Zakenreis

Mijn vrouw hield me gezelschap tijdens een zakenreis naar Balatonfüred, een kleine badplaats aan het Balatonmeer in Hongarije. Ik zou een van de sprekers zijn op een conferentie van de Europese Unie, waarvan Hongarije op dit moment voorzitter is.

Op het vliegveld in Budapest werden we naar een zwaar bewaakt verzamelpunt gebracht. Daar zouden de diplomaten, eurocraten en andere genodigden van verder vervoer voorzien worden. Het punt was zo zwaar bewaakt dat de taxi waarin we zaten, samen met een Belgische en Duitse medewerker van de Europese commissie, op ruime afstand van het gebouw werd tegengehouden. Na een minuut of tien van warrig overleg mochten we doorrijden.

In de bus naar de Balatonfüred zat ook een Amerikaanse consultant die de tijdelijke gevangenschap van de reizigers aangreep om zijn diensten aan te prijzen. Hij liep door de bus en werkte de inzittenden een voor een af. Bij elk gesprek kwam het moment waarop hij een wereldkaart tevoorschijn haalde waarop alle onderzeese internetverbindingen waren aangegeven. Daar was iets mee aan de hand.

Na een indrukwekkende reeks gesprekken belandde hij in het achterste gedeelte van de bus. Wij zaten achterin, samen met twee Nederlandse ambtenaren. Eerst werkte hij de twee ambtenaren af. Hij vroeg niet naar de bezigheden van de ambtenaren en wachtte evenmin op hun vragen om zijn eigen expertise te demonstreren. Toen hij klaar was, keek hij naar mijn vrouw en mij, de enige reizigers die nog verstoken waren van de laatste inzichten over onderzeese internetkabels. Hij keek naar ons en aarzelde. Als enige inzittenden droegen we vrijetijdskleding. Na een korte hoofdknik in onze richting, liep hij door.

(De volgende dag zou hij op me opzoeken na mijn toespraak. Toen droeg ik wel een pak. ‘Ik geloof dat we elkaar al eens ontmoet hebben,’ zei hij peinzend. Ik glimlachte en wachtte zwijgend of hij het zich zou herinneren. In plaats daarvan haalde hij de kaart van de onderzeese internetverbindingen uit zijn koffer.)

We reden al enige tijd langs de oever van het Balatonmeer. Op de kaart had het meer enige allure gehad, die in de realiteit bleek te ontbreken. Een ambtenaar haalde herinneringen op aan een eerder bezoek, een kwart eeuw geleden. ‘Pislauw water,’ mompelde hij.

De bus deed er enkele uren over om het badplaatsje te bereiken. Mijn vrouw vroeg waarom de conferentie niet gewoon in Budapest plaatsvond. Ik wist het niet. Wellicht kwam de gastheer, de Hongaarse minister van Economische Zaken, uit deze streek.  Wij waren het geschenk aan zijn achterban. In andere tijden stuurde een hooggeplaatste beambte een kudde schapen huiswaarts. Nu stuurde men tweehonderd buitenlanders.

(Wordt vervolgd.)




De dictator wil nu even de krant lezen

Het ontbijt. De kinderen eten het laatste brood op. Voor mezelf besmeer ik twee rijstwafels met chocopasta.
    De rijstwafel voldoet ternauwernood aan de kwalificatie ‘eetbaar’. Als bouwmateriaal, daarentegen, heeft het indrukwekkende eigenschappen. Het kan niet zo goed tegen vochtigheid, maar verder kun je het omschrijven met termen die we doorgaans reserveren voor het soort wondermaterialen die NASA gebruikt. Superlicht, sterk, goedkoop, makkelijk te verwerken. Een alternatief voor dure aardbevingsbestendige staalconstructies. Het ergste dat je kan overkomen is dat het dak in de vorm van gepofte rijst op je neerdaalt. Dat is geen reden tot zorg, hoogstens tot de aanschaf van een effectieve antiroosshampoo.
    Als ik aan tafel ga zitten, zegt Vera, mijn dochter van vijf: ‘O, pappa, je mag niet twee boterhammen met hetzelfde. Dat is niet eerlijk.’
    Dat is een regel. Alle regels die we voor onze kinderen verzinnen, passen onze kinderen ook op ons toe. Als we er niet aan voldoen, worden ze boos. Groot onrecht. Het is een soort populisme op huiskamerschaal.
    Doorgaans voorkom ik dergelijke conflicten door mijn eigen gedrag bij voorbaat te versmallen tot het past binnen de regels die voor onze kinderen gelden. Modern ouderschap doet denken aan een communistische dictatuur waarin de leider voortdurend moet veinzen gelijk te zijn aan het volk. De grote dictators losten dat op door het volk op afstand te houden met een hoge paleismuur. Onze woonkamer is echter net te klein voor zo’n muur.
    Terwijl mijn dochter protesteert, kauw ik traag op de eerste rijstwafel. De dictator is moreel bankroet, prima. Maar nu wil hij graag even de krant lezen.




Het amusement dat verontwaardiging heet

Mijn ouders waren gisteravond op bezoek. Dat betekent televisiekijken. Zo zag ik in korte tijd in vijf programma’s het voorval langskomen van de ADO-speler die zong “We gaan op Jodenjacht”. Met opvallende gretigheid werd schande werd gesproken van deze actie. Het beschavingsoffensief boekte aanzienlijke terreinwinst. De hoeveelheid zendtijd die het voorval kreeg, overtrof met gemak de doden in Libië en ander wereldnieuws.

Ik kan deze volstrekte overreactie maar op een manier begrijpen: er is een grote groep mensen die aanzienlijk genot ontleent aan het verontwaardigd zijn. De verveling in de middenklasse is groter dan gedacht. Er wordt wel eens geklaagd dat veel burgers apathisch voor de buis zouden zitten, maar dat lijkt een vorm van wensdenken te zijn. Was het maar waar. Verontwaardiging is een tak van de amusementsindustrie geworden. Afgezien van de bankiersachtige salarissen van producenten als Pauw en Witteman, kan verontwaardigingstelevisie tegen lage kosten worden vervaardigd, terwijl het toch voorziet in een behoefte. Dat heeft het gemeen met talentenjachten en realityseries.

De kwalificatie antisemitisme speelde een centrale rol in de opwinding. Ik kan me vergissen, maar een voorwaarde voor antisemitisme lijkt me toch dat het gericht moet zijn tegen de Semieten. Niemand lijkt echter te bestrijden dat Immers, de betreffende ADO-speler, alleen verwees naar de aanhangers van voetbalclub Ajax, niet naar de Joodse medemens of cultuur. Deze kleinigheid wordt opgelost met het argument: sommige Joden namen toch aanstoot. Als dat de norm is, dan wil ik graag dat de KNVB ook de aanstoot van dierenvrienden serieus neemt. Week in, week uit wordt het geslacht van de mannetjeshond beledigd.

De redactie van Voetbal International leek ook nattigheid te voelen. In de eerste artikelen sprak men van “antisemitische liederen”. Vandaag hanteerde men ineens het weinig vlotte “anti-Ajax-liederen die een antisemitische strekking hadden”.

Waarom staan sommige Joodse organisaties in de rij om zich over een akkefietje op te winden dat niets met Joden te maken heeft? Het enige dat ik daarvan begrijp is het beledigd zijn een manier is om je eigen bestaan wat glans te geven. Wel is het een gemiste kans dat ze tot nu toe nooit hun gekwetstheid hebben geuit wanneer het drugskartel dat ook wel wordt aangeduid als de Ajax-aanhang zichzelf identificeert als Joods.

In de Volkskrant mocht de zelfverklaarde Joodse schrijver Robert Vuisje uitleggen dat “weldenkende mensen” niet roepen dat ze op Jodenjacht gaan. Ik dacht dat de aanduiding “weldenkende mensen” alleen nog in ironische zin werd gebruikt, maar dat bleek een misvatting. Robert Vuijsje werpt zichzelf hier op als weldenkend mens. Dat biedt houvast. Laten we zijn denken eens nader bekijken.

Hij erkent volmondig dat Immers’ zang over de Jodenjacht niet over Joden gaat, maar over de aanhangers van Ajax. Dan presenteert hij drie argumenten waarom het toch “niet los gezien kan worden” van antisemitisme.
    Nu even opletten.
    Ten eerste, zegt Vuijsje, is hij als Joodse Ajax-aanhanger niet blij met het feit dat Ajax-aanhangers zichzelf als Joden aanduiden. Waarvan akte. Het ontgaat me waarom dit een argument is voor zijn stelling.
    Het tweede argument is nog merkwaardiger. Hij insinueert dat Immers een aanhanger is van Geert Wilders. De lezer moet zelf invullen waarom dat een bewijs is voor het verband tussen haat jegens Ajax en antisemitisme. Mij is dat niet gelukt. Als Immers GroenLinks zou stemmen, mag hij blijkbaar wel op Jodenjacht.
    Het derde argument is dat voetballers een voorbeeldfunctie zouden hebben. Het begrip ‘voorbeeldfunctie’ is een geliefde stok om de medemens mee te slaan. Het maakt het mogelijk – moreel hoogstaand zelfs – om de medemens te veroordelen op basis van een moraal waar je zelf niet aan hoeft te voldoen. Moraal is de uitoefening van macht zonder van macht te reppen – ik parafraseer de socioloog Goudsblom.
    Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat deze argumenten niet of nauwelijk verband houden met de stelling van Vuijsje. Wellicht hecht de redactie van de opiniepagina van de Volkskrant bij de selectie van stukken aan een correcte spelling. Aan zindelijk redeneren hecht men blijkbaar minder belang.

Als je kijkt naar de verontwaardigingsindustrie, dan kijk je ook naar de kruiperigheid van degene die moet proberen de verontwaardiging te dempen. De eerste reactie van Lex Immers en ADO was nog ter zake en oprecht: dit heeft niets met antisemitisme te maken. Die reactie hield niet lang stand. In de plaats daarvan kwamen kruiperige zelfbeschuldigingen. Op een gegeven moment twijfelde ik wie ik weerzinwekkender vond: de verontwaardigden of degene die aan de verontwaardiging probeerden te ontkomen.

Vandaag werd bekend dat Lex Immers en ADO de straffen van de KNVB accepteren. Immers is voor vijf wedstrijden geschorst, waarvan een voorwaardelijk. Ook trainer Van den Brom en speler Vicento kregen straf. Een schande. Ik kan niet ontkennen dat ik nu verontwaardiging koester en daar enig genot aan onttrek. Maar ik heb nog geen televisieprogramma of opiniestuk gevonden dat in mij hierin bedient.




Maand zesenzestig

Lieve Vera,

Sinds kort draag je een roze bril. ’s Ochtends is ook nog je linkeroog afgeplakt. Dan zie je er uit als een onvoltooid robotje uit een oude sciencefictionserie. Ik weet niet waar liefde eindigt en medelijden begint, maar ik kan niet ontkennen dat het me aantrekt. Nietzsche heeft ooit het medelijden doorgrond als een vorm van begeerte.
   Ondertussen draag jij je oogparafernalia met trots. Dat je trots het gevolg is van zorgvuldig gechoreografeerde oplichting door de volwassenen om je heen, versterkt mijn begeerte alleen maar.
    Vorige week sneuvelde je bril op het schoolplein. Hij is nog niet gemaakt. Daardoor is je schoonheid tijdelijk hersteld. Je schoonheid schept afstand, ik kan er niets anders van maken. Het doet me haast verlangen naar meer gebreken in je leven.

Verder hebben we het beschavingsproject onverdund voortgezet. We corrigeren jou en je zus dat het een aard heeft. Ik mag er in ironische termen over spreken, de praktijk is ondubbelzinnig. Dat heeft weinig met opvoedkundige doelen te maken en alles met eigenbelang. Jouw beschaving is de uitbesteding van mijn ouderschap. Hoe beschaafder je bent, hoe minder ik ouder hoef te zijn. Zoals bekend levert uitbesteding, mits correct uitgevoerd, efficiëntiewinsten op. Die winsten komen ten goede van mijn eigen activiteiten.
    Laatst waren in iets dat een indoor speelparadijs heet. Dat is een bedrijfsmatige oplossing om opvoeding uit te besteden. In het indoor speelparadijs is alles verpakt in schuim. Men zou het kunnen verhuren aan psychiatrische patiënten met een voorliefde voor zelfdestructie, maar kinderen zijn waarschijnlijk een rendabelere markt. Ik had ook de buurmeisjes meegenomen. Dat was gezellig. Door hun aanwezigheid was ik niet langer noodzakelijk als bron van amusement.
     Er waren meer ouders die even niet amusant wilden zijn. Naast me zat een man met een laptop zijn boekhouding bij te werken. Hij bekeek spreadsheets. Af en toe krabbelde hij iets op een papiertje. Hij zag er gelukkig uit. Werk in uren dat je geacht wordt van je kinderen te houden, dat is het mooiste werk.

Een tijdje terug dacht ik dat het toevallig was, de timing, het samenvallen van mijn opzwellende ambities en de periode dat jij en je zus het meeste tijd vergen. Een ongeplande, wat ongelukkige samenloop van omstandigheden. Maar de waarheid dat ik juist door jullie bestaan het egoïsme heb ontdekt. Het egoïsme smaakte me beter dan ooit, ik kan niet anders zeggen. Niet dat ik vroeger geen eigenbelang kende, maar als je min of meer in een vacuüm opereert, dan is egoïsme toch een gratuite, grotendeels theoretische aangelegenheid. Nu gaat het tenminste ten koste van anderen.

Laatst werd je vader geëvalueerd door een groep ambtenaren aan wie hij les had gegeven. Op een van de evaluatieformulieren stond de tekst: ‘Mag meer tegenspraak dulden.’ Ik moest onwillekeurig aan jou denken, schatteboutje.

(Eerdere brieven zijn hier te vinden.)




De seniorenprins en -prinses (slot)

(Eerder: deel 1 en 2.)

In de feestzaal van het café werd de prinsenparen achter een rij tafel geparkeerd. De receptie kon beginnen. Er werden om en nabij de achthonderd mensen verwacht. Zomaar feliciteren behoorde niet tot de mogelijkheden. Er was een draaiboek. En mensen die als een soort luchtverkeersleiders alle aangemelde receptionisten van een felicitatieslot voorzagen. Mijn vader had geregeld dat de familie een vroeg slot toegewezen had gekregen.

De schutterij betrad het café in gelid, floot, trommelde en sprak toe. Daarna vormde zich een lange roodkleurige felicitatieslang van de receptietafels tot aan de ingang van het café. Nog voor de slang langs de tafels was, marcheerde de harmonie en drumband de zaal binnen. Het leek fysiek onmogelijk om nog eens zeventig mensen naar binnen te persen, maar het lukte toch.
    Er werd getoeterd, getrommeld en toegesproken. Tijdens een van de marsen had ik langdurig kippenvel gekregen. Ik kon me de naam van het nummer niet meer herinneren. Inmiddels had mijn jongste broer al het vierde rondje gehaald. Bier, hitte, herrie. Af en toe werd ik slap in de knieën. Het kon ook ontroering zijn.
    Er vormde zich een blauwe slang achter de rode slang. Het patroon was duidelijk. Allerlei verenigingen uit naburige dorpen kwamen binnen en duwden iedereen nog dichter bijeen.

De vorst, tevens ceremoniemeester, riep ons naar de receptietafel. We sloten aan bij de slang en feliciteerden alle prinsenparen en aanverwanten. Bij sommige zat er al enige slijtage in de glimlach. Helemaal aan het uiteinde sloeg ik twee mensen over, omdat ze niet achter de tafels stonden en ik niet wist of ze er bij hoorden. Ze riepen me terug, om alsnog de felicitatie te ontvangen. Ik vermoed dat ze op dat moment nog zo’n zeshonderd handdrukken te gaan hadden.

Toen we klaar waren met feliciteren, vroeg Vera of we nu de polonaise zouden gaan dansen. Daar had ze op geoefend. Ze was teleurgesteld toen ik vertelde dat opa nu geen tijd had om met haar de polonaise te dansen. ‘Maar,’ zei ik, ‘we komen terug als er optocht is. En dan kun je de hele avond polonaise dansen.’
    ‘Ook met omdraaien?’
    ‘Ook met omdraaien.’
    ‘Beloofd je dat, pappa?’
    Ik beloofde het.
    Op weg naar huis, vroeg ik aan mijn vrouw of ze het leuk had gevonden. Ze dacht een moment na en zei toen: ‘Leuk is niet het juiste woord.’




De seniorenprins en -prinses (2)

(Eerder: deel 1.)

Het was avond, dus toen we de straat in liepen was het van grote afstand te zien: Voor het huis van mijn ouders stonden palen met feestverlichting van het soort dat ik alleen ken van kermissen en bordelen langs provinciale verbindingswegen. Tegen de gevel waren enkele poppen geplaatst die van carnavalswagens afkomstig leken te zijn. En er hing een groot bord met de tekst: ‘Senior prins Herman II en prinses Tiny I.’
    ‘Ze hebben het verkeerd geschreven,’ zei mijn vader, toen we binnen waren. ‘Er had senioren moeten staan. Nu klopt het niet.’ Enkele gasten in de huiskamer plaagden hem door het woord senior uit te spreken als het Spaanse señor.
    Ik besloot me aan een taalkundige theorette te wagen. ‘Senior zegt iets over de leeftijd van de prins. Senioren zou betekenen dat je de prins ben van de senioren.’
    Ik wist niet zeker of die redenering correct was. Alleen in een klein Limburgs dorp durf ik me als taalkundige op te werpen.
    Mijn vader keek me onbegrijpend aan. Toen vroeg hij: ‘Dus het is wel goed?’
    Ik zei dat me leek dat het allebei goed was.
    Hij wendde zich tot de grappenmakers. ‘Hoor je dat? Het is wel goed.’
    Er kwam geen reactie.

De volgende dag zou de receptie plaatsvinden. Het senior of senioren prinsenpaar moest eerst naar een receptie in een naburig dorp. Ondertussen kwam mijn broer en zijn gezin binnen met enkele pannen vol bami. Toen mijn ouders terugkeerden, werd er bami gegeten.
    De receptie zou beginnen om elf over twee. Overal zit het getal elf in. Tegenwoordig zou men dat branding noemen.
    Om half twee werden ze opgehaald door de schutterij, de raad van elf, de dansmariekes en een verzameling mensen die ik zo snel niet kon thuisbrengen. Een film van Fellini telt doorgaans minder figuranten.
    Er werd gefloten door het fluitenkorps, er werd getrommeld door de trommelaars en er werd gesproken door de vorst van de raad van elf. Toen sloten mijn ouders aan in de stoet en was men gereed om de gewone prins en prinses op te gaan halen worden. Ook de rest van de familie zou meelopen.
    De stoet kwam in beweging en meteen weer tot stilstand. De gewone prins en prinses zijn toevalligerwijs de nieuwe buren van mijn ouders.
    Er werd gefloten door het fluitenkorps, er werd getrommeld door de trommelaars en er werd gesproken door de vorst van de raad van elf.
    Mijn vrouw, geen Limburgse, was toen al enigszins gedesoriënteerd. Vera, onze oudste dochter, wierp verliefde blikken op de dansmariekes.
    De prins en prinses sloten aan en daarmee was de stoet gereed om richting café ’t Torp te marcheren.

(Morgen het slot.)




De seniorenprins en -prinses (1)

Een paar dagen nadat mijn moeder was uitgegleden en haar enkel had gebroken, werd ze uitgeroepen tot Prinses Tiny I, seniorenprinses carnaval van het dorp.
    Per post ontvingen we het statieportret, dat van alle prinsenparen wordt gemaakt. Ze kijkt uitzonderlijk vrolijk op de foto. Haar rolstoel is even verruild voor een soort schavot dat bekleed is met zwart fluweel. Mijn vader, Prins Herman II, staat naast haar. In zijn gezicht is zoveel geluk samengebald, dat ik vermoed dat overal ter wereld plotselinge tekorten optraden en mensen overvallen werden door onbegrepen gevoelens van somberheid. Iedereen die de foto ziet, weet vanaf dat moment: het geluk draagt een steek. Dat is de naam van het hoofddeksel dat gereserveerd is voor de carnavaleske aristocratie.

Ik belde mijn moeder en vroeg of het wel ging, carnaval vieren in een rolstoel. Dat ging heel goed, bleek. Ze werd uitstekend verzorgd, zei ze. Ze klonkt zo tevreden dat ik de indruk kreeg dat de rolstoel een positieve bijdrage leverde aan haar nieuwe status. Daar zat een zekere logica in. Aristocratie is een vorm van invaliditeit, van gedwongen verzorging. Of het wordt opgelegd door een enkelbreuk of een familielijn, is een subtiel verschil.

Vorig weekeinde reisden we af om de officiële receptie mee te maken. Het fenomeen seniorenprins en –prinses bestond niet in het tijdperk dat ik nog deelnam aan carnaval. Er was een prins en een jeugdprins. De seniorenprins is een kwestie van voortschrijdende emancipatie.
    Ik vroeg mijn vader wat er verder veranderd was aan carnaval. Er was geen kinderoptocht meer, geen oudwijvenbal en geen revue. De carnavalsvereniging had bijna zelf het loodje gelegd.
    Ik vroeg hoe dat kwam.
    ‘De tweeverdieners.’ Hij roerde in zijn koffie. ‘Ik begrijp het wel. Ze hebben nergens tijd voor en als ze tijd hebben, willen ze zich nergens op vastleggen.’
    Ik sprak recent een gebiedsmanager van een grote Vinexwijk. Ze gaf hetzelfde antwoord als mijn vader op de vraag waarom de wijk afgleed naar een probleemgebied. Het waren niet de buitenlanders, de losbandige jeugd of de hufters. Aan de bron van alle ellende stonden de tweeverdieners. Dat komt me voor als een buitengewoon sympathieke diagnose.
    Maar het carnaval is een venijnige institutie. Er kwamen nieuwe feesten, die minder voorbereiding vergden. De tweeverdieners kwamen massaal. En men richtte zich op een nieuwe groep: de senioren. Dat was mij al die jaren ontgaan, totdat mijn moeder me belde om te vertellen dat ze op het punt stonden uitgeroepen te worden als Herman II en Tiny I.
    De ernst van dat nieuws drong pas tot me door toen we – mijn vrouw, de kinderen en ik – afreisden naar het dorp en mijn ouderlijk huis zagen.

(Wordt vervolgd.)




Een vereenzaamd kluitje kiwi's


Deprecated: preg_replace(): The /e modifier is deprecated, use preg_replace_callback instead in /home/miesepie/domains/bijzinnen.com/public_html/pivotx/includes/textile/classtextile.php on line 1011

Deprecated: preg_replace(): The /e modifier is deprecated, use preg_replace_callback instead in /home/miesepie/domains/bijzinnen.com/public_html/pivotx/includes/textile/classtextile.php on line 1011

Deprecated: preg_replace(): The /e modifier is deprecated, use preg_replace_callback instead in /home/miesepie/domains/bijzinnen.com/public_html/pivotx/includes/textile/classtextile.php on line 1011

Ik heb nu al vier dagen kiwi’s bij me. Twee stuks, in een gele Jip en Janneke broodtrommel die ik elke ochtend in mijn tas stop. (Overigens was ik gisteren het woord broodtrommel kwijt. En toen ik daar niet op kon komen, viel mijn hoofd een kort moment uit. Ik stond verbouwereerd in de keuken en vroeg me af hoe ik daar beland was. Vera zat aan tafel te ontbijten. Ze zag me in bevroren toestand staan en stopte zelf met kauwen. We keken elkaar strak aan. Na een moment zei ze voorzichtig: ‘Papa, bedoel je soms mijn broodtrommeltje?’)

Maar goed, de kiwi’s. Elke ochtend pakte ik de broodtrommel in en elke avond, wanneer ik de tas neerzette in de gang, hoorde ik iets rammelen. O ja, de kiwi’s. Ik had er ook een lepeltje bijgedaan.
    Ik wilde plek maken in mijn leven voor de kiwi. Maar fruit zit niet in mijn routine en wat niet in mijn routine zit, bestaat niet. Tenzij het wordt ingevoerd in de elektronische agenda. Ik wacht nog op een plugin voor fruit.
    Meestal gaat het fruit, dat via ons groente- en fruitabonnement binnenkomt, vanzelf op. Maar niet de harige kiwi’s. Ze liggen in een vereenzaamd kluitje op de fruitschaal. Tot ze een alcoholische geur beginnen te verspreiden. Dat zie ik als persoonlijk falen.
    Ik vind kiwi’s smakelijk, maar vreemd genoeg nooit op het moment dat ik ze zou kunnen opeten.

Voor het weekeinde bleven ze in de boterhammentrommel. Tijdens het weekeinde stond de tas, kiwi’s incluis, in de gang. Maandag probeerde ik het nog een keer. Vandaag gaf ik het op. Ik besloot ze te gebruiken voor het fruithapje van Jules. Ze keek belangstellend toe terwijl ik de vruchten leeg lepelde en op tafel zette. Toen maakte ze duidelijk: Zij bliefde ze ook niet.




Voortschrijdende indoctrinatie

Een kwartiertje voor de vergadering, mail ik mijn twee Iraanse medewerkers met het verzoek of ze zich stipt op tijd in mijn kantoor willen melden. Normaal gesproken komen ze vijf minuten te laat. Soms voeren we filosofische gesprekken over de vraag of vijf minuten te laat komen niet een contradictie is. Een van hen heeft ooit de stelling verdedigd dat vijf minuten te laat eigenlijk te vroeg is.

Deze keer zal een onderzoeker van Harvard per telefoon aan het gesprek deelnemen en ik wil hem niet laten wachten. In zijn tijdzone is het zeven uur in de ochtend.

Een minuut voor aanvang melden de twee medewerkers zich in mijn kamer.
    ‘Hoe gaat het?’ vraag ik.
    ‘Gaat wel,’ zegt een van hen bedeesd.
    Vroeger dacht ik dat er iets mis was wanneer hij dit antwoord gaf. Inmiddels weet ik dat het Nederlandse standaardantwoord, ‘Goed’, hem onbegrijpelijk voorkomt. Hoe kun je ooit je leven samenvatten met het woord ‘goed’? Na enkele experimenten in de eerste maanden van zijn aanstelling, heeft hij geconcludeerd dat ‘gaat wel’ het meest handzame antwoord is.
    Wanneer ze klaar zitten met hun laptop op schoot, grinnikt hij. Ik vraag wat er grappig is.
    ‘Ik zie net je mail,’ zegt hij.
    ‘En toch ben je voor het eerst op tijd,’ zeg ik. ‘Heel interessant.’ Onder het mom van ironie indoctrineer ik hen met onze lokale tradities als punctualiteit en het veinzen van belangstelling voor de medemens. Ik constateer dat de indoctrinatie zijn vruchten begint af te werpen.
    ‘Ik ben eerder vanwege onze gast. Het leek me onbeleefd om hem te laten wachten.’
    ‘Aha,’ zeg ik. ‘Dus als ik het goed begrijp is het onbeleefd om een gast te laten wachten, maar niet om je baas te laten wachten.’
    Hij schiet in de lach. Een hoog, enigszins manisch geluid, met een zweem van paniek. Hij kijkt me taxerend aan.
    Dan zegt hij: ‘Jij bent extended family. Bij familie kun je nooit te laat komen.’
    ‘Aha.’ Ik schik de vergaderstukken. ‘Vermoedelijk is dat een compliment,’ zeg ik tegen niemand in het bijzonder.
    De indoctrinatie schrijdt voort, maar het is nog onduidelijk bij wie.




Goedkope generalisaties

Ik zit te wachten op een bankje in de hal van station Amsterdam Amstel. Het is nog te vroeg om me te melden voor het radio-interview in de studio van BNR Nieuwsradio, tegenover het station.
    Waar de hal overgaat in de tunnel naar de perrons, staan zes jongeren in blauwe hesjes met het logo van een stroombedrijf. Ze spreken passanten aan met de vraag of ze een minuutje van hun tijd mogen.
    Het zijn aantrekkelijke jonge mannen en vrouwen met een bestendige glimlach. Wanneer ze nul op het rekest krijgen, verplaatsen ze zich lichtvoetig naar een andere passant, soms met een pirouette of een huppeltje.
    Ik begin te tellen hoe vaak ze iemand staande weten te houden. Een op de vijf, schat ik. Dan valt me op dat de drie jongens alleen vrouwelijke passanten aanspreken en de drie meisjes alleen mannelijke passanten. Minutenlang hou ik ze alle zes in de gaten en het patroon is onmiskenbaar. Als ze iemand staande houden wordt er overvloedig geglimlacht, ook door de passant, die toch een aantrekkelijk iemand tegenover zich weet en daar bedoeld on bedoeld op reageert.
    Seks verkoopt, ook als het verkeer beperkt blijft tot het afnemen van goedkope stroom. Elk verkeer is meegenomen.

Vlak voor ik wil opstappen, zie ik een jongen in gesprek met een mannelijke passant. Ik blijf nog even zitten. Ik zie nog een jongen die een man aanspreekt en vervolgens een meisje die een vrouw aanspreekt. Een minuut later is duidelijk; er was geen patroon. Seks mag verkopen, volgens de generalisatie, maar het toeval blijkt een grotere kracht.
    Er drong zich wel een andere generalisatie op: om een generalisatie te vinden is het zaak tijdig te stoppen met observeren. Of zoals een vriend tegen me zei, een dag eerder: ‘Incompetentie wordt beloond.’

Tijdens het interview met Harmke Pijpers, een van de mooiste radiostemmen die ik ken, hoor ik mezelf allerlei generalisaties opdissen. Mijn vriend had gelijk. Sommige mensen verkopen goedkope stroom, ik verkoop goedkope generalisaties.




Afspraak is afspraak

De telefoonwinkel was verlaten, op een jonge medewerker na. Terwijl ik mijn verhaal deed, keek hij af en toe langs me heen. Ik keek om. Achter me stonden twee jongens die na mij waren binnengekomen. Ze bogen zich over een telefoon, de ruggen naar ons toe gekeerd.
    Toen ik op het punt stond om het gesprek af te ronden, sprong de medewerker op. Hij schreeuwde iets en rende achter de toonbank vandaan, richting de uitgang. Ik zag nog net de twee jongens naar buiten sprinten. De medewerker zette de achtervolging in: ‘Hé jongens, terugkomen!’
    Zelfs in de verwarring van het moment, viel me op dat de uitroep nogal beleefd geformuleerd was.
    Een meter of twintig buiten de winkel, staakte de medewerker de achtervolging. Hij liep terug. Via een deur achterin de winkel kwam een vrouwelijke medewerker kijken wat er aan de hand was. ‘Wat hebben ze meegenomen?’ vroeg ze.
    ‘Een iPhone,’ antwoordde de man. ‘Ik hield ze nog in de gaten. Ik vertrouwde het al niet helemaal. Verdomme.’ Hij schudde het hoofd. ‘Sorry,’ zei hij tegen mij.
    Ik had met hem te doen. Het verlies van een telefoon was een kleinigheid voor de winkelketen. Maar die abstractie leek weinig troost te bieden.
    Vreemd genoeg voelde ik me zelf ook enigszins geschoffeerd door de dieven. Eerst dacht ik dat het kwam uit empathie met de medewerker. Maar mijn burgerlijk fatsoen is veel beter ontwikkeld dan mijn vermogen tot empathie. Dat is de vloek van het fatsoen van de middenklasse: elke inbreuk op de bestaande orde voelt als een persoonlijke bedreiging of belediging. Het antwoord op het persoonlijk affront is ook duidelijk: ressentiment jegens iedereen die afwijkt. Dit neurotische patroon wordt soms vergoelijkend aangeduid met de frase ‘afspraak is afspraak’.




Maand vierenzestig

Lieve Vera,

Op de laatste dag van het jaar zei je: ‘Vandaag is oud. Morgen is nieuw.’ En zo is het.
    Nieuw kabbelde voorbij. In de ochtend van 2 januari tuigden we de kerstboom af. Je moeder was enigszins bevangen door melancholie en ze besloot dat de boom moest gaan. Zelf dacht ik dat hij nog een week zou blijven. Maar als het onvermijdelijke eerder afgewikkeld kan worden dan verwacht, ben ik er als de kippen bij. Alsof ik het leven even te snel af ben. De boom moest hoe dan ook worden afgevoerd. Nog voor hij de kans kreeg ons te herinneren aan die taak, laat staan een verwijtende hoeveelheid naalden los te laten om ons treuzelen te onderstrepen, lag hij al achter in de auto. Het voelde als een ontvoering.
    We zaten gevieren in de leenauto. Je moeder moest de prikkende naalden in haar rug dulden, omdat ze ingeklemd zat tussen je zusje en de boom. Jij zat naast mij, voorin, omdat je kinderstoel meer plaats innam dan je moeder.
    We brachten de boom terug naar de plek waar we hem hadden uitgegraven, een perceel vol meer of minder mismaakte kerstbomen op het landgoed van een kasteel. Het ophalen heeft iets van een bezoek aan een dierenasiel. Afgedankte exemplaren die hoopvol in de houding staan terwijl gezinnetjes keurend langs de rijen dwalen tot ze hun eisen genoeg hebben bijgesteld om een klein gebrek te vergeven – een grote tak zonder naalden, een kromme piek, een kaal stuk stam halverwege de boom die daardoor de vorm heeft van een plateauschaal voor desserts.
    Op het landgoed stonden twee stationwagens met open achterkleppen. Moeders en vaders zeulden met bomen. Door de open klep kon je de kruinen zien van kinderen die waren ingesnoerd in hun zitjes. Een enkeling deed verwoede pogingen om achterom te kijken naar het bevrijden van de boom uit de auto.
    De poort naar het perceel was nog dicht. We plaatsten de boom naast de ingang, waar al een stuk of tien andere lotgenoten waren achtergelaten. Toen brachten we een laatste groet.
    Het begon ooit uit milieuoverwegingen, het ophalen van een boom bij het landgoed. Maar ik betwijfel of het milieu veel opschiet met alle extra activiteiten die nodig zijn voor het hergebruik. Milieukundigen hebben ooit de troosteloze constatering gedaan dat het milieu vaak meer gebaat is bij weggooien, dan bij hergebruik. Recycling heeft vooral sentimentele waarde. Begrijp me niet verkeerd, we recyclen ons een ongeluk. Het milieu kunnen we er niet mee redden, maar daarom hoeven we ons nog niet het geluk te ontzeggen van een teruggebrachte statiegeldfles. Het terugbrengen van de boom, een levend wezen dat onze warmte heeft gedeeld en toch een beetje een gezinslid is geworden, is navenant troostrijker. Of misschien is het beter om te zeggen: het is te deprimerend om hem naast de gemeentelijke afvalbakken achter te laten.
    We redden dus niet zozeer het milieu, we redden vooral onszelf. Vandaag is oud, morgen is nieuw en onderweg klamp je je vast aan een boom.