mag je iemand wellicht niet kwalificeren als geestesziek op basis van zes warrige alinea’s over neukende romanpersonages. De symptomen vond ik echter tamelijk overtuigend. Zo vermeldt de man in de tweede alinea over de roman waaraan hij zegt te schrijven: “..die heb ik waarschijnlijk nog niet geschreven”. Als je niet meer weet of je een roman geschreven hebt, dan ben je wellicht ongelooflijk productief. Maar het is waarschijnlijker dat je een moeizame relatie onderhoudt met de realiteit.

Ik stopte een zinsnede uit de brief in Google. Dat leverde de ontdekking op dat de man exact dezelfde brief aan in ieder geval een andere schrijver heeft toegestuurd. Welke ziekte de man ook moge hebben, het is een efficiënte ziekte. Ook heeft hij zijn epistel weten te beperken tot een enkelzijdig A4’tje. Een ziekte die zuinig is met tekst en papier is een sympathieke ziekte.
    De posterijen hadden de envelop van de brief bestempeld met de tekst: “Schrijven zegt meer.” Ook de handelsgeest onderhoudt een moeizame relatie met de realiteit.





Maand eenenvijftig (slot)

(Wat er voorafging.)

Achteloos verliezen is een kunst. Zelf ben ik te laat begonnen met verliezen. Het gevolg daarvan is dat ik teleurstelling onderga als een levensbedreigende ziekte.
    Dat ik weinig heb verloren wil overigens niet zeggen dat ik vaak won. Het is vooral een kwestie van vermijding. Ik deed alleen mee als winst zo ongeveer gegarandeerd was. Je hebt van die kereltjes die alleen gevechten uitlokken met jongens die een kop kleiner zijn dan zijzelf. Zo verhoud ik me tot het leven.
    De laatste jaren begin ik af te wijken van die strategie. Het is zoiets als op je veertigste nog je rijbewijs gaan halen. Jonge mensen associëren auto’s met zaken als comfort of paardenkrachten. De laatkomers, daarentegen, blijken een opvallende voorkeur te hebben voor termen als ‘moordwapen’ en ‘projectiel’.
    Wat ik maar bedoel te zeggen: geef af en toe iemand uit de middenbouw een klap.
    Afijn.
    School. Je gaat inmiddels drie maanden naar de basisschool. De effecten daarvan merken we overal. Zo teken je ineens geen conceptueel werk meer, maar herkenbare taferelen. Het voorlopige hoogtepunt daarvan is het werkje dat je als titel meegaf: ‘Sinterklaas met een piemel want het is een jongetje.’ Ook zonder die titel liet de voorstelling niets aan duidelijkheid te wensen over. Morgen zal ik dit pareltje met het hele internet delen.
   Daarnaast bevat je vocabulaire sinds kort de uitdrukking: ‘Ik heb een plan.’ Er zijn weinig uitdrukkingen die merkwaardiger klinken uit de mond van een vierjarige. Laatst vroeg je aan je moeder wat voor werk ze deed. Die vraag heeft een ontmoedigend effect op haar. Het bestaan van de ambtenaar is moeilijk aanschouwelijk te maken. Ergens koestert ze het vermoeden dat een beroep dat niet aan kinderen valt uit te leggen, niet kan deugen. Ik deel haar wantrouwen. (Zelf antwoord ik dat ik meester ben van grote kindjes.)
    Je moeder zei: ‘Ik praat heel veel met andere mensen op mijn werk.’
    ‘Drinken jullie dan ook limonade?’
    ‘Ja, en thee en koffie.’
    ‘Waarom moet je dan zoveel praten?’
    ‘Om geld te verdienen.’
    Jij spreidde je armen zo wijd als je kon. ‘Zoveel geld?’
    ‘Nee, zoveel,’ zei je moeder, haar handen vlak bij elkaar houdend. ‘Ik wil wel zoveel,’ zei ze, haar armen spreidend.
    ‘Oké.’ Je kleine oogjes vernauwden zich, alsof je in de zon keek. ‘Mamma, ik heb een plan. Als je zoveel geld wil, dan moet je zoooooo’n grote portemonnee kopen.’ De triomf in jouw ogen, de armen wijd gespreid, was terecht. Er zijn mensen die minder van economie begrijpen.
   Verder praat je af en toe als een geheim agent die ons gezin geïnfiltreerd is en die moet terugrapporteren over de interne verhoudingen in onze bananenrepubliek. Vorige week was ik niet thuis, maar ik heb me laten vertellen dat je zocht naar scheurtjes in het bastion van de machthebbers. Tijdens het avondeten liet je moeder zich ontvallen dat ze jou en Jules de allerliefste schatteboutjes van de hele wereld vindt.
    Dat noteerde jij. Vervolgens vroeg je: ‘Wat vind je dan van de jongen die ook bij ons hoort?’
    ‘Welke jongen?’
    ‘Die jongen die in ons huis woont.’
    ‘Je bedoelt Michel?’
    ‘Ja, Michel, die bedoel ik.’
    ‘Die vind ik ook heel lief.’
    Je knikte ernstig. ‘Zo lief dat je hem ook kusjes wil geven?’
    Toen je moeder in de lach schoot, stelde je de vraag nog een keer.
    Wat je met deze informatie van plan bent, is ons niet bekend. Het heeft wel tot gevolg dat je moeder heeft besloten dat we elkaar vaker moeten kussen in jouw nabijheid. De gevolgen hiervan kan ik niet overzien, maar het lijkt me een gevaarlijk precedent.





Maand eenenvijftig

Lieve Vera,

Vanavond zat ik aan tafel met de meneer die jij Weiland noemt. Ik had hem net verslagen met squash. Toen de serveerster ons eten had gebracht, feliciteerde hij me voor de derde keer die avond met de overwinning. Dat was minimaal twee keer teveel. Ik vroeg hem enigszins wantrouwig waarom ik zo uitvoerig gefeliciteerd werd. Hij antwoordde dat hij wist hoe erg ik verliezen vond.
    Het is waar, ik veracht verliezen. Na een verloren partij heb ik een klein uur nodig om mezelf uit te leggen dat doorleven een alleszins redelijk voorstel is. Een vergelijkbare intensiteit voel ik niet als ik heb gewonnen. Winnen is een vrij fletse gewaarwording. Het bestaat vooral uit de opluchting dat ik niet verloren heb.
    Weiland is een grootmoedig verliezer. Niet omdat hij de winnaar veelvuldig feliciteert. Integendeel. Dat soort felicitaties proberen eigenlijk de overwinning uit te vlakken, en daarmee ook het verlies. Een verliezer moet pijn voelen, anders doet de overwinning er niet toe. Wellicht niet zoveel pijn dat een uur toegewijd tandenknarsen vereist is voordat je een reden hebt gevonden om door te leven, maar een minimale dosis chagrijn is onontbeerlijk. Uitbundig feliciteren is vaak nauwelijks verhuld chagrijn, een strategie van de zwakkere om alsnog de overwinnaar zijn overwinning te ontnemen. Maar dat chagrijn ontbreekt er volledig aan bij Weiland. Hij is een grootmoedig verliezer omdat het hem onverschillig laat. Hij speelt fanatiek voor elk punt en drie seconden na de laatste bal is de uitslag nog slechts een statistiek voor hem.
    Je kunt dat soort mensen haten of je kunt ze je vriend maken.
    Ik heb stille hoop dat jij ook een slecht verliezer zal blijken te zijn. Je moet ergens je onvrede met de wereld onverdund kunnen voelen. Een door TL-balken verlichte sportkantine is daarvoor een uitermate geschikte locatie. Je leven te behandelen als een verzameling statistieken kun je beter bewaren voor situaties die er echt toe doen. Er was een periode dat je moeder graag statistieken over echtscheidingen citeerde. Ik begon me pas zorgen te maken toen ze daar mee ophield.
    Vooralsnog zijn de voortekenen goed. De uitdrukking ‘ik ben de winner’ behoort tot je favorieten. Als iemand anders beweert de winner te zijn, dan zeg jij snel: ik ben ook de winner. Er is veel in jouw leven dat je simpelweg poneert. Het is een verbluffend effectieve strategie. Je weet niet wat winnen is, maar je weet wel dat je er deel van moet uitmaken. Het wachten is op de persoon die je voor het eerst zal laten voelen wat verliezen is. Ik ben die persoon niet. Dat soort klussen besteed ik liever uit. Er zijn ongetwijfeld voldoende vrijwilligers die bereid zijn je te vertellen dat je een verliezer bent, net zolang tot jouw pogingen het tegendeel te poneren zijn gesmoord in tranen.

(Wordt vervolgd.)





Twee huishoudelijke mededelingen

1. Morgenavond ben ik samen met P.F. Thomése te gast tijdens de literaire avond van boekhandel Koops in Venlo. Frans Pollux, radiomaker en aanstaand literair debutant, zal ons beiden interviewen. De avond begint om half acht aan de Klaasstraat 17.

2. Dit is het laatste stuk dat zal verschijnen op de huidige incarnatie van Bijzinnen.com. Er staan twee veranderingen op stapel: een nieuw ontwerp en een nieuwe frequentie. Om met dat laatste te beginnen: ik ga binnenkort terug naar het ijzeren ritme om elke werkdag iets te plaatsen.
    De laatste keer dat ik die frequentie aanhield was ik een vrijgezel die elke combinatie van de woorden ‘passie’ en ‘werk’ in dezelfde zin een teken van hysterie vond. Kortom: ik had vrij aanwendbare avonduren. Het woord ‘passie’ schuw ik nog steeds, maar ik kan niet ontkennen dat ik ten prooi ben gevallen aan een zekere arbeidsvreugde. O, en dat ik inmiddels een gezin heb aangericht. Al komt dat laatste niet geheel op mijn conto.
    Afijn.
    Het voornemen om weer dagelijks te gaan schrijven is een vlucht naar voren. Ik heb al maanden te weinig tijd om serieuze voortgang te boeken met de tweede roman. Daar werd ik humeurig van. Een verstandig mens zou de realiteit onder ogen zien en de roman uitstellen, in ieder geval tot na het voltooien van mijn inaugurele rede. Dat soort realisme maakt weinig indruk op de rommelige verzameling drijfveren die mijn gemoedsrust gegijzeld houden. Tot ik een list bedacht: ik stelde het boek uit, maar zou wel weer dagelijks gaan bloggen. Zodra ik het idee had bedacht, holden de gijzelaars er als een stel lemmingen achteraan.
    Om mijn voornemen enigszins geloofwaardig te maken, moet ik dit weblog uit de hoek halen waar ik het de afgelopen jaren in heb gemanoeuvreerd: lange stukken die nauwelijks verband houden met mijn dagelijkse beslommeringen. Daarvoor moest het ontwerp op de schop.
    Ik heb de maker van het mooiste weblog dat ik ken, ikenmijnlada.com, gevraagd om een nieuw ontwerp voor Bijzinnen te fabriceren. Nicolas is meteen voortvarend aan het werk gegaan. Zodra het ontwerp klaar is, zal ik overgaan tot het verstrekken van dagelijkse porties Bijzinnen.