Generale repetitie

Dit is een verhaaltje dat ik voorlas op het Zomerparkfeest in Venlo op 12 augustus 2017.

De afgelopen weken waren mijn vrouw en ik en onze twee dochters op vakantie. Een tent, een paar klapstoelen, een spel uno-kaarten, en een berg losse spullen waarin mijn vrouw orde elke dag opnieuw orde probeerde te scheppen. We waren weg uit de dagelijkse rondgang langs school, werk en thuis. Tijd om met een boek op schoot voor me uit te staren, voor lange wandelingen, voor bezinning. Tijd voor de vragen waar je normaal niet aan toe komt. Ik noteerde er vijf.

Vraag 1. Moet ik mijn tanden laten bleken?

Op de eerste camping, in de Duitse Eiffel, stond ik voor een spiegel in het toiletblok mijn tanden te poetsen. Eigenlijk is schrobben een beter woord; er zit een zekere hysterie in hoe ik de borstel heen en weer haal. Mijn tanden zijn geel geworden.

Ik dacht aan een folder die een maand of wat geleden in de brievenbus zat, geadresseerd aan mijn vrouw. We hebben u al lang niet gezien, tijd voor een opfrisbeurt. Was getekend: white-shine.nl.
Mijn vrouw en ik zijn twaalf jaar getrouwd, maar ik had geen idee dat ze haar tanden liet bleken. Een van de leukste kanten van het huwelijk vind ik dat je steeds opnieuw merkt hoe weinig je eigenlijk van de ander weet. Alsof het allemaal nog moet beginnen.

Moet ik ook mijn tanden laten bleken? Waarom niet? Ik had wel eens informatie gegoogled over de behandelingen. Ze bleken prijzig, de beloften over het resultaat mager. Een tint of wat lichter zou het worden. Zeg van oorsmeergeel naar citroensapgeel.

Toen had ik geconcludeerd dat ik me moest verzoenen met gele tanden. Niet zozeer vanwege het geld, maar omdat ik uiteindelijk mijn verlangen naar witte tanden wantrouw. Voor wie of wat wil ik witte tanden? Wat hoop ik ermee te bereiken? Er broeien verontrustende antwoorden achter die vragen.

Voor wie bleekt mijn vrouw haar tanden? vroeg ik me ineens af. Voor andere mannen? Voor mij? Voor andere vrouwen? Het zijn hoopvolle mogelijkheden.

Vraag 2. Waarom gaan we in vredesnaam kamperen?

Op de tweede camping, in Saarland, regende het regelmatig. Dan heb je veel tijd om je te verwonderen over de intrigerende menselijke uitvinding die kamperen heet. Je betaalt voor het recht om met een verzameling mensen op een veldje te gaan zitten in een inferieure versie van je eigen huis. Op de camping valt een opvallende sociologische omkering te observeren. De mensen uit lagere sociaal-economische groepen hebben de meest luxueuze kampementen, met complete veldkeukens, kasten, tuinfakkels, gietijzeren kachels en senseoapparaten. Bij een vouwcaravan zag ik een obelisk-vormige tent. Daarin bleek een manshoge koelvriescombinatie te wonen. De mensen uit hogere socioeconomische groepen staan op het veldje zónder elektriciteit. Ze zijn belast met goede smaak en richten halfhartige kampementen in – een compromis tussen terug-naar-de-natuur fantasieën en de rugklachten die horen bij de broze lichamen van kenniswerkers.

Mijn vrouw knakte het eerst. 'Ik ben er helemaal klaar mee,' zei ze na de zoveelste beroerde nacht op het dunne slaapmatje, omgeven door de chaos die het gevolg is van zoiets simpels als ontbijten. Toen moest de regen nog beginnen. 'Waarom doen we dit in vredesnaam?' vroeg ze.

'Goede vraag,' zei ik.

Er schoot me zo snel geen antwoord te binnen.

Zelf knakte ik niet, ik was onverstoorbaar. Waarom? Waarom dacht ik bij alles: Tja, ach, zo gaan die dingen nou eenmaal?

Een pijnlijke waarheid drong tot me door: je kunt alleen knakken, alleen teleurgesteld worden als je iets beters had verwacht. Ten diepste ontbeerde ik het geloof dat vakantie waarlijk leuk kan zijn. En ineens voelde ik me een verrader. Ik was een mol in de gezinsoperatie die vakantie heet.

De opdracht van de gezinsoperatie is om op gedeeld geluk te jagen. Ik kan prima uitleggen waarom het geluk soms weet te ontsnappen. Mijn vrouw stelt bijvoorbeeld een existentiele vraag als: Waarom regent het nou weer? In de twaalf jaar van ons huwelijk heb ik geleerd dat die vraag niet zit te wachten op een meteorologische verhandeling over de Duitse Eiffel. Tegen de tijd dat ik besef dat een omhelzing een goed antwoord zou zijn geweest, is het vaak al gestopt met regenen.

Tijdens vakanties ben ik drie tot vijf keer per week blij dat ik niet met mezelf getrouwd ben.

Vraag 3. Wat schrijf je aan je jarige dochter?

Op dag dat onze oudste dochter twaalf werd, zat ik voor de tent met een balpen en een klamme verjaardagskaart. Het was vroeg, de rest van het gezin sliep nog. Meestal ben ik als eerste op. Ik had de tafel gedekt voor het ontbijt, stiekem alvast een boterham met chocopasta gegeten en probeerde nu het woord proficiat te schrijven. De balpen trok geultjes in het vochtige papier zonder inkt achter te laten.

Wat schrijf je aan je jarige dochter? Je bent zo groot geworden? Ik weet nog goed hoe je een lepel met gepureerde broccoli in je oog stak? Ik mis het meisje dat bij ’s ochtends bij ons in bed kroop en mijn handpalmen als slofjes om haar voetzolen vouwde? Ik ben zo ongelooflijk trots op je?

Ik liep vast in wenskaartenproza. Letterlijk. De balpen zakte in het papier.

Het was verleidelijk me te wentelen in die onmacht, de onmacht uit te drukken wat ik voor haar voel. Het verdoezelde dat er op andere momenten weinig voor nodig was om haar als een baksteen te laten vallen.

Op een dag had ze een aanvaring gehad met de campingbaas. Ze was hem iets gaan vragen en had zijn antwoord niet begrepen. ‘Hè zeg je maar tegen je vader’, had hij haar toegevoegd en het gesprek afgekapt.

'Laat maar,' zei ze tegen mij. 'Ik weet al wat je gaat zeggen. Ik moet zeker weer mijn excuses gaan aanbieden.'

Dat was inderdaad mijn instinct. Tijdens een eerder akkefietje, met een ander meisje op de camping, had ik ook al gezegd dat ze haar excuses moest aanbieden, ook al had dat meisje zelf evenmin correct gehandeld.

'Waarom reageer je nooit eens normaal?' vroeg mijn dochter me.
'Wat is normaal,' vroeg ik
'Nou gewoon, dat je het met mij eens bent.'

Later die dag hoorde een bevriende moeder over het akkefietje met de campingbaas. Ze zei meteen: 'Wat een belachelijke reactie van die man!'

Een andere vrouw toonde meer loyaliteit aan mijn dochter dan ik. Bij een beetje afkeuring van een wildvreemde, had ik die vreemde over haar gekozen.

Ik zal proberen beter van je te houden, dat had ik op die verjaardagskaart moeten schrijven.

Vraag 4. Waarom neem ik een boek over intimiteit mee op vakantie?

Ik had een boek over intimiteit in het huwelijk meegenomen op vakantie. Het duurde best wel lang voordat de ironie daarvan tot me doordrong. Ik trok me terug in een boek over intimiteit, terwijl mijn vrouw een meter of twee verderop zat.

'Heb ik er ook iets aan, denk je?' vroeg mijn vrouw op een gegeven moment.
'Dat weet ik niet,' zei ik.
Mijn vrouw hief haar handen in wanhoop ter hemel.

Uiteindelijk ben ik niet ver gekomen in het boek.

Vraag 5. Drink ik teveel?

De tweede week brachten we door met een vriendin van mijn vrouw en haar kinderen. De vriendin is psychotherapeute. Op een avond zei ze dat een hoop van haar cliënten teveel drinken, dat ze elke dag drinken.
'Ik drink ook elke dag,' zei ik.
'O,' zei ze.

Doek.

Welk leven schuilt achter deze vijf vragen? Het bleken van tanden, de organisatie van de gezinsvakantie, het schrijven van de verjaardagskaart, het innameregime voor alcohol – het zijn allemaal zoektochten naar vorm. Welke vorm moet dit leven in vredesnaam hebben?

Het is ook een zoektocht naar verbetering. Du mußt dein Leben ändern. Een paar jaar geleden kocht ik een boek met die titel van Peter Sloterdijk. Hij stelt dat de essentie van het menszijn bestaat uit oefenen. Oefenen is iets doen met als doel het de volgende keer net iets beter te doen.

Ik heb deze van informatie van Wikipedia, want het boek zelf ligt ongelezen in mijn kast. De zoektocht naar verbetering is vaak halfhartig. Soms behandel ik mijn leven zoals ik mijn klarinet behandelde, toen ik nog in de harmonie in Obbicht zat. Ik oefende zelden tot nooit. Als ik bij de repetitie op vrijdagavond het instrument uit de koffer haalde, en het riet nat maakte in mijn mond, kon ik nog proeven wat ik de week ervoor gegeten had. Ik speelde de derde klarinetpartij, de laagste partij in de pikorde van klarinetten, een rij diep in het orkest waar de minst geoefende klarinettisten zich verzamelden. In die rij kun je comfortabel bestaan, heb je een plek in de gemeenschap van het orkest, zonder je te verbeteren.

Een comfortabel leven is een half leven. Je moet iets proberen, enige ambitie tonen, hoe klein ook. Du mußt dein Leben ändern. Anders dan bij klarinet spelen is het verbeteren van je leven niet zonder gevaar. Als het beter kan, dan moet het al snel beter. En als het dan niet komt, of het valt tegen, dan blijf je zitten met onvrede, wrok, teleurstelling.

Tussen de hoop op meer en de angst voor teleurstelling bevindt een voorzichtig leven, een leven vol oefenen, oefenen, oefenen. Een eindeloze generale repetitie voor een optreden dat nooit zal plaatsvinden.

Miesepies | Donderdag 28 December 2017 - 4:03 pm | | Tekst | Eén reactie

De meneer van de banken

Eens in de twee jaar koop ik nieuwe schoenen bij Dungelmann in Den Haag. Ik wacht tot de uitverkoop begint en vind dan altijd een geschikt paar in het rek met de afgeprijsde modellen. Geluk is een kwestie van afgebakende verlangens.

De keuze valt steeds op ongeveer dezelfde schoenen; een kruising van gympen met herenschoenen – een type dat gemaakt is voor mannen die leeftijdstechnisch gezien over zouden moeten naar de herenschoen, maar daar emotioneel nog niet klaar voor zijn.

Mijn vrouw heeft ooit gezegd dat dit type me goed staat. Misschien was ook zij emotioneel nog niet gereed voor mijn overgang naar de herenschoen. Laatst bekende ze dat ze, in een pril stadium van onze relatie, er bijna een punt achter had gezet toen ze me voor het eerst in een pak zag, met daaronder zwarte herenschoenen. Ze had niets tegen pakken, maar ze zag zichzelf niet als de vrouw van een man in een pak.

Afgelopen woensdag stapte ik Dungelmann binnen. De uitverkoop vond plaats op de eerste verdieping. Een medewerkster keek rustig toe hoe ik het rek met de afgeprijsde schoenen bestudeerde.

Toen kwam een man de trap op, vermoedelijk de eigenaar. Hij ging bij de medewerkster staan en zei: ‘Je weet toch wel wie dat is?’
           Ik keek op om te zien wie hij bedoelde.
           De man keek naar mij.
           De vrouw schudde haar hoofd.
           ‘Dat is de meneer van de banken,’ zei hij op een gespeeld verwijtende toon.
           De vrouw wist het nog steeds niet.
           Zelf kreeg ik het idee dat hij opbouwde naar de clou van een mop.
           ‘Als je iets wil weten over fraude met banken en zo, dan kun je het aan de professor hier vragen,’ glunderde de man.
            ‘Aha,’ mompelde de vrouw.
           ‘Dat klopt, toch? U bent toch de meneer van de banken?’ vroeg de man aan mij.
           Inmiddels begreep ik waar hij het over had. Vier dagen eerder was ik op televisie geweest, in Vara’s Kassa. Ik heb de afgelopen jaren vaker in televisieprogramma’s opgetreden, maar nooit eerder ben ik om die reden door een onbekende aangesproken.
           Het was beschamend om herkend te worden, alsof ik betrapt was op een slechte eigenschap. Ik vind de televisieoptredens leuk, te leuk, en onder dat genot vermoed ik een beerput aan persoonlijk falen.
           Ik bevestigde dat ik de meneer was, zij het niet van de banken. In de uitzending zat ik tegenover een meneer van de banken.
           ‘We krijgen nogal veel bn’ers hier in de zaak,’ zei de man. ‘Vandaar dat ik het meteen zag.’
           Dat vond ik een merkwaardige redenering.
           Ik koos een paar schoenen uit en daarmee liepen we naar de toonbank.
           Terwijl de man het bedrag aansloeg, zei hij: ‘Het is een leuk programma, Kassa. Ja, ik vind niet alle onderwerpen leuk. Daar ben ik heel eerlijk in, hoor.’ De toon waarop hij dat laatste zei, suggereerde dat hij zijn eerlijkheid enigszins moedig vond.
           Ik rekende af en wenste hem nog een fijne dag.
           De meneer van de banken ging naar huis met zijn nieuwe schoenen, hopend op een complimentje van zijn vrouw.

Miesepies | Dinsdag 10 December 2013 - 2:28 pm | | Tekst | Negen reacties

Verborgen verhalen (2)

Op 9 oktober las ik drie korte verhalen voor tijdens een voorstelling in de Stadsschouwburg Sittard-Geleen over "verborgen verhalen", onderdeel van het programma rond het fotoproject "SecretCity". Dit was het tweede verhaal.

Raadhuisstraat, Berg

Buiten stopte een auto. Maurice herkende het gorgelende geluid van de vergrootte uitlaat nog voor hij de auto had gezien. Ze hadden hem gevonden. Hij liet zich naast de bank zakken, uit het zicht, en overdacht zijn opties. Boven sleepten de pantoffels van zijn moeder over het laminaat op de overloop. De wasdroger zoemde.
        De motor van de auto voor het huis draaide stationair. Er was nog geen portier opengegaan.
        Hij had wel vaker pillen gekocht van Dano. Dertig, veertig, vijftig stuks. Na schooltijd, soms eerder, fietste hij vanuit het Kleesj door Limbrichterveld, naar de vierde flat. Wanneer hij ze verkocht had, betaalde hij Dano terug. Maar vorige week, op carnavalszondag, had hij iets te snel een paar pillen achter elkaar genomen. Ze waren gaan zuipen en ‘s ochtends zaten ze met een paar man bij Paultje. Toen had hij het station in Sittard gebeld en gezegd dat hij van actiegroep Rara was en dat er over 30 minuten een bom zou ontploffen. Iedereen lachen. Hoeveel rotzooi hij ook binnenkreeg, hij kon altijd geloofwaardig overkomen; kalm, met overwicht. Een poosje geleden had hij mensen gebeld die genoemd waren in de gemeenteberichten in de Trompetter omdat ze een of andere vergunning hadden gekregen. Dan draaide hij op zondagochtend hun nummer, zogenaamd vanuit het gemeentehuis, en vertelde hen dat de vergunning helaas toch niet verleend kon worden. Hij belde alleen op zondagochtend, dat was de sport.
        De dag na zijn bommelding zou hij op de voorpagina van de krant zien dat ze de stationsbuurt hadden afgesloten en dat het hele treinverkeer rond Sittard drie uur lang had stilgelegen. De frituur tegenover het station was met een enorme hoeveelheid friet blijven zitten die ze voor carnavalszondag hadden ingekocht.
        Hij had het zelf niet meegekregen. Kort na het telefoontje kwam hij erachter dat hij de zak met pillen was kwijtgeraakt. Hij wist bij God niet waar dat gebeurd was. De zak zat nog vol, hij had pas een paar pillen verkocht en een paar zelf geslikt. Hij belde Dano om te vertellen wat er gebeurd was en dat hij iets langer nodig zou hebben om het geld te regelen. Dano zei daar niks mee te maken te hebben. Nu stond hij hier voor de deur.
        Zijn moeder slofte boven wat heen en weer.
        Maurice liep naar de keukendeur, trok hem geruisloos open en wandelde om het huis heen, naar de auto.
        De motor draaide nog steeds stationair. Dano zat op de passagiersstoel, met het raampje open.
        ‘Wat doe jij hier?’ zei Maurice.
        Het werd een herhaling van hun telefoongesprek, tot het moment waarop Dano het handschoenenkastje opende. In het licht van het kleine gloeilampje lag een zwart pistool. ‘Of moet ik je daarmee voor je kop schieten?’ vroeg hij.
        Het was een belachelijke zin en een belachelijk voorwerp, een rekwisiet bij een matig toneelstukje. Maurice wist zeker dat er niet geschoten ging worden, maar toch voelde hij zijn beenspieren in pap veranderen. Hij hoorde ook hoe de vanzelfsprekendheid, het overwicht, uit zijn stem was verdwenen. Hij bleef lullen, maar er viel niets meer te lullen. Hier hield het op. Hij kon niet voorbij die conclusie denken: hier hield het op.
        Ineens stond zijn moeder achter hem, aan het begin van het tuinpad, in haar schort met bloemen. Ze had de krulspelden ingedaan.
        ‘Kom eens hier,’ zei ze.
        Maurice keek naar Dano en liep toen naar haar toe, terwijl hij nadacht over wat ze gehoord kon hebben en hoe hij dat ging ontkennen.
        ‘Wat heb je nodig?’ vroeg ze zachtjes.
        ‘Hoe bedoel je,’ zei Maurice. Ze kon niets weten, herhaalde hij tegen zichzelf.
        ‘Wat heb je nodig,’ vroeg ze weer. ‘Hoeveel?’
        Hij slikte. ‘Ik heb niks nodig,’ wilde hij zeggen. ‘Waar heb je het in vredesnaam over. Ga naar binnen.’
        Maar hij zei: ‘Negenhonderd.’
        Ze draaide zich om en liep weg.
        Maurice keek naar de auto. Hij zag de ogen van Dano in de zijspiegel.
        Zijn moeder kwam terug en drukte hem een dubbelgevouwen stapeltje biljetten in handen. Waar kwam dat geld vandaan? Waarom had ze zoveel geld in huis?
        Hij liep naar de auto en stak het geld door het open raam. Toen hij zich omdraaide, was zijn moeder alweer verdwenen. Tergend langzaam rolde de auto de straat uit. Maurice liep terug naar het huis. Hij haalde rustig adem en opende de keukendeur. Hij was klaar om een verhaal te vertellen over het geld. Hij wist nog niet welk verhaal, dat wist hij pas als hij begon te praten, als zijn moeder een vraag gesteld zou hebben, maar hij voelde dat het zou lukken, dat hij overwicht zou hebben.
        De keuken was verlaten. Zijn moeder had niet gewacht op het verhaal. Boven ratelden de rolluiken. Die liet ze altijd zakken als zijn vader overging van de middagdienst naar de nachtdienst. Daarna klonk alleen nog de wasdroger in het huis.

Miesepies | Dinsdag 05 November 2013 - 08:58 am | | Tekst | Twee reacties

Verborgen verhalen (1)

Op 9 oktober las ik drie korte verhalen voor tijdens een voorstelling in de Stadsschouwburg Sittard-Geleen over "verborgen verhalen", onderdeel van het programma rond het fotoproject "SecretCity". Dit was het eerste verhaal.

Maasstraat, Obbicht

Geen van de jongens kwam bij Jimmy thuis en Jimmy kwam bij geen van de jongens thuis. Zijn huis zat geklemd tussen twee grotere panden en het leek alsof de muren langzaam ineengedrukt werden. Plakken van het witte stucwerk waren van de gevel gevallen.
           Toen Peet na het eten bij het huis arriveerde, zag hij alleen de nieuwe fiets van Hecker staan. Heckers ouders voerden een kleine winkel in het dorp en hij had altijd de beste spullen.
           Die ochtend hadden ze een enorme vis gevangen, in een poel die door het hoogwater in het weiland naast de Maas was achtergelaten. Normaal vingen ze hoogstens een baarsje, nauwelijks langer dan een vinger. Ze noemden het baarsjes omdat iemand had beweerd dat het baarsjes waren en niemand hem had tegengesproken. Ze waren zo klein dat je de haak er niet goed uit kreeg. Het was altijd gedoe, tot de dag waarop Jimmy het visje op de grond legde, de hak van zijn gummilaars op de staart zette en met een korte ruk de haak door de kaak heentrok. Een deel van de vissenkop bleef aan de haak zitten. Dat was goed aas, volgens Jimmy.
           De grote vis zag er ziek uit. Oranje met zwarte vlekken. Jimmy kwam op het idee om hem aan Clim Paland te verkopen. Niemand durfde mee. Jimmy kwam terug met twintig gulden en had toen iedereen uitgenodigd voor een barbecue.
           De woonkamer was donker, op het geflikker na van een televisie. Er was geen deurbel en Peet klopte op het raam. Het jongere zusje van Jimmy deed open. Ze liep terug naar de televisie. Peet ging door de keuken in de richting van de tuin. Als tuin het goede woord was. In het hoge onkruid lagen koelkasten, een wasmachine, een aanhanger met lekke banden, steigerpijpen en nog meer.
           ‘Aha, daar heb je die kleine van Conjour,’ zei de vader van Jimmy. Hij hing in een leren fauteuil, het soort stoel dat bij de televisie hoorde te staan, niet buiten.
           Jimmy en Hecker stonden verderop bij een kleine barbecue.
           ‘Jong, haal me nog eentje.’ De vader schudde met het lege blikje alsof het een zoutvaatje was.
           Peet had eerst niet door dat de man hem bedoelde. Toen ging hij naar de koelkast. De schappen lagen vol met bier en een doorzichtige fles sterke drank. Hij bracht het blikje naar de man en ging bij Jimmy en Hecker staan.
           ‘Waar is iedereen?’ vroeg hij.
           Ook de moeder was nergens te bekennen. Misjel had verteld dat ze laatst ineens bij de judoclub was opgedoken. Ze wilde meetrainen. Ze had allerlei vragen gesteld over trappen en zelfverdediging. Zodra de leraar had uitgelegd dat je bij judo niet mocht trappen, was ze weer vertrokken.
           Met een gebarsten wieldop wuifde Jimmy lucht over de kooltjes.
           ‘Je moet het vlees gaan halen,’ zei Hecker.
           Jimmy wuifde zwijgend verder.
           Achter hen klonk gekreun. De vader kwam overeind uit de fauteuil. Even later drukte hij Hecker en Peet een blikje bier in de handen. ‘Hier. Jimmy trakteert.’
           Jimmy keek naar de kolen en knipperde een paar keer, alsof er een vliegje in zijn ogen was beland.
           Peet keek naar het blikje in zijn handen. Hij had wel eens een sneeuwwitje gedronken, maar nooit echt bier. Hij was negen, hij hoorde geen bier te drinken, hij wilde geen bier drinken. Hij zei: ‘Nee, dank u.’
           ‘Stel je niet zo aan,’ zei de man. ‘Die is voor jou. Of voel je je er te goed voor, net als Flipje daar?’ Met zijn hoofd knikte hij in de richting van Jimmy, die maar in de kolen bleef staren.
           ‘Kom hier,’ zei de man. Hij trok het lipje van beide blikjes. Er kroop wat schuim uit de opening. ‘Drink maar. Kom op. Hup. Laat het niet warm worden, Jimmy trakteert.’
           ‘Pap, laat ze, ze willen niet,’ zei Jimmy, zonder de man aan te kijken.
           ‘Bemoei jij je er niet mee. Dat jij zo’n mammakindje bent, dan hoeven zij het nog niet te zijn.’
           De man keek Peet indringend aan. Niet bedreigend, eerder geduldig, alsof hij desnoods de hele avond niets anders zou doen dan Peet aankijken, tot hij een slok zou nemen.
           Peet nam een slok.
           ‘Hè hè,’ zei de man tevreden. ‘Dat mag je zeker niet bij jullie thuis, hè? Van die droogkloot. Ik zie hem wel eens fietsen. Zegt me nog geen goeiendag. Hij daar wordt er ook zo eentje.’ Hij gebaarde weer naar zijn zoontje.
           De vader sjokte terug naar zijn fauteuil.
           ‘Jongen, haal nou dat vlees,’ zei Hecker.
           ‘Er is geen vlees,’ zei Jimmy.
           ‘Hoe bedoel je? Wat gaan we dan barbecueën? Wat heb je dan gekocht?’
           ‘Ik heb niks gekocht.’
           ‘Hoezo heb je niks gekocht? Wat heb je dan met ons geld gedaan?’
           ‘Ons geld?’ Voor het eerst keek Jimmy op van de barbecue. ‘Ik heb die vis verkocht, jij niet. Jij was te schijterig om mee te gaan.’
           ‘Nou en, ik heb hem gevangen,’ zei Hecker. ‘Wat heb je met het geld gedaan? Ik wil de helft.’
           ‘Het geld is weg.’
           ‘Waarheen dan, godverdomme?’ zei Hecker.
           ‘Je hebt het in je handen,’ zei Jimmy.
           Hecker keek verbouwereerd naar het blikje. ‘Godverdomme.’ En toen: ‘Idioot. Waarom heb je hem dat geld gegeven?’
           Hij keek achterom. De vader stond te zeiken naast de aanhanger. Toen gooide Hecker het blikje zo hard als hij kon over het hek, richting de Maasdijk. Het verdween zonder geluid in het donker. Daarna liep hij naar het huis. De klap van de voordeur liet het keukenraam trillen tegen de sponning.
           ‘Enne, heibel in de tent?’ vroeg de vader geamuseerd.
           ‘Blijf jij of ga je ook weg,’ vroeg Jimmy op vlakke toon.
           ‘Ik blijf,’ zei Peet. Hij was opgelucht dat de jongen iets tegen hem zei, iets aan hem vroeg.
           ‘Dan ga ik het eten halen,’ zei Jimmy.
           Hij verdween naar binnen en kwam terug met een wit plastic doosje, het soort doosje waar de Chinees in Born de bami in deed.
           Hij toonde de inhoud aan Peet en zei: ‘Die zijn echt lekker op de barbecue.’
           In het doosje lagen een stuk of tien van die kleine baarsjes. Bij de meeste ontbrak een deel van de kop. Peet kon geen woord uitbrengen. Hij lustte geen vis, zelfs vissticks niet. De glibberige, glinsterende smurrie in het doosje bezorgde hem een weeïg gevoel in zijn maag. Wanneer had Jimmy die gevangen? Hoe lang lagen die al in dat doosje?
           Jimmy legde de visjes op het rooster. De kooltjes begonnen te sissen.
           ‘Ze zijn echt lekker,’ zei hij hoopvol.
           Peet knikte.
           De vader kwam aangelopen met de doorzichtige fles uit de koelkast. Hij gaf een borrelglaasje aan Peet en schonk het vol. ‘Dit hebben we ook gekocht voor vanavond. Ik ga het niet alleen opdrinken, dat is niet gezellig.’
           ‘Ik lust het niet,’ zei Peet voorzichtig.
           ‘Dat hoeft ook niet. Gewoon in een keer achterover tikken. Wordt je sterk van.’
           Peet keek naar Jimmy, maar die staarde naar de visjes.
           ‘Kom op, niet te ingewikkeld maken. Dat hoef je hem niet vragen.’
           Peet aarzelde.
           ‘Luister, als jij je ook te goed voelt, dan donder je maar op, net als die sukkel van Hecker. Dan mag Sjimsalabim hier alleen zijn visjes opeten.’
           Met een teug nam Peet het vocht in zijn mond. Hij gaf het glaasje terug. De tranen sprongen hem in zijn ogen. Hij wachtte tot de man wegging, zodat hij het spul kon uitspugen. Maar de man bleef staan. Peet keek zo neutraal langs hem heen, in het luchtledige. De drank schrijnde in zijn mond. Met moeite haalde hij door zijn neus adem. Zijn oren sloegen dicht, alsof iemand er handen overeen had gelegd. En toen kwam de nasi omhoog die hij thuis had gegeten. In een reflex slikte hij die terug, samen met de drank. Meteen begon hij te hoesten.
           De man lachte en klopte hem goedmoedig op zijn rug. ‘Zo doe je dat. Zie je dat Jimmy? Je moet niet overal zo’n drama van maken.’
           Peet voelde hoe grote hoeveelheden speeksel zich door zijn keel omhoog werkten. Hij slikte en slikte, maar zijn mond liep steeds vol. Het leek alsof de nasi in zijn maag tot leven was gekomen.
           Met een schuimspaan probeerde Jimmy de visjes van het rooster te scheppen, maar ze zaten vast en vielen uiteen. Hij gooide witte brokjes op een bordje. Er staken zoveel dunne graatjes uit dat de brokjes behaard leken te zijn.
           Hij pakte een stukje vis met zijn vingers en stopte het in zijn mond. ‘Smaakt prima, probeer maar.’
           Achter hen liet de vader een luide boer, gevolgd door een tevreden zucht.
           ‘Je moet niet op hem letten,’ zei Jimmy. ‘Gewoon doen of hij er niet is.’
           Hij hield het bord in Peets richting en keek hem bijna smekend aan.
           Peet pakte een brokje vis. Zodra de witte drab zijn tong raakte en de graten in zijn gehemelte prikten, kwam alles wat in zijn maag zat met een enorm geweld omhoog en naar buiten.
           Tussen de eerste en de tweede golf, hoorde hij de vader gieren van het lachen. ‘Och Jimke, ik geloof niet dat hij van je visjes houdt.’
         Peet rende. Halverwege de Broekstraat liep hij het veld in en hij ging in het hoge gras op zijn zij liggen, de armen om zijn knieën geslagen, wachtend tot het trillen zou stoppen. Toen hij thuiskwam, vroeg zijn moeder waar hij geweest was.
         ‘Nergens,’ zei hij.

Miesepies | Zondag 03 November 2013 - 12:15 pm | | Tekst | Vier reacties

Mijn geloof is een achterlijk geloof

De afgelopen week verbleef ik in Korea. In Seoul, om precies te zijn. Het was mijn eerste bezoek aan het land. Ik verkeerde in het gezelschap van enkele ambtenaren en een kolonel. In de taxi van het vliegveld naar het hotel, werd energiek geroddeld over de ambtenaren die niet mee waren. Regelmatig stokte het gesprek omdat men afgeleid was door de hoogbouw die zich uitstrekte langs de rivieroevers en tussen de groene heuvels.

Meer dan tien miljoen mensen wonen hier. Toch deed de stad verrassend ruim en ontspannen aan. En schoon. Ergens in de taxirit merkte ik op dat ik nergens graffiti zag. Ook de dagen erna kwam ik geen letter tegen. De straat was verschoond van kauwgom en lege colablikjes.

Op het metroperron stelden reizigers stelden zich op in twee rijen, als een soort erehaag voor de uitstappende passagiers. In de metro stonden jongeren spontaan hun plaats af aan oudere reizigers. Als ze de ouderen zagen staan, tenminste. Veel mensen, jong en oud, waren verdiept in hun smartphone of tablet.

Dat registreerde ik allemaal nauwgezet, of ik wilde of niet. Als brave burgerman zoek ik voortdurend naar tekenen van verval, van het ontrafelen van de sociale orde. In de seculiere religie van de middenklasse wordt de rol van de duivel vervuld door de medemens die zich niet aan de regels houdt. Ik wil deze kerk niet aanhangen, laat staan verkondigen, maar een kenmerk van het ware geloof is dat de wil niet ter zake doet.

De verlossing komt ook van de medemens, van hen die zichzelf in de hand houden en wegcijferen. Nederlanders zijn er niet zo goed in. Als we het al doen, vinden we dat we een schouderklopje verdiend hebben. Dat zegt genoeg. De bewoners van Seoul, daarentegen, bezorgden me een moeilijk te beteugelen optimisme over de menselijke beschaving.

Mijn beeld was natuurlijk een illusie, een staaltje oriëntalisme dat vroeg of laat ontmaskerd zou worden. Na een paar dagen kwam ik wijken waar ook wat zwerfafval op straat lag. In de metro zag ik hoe een kleine oude vrouw de rij negeerde en voordrong bij het instappen. In de metrocoupé stond ze binnensmonds te schelden. Toen de volle metro in beweging was gekomen, viel ze uit tegen een bepukkelde scholier die niet meteen was opgestaan om haar een zitplaats aan te bieden. De jongen stond meteen op en liet daarbij zijn wiskundehuiswerk vallen. De anderen mensen in de coupé staarden onaangedaan voor zich uit. Toen de vrouw plaats had genomen, keek ze een poosje boos om haar heen. Ze zag me kijken en dat kwam me op een vuile blik te staan.

Ergens kwam het als een opluchting dat de idylle verstoord werd. Je kunt niet het paradijs aanschouwen en daar geen consequenties aan verbinden. Ik hou niet van consequenties. Ze zijn tijdrovend en je weet nooit waar ze toe leiden.

De laatste dagen van het verblijf zag ik meer passagiers voordringen. Ook botsten er regelmatig mensen tegen elkaar. Niemand reageerde daar op. De Koreanen waren wellicht niet beter dan wij, ze waren in ieder geval stoïcijnser. Niet voor de eerste keer moest ik een populistische conclusie trekken: mijn geloof is een achterlijk geloof.

Miesepies | Maandag 21 Oktober 2013 - 10:18 am | | Tekst | Twee reacties

De schoonheid afdwingen

Op een doordeweekse middag, enkele weken geleden, toen de zomer nog leek te begrijpen dat ze verplichtingen had tot 21 september, spoedde ik me naar het Muziektheater in Amsterdam. Er werd een opera van Wagner opgevoerd, eentje uit de cyclus Der Ring des Nibelungen, en die duren lang. Dit deel duurde vijfenhalf uur en daarom moest er al aan het einde van de middag begonnen worden. De bezoekers met hun stijlvolle avondkleding knipperden enigszins onwennig in het felle zonlicht.
           Ik bezoek de operacyclus met twee vrienden. Eigenlijk had ik jaren geleden besloten pas na mijn vijftigste te beginnen met Wagner. Het is dus iets eerder geworden. Toen een van de vrienden belde of ik mee wilde, zei ik: prima. Ik dacht: dan heb ik het maar gehad.
           Er gaat een zekere dwang uit van het begrip ‘meesterwerk’. Bij sommige mensen roept dat verzet op, maar ik gedij bij dwang. Ik word nerveus van de vraag wat ik zelf wil. Dan kijk ik ineens in een onpeilbare afgrond.
           De bel ging en we begaven ons naar de zaal. Het orkest zat gereed in het reusachtige decor dat zoveel lof had gekregen in de recensies. Het licht ging uit en de dirigent kwam op. Een groot applaus zwol aan. En hield aan. Sommige mensen stonden op en klapten vol overgave.
           De staande ovatie is een verplichte onderdeel van elke voorstelling in het Muziektheater, maar dan wel na afloop. Nu was er nog geen noot gespeeld.
           De dirigent liet het orkest opstaan.
           Het applaus verhevigde. Hier en daar werd gefloten. Mannen riepen: ‘Bravo!’ Het zijn altijd mannen die roepen.
           Eerst observeerde ik de geestdrift met wantrouwen. Hier stonden mensen nadrukkelijk hun edele inborst te afficheren. Kijk eens hoe ik in vervoering raak van de allerverfijnste kunst. Dat die kunst nog moest worden opgevoerd, was een overkomelijk detail.
           Even later begon ik te twijfelen. Deze mensen veinsden niet zozeer ontroering, ze verlangden er intens naar. Dit buitenkansje lieten ze zich niet ontnemen. Hier werd de ontroering afgedwongen.
           Een paar minuten later kon de voorstelling dan eindelijk beginnen. Kort daarna begon ook het gevecht tegen de slaap. Op de momenten dat ik mijn ogen open had, zag ik mijn vrienden knikkebollen. Na drie voorstellingen weten we dat Wagner niet alleen kunst is, maar ook een duursport. Voor zover je vechten tegen de slaap een sport kunt noemen.
           Heel af en toe werd er meerstemmig gezongen en dan veerden we meteen op. Maar Wagner had iets tegen duetten. En tegen op tijd thuis zijn. Misschien vond hij het burgerlijke uitvindingen. Dat zijn het wellicht ook. Van vijfenhalf uur aan trage monologen kon je veel zeggen, maar burgerlijk was het niet.
           Na afloop wandelden ietwat bedrukt naar de tram.
           ‘Ach,’ zei een van mijn vrienden. ‘We hebben in ieder geval flink gedenivelleerd vanavond.’
          Het bekostigen van opera is, zoals bekend, een subsidie van arm naar rijk. Zolang als ik de vriend ken, is hij bezig af te rekenen met zijn sociaaldemocratische opvoeding. Er zit schot in. Over een jaar of tien is hij klaar om voor het eerst geen PvdA te stemmen. Bij de provinciale verkiezingen of zo.
           De gedachte dat we geld van de armen hadden verbrast, beurde ons op, maar het betekende niet dat we vijfenhalf uur schoonheid zomaar uit onze kleren schudden.
           ‘Ja, verzuchtte de andere vriend. ‘Het is wel hard werken, het denivelleren.’
           Het genoegen dat we hier met elkaar deelden was niet zo netjes. Niet zo burgerlijk, zou je kunnen zeggen. Zo hadden we toch nog iets meegekregen van meneer Wagner.

Miesepies | Maandag 23 September 2013 - 4:00 pm | | Tekst | Drie reacties

Concurrentie tussen doden

Mijn vrouw en ik waren enkele dagen in New York. Op zaterdagochtend liepen we vanaf 31st Street langs de westelijke oever naar de zuidpunt van Manhattan. Het gebied is een dode hoek tussen de vele toeristische bestemmingen op het eiland.
           We passeerden een kooi met de omvang van een omgevallen kantoorkolos. Daarin oefenden golfers hun afslag door ballen in de richting van New Jersey te slaan.
           Een stuk verderop stond weer een kooi, iets kleiner deze keer. Binnenin wachtten meisjes van een jaar of acht in rode tenues tot hun­­ voetbalwedstrijd zou gaan beginnen. De ouders keken toe vanuit hun SUV's die als een stilstaande file rondom kooi stonden opgesteld. Je mocht er eigenlijk niet parkeren en iedereen liet de motor draaien als alibi om daar stil te kunnen staan. Achter het glas zaten moeders en vaders die hun koffie dronken, de krant lazen of telefoneerden, en ondertussen met een schuine blik de meisjes in de kooi observeerden.
           Tegen het middaguur kwamen we in de buurt van Ground Zero, waar het herdenkingsmonument voor 11 september wordt gebouwd. De toeristen zijn nagenoeg overal op Manhattan, maar hier hadden ze als een ware bezettingsmacht de straten overgenomen.
           Om het monument te kunnen bezoeken, moest je eerst een kaartje halen bij het bezoekerscentrum een eind verderop. Er bevond zich een rij van een meter of vijftig voor de ingang. Geüniformeerde medewerkers stonden als kilometerpaaltjes langs het traject. In het centrum zelf bleek de rij nog langer. Iedereen schuifelde beleefd achter elkaar aan.
           Met videobeelden en voorwerpen werd verteld over de levens van de mensen die waren omgekomen. De inzet van de tentoonstelling was duidelijk: het abstracte cijfer van drieduizend doden moest vervangen worden door drieduizend gezichten, drieduizend mensen met hun eigen verhaal.
           Een verdedigbaar streven, maar het stond me toch een beetje tegen. Ze namen zoveel plaats in, de drieduizend individuen. Onwillekeurig moest ik denken aan de slachtoffers die nog zouden volgen en die elders opeengestapeld liggen in een handzaam getal. Ook tussen doden bestaat concurrentie.
          Maar het meest fnuikende effect van de individualisering van de ramp was dat het mijn bedenking, elke bedenking, in een persoonlijke belediging veranderde. Een belediging van de brandweerman die me aanstaarde vanaf een levensgrote foto. Of van de receptioniste over wie zo liefdevol werd gesproken door haar nabestaanden op het videoscherm.
          Toen we ons kaartje bemachtigd hadden, sloten we aan bij de menigte voor de toegangspoort van Ground Zero. Het bleek de eerste van een lange serie rijen te zijn voordat we het monument zelf bereikten. We schuifelden, we openden onze tassen, we liepen door scanners en poortjes, we stonden stil en we schuifelden verder, overal geëscorteerd door ernstig kijkende geüniformeerden. Ik dacht: eigenlijk is deze rij is het monument. Ik was alleen met mijn verveling en met mijn gedachten over wat zich verderop, achter de schutting, had afgespeeld. Bij een bedevaart gaat ook het niet om de bestemming.

Miesepies | Zondag 23 Juni 2013 - 09:00 am | | Tekst | Twee reacties

Bos met whisky

Een week geleden ging de telefoon. Niet mijn mobiele toestel, maar het zwarte plastic kastje dat aan het uiteinde zit van onze vaste lijn. Ik hoor het geluid zo zelden dat ik altijd even moet nadenken welk apparaat mijn aandacht probeert te trekken.

Ik nam op en noemde mijn naam. Er volgde een korte stilte, een toon, en toen een vrouwelijke computerstem die vertelde dat iemand een sms-bericht had gestuurd naar dit nummer. Ze las het nummer op van de afzender. Ik herkende het niet, maar dat zegt weinig. Het enige nummer dat ik uit mijn hoofd ken is dat van mijn ouders, omdat ik dat al dertig jaar bel. Al bel ik het vaker niet, zo hebben mijn ouders wel eens opgemerkt.
           Als twintiger belde ik ongeveer met de frequentie van de Elfstedentochten. Tijdens een van die gesprekken vroeg mijn vader of ik een foto wilde opsturen, zodat ze zouden weten hoe ik er uitzag. Dat vond ik een redelijk verzoek, maar het bleek een grapje te zijn.

De computerstem werkte hakkelend het sms-bericht af. Alleen flarden kon ik volgen. Er was een “we” die in het bos lekker aan de whisky zaten en alles was goed. Toen werd de lijn verbroken.

Ik vroeg mijn vrouw of ze iemand kende die in het bos aan de whisky zat. Ze keek me aan alsof ik haar een moord in de schoenen probeerde te schuiven.

Een paar dagen later ging weer de telefoon. Opnieuw de stilte gevolgd door de computermevrouw. Het nummer herkende ik nog steeds niet. Deze keer kon ik niets volgen van de korte boodschap. Ik voelde een lichte paniek. Iemand probeerde hier te communiceren. Waarschijnlijk niet met ons, maar toch. Ik wist echter geen manier om het bericht te laten herhalen.

Vandaag ging weer de telefoon. Nu hoorde ik: “Hallo lieverds, we zijn weer veilig geland. We zien jullie zondag bij pappa’s verjaardag.”

Dat was het dus. Ouders die hun kinderen probeerden te bereiken, vanuit een bos met whisky. Ze hebben geen antwoord van hun kinderen gehad. En dat was precies wat ze hadden verwacht, vermoed ik.

Miesepies | Woensdag 29 Mei 2013 - 5:03 pm | | Tekst | Eén reactie

Uitvreters

Het IMF vergaderde, het Internationaal Monetair Fonds. Ze hadden het onder andere over de vooruitzichten van de grote economieën voor de komende jaren. Daarin kwam naar voren dat het aandeel van Europa in de wereldeconomie zal wegzakken tot achter China en de VS. In Nederland leidde dat tot sombere krantenkoppen en politici die het als hun plicht zagen om ons te verlossen van ons laatste restje optimisme.

Achter die somberheid zit een eenvoudig beeld dat niet te ontkennen lijkt: als China welvarender wordt, gaat dat ten koste van onze welvaart. Ze eten ons de kaas van het brood.

Dat beeld klinkt logisch, maar er klopt niets van. De groei van China maakt ons allemaal rijker. Wij groeien de komende jaren ook verder, zij het veel minder snel. En als we krimpen, dan komt dat niet omdat de Chinezen groeien.

Waarom vertellen onze politici dat niet? Je zou denken dat burgers zitten te wachten op hoopvolle berichten die ook nog eens waar zijn. Maar dat blijkt niet te kloppen. De burger wantrouwt dit soort praatjes. Deels is dat onbegrip. De burger ziet de wereldeconomie als een groot uitgevallen versie van de huishoudportemonnee. Elke Euro die naar de Chinees gaat, gaat niet naar ons. En er groeien niet spontaan Euro’s bij in onze portemonnee. Dat gebeurt in de wereldeconomie wel, maar dat klinkt zo belachelijk dat het er bij de burger niet in wil.

Maar naast het onbegrip is er nog een reden waarom we graag somberen over de Chinese opmars: omdat de hardwerkende Chinezen ons confronteren met onze angst dat we zelf volgevreten en lui zijn. Het calvinisme zit nog diep in ons. Onze welvaart, met zijn arbeidsduurverkortingen, inflatiecorrecties en sociale voorzieningen, maakt ons ongemakkelijk. We voelen ons een beetje schuldig over die welvaart. We zijn uitvreters geworden, dat is de angst. Een beetje zelfkastijding is een effectief antwoord op die angst. We verlossen onszelf van het kwade. Amen.

Miesepies | Vrijdag 26 April 2013 - 1:08 pm | | Tekst | Eén reactie

Lessen in onvermijdelijkheid

Het was acht uur in de ochtend, een paar minuten voor we de deur uit moesten. Jules liet haar tandenborstel in het rooster van de verwarming vallen. Ik snauwde iets. Ze kromp ineen en probeerde haar gezicht in haar schouder te begraven. Na een paar seconden vroeg ze met een bedremmeld stemmetje: ‘Pappa het is toch niet zo erg?’
           Nee, het was niet zo erg.
           Ik tilde het rooster op en pakte de tandenborstel.
           Ze is snel geïntimideerd door mijn gesnauw, maar ze laat rustig de tandenborstel nog een keer in het rooster vallen. Het ouderlijk gezag is een ongure bui die af en toe langskomt. Alleen een megalomaan denkt dat hij zelf de regen heeft opgeroepen. De hypnotiserende kwaliteiten van spleten in roosters staan er helemaal los van.
           Daarna snauwde ik tegen Vera dat ze nou eindelijk haar haren moet kammen.
           Ja haa.
           Pappa werkt een lijst af. Pappa is goed in de ochtend. Wat het bereiken van de operationele doelen betreft, tenminste. Excellent zelfs.
           Het probleem met het loslaten van grote ambities is dat je er een heleboel kleine voor terugkrijgt. Pappa zal herinnerd worden als een humeurige man.
           Inmiddels drong tot Jules door dat ze deze ochtend naar school zou gaan. Voorafgaand aan haar vierde verjaardag, gaat ze een ochtend per week naar school. Haar grote zus vond dat destijds een feest, maar Jules ondergaat het als een hond die in het bos wordt achtergelaten. Ze laat het verraad met een zekere gelatenheid over zich heen komen.
           Toen ik haar de eerste keer bracht, klampte ze zich aan mij vast. Ze jammerde niet. Het concept van onvermijdelijkheid is haar bekend. Het is mijn belangrijkste opvoedingsstrategie. Daarna zette ik haar op het stoeltje. Ze bleef zitten als een zakje aardappelen. Ik kuste en omhelsde haar, maar ze reageerde niet. Net voor ik de klas verliet, hoorde ik haar stem achter me, vervormd, alsof ze zich onder water bevond.
           ‘Pappa.’
           ‘Ja?’
           ‘Mijn ogen zijn nat.’
           Weer iets dat haar overkomen was. Weer een regenbui.
           Op dat moment haatte ik alles en iedereen die het onvermijdelijk maakte dat ze daar moest zitten. Ik wilde haar mee naar huis nemen en daar zou ze altijd het kleine dier blijven en ik haar god, de god die met een hand haar ondersteboven kon houden of met de toets van zijn wijsvinger haar zachte lijfje in extase kon brengen.
           Afhankelijkheid die liefde kweekt – het is bespottelijk idee waar ik nooit in geloofd zou hebben. Onder volwassenen heeft afhankelijkheid hetzelfde opbeurende effect als incontinentie.
           Ik depte haar natte ogen met mijn mouw en liet haar toen achter. Vanaf het schoolplein zwaaide ik nog door het raam. Ze zwaaide traag terug, haar blik somber maar zonder verwijt. Eerder zoals je naar een lotgenoot kijkt. Jij kan er ook niets aan doen, dat zei die blik.
           De grote verrader blies eerst een handkus door het raam en daarna de aftocht.
           En vandaag? Vandaag gingen we weer.
           De lessen in onvermijdelijkheid vallen nooit uit.

Miesepies | Dinsdag 19 Maart 2013 - 11:31 pm | | Tekst | Vier reacties

De zwartrijder

Ik zit met mijn tas op schoot in een tram die bij elke halte mensen opzuigt uit het duister. De kantooruren zijn net ten einde, maar veel passagiers kijken alsof ze nu op weg zijn naar een tweede baan, eentje met matige secundaire arbeidsvoorwaarden.
            Voor me gaat een vrouw zitten van een jaar of vijftig. Ze heeft het soort droevige haar dat bij bouviers voor de ogen hangt. Als we twee straten verder zijn, staat ze ineens op en loopt ze met haar chipkaart naar de kaartlezer bij de deur. Dan gaat ze weer zitten.
            Prompt verschijnen er drie controleurs in burger. De vrouw wordt aangesproken door een vrouwelijke controleur van haar eigen leeftijd. Die deelt haar mee dat ze te laat heeft ingecheckt. Ze moet 50 euro betalen of een legitimatiebewijs laten zien. Terwijl de vrouw in haar tas begint te graven, mompelt ze haar bezwaren binnensmonds.
           Ze overhandigt haar paspoort. Tegelijkertijd probeert ze iemand te bellen. Er wordt opgenomen. Als de vrouw haar mond opent voor de mededeling ‘Ja, met mij’, ontsnapt haar een grote klodder kwijl die het gemompel bijeen had gebracht. Ze veegt hem snel weg met de rug van haar hand. Dan zegt ze in de telefoon: ‘Ja, ik heb weer een boete in de tram en moet blijven zitten. Dus.’ Ze hangt op.
           De controleur is een hele poos bezig met het overschrijven van de gegevens van het paspoort op een formulier. De tram rijdt verder – een en dan twee haltes voorbij waar de vrouw had willen uitstappen. Ze kijkt naar de schrijvende controleur en zegt: ‘Zo, nou voel je je zeker een hele pief, hè?’ En dan: ‘Jij hebt zeker geen kinderen die thuis zitten te wachten tot je gaat koken?’
           Zonder op te kijken antwoordt de controleur: ‘Nee.’
           De vrouw trilt van woede, maar haar stem wil zich maar niet verheffen. ‘Nou, jij hebt weer je gehaktballetje verdiend voor vandaag. Goed hoor, hè. Echt knap.’
           De andere passagiers en ik kijken naar een vis die spartelt op het droge. De vrouw vecht met haar fatsoen, of eigenlijk: met de dressuur die zo diep in haar zit dat hij haar woede hulpeloos laat.
           ‘U bent niet verplicht te antwoorden,’ zegt de controleur, ‘maar wat was de reden waarom u geen geldig vervoerbewijs heeft.’
           ‘Ha,’ schampert de vrouw. ‘Dat heb ik wel. Hier, controleer het maar.’
           De controleur realiseert zich haar fout en zwijgt.
           De vrouw houdt zelf haar chipkaart bij de kaartlezer. ‘Hier, zie je, tot ziens. Nu ben ik uitgecheckt.’ Maar de triomf die ze even had gevoeld, is alweer verdwenen. De futiliteit van haar gelijk zuigt de lucht uit haar stem.
           Dan overhandigt de controleur haar de bon.
           De handen van de vrouw aan trekken het papier. Ze wil het verscheuren voor de ogen van de controleur, maar weer wint haar dressuur en ze beperkt zich tot opzichtig verkreukelen. De papierbal propt ze het in haar tas.
           De tien, vijftien seconden tot de tram eindelijk weer stopt, staat ze zwijgend voor de uitgang.
           Als de vrouw is uitgestapt, beginnen ineens verschillende passagiers opgewonden tegen de controleur te praten. Ze krijgt complimenten voor hoe kalm ze gebleven is. Anderen spreken ondertussen schande van de onbeleefdheid van de vrouw, weer anderen over het zwartrijden. De lethargie van de passagiers heeft plaatsgemaakt voor een mengsel van opluchting en wellust.
           Waarom maakte een milde overtreding zoveel los? Een vrouw had zich niet aan de regels gehouden. Maar dat was niet bepaald bedreigend. Nee, ergens herinnert elke overtreding ons aan het feit dat wij die keuze ook hebben. De diepste burgerlijke angst is dat er regels zijn waar je je niet aan hoeft te houden, dat je meer keuze hebt dan je wilt toegeven, dat alles anders zou kunnen.
           Fatsoen is de mythe dat je niets doet met de onvrede over je eigen leven omdat je te netjes bent, in plaats van te laf.

Miesepies | Vrijdag 15 Februari 2013 - 01:40 am | | Tekst | Vier reacties

Eben Emaël

Eben Emaël. We zouden naar de Sint Pietersberg fietsen, tot ik ineens die woorden op de kaart zag staan, net over de Belgische grens, op een steenworp van Maastricht. Eben Emaël, een mysterie op fietsafstand.
           Maar er was nog een andere reden.
           Toen ik de op de lagere school zal, las ik het liefst boeken over de Tweede Wereldoorlog. Enkel over de militaire kant ervan, de rest was me te zwaarmoedig of te saai, dat weet ik niet meer. Enkele keren per jaar viel er een folder in de bus die een abonnement aanprees op een hele serie boeken die mijn selectieve interesse deelde (van een bedrijf dat inmiddels oorlog heeft ingeruild voor borduren en tarot kaartleggen). Mijn ouders piekerden er niet over om die serie te kopen, maar de folder bood altijd een deeltje aan ter kennismaking, voor een gulden of tien. Als ik het deeltje nog niet had, dan bestelden mijn ouders het. Ik keek vooral naar de foto’s.
           Toen ik Eben Emaël zag staan, herinnerde ik me een zwart-wit foto: een hoge en lange schuine wand langs een kanaal. Het zou een fort zijn. Ik begreep de foto niet. Die ongerijmdheid had hem beschermd tegen het verloop van drie decennia, duizenden liters bier, vele honderden boeken en een onschatbaar aantal uren geouwehoer.
          Het fort bleek gesloten, maar toevallig stond er een gids te wachten op een groep voor een besloten rondleiding. We mochten mee. Een kleine drie uur lang dwaalden we door het enorme ondergrondse complex.
         De gids was een onopvallende man van mijn leeftijd die, als ik hem goed begreep, meer tijd in het fort doorbracht dan bij zijn gezin. Vroeger zou ik daar schamper over gedaan hebben.
         Het verhaal van het fort is prachtig. Het werd vlak voor de oorlog aangelegd en gold als een onneembare vesting, een van de beste forten ter wereld. De allereerste oorlogshandeling van de Nazi’s op 10 mei 1940 was het uitschakelen van het fort. Het duurde 15 minuten. Volgens de Belgen was het 30 minuten.
        De gids herhaalde het vaak, heel vaak, en met een zekere wellust: 15 minuten. Het had iets van leedvermaak, wat vreemd aandeed in het licht van zijn toewijding aan het fort. Maar later dacht ik: juist het falen van hen die we bewonderen en liefhebben biedt troost. Als zij al falen, dan mogen wij dat ook.

Miesepies | Dinsdag 15 Januari 2013 - 11:22 pm | | Tekst | Vier reacties