Een poppetje kleuren

Als we de deur uit gaan, zegt Vera dat ze niet zelf wil fietsen. Kom op, zeg ik.
    Even later fiets ik naast haar langs het donkere water van de Schie, in de richting van de roze streep ochtendlucht die boven de school hangt.
    ‘Iedereen zegt dat ik klein ben voor mijn leeftijd,’ zegt ze. ‘Maar ik ben niet klein voor mijn leeftijd. Ik ben gewoon.’
    ‘Zeker.’
    ‘Waarom zeg jij altijd zeker?’ vraagt ze wantrouwend.
    ‘Ik geef je gelijk.’
    ‘Iedereen in de klas is groter, maar die kinderen zijn ook ouder dan ik.’
    ‘Inderdaad.’
    Even maalt ze zwijgend omhoog naar de Tweemolentjeskade.
    Als we boven zijn, zeg ik: ‘Weet je, ook als je een beetje klein bent voor je leeftijd, ben je gewoon. Het gaat maar om hele kleine verschillen. Bovendien is iedereen anders. Kleiner, groter, slimmer, grappiger, sneller, sterker.’
    'Ja-haa. Dat weet ik allang. Dat hebben we bij HVO al gehad.’
    HVO is humanistische vorming en iets met een o. Ooit moesten we een formulier invullen om toestemming te geven dat ze daaraan zou meedoen. Mijn vrouw heeft overwogen die toestemming te onthouden.
    ‘Wat heb je bij HVO gehad?’
    ‘Dat iedereen anders is. Toen moest we een poppetje kleuren.'
    ‘Aha.’
    Dan beklimmen we het heuveltje bij de Koepoortbrug. Het laatste stukje trek ik haar. Vlak voor we linksaf slaan, in de richting van het schoolplein, zegt ze: ‘Jammer dat we al bij school zijn, ik zou nog veel langer willen fietsen.’




Smali en baksmali

Toen ik langzaam wakker werd, voor de wekker, waren de eerste woorden die tot me doordrongen: smali en baksmali. Het duurde even voor ik besefte waar mijn hoofd aan had gewerkt, in mijn afwezigheid.
    Gisteravond had ik urenlang rondgehangen op xda-developers.com. Mijn nieuwe telefoon draait Android en ergens in de paar weken die ik met het toestel heb doorgebracht heeft zich een ambitie in mij genesteld: ik wil een aangepaste email-widget – dat is venstertje op het thuisscherm waarin mijn zakelijke inbox direct zichtbaar is. Zwart op wit is de standaardvormgeving, ik wilde wit op doorzichtig.
    Sommige ambities zijn een vorm van masochisme.
    Het leek me dat iemand dat al gemaakt moest hebben. Eerst zocht ik naar een geschikte app. Lang verhaal kort: was er niet, mede omdat ik de nieuwste versie van Android heb.
    Maar dan zijn er nog de knutselaars. Op xda-developers.com is een thread van 304 pagina’s and counting waarin zo ongeveer elke denkbare widget doorzichtig is gemaakt en van bijpassende tekstkleuren wordt voorzien.
    Maar de mensen deze tweaks schrijven, zijn zelf geen gebruikers van programma’s voor zakelijke emailaccounts. Dat is software voor oude mannen in grote kantoorgebouwen. De widgets voor Facebook, Twitter en Gmail waren allang aangepast.
    Ik vroeg op de site of iemand de email-widget voor me wilde aanpassen. Ja hoor, zeiden twee mensen – want zo’n site is het. Een paar dagen later gaven ze het op. Het bleek ingewikkelder dan de andere widgets, omdat het dieper in Android was ingebed. Het was ongetwijfeld oplosbaar, maar ja, ze gebruikten het emailprogramma zelf niet. Dus.
    Bij elke stap in dit proces, probeerde ik af te haken. Ik bespotte mijn verlangen naar een gestroomlijnd thuisscherm. Ik hield mezelf voor dat ik geen tijd heb voor deze flauwekul. Ik probeerde met nieuwe waardering te kijken naar de standaardwidget. Hij kende misschien enkele esthetische beperkingen, maar er was best goed over nagedacht.
    Het hielp niet. Ik werd steeds verder naar de dark side gezogen.
    En zo bekeek ik gisteravond hoe je apk’s kunt decompilen, xml kunt bewerken in een disassembler en wanneer je resources.arsc moet verwijderen voordat je gewijzigde code via de abd tool terug kunt pushen naar de geroote telefoon. O, en hoe je smali en baksmali gebruikt om machinecode aan te passen.
    De afgelopen twee dagen had ik, voor het eerst in maanden, weer tijd om aan mijn roman te werken. In eerdere perioden werd ik wel eens wakker werd met een idee voor een scene of een personage. Nu droomde ik over smali en baksmali. Gelukkig moest ik de kinderen uit bed gaan halen.




Het mooiste

Vandaag werden de tuindeuren vervangen. Het aannemersbedrijf stuurde Chris – een oudere man met een goudkleurig brilmontuur en een glimlach waarachter een opeengehoopt gebit schuilging dat elke orthodontische bemoeienis had weten te ontlopen.
    Jules en ik zaten in onze winterjassen in de woonkamer, terwijl de vermolmde deuren uit hun scharnieren werden geschroefd.

deuren

    Ik had allerlei dingen te doen, maar ik stond een groot deel van de tijd het werk te aanschouwen. Vakwerk heeft een hypnotisch effect. Ik vermoed dat veel klusprogramma’s op televisie daarop gebaseerd zijn. Het oogt eenvoudig, binnen handbereik zelfs, en tegelijkertijd is het onnavolgbaar in zijn precisie. Het effect is niet afhankelijk van de moeilijkheidsgraad van de handeling, maar van het feit dat je iets met een zekere perfectie ziet ontstaan uit het niets. Tijdens het aanbrengen en straktrekken van de kitnaden ging ik dicht bij hem staan, aan de andere kant van het glas. Jammer genoeg waren er maar acht naden te kitten.
    Een jongere collega kwam een paar tochtstrippen brengen. ‘Hé Chrissie,’ zei hij bij binnenkomst.
    ‘Dag,’ zei Chris.
    ‘Alles goed hier?’
    ‘Ja hoor.’
    De jongeman babbelde wat tegen hem, maar Chrissie was niet van het babbelen. De jongeman wist dat en keek met een ironische en warme glimlach naar de man die inmiddels de tochtstrips op maat aan het zagen was.
    ‘Nou, dan ga ik weer.’
    ‘Ja.’
    Tijdens de koffiepauze vroeg ik hem hoe lang hij al bij het bedrijf werkte.
    Er kwam geen reactie. Hij roerde zwijgend in de koffie.
    ‘Ik moet even nadenken,’ zei hij ineens. ‘Achttien jaar.’
    ‘Ik werk toevallig ook achttien jaar bij hetzelfde bedrijf,’ zei ik.
    ‘Eigenlijk is het pas achttien jaar in oktober,’ zei hij. ‘Dus zeventien jaar.’
    Hij vertelde dat hij vanwege ruzie tussen de twee eigenaren was weggegaan bij het vorige bedrijf, zeventien jaar geleden.
    ‘Hier doe ik hetzelfde werk als daarvoor. Dat is natuurlijk het mooiste, als je hetzelfde werk kan blijven doen.’
    ‘Ja, is dat het mooiste?’
    Hij keek op van zijn koffie met een frons, de enige die ik deze dag te zien kreeg. ‘Ja, natuurlijk.’




Een behaaglijk gevoel van dreiging

Op weg naar Monschau begon het te sneeuwen. De koplampen wisten maar een kleine doorgang te kerven uit het duistere kluwen van golvend en zwenkend asfalt, overhangende bomen en kolkende neerslag. Onze huurauto had geen winterbanden.
    Tot na Aachen had het een van die vormeloze dagen geleken die gestaag de aanduiding ‘winter’ aan het uithollen zijn. Ik had mijn vrouw afgesnauwd omdat ze iets vond van de snelheid waarmee ik reed. Toen hadden we nog een snelheid waar je iets van kon vinden.
    Inmiddels hing er een geconcentreerde stilte in de cabine. Ook de kinderen zwegen. Hun smeekbedes om de volgende snack, waarvan ze de aanwezigheid in de auto vermoedden, waren verstomd. Mijn vrouw zei af en toe iets geruststellends tegen me, met een stem die ze reserveert voor noodsituaties.
    Een minuut of twintig warmden we ons aan een behaaglijk gevoel van dreiging.
    Bij aankomst bij het huisje waar het familieweekeinde zou plaatsvinden, kwam mijn vader naar de auto gelopen. ‘Nou, goed gedaan, Van Eeten,’ zei hij.
    Later bleek dat hij, met winterbanden, langs een andere route was gekomen – een met een steile klim die ons waarschijnlijk teveel was geworden. Hij had niet gezien dat we van de andere kant kwamen.
    Het eerste uur hielden de kleinkinderen en ik een sneeuwballengevecht. Schimmen slopen door de tuin en meden daarbij de plasjes licht die uit de ramen van het huisje vielen.
    Vera, de jongste deelnemer, vond het niet leuk dat niemand haar probeerde te raken.
    Toen we weer binnen waren, kwamen de spelcomputers uit hun hoesjes. Andere kinderen arriveerden, haalden hun eigen spelcomputers uit de tas en parkeerden zich zwijgend naast hun soortgenoten. Soms ruilden ze hun apparaten en brachten ze het poppetje van hun neefje of nichtje naar het volgende niveau.
    De volgende dag begon te dooien. De regen kleurde groene plakken in de velden.
    Mijn broer kocht een flatscreen-televisie in een enorme supermarkt aan de rand van een naburig dorp. Het oude televisietje dat in het huis stond, weigerde het signaal van de Wii. ‘Ik moest er toch nog eentje kopen,’ zei hij. In het winkelwagentje stond de doos met het scherm ingeklemd tussen de melk, pindakaas en sterke drank.
    De hele avond werd er getennist en gedanst voor de televisie. Alleen de oudste kleinzoon doorbrak de verdeling van mannen en vrouwen door met beide mee te doen. Hij versloeg alle vrouwen met het dansen. Zijn lichaamsbewegingen vertoonden geen enkele correspondentie met de muziek. Dat deed niemand hem na.
    Toen we naar huis reden, in een landschap dat van duister en mysterie was ontdaan door hard grijs licht en druilerigheid, vroeg mijn vrouw: ‘Wat was nou het verhaal van die flatscreen?’




Voor mijn gebit was het al te laat

Bij het kauwen op een hap cruesli brak een hoekje van een kies af. Dat was niet voor het eerst. Elk jaar breekt er ergens in mijn gebit iets af, dat gaat al een tijdje zo.
    Ik herinnerde me hoe ik vroeger bij het aanrecht van mijn ouders veinsde dat ik mijn tanden poetste. De schemerige keuken werd door een grijze harmonicadeur gescheiden van de woonkamer, waar mijn ouders televisie zaten te kijken. Ik zette de kraan aan, deed tandpasta op de borstel en bewoog vervolgens met de borstel langs de binnenkant van de spoelbak. Het schurende geluid moest poetsende activiteit suggereren. Ik maakte het geluid ongeveer even lang als ik meende dat een poetsbeurt zou duren.
    Om redenen die ik niet kan achterhalen, drong niet tot me door dat het ontwijken van het poetsen evenveel moeite koste als het poetsen zelf.
    Toen ik in de vierde of vijfde klas zat van de lagere school, stopte er een grote witte bus voor de ingang van de speelplaats. Er bleek een tandartspraktijk in de zitten. Elk kind werd opgeroepen. Ik weet niet hoe lang ik in die bus heb gezeten, maar ik kwam er uit met negen vullingen. Terug in de klas, liet ik dat getal met enige trots vallen. Het respect waar ik op hoopte, bleef uit.
    Ik bleef slecht poetsen, ook op de middelbare school. Dat veranderde pas toen een trompetiste bij harmonie zei dat ik uit mijn mond stonk. Ze maakte er verder geen ophef over. Ze zei het en daarna hadden we het over iets anders. Een jaar of twee later, zou ik haar voor het eerst zoenen.
    De harmonie heeft in allerlei opzichten mijn leven gered, maar voor mijn gebit was het al te laat.




Mensen waar ik vroeger bang voor was

Al maanden werk ik aan een aanvraag voor een Europese onderzoekssubsidie. Ik vroeg zes universiteiten en een bedrijf om mee te doen. Inmiddels ben ik dertigduizend woorden verder – en 28 tabellen, negen figuren, een PERT diagram en een GANTT diagram.
    Ik heb Europese subsidies altijd gemeden, om uiteenlopende redenen. Die luxe kan ik me niet meer permitteren.
    Morgen is de deadline. Ik werkte het weekeinde aan het vervolmaken van alle werkplannen. Een onwaarschijnlijk priegelwerk met Milestones en Deliverables. Ik raakte in een soort trance.
    Net toen alles gereed was, kreeg ik een mail van een onderzoeker uit Cambridge, de wereldwijde autoriteit op het gebied van de aanvraag. Hij wilde toch meedoen.
    Mijn vrouw vroeg hoe het ging. Ik vertelde dat ik de werkplannen, begrotingen en een paar diagrammen moest overdoen omdat Cambridge ineens was ingestapt.
    ‘Zijn dat de mensen waar je vroeger bang voor was?’ vroeg ze.
    Het waren inderdaad die mensen.
    ‘Waarom lach je me uit?’ vroeg ze.
    Ik zei dat ik haar niet uitlachte. Ik was het vergeten. Een ogenblik voelde ik heimwee naar die angst.




Bahco

Ik had mijn pyjama al aan, toen mijn vrouw vroeg of ik haar fietsstuur even wilde vastzetten. Ze stond op het punt met de buurvrouw naar de film te gaan.
    ‘Het is een kwestie van de bout bovenop het stuur even aandraaien, met de bahco,’ zei ik.
    ‘Ja?’ zei ze. Het leek er niet op of ze iets ging doen met die informatie.
    ‘Heb je geen enkele wens tot enige zelfredzaamheid op dit terrein?’ vroeg ik. Het was een eerlijke vraag. Als ik moet kiezen tussen een bout aandraaien of iemand vragen om een bout aan te draaien, dan zal ik altijd de bout aandraaien. Iedereen komt vroeg of laat op een punt waar hulpbehoevendheid vernederend wordt. Bij mij ligt dat punt wellicht wat vroeg.
    Ze kwam naast mijn stoel staan, bukte voorover en gaf me een aai. ‘Schatje, ik wil van alles, maar dit soort dingen laat ik even lopen.’
    De buurvrouw klopte op het raam.
    Mijn vrouw deed de voordeur open.  Ze zei dat ze klaar was om te gaan, maar dat ze eerst het stuur nog moest vastzetten. ‘Michel vindt dat ik eens wat minder afhankelijk moet zijn.’
    ‘O, dan zetten we dat toch even vast,’ zei de buurvrouw.
    ‘Met de bahco,’ zei mijn vrouw.
    ‘Ja, ik weet wel welke dat is.’
    Ze namen afscheid en trokken de gangdeur achter zich dicht.
    Ik hoorde gegraai in de gereedschapskist. Toen gingen ze naar buiten.
    Even daarna klonk weer gegraai.
    Buiten werd druk overlegd.
    Ik stond op en keek in de gang. De bahco lag nog in de gereedschapskist. Ik pakte hem en liep naar buiten. De vrouwen stonden met de griptang in de aanslag bij de moer die op het frame zit, aan de onderkant van de stuurpen.
    Ik schoof de bahco om de bout bovenop het stuur en draaide hem vast. ‘O, die bedoel je,’ zei de buurvrouw.
    Tevreden liep ik weer naar binnen. Dat is de gunst die de hulpbehoevenden ons schenken. Even heb je de ander niet in de weg gezeten.

Update: alle baco's vervangen door bahco's. Met dank aan IJsbrand: "Gevoeligheid van een oud-werktuigbouwer, maar die dingen heten bahco, van Bernt August Hjort & Company. Baco is Bacardi-cola."




Het offer


Deprecated: preg_replace(): The /e modifier is deprecated, use preg_replace_callback instead in /home/miesepie/domains/bijzinnen.com/public_html/pivotx/includes/textile/classtextile.php on line 1011

Het gerucht ging dat de decaan ‘zijn’ toilet – dat wil zeggen, het toilet naast zijn kantoor – liet opknappen. Er waren inderdaad mannen in overalls bezig achter een haastig opgetrokken wandje van spaanplaat. En dat in tijden van bezuinigingen en de dreiging van ontslagen. Er werd schande van gesproken.
    Een paar weken later bleek dat alle toiletblokken in het gebouw werden opgeknapt. Ook dat plan werd kritisch bejegend, zij het dat het klagers geestdriftiger hadden geklonken toen de decaan nog van dure privileges beschuldigd kon worden. Het tentenkamp op het Damrak in Amsterdam is nagenoeg verdwenen, maar de Occupy-beweging heeft enkele oude volkswijsheden nieuw leven ingeblazen: mensen die meer hebben, zijn verdacht. En: maatschappelijke tegenslag is het gevolg van de morele gebreken van een bepaalde groep.
    Het toiletblok dat ik frequenteer, is inmiddels ook opgeknapt. In eerste instantie zag ik geen verschil, behalve dat het toiletgarnituur nu van grijs plastic was, in plaats van wit. Pas veel later viel me het grijze apparaatje op in de nok van de toilethokjes. Een automatische toiletverfrisser.
    Ik besefte ineens dat ik al enige tijd geen toilethokje had hoeven mijden vanwege de geur van de vorige gebruiker. Soms, als het andere hokje ook bezet bleek te zijn, ging ik naar binnen met mijn neus begraven in de holte van mijn ellenboog. Maar dat hoefde niet meer.
    Nu hangt er een penetrante chemische lucht die je doet vergeten dat er andere mensen bestaan met dezelfde behoeften als jezelf.
    Het is geen vriendelijke gedachte, maar daar offer ik graag een medewerker voor op.




Een belediging voor de echte nerds

De kerstboom was afgebroken en teruggebracht naar het asiel. De keuken was aan kant, het speelgoed opgeruimd, de vuilnisbak geparkeerd aan stoeprand van de donkere straat.
    Ik was als enige wakker in het huis. Er lagen enkele uren tussen mij en het einde van de dag.
    Ineens dacht ik aan een filmpje dat we bij wijze van Kerstkaart hadden gemaakt bij een site genaamd JibJab. Op de site kon je gezichten uit eigen foto’s laten monteren op dansende figuren die overdreven veel plezier hadden in de feestdagen.
    Ik koos voor Disco Christmas. Voor mezelf selecteerde ik een portret waarop ik nogal gekweld keek. Dat zag er minder eng uit dan de breed lachende variant.
    Samen met de kinderen bekeek ik het resultaat. Het viel niet te ontkennen dat dit een alleraardigste Kerstkaart was. Overal ter wereld versterkte Disco Christmas de familiebanden en verhoogde het de feestvreugde.
    De kinderen kregen er geen genoeg van.
    Toen kwamen de buurmeisjes langs. Ik startte nog een keer het filmpje. De buurmeisjes gilden het uit.
    Vera reageerde geschokt. ‘Je mag niet lachen als mijn mamma in beeld is!’
    Dat ze zelf had meegelachen, vond ze niet relevant.
    Niemand mocht de kaart nog te zien krijgen. Want dan zou er nog meer gelachen worden.
    Na lang aandringen, mocht ik de kaart aan opa en oma sturen. Een paar minuten later kreeg Vera buikpijn. We stuurden nog een extra bericht met de uitdrukkelijke instructie dat er niet gelachen mocht worden.

We hadden dus een ongeziene Kerstkaart.
    Eigenlijk doen we niet aan Kerstkaarten. Dat is zo’n opmerking waarvan de treurigheid pas tot je doordringt wanneer je de toehoorder begripvol ziet knikken.
    Ik wilde het filmpje opslaan. Ik weet niet hoeveel Kerstkaarten nog gaan volgen, maar veel zullen het er niet zijn. Bovendien: een bedrijf dat zichzelf JibJab noemde, leek me weinig geïnteresseerd in zijn eigen overleving. Om dezelfde reden wacht ik al jaren op het moment dat Yahoo! zichzelf hernoemt tot Yahoo!1@!2!!!!, om enkele maanden daarna de tent te sluiten.
    De site bood de mogelijkheid om te kaart te downloaden, maar daar moest ik voor betalen, terwijl ik voor het maken van de kaart ook al een euro of tien had betaald. Dat vond ik ruim voldoende voor een kaart die nagenoeg niemand had gezien. Ik besloot de Flashvideo van het discofilmpje uit de site te slopen en te converteren naar een normaal bestand. Een aangenaam klusje waarmee deze dag tot een goed einde kon worden gebracht. Ik had al eerder video geript van Uitzending Gemist, Youtube en zelfs BBC iPlayer. Ik zou mezelf geen nerd noemen, maar dat is omdat ik echte nerds niet wil beledigen.
    Eerst neusde ik wat in de HTML-code van de pagina. Dat was te hoog gegrepen. De link naar het videobestand bleef verborgen.
    Na enige gegoogel, downloadde ik een programmaatje dat de code van dergelijke sites volgt tot uiteindelijk het echte videobestand op de proppen komt. Het programma meldde dat er geen video op de pagina te vinden was. Ik verwijderde meteen de software, maar er bleven wel enkele verdachte mappen achter.
    Een volgend programma vond wel video. Mooi. Tijdens het downloaden ervan, zag ik dat het bestand maar 6Mb groot was. Dat betekende een matige beeldkwaliteit. Maar goed, de tien euro, of wat de download officieel ook maar kostte, hield ik mooi op zak.
    Ik speelde het videobestand af. Tevreden hoorde ik de beginklanken van het disconummer. Toen kwamen de gezichten in beeld. Onze vier gezichten waren vervangen door die van een nogal manisch ogende meneer. Raar.
    Ik besloot nog een ander programma te proberen. Dat leverde weer dezelfde meneer op. Bij het verwijderen van het programma, volgde de melding dat de verwijdering helaas niet kon worden voltooid.
    Mijn vrije uren waren verstreken. De mensen achter JibJab hadden inmiddels mijn respect.
    Ik had nog een troef in handen, een onfeilbare oplossing, zij het met meer gedoe. Ik installeerde Camstudio om het filmpje op te nemen van het scherm. Dat kon niemand tegenhouden. Het duurde even voor ik begreep hoe het programma werkte. Ik nam het filmpje op. Het lukte, we dansten weer gevieren de Disco Christmas. Alleen deze keer in stilte. Camstudio bleek niet het juiste audiospoor te kunnen vinden.
    Een zeurende hoofdpijn maakte duidelijk dat elk einde nu een goed einde zou zijn van deze dag. Ik opende voor de zoveelste keer het filmpje op JibJab. En klikte op de link: ‘High Quality Download’. In een rode rechthoek verscheen de prijs: $1.99. Mijn avond bleek besteed aan het ontlopen van een rekening van een euro en achtenvijftig cent. Herstel: het tevergeefs ontlopen van een rekening van een euro en achtenvijftig cent.
    Zoals ik al zei: het zou een belediging zijn voor echte nerds.




Liven polizi

Door een samenloop van omstandigheden ontmoette Vera, onze dochter van zes, de plaatselijke politiecommandant. Ze overhandigde hem een brief die ze letter voor letter aan de computer had ontfutseld, met haar neus bijna op het toetsenbord speurend naar het juiste symbool.
Liven polizi   ik   zag    hel veel
Vuurweerk   naa  het  al  niwjar gwest was
Op deseu dag  egt  heel  veel
Groetjus   van vera
De commandant beloofde dat hij er nog beter op zou letten. Het was een rustige jaarwisseling geweest. Voor het eerst in lange tijd had de Mobiele Eenheid niet in actie hoeven komen. Misschien droomde de commandant van wetten die volgend jaar gehandhaafd konden worden.
   Een dag of twee voor oudjaar had mijn vrouw aan Vera uitgelegd dat je eigenlijk alleen op oudjaarsavond vuurwerk mocht afsteken. Toen was al te horen dat het verbod overal genegeerd werd. De volgende drie dagen reageerde Vera op elke knal die zich verhief boven het kabbelende geluid van een bescheiden militair conflict enkele straten verderop. ‘Stomme rotjongens!´
   De laatste tijd dringt het besef tot haar door dat allerlei overtredingen niet door straf worden gevolgd, dat je kunt doen waar je zin in hebt. Je hebt mensen die dat een bevrijdende gedachte vinden en mensen die zich bedreigd voelen door de mensen die dat een bevrijdende gedachte vinden.
   Ik vreesde dat ze me zou vragen naar buiten te gaan om er iets van te zeggen. Er zou een woordenbrij uit mijn mond zijn gekomen. De strekking zou haar ontgaan, maar niet mijn ontwijkende blik.
   Ik verlang regelmatig naar een politiestaat. Langdurige scholing en indoctrinatie heeft me afgeleerd dat verlangen te omarmen, maar daarmee is het nog niet gedoofd. Vandaag hoorde ik op de radio dat agenten steeds vaker hun wapen trekken. De nieuwslezer deed erg zijn best om dat als probleem voor te stellen.




Brevet van onvermogen

Frans Pollux schreef een stuk in De Limburger over populisme in de serie Het onbehagen van Limburg, waaraan ik eerder bijdroeg. Vandaag verschijnen er verschillende reacties op zijn stuk, waaronder het mijne.
    Ik hou er altijd een wat somber gevoel aan over, mijn opiniestukken. De mening is een schrale verschijning, de eigen nog het meest van al.

Het is nog nooit zo goed met ons gegaan, zegt Frans Pollux. En daarom is er eigenlijk geen grond voor het onbehagen. Waarom laten kiezers zich dat toch aanpraten?
    ‘Vervang onbehagen door honger, armoede, desnoods door xenofobie – en alles valt op zijn plaats,’ zegt Pollux. ‘Dat zijn concrete drijfveren voor kiezers en politici. Onbehagen is te vaag.’
    Inderdaad. Veel te vaag.
    Maar wacht even: je kunt de PVV veel verwijten, maar niet dat ze zich vaag uitdrukt. Het woord ‘onbehagen’ heb ik nog nooit over de lippen van een PVV’er horen komen.
    Wie heeft er wel de mond van vol? Juist, de tegenstanders van het populisme. Ze zijn dol op de term. Dat is niet zo vreemd. Eerst verzin je zelf dat mensen stemmen uit onbehagen, ook al heeft geen kiezer dat ooit gezegd, en vervolgens constateer je fijntjes dat die motivatie te vaag is. Goh, verrassend. Een poging tot diskwalificatie, meer is het niet.
    Pollux wil het onbehagen niet langer serieus nemen. Hij wil dus eigenlijk zijn eigen diagnose niet langer serieus nemen. Hij heeft gelijk. Laten we vanaf nu de term zien als een brevet van onvermogen. De eigen staart smaakte goed, maar het wordt tijd dat de tegenstanders hun tanden zetten in iets met meer voedingswaarde.

Tweede misverstand: Het is nog nooit zo goed met ons gegaan, dus we zouden wat meer tevreden moeten zijn. De achterliggende gedachte lijkt deze: de tevreden mens stemt niet op de PVV.
    Een rare gedachte. Veel verhalen van de PVV drukken juist intense tevredenheid uit met ons land. Het is een paradijs dat beschermd moet worden. Tegen moslims, Grieken, bankiers, asielzoekers, zakkenvullers, gedeputeerden met chauffeurs – de lijst is eindeloos.
    Dat is de paradox van het paradijs: zodra je bent gearriveerd, wordt je leven beheerst door de angst om er uit verstoten te worden.
    Die angst wordt niet alleen gevoed door de PVV. Elke partij schetst zijn eigen val uit het paradijs. De ene zegt dat we de pensioenrechten moeten beschermen tegen de afbraak, de ander juist dat we ze moeten terugschroeven als we ze willen behouden. De ene zegt dat de Euro ons naar de ondergang sleurt, de ander dat onze welvaart niet zonder de Euro kan. De ene zegt dat we de grenzen dicht moeten houden voor gelukszoekers, de ander dat we arbeidsmigratie juist nodig hebben om de voorzieningen te betalen voor de vergrijzende bevolking.
    Het hele politieke spectrum spreekt ons aan met hetzelfde motief: de val uit het paradijs loert overal.
    Hierin ligt ook de sleutel van een andere paradox, die onder andere door het Sociaal-Cultureel Planbureau is opgetekend: We zijn gelukkig met ons eigen leven, maar ontevreden over de samenleving. Die laatste zien we namelijk als bedreiging van het eerste. In de woorden van het SCP: ‘De Nederlander mist respect, fatsoen en solidariteit bij de medeburgers.’
    Respect, fatsoen en solidariteit. Ziedaar de waarden waaraan de populisten appelleren. Wat hebben moslims, immigranten, gedeputeerden-met-chauffeur en Zuid-Europeanen met elkaar gemeen? Niets. Maar in de mythologie van de PVV nemen al die groepen een loopje met de ‘hardwerkende Nederlander’. Veel van die mythes slaan feitelijk gezien nergens op. De Europese steunoperaties gaan naar onze eigen banken, niet naar de Griekse bevolking, om maar eens iets te noemen. Hoe onzinnig de tirades over luie Grieken ook zijn, de populisten werpen in talloze varianten dezelfde vraag op: wie helpt er mee onze samenleving overeind te houden en, belangrijker nog, wie niet? Dat is niet vaag, dat is de kern van politiek.




Een man kampt met zijn verlies

De bel gaat. Als ik de deur open, tref ik een man van een jaar of zeventig met een enigszins verwilderde blik.
    ‘Ik ben mijn bordje kwijt,’ zegt hij. ‘Ik ben van nummer vier.’
    Het klinkt als een verwijt.
    Denkt hij dat ik een of ander bordje heb ontvreemd?
    Laatst kreeg mijn vrouw een onbekende dame aan de deur die haar vuilnisbak kwijt was. Ze was boos. Mijn vrouw zei dat we haar vuilnisbak niet hadden. Daarop eiste de dame onze achtertuin te mogen doorzoeken. Met enige tegenzin, willigde mijn vrouw die eis in. Toen de vuilnisbak niet in onze achtertuin bleek te staan, bleef de dame onverminderd wantrouwend, alsof wij haar te slim af waren geweest en de bak vlak voor haar komst hadden verstopt. Zonder groet, laat staan verontschuldiging, verliet ze onze woning, op weg naar de volgende voordeur. Ik had de indruk dat ze minder overstuur zou zijn geweest als haar auto was gestolen.
    De man kijkt me strak in de ogen, maar ik weet niet of zijn blik wantrouwen of wanhoop verraadt.
    ‘Ik had hem helemaal opgekalefaterd,’ zegt hij. ‘Geschuurd en bijgewerkt. En nu kan ik hem niet meer vinden.’
    ‘Oké,’ zeg ik, wachtend op het moment dat hij de beschuldiging uitspreekt.
    ‘Ik ga ervan uit dat die nummers hetzelfde zijn.’ Hij wijst op het bordje met ons huisnummer: 14.
    Ik begrijp nu dat hij overstuur is omdat zijn huisnummer is verdwenen. Waarom ook niet. Bij dure spullen is de kans op verlies min of meer ingecalculeerd, het is de verdwijning van kleine huiselijke zaken die ons radeloos maakt.
    De hele straat heeft dezelfde bordjes, wellicht al sinds de oplevering in de jaren dertig. Voor het eerst kijk ik met aandacht naar ons huisnummer, in het bijzonder naar de 4. Een elegante vorm die me doet denken aan Art Deco.
    De man kampt met een verlies, maar ik weet niet precies welke vorm dat verlies aanneemt en in welke realiteit zich een en ander afspeelt. Denkt hij dat onze 14 een gestolen 4 bevat?
    ‘Ik had hem van de muur gehaald, geschuurd en opnieuw geschilderd,’ zegt hij. ‘En toen heb ik ‘m ergens neergelegd en ik weet bij god niet meer waar. Ik heb overal al gezocht.’
    Voor het eerst glimlacht hij. Verontschuldigend.
    ‘Dus nu wilde ik vragen of ik een keer een afdruk mag maken van uw huisnummer.’
    Zijn blik is ineens zachter, alsof hij opgelucht is dat het hoge woord eruit is.
    ‘Natuurlijk,’ zeg ik, eveneens opgelucht. ‘Gaat uw gang.’
    Hij rommelt wat in zijn jaszak. Ik ben benieuwd hoe hij die afdruk gaat maken.
    Maar er komt alleen een zakdoek uit de jas. Hij haalt 'm een paar keer langs zijn neus en begint dan omstandig het stukje textiel weer terug te frommelen in de jaszak.
    ‘Dank u wel,’ zegt hij. ‘Ik wens u nog een prettige dag.’
    Hij draait zich om en loopt weg, zijn hand nog steeds in gevecht met de nukkige zakdoek.