Midden in de winternacht

 Mijn dochter van drie en ik zingen een kerstlied. ‘Midden in de winternacht, hm hm hm hm hmmm hmmm.’ Een groot deel van de tekst is zoekgeraakt, ergens tussen een basisschool in de Westelijke mijnstreek en een eengezinswoning in de Randstad.
            Over de laatste zin voelen we ons echter allebei zeker. We zingen luid en traag: “Christus is geboren.”
            ‘Maar nú is die dood!’ zegt mijn dochter.
            Ja, nu is die dood.
            ‘Wie is er eigenlijk dood?’ vraagt ze.
            ‘Jesus Christus,’ zeg ik.
            ‘Ja, die. Dus nu kan die niet meer lopen.’
            Nee, nu kan die niet meer lopen.
            Mijn bevestiging is halfhartig, omdat het antwoord zo schraal voelt. Ik maak de wereld weer iets kleiner. Ik had ook kunnen zeggen: hij kan wel nog lopen. En dan zou zij vragen: hoe kan dat? En dan zou ik zeggen: omdat hij de zoon van God is en herrezen is uit de dood. En dan zou zij antwoorden: ooo ja. Want dat antwoordt ze, als ze geen idee heeft waar ik het over heb. Dat vindt ze prima. Over het grootste deel van de wereld heeft ze geen idee. Een Godenzoon meer of minder maakt daarin geen verschil.
            Ik bedoel: dit is een meisje dat elke dag begint met dezelfde drie vragen: ‘Ga ik vandaag naar de crèche? Wie gaat me brengen? Wie komt me halen?’ Soms gevolgd door een vierde vraag: ‘Is de Holy Kitty onderbroek nog in de was?’ Wanneer de vragen beantwoord zijn, duwt ze de deken van zich af en laat ze zich uit bed tillen. Er zijn een paar dingen die ze moet weten. De rest komt wanneer het komt.
            Het liefste zou ik die rest een beetje oprekken, zodat hij zaken kan bevatten die strikt genomen nergens op slaan. Zoals het feit dat er Godenzonen bestaan die hier en daar een wonder verrichten en hun wang gebruiken voor passief-agressieve vormen van verzet.
            Net als iedereen in de Westelijke mijnstreek, ben ik opgegroeid met de Godenzoon. Voor zover ik me kan herinneren, heb ik nooit in hem geloofd. Dat hoefde ook niet. De Godenzoon was er gewoon. Mensen hadden het er over hem. Dan besta je, onafhankelijk van wat de observator gelooft. Een beetje als de verre oom die je nooit hebt ontmoet, maar die af en toe ter sprake komt in familieconversaties.
            Toen ik het dorp verliet waarin ik was opgegroeid, bleef die verre oom daar achter, bij de gemeenschap die hem in het leven had geroepen. Als iemand er naar vroeg, zei ik: ik ben een atheïst.
            Tot het moment in mijn studententijd dat ik mezelf erop betrapte dat ik tegen God sprak. Het gebeurde sporadisch en alleen op momenten van wanhoop, maar dat deed aan het feit zelf niets af. Eerst dacht ik dat het een inconsistentie was, een weeffoutje dat gerepareerd moest worden. Maar ik bleek gehecht te zijn aan dat weeffoutje. Dus toen moest ik de beschrijving van mezelf aanpassen: Ik ben een atheïst die met God praat.
            Ondertussen zeg ik tegen mijn dochter: Ja, Jesus Christus is dood. En nee, dan kan die niet meer lopen.
            Daar was geen speld tussen te krijgen.
            Waar ook geen speld tussen te krijgen was: Ik ben het type vader dat de wereld kleiner maakt. De ene dag sneuvelt de onsterfelijkheid, de andere dag had ik geen weerwoord op het pleidooi van mijn oudste dochter, zeven jaar, dat een namaakkerstboom beter is voor het milieu dan de boompjes die we elk jaar zelf uitgraven in een naburig kerstbomenasiel.
            De jongste dochter en ik zochten samen op Youtube naar Midden in de winternacht, met de volledige tekst. De populairste clip was van een kinderkoor begeleid door het soort muzak dat je in liften wordt opgedrongen. Boemelend basje, beschaafd drummetje en een fleurig dwarsfluitje. Geen wonder dat de kinderen klonken alsof het heil dat ter wereld kwam hen gestolen kon worden.
            Dat arrangement kwam natuurlijk van de hand van een toegewijde vader, dat kon niet missen.




De uitdager

In het Amerikaanse tijdschrift The New Yorker dook een bioloog op die ik tien jaar geleden een keer heb ontmoet. Hij stond centraal in een stuk over Flevoland. De poging om een prehistorisch natuurgebied te scheppen rond de Oostvaardersplassen, had de aandacht getrokken van een Amerikaanse journaliste. Ze voerde de bioloog op als de geestelijk vader van het wonderlijke experiment.
                De bioloog beschrijft, met enige trots, hoe hij de gevestigde orde heeft uitgedaagd. Volgens de man werden zijn tegenstanders geleid door “vijfentwintig procent feitelijke argumenten en vijfenzeventig procent psychologie”.
                Mensen die zichzelf zien als uitdagers van de gevestigde orde, typeren die orde doorgaans als een mengsel van behoudzucht en kortzichtigheid. De suggestie is dat de uitdagers zelf vernieuwend en ruimdenkend zijn.
                De naam van de man, Frans Vera, kwam me bekend voor. En toen herinnerde ik me een vergadering bij het ministerie van, toen nog, Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, een jaar of tien geleden. De bioloog zat aan de hoek van een lange tafel, zwijgend.
                Een Amerikaanse collega en ik presenteerden een stuk dat de enigszins onconventionele mogelijkheid verkende om natuurherstel te realiseren door gebieden gedeeltelijk te bebouwen.
                Tegen het einde van de lange vergadering merkte de voorzitter op dat bioloog nog niets gezegd had. Wat hij er van vond?
                Zonder te gaan verzitten, meldde de bioloog zijn oordeel: ‘Totale flauwekul.’ In mijn herinnering zijn dit de enige twee woorden die hij die middag heeft gesproken.
                Mijn Amerikaanse collega zag die woorden als het begin van een gesprek. Na de bijeenkomst mailde hij de bioloog verschillende keren. Hij heeft nooit antwoord gekregen.




Het nummer van Diana

Afgelopen week was ik in Azerbaijan, een land op de grens van Azië, het Midden Oosten en Europa. Een soort Vaals dus, maar dan op continentale schaal.
            ‘Waar was je nou geweest?’ vroeg mijn vader.
            Het land ligt ingeklemd tussen Rusland, Georgië, Armenië, Iran. Een dictatuur met oliegeld, dat sinds het uiteenvallen van de Soviet Unie onder het bewind staat van een vader en zoon.
            In Baku, de hoofdstad, worden communistische woonbarakken worden afgewisseld met prestige-architectuur, waaronder de hoogste vlaggenmast van de wereld. Daaraan wappert een vlag van zeventig meter breed. Speciaal voor de mast is een immens plein aangelegd dat je niet mag betreden. Bij de trap naar het plein stond een zwart glanzend hokje met een intens verveelde veiligheidsbeambte. Hij zei niets, schudde slechts traag het hoofd, toen ik mijn linkervoet op de eerste trede zette. De Aziatische invloed zie je vooral ’s avonds. Dan is de stad verlicht in felle snoepkleuren.  
            Ik was in Baku voor een conferentie van de Verenigde Naties. Op een avond raakte ik verzeild in het kielzog van een Amerikaanse zakenman. Hij had een bedrijf dat handelde in IPv4-adressen. Dat zijn de internetnummers die onze computers gebruiken. Ze zijn inmiddels nagenoeg op en daardoor is er een lucratieve onderhandse markt in ontstaan. De handel is officieel niet toegestaan, maar de man had een sluiproute gevonden.
            Tijdens het diner keek de man regelmatig op zijn Blackberry. Net voor het toetje zei hij: ‘Mooi. Net een deal rondgemaakt van vijfendertig miljoen dollar. Dat betekent...’ Hij keek even peinzend in de zwoele Azerbaijaanse avondlucht. ‘... dat ik tussen de 2.3 en 2.5 miljoen dollar heb verdiend. Niet slecht voor twee uurtjes werk.’
            Later die avond trakteerde hij ons op sigaren en whisky. In ruil daarvoor luisterden het gezelschap naar zijn anekdotes en successen. Hij was een onderhoudend verteller.
            Midden in de nacht besloot hij een zakenvriend te bellen om hem een tip te vragen voor het nachtleven van Baku. De zakenvriend had veel in Azerbaijan gewerkt en zou een hechte persoonlijke band hebben met de president.
            De tip van de vriend bestond uit een telefoonnummer en een naam: Diana. Diana bleek de vrouw te zijn die het harem van de president bestierde. We hoefden maar de naam van de zakenvriend te laten vallen en Diana zou al onze wensen inlossen.
            Op dat moment besefte ik dat ik geen talent heb voor avontuur. Ik bedankte de man en ging terug naar mijn hotel.
            Twee dagen later vloog ik terug naar huis, in het besef nooit meer in Azerbaijan terug te keren. Dat was ook precies de reden om te gaan: ik zou anders nooit komen.
            Ik had er geen spijt van. Azerbaijan was een fascinerend land. Guus Hiddink gaat er vast nog eens een voetbalclub coachen. Dan krijgt ook hij het nummer van Diana.




Azerbaijan

Zaterdagochtend vloog ik naar Azerbaijan voor het Internet Governance Forum. Om half twaalf verscheen de stewardess van Azerbaijan Air in het gangpad met de lunchkar. Haar collega verzorgde de drankjes. Hij vroeg wat ik wilde drinken. ‘Whisky, red wine or white wine.’ Mijn blik ging naar de kar, waar ook cola en sinaasappelsap op stonden. Hij volgde mijn blik en zei: ‘We also have soft drinks, if you like.’
     Ik bestelde cola.
     Aan de andere kant van het gangpad zat een mooie jonge vrouw. Haar uiterlijk was een ongrijpbare combinatie van Aziatisch en Mediterraan. Ze bestelde een whisky.In plaats van een bekertje met een bodempje whisky, kreeg ze twee bekertjes. Eentje bijna tot de rand gevuld met whisky, eentje tot boven de rand gevuld met ijs.
     De lunch sloeg ze af, ze nam alleen het bakje met salade van het dienblad.
Na de whisky ging de vrouw slapen. Drie uur later, toen de landing werd ingezet, maakte de stewardess haar wakker. Ze keek monter om zich heen en begon haar make-up bij te werken, terwijl het vliegtuig met grote vaart de grond naderde.

Baku




Een gezegend mens

Het was zaterdagavond, half acht—de tijd waarop ik normaal gesproken onderuit zak voor de Bundesliga en ik langs fraaie affiches kom als Eintracht Braunschweig tegen FC Erzgebirge Aue, tot ik de samenvattingen van de eerste liga heb bereikt.

Maar deze zaterdagavond zat ik op een harde designstoel in een televisiestudio. Het was een live-uitzending van het programma Kassa en ik zou in debat gaan met een bankdirecteur, een vrouw die geheel in het zwart was gekleed, op een gele sjaal na die over haar schouders hing als de stola van een priestergewaad. In het begin van het gesprek werden er geen vragen aan mij gesteld. Ik luisterde naar de directeur en ondertussen zwol mijne kop steeds verder op met de argumenten die ik ’s middags had voorbereid. Toen kwam eindelijk de eerste vraag. Mijn lippen maakten zich los van elkaar en ik liep leeg als een ballon vol woorden.

Na afloop belde ik mijn vrouw. Ze vroeg of ik veel lovende reacties had gekregen. Ik zei dat ik een sms’je had gekregen. Nog tijdens de uitzending had een vriend me de mededeling gestuurd: ‘Je kunt haar nu pakken, ze is er helemaal rijp voor.’ Ik dacht dat hij het had over de directeur met de gele sjaal, maar het bleek te gaan over de presentatrice van het programma, waarvoor hij een meer dan zakelijke belangstelling had ontwikkeld.

Mijn dochters hadden ook gekeken, thuis, in hun pyjamaatjes. Later hoorde ik dat jongste, van drie, een beetje in paniek was geraakt omdat ik ineens in de televisie zat. ‘Hoe komt pappa nou weer uit de televisie?’ vroeg ze steeds indringender. Ze had al achter het dunne scherm gekeken, maar daar was ik ook al niet. Het was eng allemaal. De oudste, van zeven, kreeg ook een beetje buikpijn omdat de directeur met de gele sjaal kwaad leek te zijn op mij. Mijn vrouw probeerde haar tevergeefs het fenomeen ‘debat’ aan het verstand te brengen.

In de studio liet een medewerker van het programma me de reacties zien die via Twitter waren binnengekomen. Ze richtten zich bijna allemaal op de bank. Een van de uitzonderingen vatte mijn inbreng samen in twee woorden: #tja hoogleraar. Dat vond ik een mooie typering. Elke keer als je een hoogleraar in de media aantreft, zou je moeten denken: tja hoogleraar. Dat ruimt ontzettend op.
Tja hoogleraar. Ik denk het ook vaak, vooral als ik mezelf aantref in de media.

Op weg terug naar huis, voelde ik een lichte melancholie dat er geen Eintracht Braunschweig of Erzgebirge Aue thuis op me wachtte. De Bundesliga was niet opgenomen, omdat mijn gezin liefdevol Kassa had gekeken. Toen rekende ik uit hoe lang ik me zou mogen laven aan de werme belangstelling van mijn vrouw, voordat de samenvattingen van de Eredivisie zouden aanvangen. Het was niet lang. Ik voelde me een gezegend mens. Een ondankbaar mens, dat ook, maar tot dusver hadden mijn geliefden dat niet in mindering gebracht op mijn zegeningen.




Ik was om vijf uur opgestaan om een lezing af te maken over mijn onderzoek naar internetcriminaliteit. Vlak voor ik naar de conferentie vertrok waar ik de lezing zou houden, deed ik een hazenslaapje van enkele minuten. Ik droomde over robots die opruimden en reparaties uitvoerden terwijl ze geruststellende geluidjes voortbrachten.
    Na afloop van de lezing zei een toehoorder: ‘Leuk verhaal. Een soort infotainment.’ Ik besloot het als een compliment op te vatten.

18/10 - 0

Verslaving

Het bedrijfsuitje moest anders, dit jaar. Geen speurtocht of hindernisbaan, maar werken voor een goed doel. Dat idee kon op brede instemming rekenen.
    Het ging niet om het geld, maar toch werd het enthousiasme enigszins gedempt toen bleek dat goede doelen even duur waren als reguliere bedrijfsuitjes. De aanbieders van speurtochten en hindernisbanen hadden onze wensen allang voorzien en alvast de charitatieve markt overgenomen.
     Na enig speurwerk kwam onze leidinggevende bij de gemeente terecht. De plantsoenendienst had nogal geleden onder de bezuinigingen, met allerlei achterstallig onderhoud tot gevolg. Dat mochten we gratis komen doen en we kregen ook nog koffie toe. Oploskoffie, om precies te zijn.
    Ik zat in het groepje dat bruggen ging poetsen in de Delftse hout. Met schuursponsjes en emmers slootwater gingen we de bruggen te lijf.
    Na twee uur zwoegen, hadden we vier bruggen schoongemaakt. Twee waren enigszins schoon, bij de andere hadden we vooral de graffiti opgepoetst en van algen ontdaan.

Na de lunch hervatten we onze taak. Een tijdje poetsten we zwijgend. Toen keek een collega op haar horloge. Het was half twee. Volgens het programma resteerde er nog een half uur van het goede doel.
    ‘Misschien kunnen we nog net twee bruggen doen,’ zei de collega. Ze zei op een toon die beter paste bij de zin: misschien krijgen we wel champagne zo meteen.
    ‘Dat zou mooi zijn,’ zei iemand anders.
    ‘Anders gaan we gewoon wat langer door,’ zei een derde.
    Er ging iets van opwinding, van begeerte door de groep. Iedereen begon sneller te schrobben met de sponsjes. Als we doorwerkten, konden we misschien nog een brug doen.
    Je hoort mensen wel eens zeggen dat ze passie in hun werk zoeken. Meestal betekent het dat ze fantaseren over ander werk. Als je ons zag schrobben, moest je constateren: het gaat niet om het werk zelf. Je hebt mensen met een verslaving aan het nuttig zijn en mensen zonder die verslaving.




De zomerpauze is voorbij, ik heb een nieuwe column opgenomen voor L1 Radio. Ik begon met het stukje over Phantasialand, maar L1 had recht op iets beters.

20/09 - 0

Vanavond zit ik in een live-uitzending van Kassa. Mijn vrouw vroeg of ik opgemaakt zou worden. Ik zei dat ik het niet wist. ‘Ik hoop van wel,’ zei ze.

15/09 - 2

Aan een ramp ontsnapt

Op dinsdag bezocht ik een conferentie die plaatsvond in Phantasialand, een pretpark ten zuiden van Keulen. Het waren gescheiden werelden, de conferentie en het pretpark. De ramen van de conferentiezalen keken uit op schuifelende bejaarden en groepen geestelijk gehandicapten die een uitje hadden.
    ’s Middags sloeg ik een sessie over en glipte ik even het park in. Tegen de vrouw die de kaartjes controleerde zei ik dat ik een half uur had en ik vroeg haar wat ze me kon aanraden om te doen. Ze leek de vraag als een belediging op te vatten. ‘In een half uur kunt u niets doen. U kunt een beetje rondlopen,’ zei ze.
    Als kind ben ik ooit met mijn ouders naar het park geweest. De naam ervan wist nog jaren warme gevoelens op te roepen, maar ik had er geen beeld bij. Nu ik er weer rondliep, kwam er geen enkele herinnering bovendrijven.
    Ik vond een achtbaan. Het was misschien 20 jaar geleden sinds ik voor het laatst in een achtbaan zat. Het was een oudere achtbaan, meer iets voor mijn kinderen. Terwijl het treintje begon te rijden, maakte ik een filmpje om thuis te laten zien.
    De eerste afdaling zag er weinig indrukwekkend uit. Maar de plotselinge versnelling van het treintje verraste me. Er gebeurde iets vreemds: ik was er ineens van overtuigd dat ik er uit kon vallen. Ik besefte dat dat niet kon kloppen, maar verder leek alles er op te wijzen dat als mijn verkrampte greep om de beugel even zou verslappen, ik uit het karretje geslingerd zou worden. De betrouwbaarheid van die greep werd ernstig ondermijnd door het feit dat ik ook een telefoon moest vasthouden. Even had ik het uitzicht ermee gefilmd, maar vanaf de eerste bocht richtte de opname zich exclusief op mijn kruis.
    Na het uitstappen had ik even het gevoel aan een ramp te zijn ontsnapt. Dat gevoel kan ik iedereen aanraden.
    De conferentie was vooral een gelegenheid om contacten te onderhouden. Ik kreeg visitekaartjes van een Distinguished Laboratory Researcher uit Japan, van een Duitse directeur wiens functieomschrijving zich beperkte tot het woord Leiter en van een Erster Kriminalhauptkommissar. Die laatste verbood me hem ooit te e-mailen op het adres dat op het kaartje was vermeld, want dat zou hij genoodzaakt zijn dat formeel in behandeling te nemen. Ik beloofde hem nooit te zullen e-mailen.




Niet dezelfde plek (slot)

Wat er voorafging: deel 1, deel 2.

Na de man met de OV-fiets, arriveerde een man in een donkere auto. Het voertuig was her en der met stukjes duct-tape beplakt, zoals je de wondjes verzorgt van een scheerbeurt met een te bot mes. Zijn zoontje ging met een stripboek op een klapstoel zitten. Ondertussen zette de man met een geconcentreerde blik een grote De Waard-tent op – het type bezit dat bij een boedelscheiding wordt ingedeeld bij de kapitaalgoederen.
    Het zoontje deed eindeloos met het stripboek. Misschien kon hij niet zo goed lezen of wilde hij het contact met zijn leeftijdsgenoten nog even uitstellen.
    De gescheiden vriendinnen van mijn vrouw sloegen de man belangstellend gade. Hij had kort haar, een juristenbrilletje en een vriendelijke gezichtsuitdrukking.
    Ik vroeg hen hoe ze zijn sociaaleconomische status inschatten. Het leek me dat de dames niet op zoek waren naar een kostganger.
    Van de status kon je niets van zeggen, vond een van hen, een psychotherapeute. Ze was getrouwd geweest met een man die zichzelf had heruitgevonden als kunstenaar, dus ze leek me geschoold in het detecteren van uitvreters.
    Toen de tent overeind stond en de auto was weggebracht, zette de man een kopje kruidenthee voor zichzelf en het zoontje. Dat dronken ze op terwijl ze zwijgend naast elkaar zaten voor de tent.
    Mijn vrouw en haar vriendinnen dronken ook kruidenthee.
    Ik probeerde de interesse van de dames aan te wakkeren. Maar het wilde niet vlotten met de begeerte.
    Na de man met de OV-fiets en de man met de kruidenthee, trok mijn vrouw de heldere conclusie dat we ons soort mensen, onszelf dus eigenlijk, niet begeerlijk vonden.
    Die observatie sprak me aan. Waarheid is mooi, maar waarheid met beetje zelfkastijding is beter. De heroïek van de kleinburger ligt in het masochisme, het vermogen om genot te destilleren uit vernedering.
    Ik drink weliswaar geen kruidenthee, of welke thee dan ook, maar toch observeerde ik de man in het besef mezelf te observeren.
    Je hoort mensen wel eens zeggen dat ze op vakantie zo fijn tot zichzelf kunnen komen. Alsof dat moeilijk is. Je hoeft alleen maar om je heen te kijken, dan weet je precies wat voor vlees je in de eigen kuip hebt.
    Anderen zien dat ook. Een paar dagen eerder had de eigenaar van een kanoverhuurbedrijf meteen geraden op welke camping we stonden. Tussen zijn bedrijf en onze camping zaten zeker tien andere campings. Maar hij had geen moment geaarzeld.
    Wie moeite heeft tot zichzelf te komen, kan zich wenden tot kanoverhuur Nieuwe Brug.

Een van de vriendinnen van mijn vrouw had twee zoons meegenomen. De jongens waren een watergevecht begonnen. Na een poosje bood het kleine meisje van 208, de suboptimaal geplaatste tent die onze plek bezet hield, zich vrijwillig aan als doelwit. De jongens namen het aanbod dankbaar aan. De ene na de andere supersoaker werd op haar leeggespoten, terwijl het meisje kansloos met een halfgevuld emmertje achter de jongens aanhobbelde. Achter het doorweekte meisje liepen dan weer de ouders, moeder filmend met de iPad, vader met de videocamera.
    Na een poosje werd het tafereel wat ongemakkelijk. Het meisje weigerde de overmacht te erkennen. Na elke lading water keek ze beteuterd, maar ze ontkende dat ze wilde stoppen. Sommige mensen storten zich al vroeg op het masochisme.
    Achter de rug van de jongens om trok de man de aandacht van zijn vrouw. Ze keek op van haar iPad en volgde de blik van de man. Die knikte eerst naar een grote jerrycan met water en daarna naar het doelwit voor dat water: de jongens die hun doorweekte dochter achtervolgden.
    De vrouw glimlachte en schudde toen langzaam het hoofd. Haar fatsoen was sterker dan het medelijden met haar dochter. Dat nam me voor haar in.
    Ik stond op, pakte een spuit en holde achter de jongens aan. Het duurde even, maar toen waren ze net zo doorweekt als het kleine meisje.
    Terwijl ik stond uit te hijgen en wachtte tot de dansende vlekken uit mijn gezichtsveld wegtrokken, vroeg het kleine meisje of ze mij nat mocht maken.
    De moeder zei tegen haar dat ik juist probeerde te helpen.
    Ze negeerde de moeder. ‘Mag het?’ vroeg ze weer aan mij.
    Ik zei dat het mocht.
    Ze leegde haar emmertje met een laf boogje over mijn broek.
    Toen riep ze: ‘Ha ha, je kont is nat. Kijk mamma, zijn kont is nat, ha ha.’
    ‘Sorry,’ zei de vrouw tegen mij.
    ‘Geen probleem,’ zei ik.
    Met de broek als een natte luier om mijn heupen, begon ik terug te lopen naar onze plek.
    De zon verblindde me. Hij hing recht voor me, net boven de boomtoppen. Door de spleten die mijn oogleden open lieten, keek ik het naar het gras vlak voor mijn voeten.
    Toen ik aan het licht was gewend en weer opkeek, zag ik de tent. Hij stond op me te wachten, strak en rimpelloos, in een aura van hard wit licht, als een object uit de toekomst. Ik hoefde alleen maar naar binnen te gaan en ik zou meegenomen worden.
    Ik begon me nu al te verheugen op het afbreken.




Niet dezelfde plek (2)

Eerder: deel 1.

Toen de gescheiden vriendinnen hun huisraad hadden ingeruimd en hun kinderen hadden opgestart, konden we de andere mensen op het veldje even doornemen.
    Er was het lesbische stel dat de gehele vakantie in harembroeken doorbracht en hand in hand naar het washok liepen. ‘Die zijn nog niet zo lang samen,’ mompelde mijn vrouw. Ik hoopte dat ze gelijk had. Handhouders stellen relaties met meer pragmatische omgangsvormen in een schril daglicht.
    Ze hadden een klein meisje bij zich dat de mollige van het stel aansprak met mamma en de ander met haar voornaam. Het kind wilde ook af en toe met de voornaam spelen. Meer zei ze niet, alleen dat: ik wil met je spelen. Dan glimlachte de vrouw beleefd naar het kind, zoals als een sommelier naar een dinergast kijkt die heeft gemeld zin te hebben in een ‘lekker wijntje’. Daarna begon ze geduldig aan een serie vragen om de kinderwens nader te specificeren.
     Een keer had het meisje gezegd dat ze een voorstelling wilde geven met de vrouw. Alle kinderen van het veldje verzamelden zich op de draaimolen, bij wijze van publiek. Het meisje zei: ‘Ik ben de prinses.’ Toen liep ze een eindje weg. ‘Je kunt me niet zien, want dat is zo bij voorstellingen.’ Ze bleef staan. De vrouw keek licht nerveus naar het publiek. Iemand op de draaimolen vroeg wanneer het nou begon. Toen kwam het meisje terug. ‘Ik ben de prinses,’ zei ze weer.
    ‘Dan ben ik de prins,’ zei de vrouw ineens. Ze trok het meisje achterover en gaf haar een lange, innige kus op haar mond. Daarna keek ze tevreden naar het publiek.
    ‘Nee, nee,’ gilde het meisje. ‘Niet kussen, ik ben de prinses.’ Ze had haar mond afgeveegd en was boos weggelopen. De vrouw had toen maar een buiging gemaakt naar het publiek.

Verder stonden er alleen gezinnen op het veld. Er was zegge en schrijven één man gesignaleerd die buiten een zichtbaar gezinsverband opereerde. Op een avond arriveerde hij per OV-fiets met een klein rugzakje over de schouder. Hij sloot prompt aan bij het lesbische kampement. Een groot deel van de avond zagen we alleen zijn benen, die uit het koepeltentje staken waar het dochtertje in sliep.
    Ik hoor mijn vrouw zelden of nooit roddelen, al heb je daar ook iemand voor nodig die meedoet en ik heb er weinig aanleg voor, behalve een gebrek aan morele principes. Maar nu stortte ze zich met een zekere verbetenheid op het doorgronden van het verhaal van de man met de OV-fiets. Misschien was hij kortstondig getrouwd geweest met de moeder van het kind. Maar die mogelijkheid schrapte ze uiteindelijk. Het lukte haar niet om de man aantrekkelijk te vinden en dat was een vereiste, ook voor een fantasie over een inmiddels gedoofde liefde. Het kwam door de OV-fiets, concludeerde ze bedremmeld. Blijkbaar liet het geelblauwe voertuig, een groot uitgevallen kinderfiets, zich niet verenigen met de belofte van erotische ontroering.
    Mijn vrouw is zelf fervent gebruiker van de OV-fiets en dat feit was haar niet ontgaan toen ze haar oordeel over de man uitsprak. Zelf hield ik mijn mond. Ik verplaats me regelmatig met een vouwfiets. Die zou ik nog hoger op de lijst van erotiekwerende vervoermiddelen zetten.
    Het roddelen maakte plaats voor een beduusd zwijgen aan weerzijden van ons campingtafeltje.

(Wordt vervolgd.)




Niet dezelfde plek

We gingen naar dezelfde camping als vorig jaar. Als ik dat aan iemand vertelde, was de volgende vraag steevast: Ook dezelfde plek?
    Nee, het was niet dezelfde plek. We stonden een meter of acht verderop en daarover was ik enigszins ontstemd. Vorig jaar waren we min of meer per toeval op nummer 208 beland, maar daarna heb ik aan zoveel mensen verteld hoe optimaal die plek was – tussen de bomen, een mooi stuk gras erbij, de kont naar de buren, zicht op het speeltuintje met onze kroost, buiten gehoorsafstand van het toiletblok maar niet te ver voor nachtelijke kinderplassen – dat ik het zelf ben gaan geloven. Als ik eenmaal iets geloof, dan raak ik er niet meer zomaar vanaf. Dat komt omdat mijn religie veel werk maakt van bewijsvoering en bewijzen moffel je niet zomaar weer onder het gras. Met apodictische geloofsartikelen heb ik niets.
    De hele vakantie observeerde ik de mensen die dit jaar op 208 stonden met een zekere vijandigheid. Ze hadden hun tent verkeerd gezet en daardoor werd een groot deel van de optimaliteit verkwanseld. Ze hadden net zo goed op onze plek, 209, kunnen staan. Ook hielp het niet dat de vrouw hun kinderen filmde met een iPad.
    Elk jaar neem ik me voor om Applebezitters van de deportatielijst af te halen, maar telkens blijkt dat ze er niet af willen. Misschien moet ik hen gaan zien als rokers. Mensen die we een zwakheid gunnen, zolang ze extra accijns betalen en hun hobby niet pal voor de ingang van gebouwen of in benauwde vergaderruimtes uitoefenen.
    We waren 208 misgelopen omdat halverwege onze vakantie twee gescheiden vriendinnen van mijn vrouw zouden komen met hun kinderen. Hun plekken moesten aansluiten op de onze en dat bleek alleen mogelijk met 209.
    De dames arriveerden op een zonnige zaterdagmiddag. Ik hielp hen met het opzetten van de tenten. We hadden ze snel overeind, maar overeind was niet genoeg, ik wilde dat ze strak en rimpelloos zouden staan. Het feit dat de dames zelf daar geen waarde aan hechtten, gaf mijn missie de heroïsche glans van de man die in zijn eentje de onverschilligheid van het universum trotseert.
    Het opzetten van de tent is het mooiste moment van de vakantie. Daar kan ik wekenlang naar verlangen. Het een na mooiste moment is het afbreken van de tent, als alle rommel eruit is en je eigenhandig de zelfgeschapen perfectie ontmantelt, alsof het je koud laat.
    Mijn vrouw vindt spirituele harmonie in het ontwerpen van een wiskundig optimale indeling van de kratten waarin we onze spullen opbergen, inclusief een zelf-referentiële krat voor spullen die niet in de krattenindeling passen.
    Onze verlangens zijn op onze verplichtingen gaan lijken. Er zijn ongetwijfeld levensbeschouwingen die dat als het pad naar geluk zien.
    (Overigens heeft mijn vrouw in de zeven jaar van ons huwelijk nog nooit het woord spiritueel in de mond genomen – en het woord harmonie alleen in combinatie met koperen blaasinstrumenten en goudkleurige fourragères. Je ontdekt pas achteraf wat je werkelijk aan iemand bindt. Ik heb ooit wel vrouwen liefgehad die graag over spiritualiteit mochten spreken. Ik gun ze het allerbeste, en een plekje op de deportatielijst, net onder de Applebezitters. )

Lees verder: deel 2.




¤

Ik bezocht een vergadering bij de NOS in Hilversum. Na afloop gaf een van hoofdredacteuren me een rondleiding. We liepen langs een bureau waar een journalist een item aan het monteren was. Toen ik mijn verbazing uitte dat de journalisten zelf monteerden, zei de hoofdredacteur: ‘Ze maken gewoon harde lassen tussen beelden. Dat is het journaal. Het mag niet mooi uitzien. Dat roept wantrouwen op.’

NOS redactie

28/08 - 0

Opgetrokken tennissokken

Een jongeman verdedigt in heldere zinnen zijn proefschrift tegenover zeven hoogleraren in toga. Op de eerste rij van de publiek zit zijn vader, een man wiens pantalon zo ver is omhoog gekropen dat de bedekking van zijn onderbenen nu vooral voor rekening komt van zijn witte, hoog opgetrokken tennissokken. De man heeft een kapsel dat alleen nog maar als parodie bestaat. Tussen de wijd openhangende panden van zijn colbertje rust een stropdas op het witte overhemd. Midden op de stropdas bevindt zich een gele gitaar en daar omheen dansen een aantal bonte figuurtjes die ik niet kan onderscheiden vanaf mijn positie. De das is volkomen verkeerd gestrikt. Het brede uiteinde reikt tot net onder de tepels, het dunne uiteinde is zo lang dat de man het overschot in zijn pantalon heeft gestopt. Het lijkt alsof de gele gitaar van een elektriciteitskabel is voorzien.
    De jongeman glimt. Hij onderkent de gebreken van zijn proefschrift, brengt die desgevraagd zonder omhaal onder woorden, maar hij glimt desalniettemin. Vroeger was hij ski-instructeur, lees ik in de korte biografie die achter in het proefschrift is opgenomen.
    De vader glimt ook. Hij slaat het ene been over het andere, trekt de tennissokken nog eens op en legt een hand op de ineengevouwen handen van zijn vrouw, de moeder.
    Het gebeurt niet vaak meer dat ik kan waarnemen waar de universiteit vroeger in moet hebben gegrossierd: sociale mobiliteit.




Holocaust-ontkenner

Vorige week verschenen er berichten in de krant over cyberaanvallen op en van het Nederlandse leger. Ik werd gebeld door een journalist die vroeg: ‘Is het mogelijk om heel Nederland plat te leggen met een cyberaanval?’ Die vraag krijg ik ongeveer een keer per maand.
    Het is een onderwerp waar overdrijving de norm is geworden. Degene met de meest levendige fantasie, domineert het debat. Voor alle duidelijkheid: het lijkt me zinnig dat het leger haar systemen kan verdedigen en, binnen militaire operaties, de systemen van tegenstanders kan aanvallen. Maar veel zaken die nu onder het kopje ‘cyberoorlog’ worden geschaard, zijn marginale vormen van criminaliteit of activisme.
    Laatst was ik te gast bij de VVD. Twee Kamerleden en tiental andere partijgenoten wilden zich laten informeren over het onderwerp cyberoorlog. Mijn poging om de overdrijving te bestrijden, stuitte op scepsis. Sprekers verontschuldigden zich telkens eerst voor het feit dat ze niet deskundig waren, om vervolgens mij toe te spreken over de ernst van de dreigingen. De kennisoverdracht verliep in andere richting dan verwacht.
    Op een gegeven moment sloeg de scepsis om in irritatie. Een jonge vrouw, waarvan later bleek dat ze als juriste aan de universiteit werkte, zei: ‘Ik vind het, met alle respect, nogal zinloos om te praten over of cyberoorlog wel of niet bestaat. Het lijkt me beter om ervan uit te gaan dat het bestaat.’
    Toen begreep ik: mensen zijn gehecht aan hun dreigingen. Die kun je niet zomaar afpakken.
    Ergens halverwege de bijeenkomst zei ik: ‘Ik voel me net een holocaust-ontkenner.’
    Op weg naar huis, vroeg ik me af aan welke dreigingen ik gehecht ben.




Schoktherapie

In een rek van een souvenirstalletje op de Wilhemstrasse, naast de Berlijnse muur, zag ik het tenue hangen van de Deutsche Mannschaft. Mijn vrouw en ik fietsten er langs. Even overwoog ik niets tegen haar te zeggen. Maar ik had schoktherapie nodig. Ik stopte, liep naar het rek en hield het tenue omhoog. Ze knikte. Dit zouden we meenemen naar huis, voor onze dochter van zes.
    De eerste week van het toernooi had onze dochter in het oranje gelopen. Toen Nederland de tweede wedstrijd had verloren, constateerde ze: ze zijn gewoon niet goed. Het was een zakelijke constatering, zonder teleurstelling.
    Tijdens de kwartfinales was ze eerst voor Frankrijk, want daar was oma op vakantie, en daarna voor Spanje, want daar woonde Sinterklaas.
    Toen we thuiskwamen uit Berlijn, trok ze meteen het Duitse tenue aan. Nu was ze voor Duitsland, zei ze. Toen ze later in bed lag, wist ze waarom: het was het land dat het dichtste bij Nederland lag. Met haar handen gebaarde ze: je had Duitsland en Nederland en daar zat helemaal geen plek meer tussen. Dichterbijer kon niet.
    Inderdaad.
    Als kind moet ik ook zo gedacht hebben. Ergens tussen toen en nu is iets misgegaan. Nu ben ik iemand die nog bijna dagelijks denkt aan het binnenkantje links van Robben dat uiteenspat op de rechtervoet van Casillas. Of aan Ambrosini die uit de dekking van Van Bommel is weggelopen. Of aan de driftige pasjes van Arsjavin langs Ooijer. Niemand denkt daar vrijwillig aan.
    Een tijd lang vond ik mijn overreactie amusant. Het is fijn om af en toe een mysterie te zijn voor jezelf. Weinig is zo onverdraaglijk als redelijkheid. Bovendien was mijn reactie functioneel: als je angst, hoop en teleurstelling uit het voetbal haalt, blijft er een soort balletvoorstelling over. Een matige balletvoorstelling begeleid door het geluid van een eindeloos doorspoelende WC.
    Maar de laatste tijd amuseert mijn teleurstelling me niet meer, ik wil er vanaf. De vraag is hoe. Ik bezit zekere vaardigheden op het gebied van het relativeren en voetbal is eminent relativeerbaar. Je hoort het mensen wel eens doen. Voetbal is een handvol miljonairs die tussen twee reclameblokken door achter een stuk leer aanhollen, dat soort teksten.
    Er is inderdaad geen enkele reden waarom je je eigen welzijn zou verbinden met de prestaties van voetballers. Die sluitende conclusie kent slechts een klein gebrek: een reden blijkt volstrekt overbodig te zijn.
    Het enige alternatief is mezelf te ontregelen. Noem het schoktherapie. In de trein naar huis vond ik een krantje met foto’s van een lachende Van der Vaart in het water van de Côte d’Azur. ‘Moet hij niet onder een dekbed ergens liggen huilen?’ vroeg mijn vrouw. Ik heb langdurig en geconcentreerd naar de foto gekeken. Dat was een begin. Toen dacht ik aan mijn meisje in Duits tenue. Ze juichte. Dat werkte nog beter. Straks juich ik voor de Italianen en dan kan de genezing niet meer ver weg zijn.
    De ochtend na onze thuiskomst, wilde mijn dochter het tenue aan naar school. Ik dacht: oei, misschien moet ze daar nog even mee moest wachten. Nog niet iedereen is klaar voor schoktherapie. Maar toen realiseerde ik me: het zijn kinderen. Het wordt Sinterklaas tegen pizza. Dat kan niet mis.




29/06 - 0
¤

Gisteren tekende ik vier contracten voor twee nieuwe boeken: een nieuwe roman en een bundel met oude en nieuwe stukken over mijn dochters. Voor die laatste zoeken we overigens nog een tijdschrift, waar nieuwe afleveringen periodiek zouden kunnen verschijnen.

contract

Ik heb lang gezocht naar een idee en een vorm voor de nieuwe roman. Die zijn er nu. De afgelopen twee maanden is het in een stroomversnelling gekomen. Dat verklaart ook meteen de stilte op het weblog. Eerst dacht ik dat ik geen tijd had om hier iets te schrijven. Maar die tijd was er best. Toen dacht ik dat ik niet naast de roman ook nog ruimte in mijn hoofd had voor stukjes. Maar die ruimte was er best. Van de week realiseerde ik me wat het was: ik had geen jeuk die gekrabt diende te worden. Ik heb regelmatig stukjes bedacht, maar als het moment kwam om ze uit te schrijven, bleek ik al een verzadigd gevoel te hebben van een dag werken aan de roman. En dus bleven ze ongeschreven. Het wordt vast weer beter, alhier, ooit.


20/06 - 3

Nieuwe column L1 Radio

Een nieuwe column voor L1 Radio, gebaseerd op het stukje over zandlopers van mensen met afstand tot de arbeidsmarkt, laffe liefdadigheid en nog zo wat zaken.




Voorgefrankeerd

Twee maanden geleden zat ik in een Maastrichts restaurant naast Cor Bosman, lid van de provinciale staten van Limburg. Het was enkele weken nadat Bosman landelijke bekendheid had verworven omdat hij een statenlid van de PvdA had omschreven als een ‘uitgekotst stuk halalvlees’.
    Een stuitende uitspraak, maar de ophef die daarop volgde onderstreepte ook iets dat me al vaker is opgevallen: er is een grote groep mensen die genot ontleent aan het verontwaardigd zijn.
    Toen ik naast Bosman zat vroeg ik hem of hij bedreigd werd. Hij haalde zijn schouders op. Zijn email had hij al tijden niet geopend. Wel kreeg hij ongeveer tien scheldbrieven per dag via de reguliere post, waaronder een dagelijkse brief van iemand die steeds een voorgefrankeerde bedrijfsenvelop gebruikte waaruit hij het bedrijfslogo had geknipt.
    Verontwaardiging is een hobby. Voor alle hobby’s geldt: ze moeten wel een beetje betaalbaar blijven.




In de gang van de school stond een vader van een vriendinnetje van mijn dochter. ‘Was het weer niet goed allemaal?’ zei hij tegen me.
    Hij doelde op een uitzending van het NOS Journaal van afgelopen vrijdag. Ik had commentaar gegeven – ‘een stukje duiding,’ noemde de redacteur het – op de ontdekking van een slecht beveiligde database met medische informatie.
    De vader van het vriendinnetje bracht mijn commentaar terug tot zijn kern: het was weer niet goed allemaal. Ik heb nu een kleine tien keer in een nieuwsprogramma opgetreden. Inmiddels is duidelijk: het onderwerp maakt niet uit, de behoefte waarin ik voorzie is steeds dezelfde.
    Als nieuwsredacties zeggen dat ze deskundig commentaar nodig hebben, dan bedoelen ze: gediplomeerde afkeuring.

23/04 - 2

De zandloper

Ergens in de gemeente Beek, Zuid-Limburg, douchen de mensen 1 minuut en 42 seconden korter dan voorheen. Zeggen ze zelf.
    Eerst hadden ze bezoek gekregen van een “Energieteam”. Het team had hen een zandloper gegeven voor in de badkamer. Toen de bewoners enkele maanden later gebeld werden, beweerden ze dat ze korter douchten. Gemiddeld 1.7 minuten korter.
    Of dat waar is, mag je betwijfelen. Ik vermoed dat de antwoorden van de bewoners op de telefonische enquête niet zozeer hun daadwerkelijke douchetijden uitdrukten, als wel hun wens om het Energieteam niet teleur te stellen.
    Volgens het persbericht bestond het team uit “mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt”. Ik weet niet precies welke tragiek er schuil gaat achter dat ambtelijke eufemisme. Ik stel me timide mensen voor in blauwe windjacks waarop het logo van het Energieteam is gedrukt. Terwijl je de koffie uitschenkt, frunniken ze onder de tafel met de ritssluiting van hun jack. Maar als het moment komt om de energiebesparingstips te geven, bloeien ze ineens op. Dit gedeelte hebben ze voorbereid, getraind, geleefd. Het hoogtepunt is de overhandiging van de zandloper. Bedankjes worden uitgesproken, handen worden geschud en het team wordt uitgezwaaid bij de voordeur.
    Als je na hun bezoek wordt gebeld met de vraag of de zandloper nut heeft gehad, dan wil je geloven dat je korter gedoucht hebt. Of je wilt op zijn minst dat de ander dat gelooft. En die ander, in dit geval de gemeente Beek, wil het ook graag geloven.

Wij hebben thuis ook zo’n zandloper. Er was een meisje aan de deur geweest, een collectante voor een goed doel. Omdat ik laf ben, doe ik mee aan alle charitas die mij thuis weet aan te treffen. Dit wetende is het onmogelijk om enige voldoening te halen uit mijn vrijgevigheid. Na elke gift blijf ik achter met een kater. Deze keer bleef ik achter met een kater en een zandloper.
    Ik gaf de zandloper aan mijn vrouw. Mijn vrouw doucht lang: ’s ochtends zo’n twintig, dertig minuten, vaak ’s avonds ook nog een keer. Dat heeft minder met lichaamsreiniging te maken dan met zelfmedicatie.
    Enige tijd geleden had ik me voorgenomen om te zwijgen over haar douchegebruik. Wat zelfmedicatie betreft, is het een van de meer onschuldige vormen. Mijn vrouw is niet aan de drank, zet thuis geen Sky Radio op en catalogiseert haar klachten jegens mij doorgaans in stilte. Bovendien heeft ze op mijn verzoek afgezien van een auto, wasdroger, vriezer, comfortabele binnenhuistemperatuur en het doorspoelen van de WC na kleine boodschappen, behalve als er bezoek is of de schoonmaakster komt. Dus.
    Toch moest ik haar die zandloper geven. Er was geen ontkomen aan, ook al wist ik dat hij geen enkel effect zou hebben. Ze nam hem zonder zichtbare reactie in ontvangst. Toen ik hem een paar dagen later aantrof op de kast, heb ik ‘m zelf op de deur van de douchecel geplakt.
    Inmiddels gebruiken de kinderen het zuignapje ervan om te tekenen op de beslagen deur.
    Nu is het wachten op het moment dat het meisje terugkeert, die van het goede doel dat ons de zandloper heeft gegeven. Bij haar volgende collecte zal ik zeggen: het is een wonder, we douchen ineens korter. Ik heb het even uitgerekend voor je: 1 minuut en 42 seconden korter, om precies te zijn. En vervolgens zal ik mijn portemonnee trekken.




Iets moois

Na afloop van het interview, vroeg ik aan de journaliste van RTL Nieuws wat ze onder mijn naam zou zetten, aan het begin van het journaalitem. Dat vond ze een goede vraag.
    De cameraman had een shot nodig waarin ik zou doen alsof ik aan het werk was. Ik begon zo geloofwaardig mogelijk op mijn toetsenbord te tikken.
    Ik wilde dat ze vroeg wat mijn functie was. Niet dat ze die informatie zou gebruiken. Het zijn teveel woorden voor het kleine balkje dat maar even in beeld komt. Maar ik vond dat ze het moest vragen. En dan kon ik zeggen dat hij te lang was om het in het balkje te zetten.
    Eigenlijk wilde ik dat mijn titel genoemd zou worden. Het is een ontnuchterende constatering dat je je gehecht hebt aan een handvol letters. Alsof de jaren die eraan voorafgingen anders tevergeefs waren. Het is een beetje als met boeken die me niet bevallen: die lees ik toch uit. Niet uit plichtsbesef of een ander nobel motief, maar als een vorm van wraak op het boek. Door het uit te lezen, hoef ik het verlies niet te accepteren, de gedachte dat de uren die er al in gestoken zijn tevergeefs waren. Je kunt het ook hoop noemen.
    Maar goed. Ik durfde haar niet te vragen of ze de titel wilde gebruiken, want dat zou onbescheiden overkomen. Twee ijdelheden streden om voorrang, maar het was een ongelijke strijd.
    Ik vroeg of ze er in ieder geval niet telecomexpert onder wilde zetten, of iets dergelijks.
    ‘Zo werd je in de radiojournaal aangekondigd, hè?’ zei ze. ‘Het klonk inderdaad een beetje raar.’
    Ze beloofde dat ze er iets moois van zou maken.
    Toen ik het item ’s avonds op televisie zag, vergat ik te kijken naar het onderschrift. Een ongeschoren kop debiteerde een tegeltjeswijsheid.
    Later keek ik het fragment terug en las ik de woorden die mijn aanwezigheid in het item moesten verklaren: ‘Technologie deskundige.’ Met spatie. Het klonk als een grap. Nee, het was een grap.
    De vrouw had haar woord gehouden.




De zwetende mens (slot)

(Wat voorafging, staat hier.)

De brandstapel werd aangestoken. Toen was het tijd voor het voorbereidende gesprek. We gingen de tipi binnen en vormden een kring rond de leider van de zweethut, een sympathieke man van mijn leeftijd. Hij legde uit dat het idee was dat ons pantser zou smelten door de hitte en dat we daardoor dichter bij onszelf zouden komen. Als ik het goed onthouden heb.
    Toen vroeg hij ons waarom we waren gekomen.
    Een vrouw zei: ‘Om het leven te vieren.’
    Ik heb me altijd afgevraagd hoe dat er uit zou zien, het leven vieren. Een paar uur later zou ik een glimp van het antwoord opvangen: het laten van indrukwekkende boeren, afgewisseld met zingen in een soort fantasietaal.
    Maar zover was het nog niet.
    Toen ik aan de beurt was, zei ik dat ik er was gekomen om mezelf in het nauw te drijven.
    De leider vond dat geestig en vroeg of hij het op zijn website mocht zetten. Daar had ik niets op tegen.
    Ik zei ook dat ik het ritueel met de stenen beschamend had gevonden en dat ik die schaamte eigenlijk nogal overbodig vond. Als er iets moest smelten, dan graag het overschot aan schaamte.
    De leider knikte begripvol en vond het goed dat ik me bewust was van mijn weerstand.
    Ondertussen waren buiten twee vuurmensen druk in de weer met de brandstapel. De stenen moesten steeds ingekapseld blijven door het brandende hout. Op een gegeven moment gaf een van hen te kennen dat de stenen op temperatuur waren.
    Dat was het sein om naakt te gaan. Zonder ophef verdween alle kleding in meegebrachte weekendtassen of supermarktzakken.
    Even later zaten we in de donkere hut. De kleine ingang bleef nog even open, zodat de vuurmensen met een riek de eerste stenen naar binnen konden brengen. De basaltblokken waren zo heet dat ze oranje licht afgaven. Toen de ingang werd afgesloten, zaten we in een totale duisternis, afgezien van de betoverende gloed van de stenen in het midden van de hut. Er volgden enkele rituelen en al snel ging het eerste water op de stenen.
    Ik heb de neiging om wat daarna volgde samen te vatten in zes woorden: ik blijk niet bestand tegen hitte. In sauna’s heb ik nergens last van, maar dit was heel iets anders.
    Met een uiterste wilsinspanning kwam ik de eerste ronde door. Ik begrijp wel dat je moet proberen te ontspannen, niet moet vechten met de hitte, maar de hitte vocht met mij.
    Uit de duisternis klonk af en toe de stem van de leider, die op medelevende toon vroeg hoe het met me ging.
    Van tevoren had ik verwacht dat het verblijf in de hut op meditatie zou lijken. Stilte, ronddraaien in je eigen gedachten tot je vanzelf een keer op een andere plek uitkomt. Maar het was een drukte van jewelste. We moesten zingen, praten, luisteren en dan weer zingen. Ik had nauwelijks tijd om te kermen.
    Tijdens de tweede ronde zong ik uit volle borst mee met de indianengezangen. Als ik zong, had de hitte minder grip op me. De leider had les gehad en zong heel verdienstelijk. De rest improviseerde zelf wat. Wat ik deed, leek nergens op. Maar dat was een luxeprobleem. Tussen mij en de aftocht stond alleen vormeloos gezang. Ik huilde en jammerde mee. Het eerste doel was alvast bereikt: mijn schaamte smolt in hoog tempo.
    Tijdens de derde ronde, die draaide om dankbaarheid voor onze naasten, kreeg ik een paniekaanval. Het fenomeen paniekaanval is me vreemd. De enige keer dat ik iets vergelijkbaars heb gevoeld is toen ik als achtjarig jongetje per ongeluk een doelpunt maakte en de rest van het elftal boven op mij wenste te liggen. Ik kreeg geen adem meer en was er van overtuigd dat ik het niet zou overleven.
    Ik schreeuwde dat ik eruit moest. Maar ik wachtte wel gedwee op toestemming. Het respect voor gezag zit diep. De leider probeerde me te kalmeren, maar ik was te ver heen. Toen gaf hij de vuurmensen de opdracht om de ingang te openen. Ik kroop erheen en voelde de koele lucht langs mijn hoofd stromen. De leider vroeg opnieuw om even te wachten met het verlaten van de hut. Ik bleef zitten, in de buurt van de opening. Na enkele seconden ebde de paniek weg. Ik zei dat de deur weer dicht kon.
    Het restant van de derde ronde was de schaamte geheel weggesmolten, samen met het vermogen om na te denken. Toen het mijn beurt was om te ‘bidden’, kwam er een enorme woordenbrij uit mijn mond. Ik werd overspoeld door gevoelens van dankbaarheid. Na enige tijd onderbrak de leider me met het verzoek de rest van mijn gebed in één zin samen te vatten.
    Toen de ronde klaar was, wist ik met heel veel moeite uit de hut te kruipen. De vierde laatste ronde was kort en hevig. Dat ging beter. Daarna lagen we naakt in het donkere bos naar de sterren te kijken, wachtend op de terugkeer van normale lichaamsfuncties.
    We sloten de dag af met soep, brood en wat etenswaren die mensen zelf hadden meegebracht. Wijn, die in de hut naast me had gezeten en schijnbaar moeiteloos de hitte had verdragen, stortte ineens in. Totaal. Pas nadat hij een uur in foetushouding onder een deken had gelegen, was hij weer aanspreekbaar.
     De volgende dag deden we rustig aan. Ik probeerde het gevoel van dankbaarheid vast te houden en vroeg me af hoe ik mijn vrouw dit moest gaan uitleggen.
    Op maandag, anderhalve dag na de zweethut, herinnerde ik me delen van wat ik in de hut had gezegd. En ik kromp ineen. Letterlijk. Toen wist ik dat hij weer terug was, mijn vriend de schaamte.




De zwetende mens

We gingen dus naar een zweethut. Daan had me een paar keer over zijn ervaringen verteld en de laatste keer had ik mezelf uitgenodigd. Daar moest hij even over nadenken. Ik sta niet bekend om mijn ruimhartige bejegening van de zwetende medemens. Uiteindelijk stemde hij toe.
    We vroegen Wijn ook mee. En zo arriveerden we op een zaterdagochtend gedrieën in een bos tussen Nijmegen en Venray. De leider van de ceremonie zat met een bekertje koffie te wachten aan een picknicktafel, naast een tipi.
    Een voor een arriveerden de andere deelnemers – drie vrouwen en een man op een motor. De ochtend werd besteed aan voorbereidingen. We hakten brandhout, versleepten stenen en bouwden de hut door tientallen dekens te draperen over een iglovormig skelet van boomtakken.
    Na de lunch begon de ceremonie met het plaatsen van de stenen op de vuurstapel. Na negen rituele stenen, mochten de deelnemers enkele stenen aan iets opdragen. De vrouwen droegen stenen op aan de lente, de liefde en de natuur. De motorrijder droeg een steen op aan het wegennet. Dat nam me voor hem in.
    Ik overwoog een steen op te dragen aan de onverbiddelijkheid, maar ik merkte dat ik de lettergrepen opspaarde in mijn mond, als een fluim die ik de anderen voor de voeten zou spugen. Het leek me beter een ander woord te zoeken. Voordat het zweten begonnen was, verdiende de medemens het voordeel van de twijfel. Daarna vermoedelijk ook.
    De brochure had gesproken over het in contact komen met jezelf. Sommige van die contacten zou ik liever beperken tot verjaardagen en een kaartje met Kerst.

(Morgen verder.)




Nieuwe radiocolumn L1

Ook deze keer in het dialect, op veler verzoek. Het is een licht bewerkt gedeelte van dit stukje.




Slettebak

Gisteravond verscheen een rapport over de vermeende ‘integriteitsschendingen’ door wethouder Van Rey in Roermond. De conclusie hoeft niet te verrassen: de wethouder heeft zich niet aan de gedragscode gehouden.
    Gedragscodes zijn organisatorische fantasieën over de ideale mens. Ze drukken uit wie we denken dat we moeten zijn. Net als de tien geboden. De praktijk is dat ik mijn ouders alleen eer als ik een oppas nodig heb en dat ik op onbewaakte momenten ook wel eens de vrouw van een ander begeer, om maar iets te noemen. Pas als je iemand tegenkomt die elke dag zijn ouders eert en nooit de vrouw van een ander begeert, begrijp je dat de gedragscode geen ideaal mens schept. Waarmee ik mijn tekortkomingen niet wil wegpoetsen, overigens.
    De productie van gedragscodes is een bedrijfstak die ons zuiverheidsidealen verkoopt, net als de controle op de naleving ervan. De controleurs hebben altijd dezelfde boodschap: de code is niet nageleefd. Dan kun je concluderen dat onze ambtenaren en bestuurders door en door corrupt zijn, maar het lijkt me logischer om te concluderen dat de gedragscode een ondeugdelijk product is. Een brandalarm dat altijd afgaat, breng je terug naar de winkel. Je begint niet alvast te blussen.

In de schaduw van de zaak Van Rey speelde nog een vermakelijk akkefietje rond wetenschappelijke integriteit.
    Toen dagblad De Limburger afgelopen najaar de eerste aantijgingen tegen de wethouder publiceerde, voerde ze ook twee hoogleraren op – ‘deskundigen op het gebied van bestuurlijke integriteit’. De hoogleraren velden alvast een negatief oordeel over het gedrag van de wethouder.
    De lokale VVD noemde daarop de hoogleraren ‘prostituees van De Limburger’.
    Het beeld dat een regionale krant zich liet verwennen door twee hoogleraren, stemde me ronduit vrolijk. Twee instituten in verval die troost vinden bij elkaar, daar past slechts mededogen.
    Kort daarna trok de VVD die uitspraak weer in. Dat was een beetje jammer. De universiteit van Maastricht had rectificatie geëist. Ze vond het “meer dan een belediging”, maar een opmerking die de integriteit betwijfelde van haar integriteitsdeskundige.
    Dat roept de vraag op: bestaat er zoiets als een integere prostituee? Natuurlijk bestaat die.
    Prostitutie is in de eerste plaats een zakelijke transactie. Het lijkt me dat je die op een integere manier kunt afwerken. Wie zegt dat het niet kan, verklaart het kapitalisme één grote integriteitschending. Dat laatste mag een populair standpunt zijn, daarmee is het nog niet correct.
    De reden waarom de universiteit zo fel reageerde op de term prostituees, is dat het een pijnlijke waarheid blootlegt: hoogleraren zijn op afroep beschikbaar voor het gerief van journalisten. Quotejes van deskundigen dienen een journalistieke pointe, niet andersom. Het heeft minder met wetenschap te maken dan met het verlangen naar aandacht. Ik zeg dit in het volle besef van het feit dat ik zelden of nooit een uitnodiging van een journalist afsla.
    Toen de VVD sprak over prostituees, schoot De Limburger de hoogleraren te hulp door te vermelden dat er van betaling geen sprake was. Dat onderstreept onbedoeld de tragiek. Als je de financiële transactie weglaat, blijft er van de prostituee alleen een slettebak over.




De borstkas van een Argentijn

Tijdens de lunch keek ik een deel van de halve finale tussen Nederland en West Duitsland van het EK van 1988. Die wedstrijd had ik nooit eerder gezien. Destijds boeide voetbal me niet. Ik herinner me dat ik met enkele klasgenoten in een Grieks restaurant aan de Rijksweg in Sittard zat. Tijdens het toetje hoorden we met enige tussenpozen claxonerende auto’s passeren. Geen van ons associeerde dat geluid met voetbal.
     Ik probeerde de verschillen te zien tussen voetbal van nu en dat van 1988. Die waren minder groot dan ik had verwacht. Wel viel me op dat de huidige obsessie met balbezit ontbrak. Beide teams probeerde snel naar voren te combineren en leken te accepteren dat de meeste van die pogingen zouden leiden tot balverlies. Je zou denken dat het spel daardoor aantrekkelijker werd, maar dat was niet zo. Het werd wel spannender.
    Andere detail: het feit dat men de bal nog mocht terugspelen in de handen van de keeper, maakt pressing nagenoeg onmogelijk. En juist daardoor was er weinig reden om terug te spelen op de keeper. Het gebeurde maar een handvol keren.
    Maar het meest opvallende was het morele universum waarin de strijd zich afspeelde, afgaande op het commentaar van Ten Napel. Terwijl Van Basten grossiert in schwalbes, klaagt Ten Napel over Duitsers die simuleren en kaarten aannaaien. ‘Dat hoort niet.’ De Nederlandse spelers maken meer overtredingen dan de Duitsers, maar het commentaar maant de Nederlanders aan om zich niet te laten provoceren dan de Duitsers.
    Er wordt wel eens gedaan alsof Wilders het slachtofferdenken heeft uitgevonden. Maar het is een nationale hobby.
    Een jaar of tien geleden kwam ik op een feestje in Berkeley een Amerikaan tegen die fanatiek voetbal volgde. Hij vertelde me dat Nederlandse elftal bekend stond als gemeen en achterbaks. Ik was geschokt door die mededeling. Nu denk ik: ook ik geloofde in de slachtofferrol. Ik herinner me nog de intense genoegdoening die ik voelde toen Bergkamp stiekem zijn noppen plantte in de borstkas van een Argentijn. Van dat genot ben ik nog steeds niet helemaal verlost.




Maand vijfendertig

Lieve Jules,

Ik zat op het toilet, toen ineens de deur op een kier ging die net breed genoeg was voor jouw hoofdje. Je bekeek me enkele tellen van top tot teen, tot je besefte dat je aanwezigheid een rechtvaardiging behoefde.
    ‘Pappa.’
    ‘Ja.’
    ‘Jij bent toch lie-hief?’
    Ik gaf toe dat ik lief was.
    Vanwege je leeftijd nam ik het je niet kwalijk dat je liefde als dekmantel gebruikte voor voyeurisme. Maar ik zeg je alvast: die truc heeft zijn langste tijd gehad. Er bestaat een slag vrouwen dat wangedrag op grote schaal witwast door het als liefde in de boeken op te nemen. Zo had ik ooit een vriendin die bij voorkeur midden in de nacht aan de relatie wilde werken. Wat zij liefde noemde, noem ik nu een gebrek aan medicatie. Op het moment zelf noemde ik het niets. Toen voelde ik vooral schaamte voor het feit dat ik zo weinig van haar hield dat ik haar nooit wakker maakte voor een goed gesprek.
    Afijn.
    Ook aan Vera en je moeder vraag je of ze lief zijn. Vaak is het een soort controlevraag. Je hebt veronderstellingen over hoe de wereld in elkaar zit, maar je houdt rekening met het feit dat je er naast kunt zitten. Ik kan je daar geen ongelijk in geven. Gisteren waren we op een verjaardag en toen wilde je zus je nog omruilen voor het kindje dat net een jaar was geworden.
    Een verwante vraag is: ‘Pappa, jij bent toch niet boos?’ Die krijg ik iets vaker dan goed is voor mijn zelfbeeld als ouder. Ik zucht en ik steun, het valt niet te ontkennen. Ik zou je willen uitleggen dat het geen verwijt is. Maar oefen ik al een jaar of twintig op die uitleg en vooralsnog heeft niemand zich echt laten overtuigen. Mijn hoop is dat je aan het gezucht gehecht raakt, zoals bestuurders van elektrische auto’s gehecht blijken te zijn aan het lawaai van de benzinemotor. Je kunt van mensen houden vanwege hun gebreken. Juist daarom.

Over gebreken gesproken, je vond de winter maar een matige uitvinding. Vorig jaar droegen we je naar buiten in de sneeuw. Je ging zitten en begon te huilen, tot we je weer naar binnen droegen. Dit jaar zette je zelf de stap over de drempel. De eerste schoen raakte de sneeuw en toen trok je de tweede erbij, zodat je de eerste kon optillen. Vol afschuw keek je naar het witte spul dat aan je zool kleefde, alsof hondenpoep was. ‘Vies,’ luidde je oordeel. En toen wenste je weer naar binnen te gaan. Het kan zijn dat ik toen even gezucht heb.
    Nu de sneeuw is verdwenen, kun je eindelijk weer verder met je natuurkundige experimenten. Zoals naar de akoestiek van tunnels. Zodra we met de fiets onder iets doorrijden, roep je luidkeels: ‘Ha! Lo!’ Dat leidt soms tot verschrikte reacties bij andere fietsers. Daar heb je geen oog voor. Jij herhaalt de proef tot de echo is verdwenen. Toen we laatst met de tram door de tunnel reden bij station HS, wist je wat je te doen stond. Jij wist wat je te doen stond. Je riep ‘hallo!’ en constateerde verrast dat er geen echo klonk, terwijl we toch echt in een tunnel waren. Om elke twijfel uit te sluiten, riep je zo hard je kon: ‘Haaallooooooh!’ Dat leidde tot verwijtende blikken van de medereizigers. En gezucht. Je zult vaart moeten maken, het aanzien van wetenschap brokkelt af waar je bij zit.




Wiebelend duimpje

We liepen door de Gamma, mijn dochters en ik. Ik hou van mijn kinderen, maar er zijn projecten nodig om de liefde in goede banen te leiden.
    Ik had aan Vera, de oudste, uitgelegd wat we zochten: een flexibel stuk buis waar haar duim in paste. Als een speurhond trok ze langs de schappen.
    Er waren bijna geen andere bezoekers. Aan de klantenbalie hingen vier medewerkers de tijd te doden. Ze begroetten ons vriendelijk.
    Af en toe riep Vera dat ze het gevonden had. Er was geen montageset voor een mengkraan of doosje van dertig PVC-bochten voor electriciteitsbekabeling of ze ontdekte er een duimdik, flexibel ogend buisje tussen.
    Ik had gehoopt dat ze tuinslang van verschillende diameters per strekkende meter zouden verkopen. Ik had maar twee handlengtes nodig. Maar de tuinslangen waren alleen te koop in geplastificeerde trossen van vele meters.
    Toen moest ze plassen.
    We gingen op zoek naar een toilet.
    Op de sanitairafdeling ontdekte de dames tot hun grote vreugde een WC. Vera maakte al aanstalten om haar broek te laten zakken. Ze reageerde enigszins confuus op mijn betoog dat deze toiletten niet gebruikt mochten worden.
    Ik vroeg een medewerker  waar ik de toiletten kon vinden.
    Zijn arm ging al in de richting de sanitairafdeling. Toen liet hij hem zakken en vroeg: ‘Bedoelt u een toilet om meteen te gebruiken?’
     Met zijn drieën brachten we vijf gezellige minuten door op het toilet van de Gamma.
    Aan Vera legde ik uit dat het rode koord langs de plint bedoeld was voor mensen die gevallen waren en niet meer konden opstaan. Jules vond het koord zelf interessanter dan de uitleg. Terwijl ik met Vera bezig was, stak ik een been uit om Jules op voldoende afstand van het koord te houden.
    Poging twee. We passeerden opnieuw de vier hangende medewerkers bij de klantenbalie. Goedemiddag, goedemiddag.
    Ergens voorbij het sanitair meldde Jules dat ze ook moest plassen. Ze draagt pas twee weken geen luier meer, dus ik complimenteerde haar met het feit dat ze het aan me meldde voordat het te laat was. Toen holden we terug naar de toiletten.
    Poging drie. De hangende medewerkers keken nu enigszins wantrouwend.
    Het aanbod flexibele buisvormige voorwerpen van de Gamma was teleurstellend. Helemaal achterin, net voor het timmerhout en de tuintegels, vonden we cilindervormig isolatiemateriaal voor radiatorbuizen. Beter dan dit werd het niet. Vera wilde graag de maat die zo strak om haar duim ging dat ze ‘m er bijna niet meer uit kreeg. Ze neemt opdrachten heel serieus. Na enig retorisch hoogstandje van mijn kant, nam ze genoeg met een buis die haar bloedsomloop niet geheel stillegde.
    Op de weg terug naar de kassa, vonden we nog een kleurrijke verzameling tie-wraps. Er zat geen roze bij, maar het pakket werd toch met vreugde ontvangen.
    Voor mijn vrouw nam ik een emmer wasmiddel mee van industriële omvang – zo groot dat het wel een enorme besparing moest zijn. De bijbehorende rekensom kon ik zo snel niet uitvoeren, maar gaat om het gebaar.
    Toen we eenmaal thuis waren, knipte ik twee stukken van de buis, van een handlengte elk. Daarna knipte daar weer een stuk uit, zodat het over haar duim en langs haar de zijkant van haar hand paste. Ik prikte er een gat in en bevestigde het geheel met een tie-wrap rond Vera’s pols. Toen hadden we, voor vier euro twintig, twee anti-duimzuig-apparaten gefabriceerd.
    We keken met trots naar het resultaat.
    ‘Het is echt mooi, pappa,’ zei ze.
    Ik knikte.
    ‘Kijk, ik kan wel zo mijn duim eruit halen.’ Ze trok het elastische buisje omhoog en toonde een wiebelend duimpje.
    Ze zag de teleurstelling op mijn gezicht. Toen zei ze snel: ‘Maar dat zal ik niet doen. Echt niet.’ Ze legde een hand op mijn onderarm. ‘Dat beloof ik, pappa.’
    Troost van een zesjarige. Soms is falen mooier dan succes.




Het hoogtepunt uit mijn loopbaan

Alles moest in dozen. Morgenmiddag word ik samen met 500 andere medewerkers naar een nieuwe kamer verhuisd.
    Mijn collega’s waren naar huis. Ik zette luide muziek op en begon met het vullen van de papiercontainer. Artikelen die ik ooit had gelezen. Artikelen die ik ooit had moeten lezen. Een halve meter afstudeerscripties. Twee ongeopende dozen met exemplaren van mijn proefschrift. Stapels oude tentamens.
    Ik kwam drie dozen tegen van de vorige verhuizing. Nooit meer ingekeken. Nieuwsgierig trok ik een vuistdikke stapel papier uit een doos. Het bleken stukken van een samenwerking die nogal pijnlijk geëindigd was. Toen besloot ik dat ik geen tijd had voor nostalgie.
    Achter een rijtje boeken trof ik twee sledes met dia’s. Relikwieën van een oude beschaving van voor de uitvinding van Powerpoint. Ik had de neiging om ze te bewaren zodat iemand ooit nog zou kunnen grijnzen om deze curiositeit. Maar ik kon niet verzinnen welke iemand dat zou zijn.
    Halverwege het uitruimen van de twee boekenkasten, stuitte ik op anderhalve meter publicaties van mijn hand. Alles wat ooit was uitgekomen met mijn naam erop. Veel daarvan in meerdere exemplaren, om uit te kunnen delen. Nu, jaren later, stond het nog steeds klaar om uitgedeeld te worden.
    De oogst van een kleine twee decennia wetenschap. Ik zag titels die wanhopig probeerden te ontsnappen aan de futiliteit van de observaties die in de pagina’s erna uitputtend werden omschreven. Ik zag een dun rijtje publicaties, als een jaarring, van een periode waarin ik wetenschapper was bij gebrek aan een beter idee. Het was lang geleden dat ik aan die periode had gedacht. Ik zag een boek dat uitgegeven was door Oxford University Press en dat lange tijd het hoogtepunt was geweest uit mijn loopbaan. Misschien was het dat nog steeds.
    In de bureaulade had ik een cheque gevonden van Oxford University Press voor de royalties van het hoogtepunt uit mijn carrière: $13.03. Ik had de cheque nooit geïnd omdat de verwerkingskosten van de cheque hoger waren dan het bedrag dat erop stond.

    Er drongen zich rekensommen aan me op over het aantal uren van mijn leven dat op die kastplank was achtergebleven.
    Maar ik zei al, ik had geen tijd voor nostalgie.
    Een paar planken daaronder trof ik een serie bakjes met een opbergsysteem dat ik niet meer kon achterhalen. In een van de bakjes lag een tekening van Kamagurka. ‘Het ruikt hier naar onzin,’ luidde de tekst. Uit een periode waarin ik dacht dat zelfspot een effectief antwoord was. Die periode duurde nogal lang.
    Ik schoof alles in een doos.
    Er verscheen een man in de deuropening die een formulier op de deur plakte met instructies voor de verhuizers.
    Hij keek een ogenblik naar me. ‘Redelijk melodramatische muziek,’ zei hij.
    Ik knikte. Het was iets larmoyants van Nick Cave.
    Toen de man weer weg was, zette ik andere muziek op. Het quotum zelfmedelijden was wel weer op dit jaar.
    Een uur later was ik klaar. In de gang trof ik onze twee Iraanse medewerkers. Ze waren nog aan het inpakken.
    De jongen vroeg of ik veel had weggegooid.
    Ik zei dat ik alles snel in dozen had gekwakt. Dat de aanblik van mijn eigen publicaties te deprimerend was om te selecteren wat kon worden weggegooid.
    Hij schudde zijn hoofd en zei: ‘Ik hoop dat ik ooit zo gedeprimeerd word als jij.’




Stil verwijt

We hebben twee konijnen te logeren, van de buren. Het hok staat naast de vuilnisbakken. Ik gooide net wat afval weg en zag ze zitten, in het donker. Ze schrokken van het dichtklappen van de afvalcontainer.
    De witte heet Smokey, de naam van de zwarte weet ik niet. Ik hoor de buurmeisjes alleen over Smokey praten. Er zit een zeker ontzag in hun stemmen als ze mijn kinderen inwijden in de wensen van het konijn. Ze zijn de exclusieve woordvoerders van een mysterie.
    Het leek me koud in het hok. De dieren waren bovendien in de meest tochtige en zichtbare hoek gaan zitten, als een stil verwijt. Ik heb niet bedacht dat ze hun leven achter gaas in de achtertuin van een rijtjeshuis moeten doorbrengen, maar tegen zoveel hulpeloosheid is geen argument opgewassen.
    Er zijn allerlei redenen waarom ik geen dieren in huis wens te hebben, maar dit is de belangrijkste: als ik een huisdier zie, zie ik een verwijt.
    Terwijl ik naar binnen liep, kon ik me niet aan de indruk onttrekken dat twee paar ogen me indringend volgden.
    Ik ruimde het aanrecht op.
    ’s Middags had ik even de hoop gekoesterd dat ik de spitskool die in het groenteabonnement zat aan de konijnen kon slijten. De ontdekking van een gedeeld belang – wij verlost van de spitskool, zij van het stro – schiep een band. Maar volgens mijn vrouw waren ze recent bij de dierenarts geweest en die had enig overgewicht geconstateerd. Er was een dieet opgesteld en spitskool paste daar niet in, meende ze.
    De konijnen moesten hun lot in blakende gezondheid zien te dragen.




Column L1

Elke maand zal ik een radiocolumn inspreken voor L1, de regionale omroep van Limburg. De eerste afllevering werd vandaag uitgezonden – gebaseerd op mijn stukje over carnaval.
    Ik twijfelde erover of ik de tekst in het Nederlands of in het Limburgs zou voorlezen. Mijn vrouw haalde me over om het laatste te doen. Nu ik de column heb terug gehoord, neig ik ernaar om die keuze te herzien.




‘De dronken oliebol wil even knuffelen,’ zei mijn vrouw terwijl ze tegen me aankroop. Ze verwees naar een eerder stukje.
    Ik zei dat ze beter moest lezen. ‘Jij bent niet de oliebol, de activiteit van het knuffelen is de oliebol.’
    ‘Hm.’
    ‘Maar ik ben blij dat je je niet laat ontmoedigen.’
    ‘Wie zei dat ik me niet laat ontmoedigen?’ vroeg ze. Toen ging ze tandenpoetsen.

21/02 - 0

Een echte vogelverschrikker

Na de optocht stonden we in de harmoniezaal, omgeven door luide muziek en confetti. Ik dronk een piepke sjoes, met mijn jongste dochter op mijn arm. Als ik probeerde haar op de grond te zetten, deed ze alsof ze boven een krokodillenvijver bungelde. Benen omhoog en angstige blik naar beneden.
    Bij elke serveerster die passeerde, vroeg mijn moeder of ik nog een sjoeske wilde. Er passeerden nogal wat serveersters.
    Sinds ik getrouwd  ben, proberen mijn ouders me dronken te voeren met carnaval. Vroeger maakten ze zich zorgen dat ik teveel plezier had, nu verdenken ze me ervan dat ik te weinig plezier heb in het leven. Ouderlijke zorg houdt nooit op, alleen de middelen veranderen.
    Mijn vrouw was er niet bij. Vorig jaar had ze voor het eerst in haar leven carnaval gevierd, dit jaar bleef ze thuis. Ze is opgegroeid in Zoetermeer en heeft in Amsterdam gestudeerd. Zo iemand kun je niet elk decennium de polonaise laten lopen.

In de trein hadden mijn dochters en ik tussen de carnavalstoeristen gezeten. Sommige toeristen hadden werk gemaakt van hun kostuums, dat viel niet te ontkennen. Toch had het iets halfhartigs. Het waren pijnloze verkleedpartijen van mensen die wilden voorkomen dat ze er belachelijk uit zouden zien. Een gemiste kans.
    De flirt met zelfvernedering is een van de meer sympathieke kanten van het carnaval. Ik herinner me dat ik als puber een keer verkleed was als bloem. Rond mijn gezicht zat een krans van grote schuimrubberen bloembladen. Ze hingen slap naar beneden, waardoor ik meer leek op een treurwilg. Een te krappe groene maillot en idem truitje omklemden mijn stakerige lijf – hetzelfde lijf dat ik in het zwembad met grote tegenzin blootstelde aan de blikken van mijn klasgenoten.
    Ik weet nog dat ik me onkwetsbaar voelde in het bloemenpak. Er was niets meer te verliezen.

Dit jaar was ik vogelverschrikker. Ik ben afhankelijk van wat mijn ouders op zolder hebben liggen. Het was vogelverschrikker of kip en vorig jaar was ik kip geweest.
    Mijn vader moest tappen, maar op een gegeven moment kwam hij even naar onze tafel. Hij zag me staan en schoot in de lach. ‘Vogelverschrikker!’ riep hij verrast, alsof hij het pak nog nooit gezien had.
    Mijn moeder draaide zich naar mij en leek ineens ook verrast. Met een licht zorgelijke stem riep ze naar mijn vader: ‘Ja, hij is echt een vogelverschrikker.’
    Ik glimlachte wat ongemakkelijk.
    Toen knikte mijn vader naar mijn halfvolle glas en vroeg: ‘Wil je nog een sjoeske?’




Vanavond ben ik in De Bonbonnière in Maastricht om deel te nemen aan een debat over "Het onbehagen in Limburg". Er is een bonte schare sprekers opgetrommeld, waaronder de verguisde Cor Bosman, met wie ik onlangs een boeiend interview las. De sprekers gaan in een strak format de discussie aan met elkaar en met de zaal. De toegang is gratis, maar ik heb geen idee of er nog kaarten zijn. Voor ik afreis, ga ik nog een rekwisiet kopen. Een debat is een vorm van theater, tenslotte.

16/02 - 0

Grimmige voldoening

Om kwart voor twaalf ’s avonds zou ik een kort radio-interview geven voor Met het oog op morgen van Radio 1. Ze stuurden me naar de studio van de regionale omroep West in Den Haag. Daar zou een verbinding met de studio in Hilversum worden gemaakt.
    Ik belde aan bij de studio, maar niemand deed open. Even later kwam een vrouw naar buiten en ik glipte achter haar naar binnen door de sluitende schuifdeuren.
    De hal was verlaten.
    Toen verscheen een man die vroeg voor wie ik kwam.
    Ik zei dat ik kwam voor een opname voor Met het oog op morgen.
    ‘Daar weet ík niks van,’ mompelde de man.
    Zonder iets te zeggen verdween hij in een regieruimte. Ik besloot hem te volgen.
    ‘Dat is niet aan mij doorgegeven,’ zei hij. Met een muis scrolde werktuiglijk hij door een emailvenster, alsof hij mij wilde bewijzen dat hij niet geïnformeerd was.
    Na een moment waarin we zwijgend tegenover elkaar stonden, besloot hij mij alvast maar achter een microfoon te zetten in een andere ruimte.
     Ik zag hem, achter het glas, bellen. Het enige dat ik kon verstaan was: ‘Nee, ik óók niet.’
    Uiteindelijk werd de verbinding opgebouwd.
    De regie in Hilversum vroeg of ik even iets wilde zeggen.
    ‘Zomaar iets zeggen?’ vroeg ik.
    Dat was voldoende.
    Even later kwam de man het kamertje binnen, trok de microfoon bij me weg en zei: ‘Hallo. Hallo Hilversum, hier West. Hoort u mij?
    Er kwam geen antwoord.
    Ik vroeg wat hij wilde vragen aan Hilversum.
    ‘Of ze even een factuurtje willen sturen. Nou moet ik het weer doen.’
    Hij vroeg nog een keer of Hilversum hem kon horen.
    Toen duwde hij de microfoon weer terug in mijn richting.
    ‘Wij luisteren wel naar Hilversum, maar Hilversum niet naar ons,’ constateerde hij met de grimmige voldoening van iemand die weet hoe de wereld in elkaar zit.




Maand zevenenzeventig

Lieve Vera,

Vanochtend kroop je bibberend boven op de verwarming om je kleren aan te trekken, ook kwam er nauwelijks warme lucht uit het rooster. Ik heb de thermostaat zo ingesteld dat het 16 graden is wanneer we opstaan. Op werkdagen gaat de verwarming dan meteen weer uit.
    Ik zou nu iets kunnen zeggen over het milieu of over het ongemak dat ik voel bij de gedachte dat we het huis warm stoken voor een uurtje comfort in de ochtend. Maar de waarheid is dat ik geniet van het afzien van genot.
    Dat is de prijs van beschaving: genot is omgeven door bezwaren. Tel maar eens op hoe vaak de reclame ons ‘onbekommerd genieten’ belooft. Gewoon genieten is bekommerd genieten, dat is de impliciete erkenning. De beschaafde mens heeft dat opgelost door de onderdrukking van genot zelf de plaats van het genot in te laten nemen. Het menselijke ras is een prachtige uitvinding, laat je niets wijsmaken.
    Ergens tussen het smeren van jouw lunch, het inpakken van een verweesd tartaartje voor mijn lunch, je haren borstelen, je zus aankleden, het inruimen van de vaatwasser en het op de trap leggen van jullie pyjama’s, vroeg je waarom ik de verwarming niet aanzette.
    Ik kan me niet meer herinneren wat ik precies antwoordde.
    Het lokte wel een vervolgvraag uit. Je vroeg: ‘Wat is dat, energie?’
    Vroeger, toen je net geboren was, verheugde ik me op het moment dat je zulke vragen zou gaan stellen. In mijn fantasie bracht ik je de liefde voor natuurkunde bij. In die fantasie was het echter nooit kwart over zeven in de ochtend en werd de vraag niet onderbroken door klappertanden – of zoals jij het noemt: bibbertanden.
    Ergens aan het einde van mijn onbegrijpelijke relaas viel het woord ‘zonde’. Waar de wetenschap faalt, is er altijd nog het moralisme.
    Prompt zei je: ‘O ja, pappa. Nu snap ik het. Dan moeten we vanavond de verwarming ook niet aanzetten, want dat is zonde.’
    Het zal niet lang meer duren voor we ook aan jouw onbekommerd genieten een einde hebben gemaakt.
    Ik bood aan om je even op schoot te nemen en warm te knuffelen. Hoe onsmakelijk ik dat woord ook vind, ik knuffel je graag, altijd. Ik heb me vaak afgevraagd waarom dat niet geldt voor de volwassenen die me dierbaar zijn, in het bijzonder je moeder. Bij haar ervaar ik het knuffelen als een activiteit voor uitzonderlijke gelegenheden, zoals je een oliebol eet op oudjaar. Op alle andere dagen zie ik alleen maar een homp gefrituurd meel met een teleurstellend aantal rozijntjes. Niet iets waar ik trots op ben, overigens.
    Je nam mijn aanbod aan. Ik vouwde je op tot een pakketje en begon je warm te wrijven. Je bent zesenhalf en je lijf krijgt lengte en een zekere pezigheid. Na jou wilde Jules ook en toen ik haar omklemde besefte ik: dit is het echte werk. Een klein, zacht, onbeholpen pakketje mens dat ik met moeite los kon laten. Misschien had ik toch niets tegen volwassen vrouwen, maar waren hun lijven gewoon te lang en niet onbeholpen genoeg. Een geruststellende gedachte.

In de kou van de afgelopen maand, drong ook tot je door dat er kinderen bestaan die jou tot de middelmaat veroordelen. Je krabbelde heel verdienstelijk op je nieuwe schaatsjes en je liet je daar uitgebreid voor huldigen door ons. In je enthousiasme vroeg je een klasgenootje mee te gaan schaatsen. Al snel bleek dat ze aanzienlijk beter schaatste dan jij, een feit dat je zelf observeerde en dat je niet wenste te relativeren. Je was zo woedend dat je expres beroerd ging schaatsen, inclusief schwalbes, waarna je veinsde niet meer te kunnen opstaan.
    Je was altijd al een slecht verliezer, maar tot voor kort werd je boos omdat je meende dat er van onrecht sprake was. Je verloor omdat iemand vals speelde. Sinds kort weet je: je verliest omdat je inferieur bent. Er is maar een ding erger dan ten onrechte verliezen, en dat is terecht verliezen.
    Gisteren vertelde je moeder aan onze visite dat je erg competitief blijkt te zijn en dat je dat van mij zou hebben. Dat vind ik teveel eer. Ik zal niet bestrijden dat ik competitief ben, maar je moeder heeft in een aangeschoten bui wel eens bekend dat ze er van droomde zoveel te verdienen dat ze mij ontslag kon laten nemen en kon onderhouden. Dat is natuurlijk liefdevol, maar ook een poging om mij als huisdier te nemen. Dat knuffelt waarschijnlijk ook een stuk prettiger.
    Je superieur schaatsende klasgenootje kan ook nog eens beter lezen en tekenen dan jij. Mijn advies is: blijf in haar nabijheid en koester je woede. De koortsige hoop haar ooit te verslaan, is de meest betrouwbare bondgenoot die je kunt hebben. Op een dag sla je een arm om haar heen en dan zeg je: ‘Zullen we eens kijken wat voor mooie tekening je vandaag weer gemaakt hebt?’ Vanaf die dag hoef je het nooit meer koud te hebben.




Speciaal voor mensen die hun nabestaanden op hun begravenis met Eric Dolphy op willen zadelen is een woord bedacht: pretentieus. (zmmoccc, reactie 002 op Aantallen huilende mensen.)

10/02 - 0

Alzheimer Light

Tijdens een onderwijsevaluatie.
Ik:     ‘Het vak liep wel goed, vorig jaar. Toch?’
V:     ‘Ach jongen, mijn geheugen vertelt me nog wel allerlei bizarre details over bijrollen in Pasolinifilms in de jaren zeventig, maar over wat ik eergisteren deed tast ik soms in het duister. Een goede vriend in de gezondheidszorg noemt dat liefdevol alzheimer light.’
Ik:    ‘Alzheimer Light, klinkt als een product waar een markt voor is.’
V:     ‘Zonder enige twijfel. En dan vooral met veel liefdevolle verzorging en schoonheid.’
Ik:     ‘Dat is Alzheimer Lite Premium. Bij de gratis versie krijg je alleen Wordfeud en Sky Radio.’




Psychoanalytisch beschouwd is staking vergelijkbaar met zelfverwonding - de patiënt die alle greep op zijn leven verloren is, kerft dan maar in het eigen vel.
(Paul Verhaegh, Een gif dat het slechtste in ons naar boven haalt.)

08/02 - 0

Aantallen huilende mensen

Enige tijd geleden vroeg mijn vrouw me welke muziek er op mijn begrafenis gedraaid moet worden. Er was een aanleiding voor de vraag, maar die kan ik me niet meer herinneren. Ik geloof niet dat ik de dood ter sprake had gebracht.
    Er is een periode geweest, een jaar of tien geleden, dat ik vrienden schoffeerde door hun persoonlijk kwesties samen te vatten in vier woorden: angst voor de dood. Ik deed overigens hetzelfde voor mijn eigen persoonlijke kwesties. Ik had de dood ontdekt en hij bleek een handzame verklaring te bieden voor allerlei zaken waar ik mezelf mee kwelde op dat moment. Anderen waren er minder van gecharmeerd. Ze meenden dat ik hun vragen niet serieus nam. Ik geef toe dat mijn antwoorden wat eentonig werden, maar wat ernst betreft is de dood moeilijk te overtreffen – hooguit door de verloren WK-finale van 2010 of de metafysische vragen die mijn kinderen stellen. Zoals: wat is een gat?
    Bovendien gaf het verwijzen naar doodsangst  een zweem van diepgang aan de narcistische kwesties die ons als jonge dertigers bezig hielden. De beste rechtvaardiging voor een obsessie met jezelf is het feit dat je binnenkort ophoudt te bestaan.
    Laat ik zeggen dat mijn vriendendienst niet op waarde werd geschat. Het kwam zover dat gesprekspartners mij, nog voor ik iets had kunnen zeggen, interrumpeerden met de opmerking: ‘Ja ja, jij vindt dat weer angst voor de dood, natuurlijk.’
    Dat was meestal zo, maar door hun vroegtijdige onderbreking kon ik veinzen dat ik een ander antwoord in gedachten had gehad. Dat antwoord wenste ik niet langer mede te delen.
    Het is een wonder dat ik vrienden heb overgehouden uit die tijd. Twee, om precies te zijn.
    Het leed is hardnekkig. Vorige week nog, betichtte een van hen me ervan doodsangst te gaan opvoeren als verklaring voor zijn persoonlijke ongemak. Voor zover ik weet, heb ik dat al jaren niet gedaan. Maar het kan zijn dat hij daar anders over denkt.
    Afijn.
    Mijn vrouw vroeg dus naar muziek voor mijn begrafenis. Ik had meteen een antwoord, hetgeen verraadde dat ik hier vaker over nagedacht moest hebben. Vermoedelijk bezondigen de meeste mensen zich wel eens aan fantasieën over de eigen begrafenis, maar dat maakt het niet minder pathetisch. De eigenwaarde meten in aantallen huilende mensen. Aantallen verzonnen huilende mensen.
    Toen ik dit vorige week bij vrienden ter sprake bracht – inderdaad, dezelfde twee vrienden – kreeg ik prompt allerlei Youtube-filmpje toegestuurd. Nog net geen draaiboeken.
    Ik stelde me voor hoe de heren op tochtige perrons hadden gestaan of op de bank hadden gezeten naast een wrokkige geliefde en hoe ze kortstondig troost hadden gezocht in het beeld van hun eigen begrafenis. Als het om troost gaat, zijn veel middelen geoorloofd. Zo niet alle.




Het grote aanstellen

We zaten in een restaurant – W., D. en ikzelf. Een dag eerder was W. 44 jaar geworden en hij had al eerder toegegeven dat een onprettige gedachte te vinden, 44 jaar te zijn.
    De laatste jaren oefenen we in het toegeven. Drie mannen die de zelfopgelegde plicht zich niet aan te stellen, proberen de ontmantelen. Dat is zo gênant als het klinkt.
    Ik ben gehecht geraakt aan het gênante en vond dat het gesprek over het 44 jaar zijn te kort geduurd had. Of liever: niet pijnlijk genoeg was geweest. Dat had ik zien aankomen, dus ik had D. gevraagd om foto’s mee te nemen van de eerste jaren dat we W. kenden. Zelf had ik dat ook gedaan.
    Ik zei dat we even gingen rouwen om W.’s leven dat voorbij was en om alle levens die hij niet meer zou leiden. We bladerden door de foto’s en zagen onszelf.
    Op enkele stond ik zelf prominent in beeld. Het viel me op dat ik vroeger aantrekkelijk was geweest, ik kon er niets anders van maken.
    Toen D. op de achterkant keek van een foto, zag hij dat vroeger slechts acht jaar geleden was.
    Ik ben snel oud geworden, zei ik.
    Het is echt ongelooflijk, zei W.
    D. vond dat het wel meeviel.
    Nee, zei W. Het valt helemaal niet mee.
    Nee vooruit, zei D. Het valt inderdaad niet mee.
    Het was gênant allemaal, maar we boekten vooruitgang, dat viel niet te ontkennen. Het grote aanstellen lag binnen handbereik.




¤

Er zaten vier middelbare scholieren achter me tijdens de toneelvoorstelling Nero van NT Gent. Nero sprak over “drie monden” waarmee de hoeren over schoonheid spraken. De onderste mond maakte alleen zuigende geluiden. Bij die opmerking kregen de scholieren de slappe lach. Het was inderdaad een potsierlijk moment in een verder mooie voorstelling.


01/02 - 1

Tien geboden

Net voorbij de drogist stonden twee jongens en een meisje met klemborden. Of ze me iets mochten vragen over de tien geboden. Dat mocht.
    ‘Dank u wel,’ zei de kleinste jongen. Ik schatte hem op een jaar of dertien. Zijn kleding bestond uit een verzameling verwassen kleurvlakken zonder enige referentie aan een modetijdperk.
    ‘Vraag 1.’ De jongen tuurde fronsend naar zijn vragenlijstje. Het was in zijn eigen handschrift geschreven op een ringbandvelletje met blauwe lijntjes.
    ‘Wat vindt u van,’ souffleerde het meisje.
    ‘O ja. Wat vindt u van de tien geboden?’ vroeg de jongen opgelucht.
    Ik zei dat ik het een wat algemene vraag vond.
    De jongen knikte ernstig en noteerde een paar woorden op het ringbandvelletje. Daarna keek hij me vriendelijk, maar afwachtend aan. Ik schoot in de lach, omdat hij me nu een mening ging ontlokken over de tien geboden.
    ‘Het zijn algemene gedragsregels waarvan een deel nog steeds relevant is,’ zei ik.
    Nu begonnen ze alle drie te schrijven.
    Ik kreeg de indruk dat mijn antwoorden terug gerapporteerd gingen worden aan een hogere instantie. Misschien zou er in een kringgesprek met mededogen over mij en andere welwillende ongelovigen worden gesproken.
    ‘Is dat een goed antwoord?’ vroeg ik.
    De jongen keek vragend naar zijn collega’s. Er werd voorzichtig ingestemd.
    ‘U bent de eerste aan wie we de vragen stellen,’ zei hij bij wijze van toelichting.
    Toen kwam vraag 2. ‘Kunt u de tien geboden opnoemen?’
    Na niet moorden en niet liegen, werd het moeizaam.
    ‘Er is er eentje dat je niet je andermans vrouw en bezittingen mag begeren, of iets van die strekking.’
    De jongen keek me onbegrijpend aan.
    ‘Ja ja, dat is er een, geloof ik,’ fluisterde het meisje.
    De jongen noteerde met een zekere terughoudendheid alsnog mijn antwoord.
    Ondertussen was de andere jongen aan het bladeren in zijn papieren.
    ‘Wij kennen ze zelf ook niet,’ zei de kleine jongen.
    Samen bekeken we het velletje met de tien geboden.
    ‘Geen overspel plegen, die bedoelde u,’ zei de jongen.
    ‘Nee,’ zei ik. ‘Ik bedoelde deze: Zet uw zinnen niet op het huis van een ander, en evenmin op zijn vrouw.’
    De jongen las de andere geboden voor, ook die over het niet aanbidden van andere goden. Toen vroeg hij: ‘Gelooft u in meerdere goden?’
    Ik zei van niet, maar later dacht ik: alleen als je in God gelooft, geloof je niet in meerdere goden. Ik aanbad teveel goden, dat viel niet te ontkennen.




Een poppetje kleuren

Als we de deur uit gaan, zegt Vera dat ze niet zelf wil fietsen. Kom op, zeg ik.
    Even later fiets ik naast haar langs het donkere water van de Schie, in de richting van de roze streep ochtendlucht die boven de school hangt.
    ‘Iedereen zegt dat ik klein ben voor mijn leeftijd,’ zegt ze. ‘Maar ik ben niet klein voor mijn leeftijd. Ik ben gewoon.’
    ‘Zeker.’
    ‘Waarom zeg jij altijd zeker?’ vraagt ze wantrouwend.
    ‘Ik geef je gelijk.’
    ‘Iedereen in de klas is groter, maar die kinderen zijn ook ouder dan ik.’
    ‘Inderdaad.’
    Even maalt ze zwijgend omhoog naar de Tweemolentjeskade.
    Als we boven zijn, zeg ik: ‘Weet je, ook als je een beetje klein bent voor je leeftijd, ben je gewoon. Het gaat maar om hele kleine verschillen. Bovendien is iedereen anders. Kleiner, groter, slimmer, grappiger, sneller, sterker.’
    'Ja-haa. Dat weet ik allang. Dat hebben we bij HVO al gehad.’
    HVO is humanistische vorming en iets met een o. Ooit moesten we een formulier invullen om toestemming te geven dat ze daaraan zou meedoen. Mijn vrouw heeft overwogen die toestemming te onthouden.
    ‘Wat heb je bij HVO gehad?’
    ‘Dat iedereen anders is. Toen moest we een poppetje kleuren.'
    ‘Aha.’
    Dan beklimmen we het heuveltje bij de Koepoortbrug. Het laatste stukje trek ik haar. Vlak voor we linksaf slaan, in de richting van het schoolplein, zegt ze: ‘Jammer dat we al bij school zijn, ik zou nog veel langer willen fietsen.’




Smali en baksmali

Toen ik langzaam wakker werd, voor de wekker, waren de eerste woorden die tot me doordrongen: smali en baksmali. Het duurde even voor ik besefte waar mijn hoofd aan had gewerkt, in mijn afwezigheid.
    Gisteravond had ik urenlang rondgehangen op xda-developers.com. Mijn nieuwe telefoon draait Android en ergens in de paar weken die ik met het toestel heb doorgebracht heeft zich een ambitie in mij genesteld: ik wil een aangepaste email-widget – dat is venstertje op het thuisscherm waarin mijn zakelijke inbox direct zichtbaar is. Zwart op wit is de standaardvormgeving, ik wilde wit op doorzichtig.
    Sommige ambities zijn een vorm van masochisme.
    Het leek me dat iemand dat al gemaakt moest hebben. Eerst zocht ik naar een geschikte app. Lang verhaal kort: was er niet, mede omdat ik de nieuwste versie van Android heb.
    Maar dan zijn er nog de knutselaars. Op xda-developers.com is een thread van 304 pagina’s and counting waarin zo ongeveer elke denkbare widget doorzichtig is gemaakt en van bijpassende tekstkleuren wordt voorzien.
    Maar de mensen deze tweaks schrijven, zijn zelf geen gebruikers van programma’s voor zakelijke emailaccounts. Dat is software voor oude mannen in grote kantoorgebouwen. De widgets voor Facebook, Twitter en Gmail waren allang aangepast.
    Ik vroeg op de site of iemand de email-widget voor me wilde aanpassen. Ja hoor, zeiden twee mensen – want zo’n site is het. Een paar dagen later gaven ze het op. Het bleek ingewikkelder dan de andere widgets, omdat het dieper in Android was ingebed. Het was ongetwijfeld oplosbaar, maar ja, ze gebruikten het emailprogramma zelf niet. Dus.
    Bij elke stap in dit proces, probeerde ik af te haken. Ik bespotte mijn verlangen naar een gestroomlijnd thuisscherm. Ik hield mezelf voor dat ik geen tijd heb voor deze flauwekul. Ik probeerde met nieuwe waardering te kijken naar de standaardwidget. Hij kende misschien enkele esthetische beperkingen, maar er was best goed over nagedacht.
    Het hielp niet. Ik werd steeds verder naar de dark side gezogen.
    En zo bekeek ik gisteravond hoe je apk’s kunt decompilen, xml kunt bewerken in een disassembler en wanneer je resources.arsc moet verwijderen voordat je gewijzigde code via de abd tool terug kunt pushen naar de geroote telefoon. O, en hoe je smali en baksmali gebruikt om machinecode aan te passen.
    De afgelopen twee dagen had ik, voor het eerst in maanden, weer tijd om aan mijn roman te werken. In eerdere perioden werd ik wel eens wakker werd met een idee voor een scene of een personage. Nu droomde ik over smali en baksmali. Gelukkig moest ik de kinderen uit bed gaan halen.




Ik keek Margin Call, een film die losjes gebaseerd is op de ondergang van de Lehman Brothers. Halverwege viel ik in slaap, maar dat gebeurt me tegenwoordig bij elke film. Wat me intrigeerde was dat de personages eigenlijk geen keuzes maken, maar hun handelen zien als het eenvoudigweg afwikkelen van het onvermijdelijke. ‘We have no choice,’ was de diagnose. Ik vermoed dat die diagnose grotendeels klopt. Een onbehaaglijk vermoeden.

25/01 - 0

Het mooiste

Vandaag werden de tuindeuren vervangen. Het aannemersbedrijf stuurde Chris – een oudere man met een goudkleurig brilmontuur en een glimlach waarachter een opeengehoopt gebit schuilging dat elke orthodontische bemoeienis had weten te ontlopen.
    Jules en ik zaten in onze winterjassen in de woonkamer, terwijl de vermolmde deuren uit hun scharnieren werden geschroefd.

deuren

    Ik had allerlei dingen te doen, maar ik stond een groot deel van de tijd het werk te aanschouwen. Vakwerk heeft een hypnotisch effect. Ik vermoed dat veel klusprogramma’s op televisie daarop gebaseerd zijn. Het oogt eenvoudig, binnen handbereik zelfs, en tegelijkertijd is het onnavolgbaar in zijn precisie. Het effect is niet afhankelijk van de moeilijkheidsgraad van de handeling, maar van het feit dat je iets met een zekere perfectie ziet ontstaan uit het niets. Tijdens het aanbrengen en straktrekken van de kitnaden ging ik dicht bij hem staan, aan de andere kant van het glas. Jammer genoeg waren er maar acht naden te kitten.
    Een jongere collega kwam een paar tochtstrippen brengen. ‘Hé Chrissie,’ zei hij bij binnenkomst.
    ‘Dag,’ zei Chris.
    ‘Alles goed hier?’
    ‘Ja hoor.’
    De jongeman babbelde wat tegen hem, maar Chrissie was niet van het babbelen. De jongeman wist dat en keek met een ironische en warme glimlach naar de man die inmiddels de tochtstrips op maat aan het zagen was.
    ‘Nou, dan ga ik weer.’
    ‘Ja.’
    Tijdens de koffiepauze vroeg ik hem hoe lang hij al bij het bedrijf werkte.
    Er kwam geen reactie. Hij roerde zwijgend in de koffie.
    ‘Ik moet even nadenken,’ zei hij ineens. ‘Achttien jaar.’
    ‘Ik werk toevallig ook achttien jaar bij hetzelfde bedrijf,’ zei ik.
    ‘Eigenlijk is het pas achttien jaar in oktober,’ zei hij. ‘Dus zeventien jaar.’
    Hij vertelde dat hij vanwege ruzie tussen de twee eigenaren was weggegaan bij het vorige bedrijf, zeventien jaar geleden.
    ‘Hier doe ik hetzelfde werk als daarvoor. Dat is natuurlijk het mooiste, als je hetzelfde werk kan blijven doen.’
    ‘Ja, is dat het mooiste?’
    Hij keek op van zijn koffie met een frons, de enige die ik deze dag te zien kreeg. ‘Ja, natuurlijk.’




Een behaaglijk gevoel van dreiging

Op weg naar Monschau begon het te sneeuwen. De koplampen wisten maar een kleine doorgang te kerven uit het duistere kluwen van golvend en zwenkend asfalt, overhangende bomen en kolkende neerslag. Onze huurauto had geen winterbanden.
    Tot na Aachen had het een van die vormeloze dagen geleken die gestaag de aanduiding ‘winter’ aan het uithollen zijn. Ik had mijn vrouw afgesnauwd omdat ze iets vond van de snelheid waarmee ik reed. Toen hadden we nog een snelheid waar je iets van kon vinden.
    Inmiddels hing er een geconcentreerde stilte in de cabine. Ook de kinderen zwegen. Hun smeekbedes om de volgende snack, waarvan ze de aanwezigheid in de auto vermoedden, waren verstomd. Mijn vrouw zei af en toe iets geruststellends tegen me, met een stem die ze reserveert voor noodsituaties.
    Een minuut of twintig warmden we ons aan een behaaglijk gevoel van dreiging.
    Bij aankomst bij het huisje waar het familieweekeinde zou plaatsvinden, kwam mijn vader naar de auto gelopen. ‘Nou, goed gedaan, Van Eeten,’ zei hij.
    Later bleek dat hij, met winterbanden, langs een andere route was gekomen – een met een steile klim die ons waarschijnlijk teveel was geworden. Hij had niet gezien dat we van de andere kant kwamen.
    Het eerste uur hielden de kleinkinderen en ik een sneeuwballengevecht. Schimmen slopen door de tuin en meden daarbij de plasjes licht die uit de ramen van het huisje vielen.
    Vera, de jongste deelnemer, vond het niet leuk dat niemand haar probeerde te raken.
    Toen we weer binnen waren, kwamen de spelcomputers uit hun hoesjes. Andere kinderen arriveerden, haalden hun eigen spelcomputers uit de tas en parkeerden zich zwijgend naast hun soortgenoten. Soms ruilden ze hun apparaten en brachten ze het poppetje van hun neefje of nichtje naar het volgende niveau.
    De volgende dag begon te dooien. De regen kleurde groene plakken in de velden.
    Mijn broer kocht een flatscreen-televisie in een enorme supermarkt aan de rand van een naburig dorp. Het oude televisietje dat in het huis stond, weigerde het signaal van de Wii. ‘Ik moest er toch nog eentje kopen,’ zei hij. In het winkelwagentje stond de doos met het scherm ingeklemd tussen de melk, pindakaas en sterke drank.
    De hele avond werd er getennist en gedanst voor de televisie. Alleen de oudste kleinzoon doorbrak de verdeling van mannen en vrouwen door met beide mee te doen. Hij versloeg alle vrouwen met het dansen. Zijn lichaamsbewegingen vertoonden geen enkele correspondentie met de muziek. Dat deed niemand hem na.
    Toen we naar huis reden, in een landschap dat van duister en mysterie was ontdaan door hard grijs licht en druilerigheid, vroeg mijn vrouw: ‘Wat was nou het verhaal van die flatscreen?’




Voor mijn gebit was het al te laat

Bij het kauwen op een hap cruesli brak een hoekje van een kies af. Dat was niet voor het eerst. Elk jaar breekt er ergens in mijn gebit iets af, dat gaat al een tijdje zo.
    Ik herinnerde me hoe ik vroeger bij het aanrecht van mijn ouders veinsde dat ik mijn tanden poetste. De schemerige keuken werd door een grijze harmonicadeur gescheiden van de woonkamer, waar mijn ouders televisie zaten te kijken. Ik zette de kraan aan, deed tandpasta op de borstel en bewoog vervolgens met de borstel langs de binnenkant van de spoelbak. Het schurende geluid moest poetsende activiteit suggereren. Ik maakte het geluid ongeveer even lang als ik meende dat een poetsbeurt zou duren.
    Om redenen die ik niet kan achterhalen, drong niet tot me door dat het ontwijken van het poetsen evenveel moeite koste als het poetsen zelf.
    Toen ik in de vierde of vijfde klas zat van de lagere school, stopte er een grote witte bus voor de ingang van de speelplaats. Er bleek een tandartspraktijk in de zitten. Elk kind werd opgeroepen. Ik weet niet hoe lang ik in die bus heb gezeten, maar ik kwam er uit met negen vullingen. Terug in de klas, liet ik dat getal met enige trots vallen. Het respect waar ik op hoopte, bleef uit.
    Ik bleef slecht poetsen, ook op de middelbare school. Dat veranderde pas toen een trompetiste bij harmonie zei dat ik uit mijn mond stonk. Ze maakte er verder geen ophef over. Ze zei het en daarna hadden we het over iets anders. Een jaar of twee later, zou ik haar voor het eerst zoenen.
    De harmonie heeft in allerlei opzichten mijn leven gered, maar voor mijn gebit was het al te laat.




And one of the things that writers very quickly learn to avoid is talking their work away. Talking about your work hardens it prematurely, and weakens the charge. You need to keep a fluid sense of the work in hand—it has to be able to change almost without your being aware that it’s changing. (Tobias Wolff, The Art of Fiction No. 183)

18/01 - 2

Toen ik de onderzoeksaanvraag had ingediend, voelde ik een beetje opluchting, maar vooral een enorme behoefte om boodschappen te doen. Alsof dat was wat de afgelopen weken aan mijn leven had ontbroken: boodschappen. In mijn hoofd had zich een rommelige verzameling goederen opgehoopt die nodig moesten worden aangeschaft. Het was geen lijst, dat veronderstelt overzicht. Bij het verlaten van een winkel herinnerde ik me steeds iets dat me weer naar een andere winkel voerde. Uiteindelijk moest Jules op het voorzitje, omdat de fietskar gevuld was met dozen wijn, pakken luiers, een voordeelverlpakking vochtige doekjes, dekens, al dan niet met dierenopdruk, en broden. De rest vervoerde ik in een rugzak en op het achterzitje. Op een gegeven moment viel Jules in het zitje in slaap. Toen brak ik de tocht af om haar naar huis te brengen. Op het laatste stuk typte ik al fietsend een email aan mezelf met het boodschappenlijstje dat ik aan mijn vrouw zou geven.

17/01 - 0

Mensen waar ik vroeger bang voor was

Al maanden werk ik aan een aanvraag voor een Europese onderzoekssubsidie. Ik vroeg zes universiteiten en een bedrijf om mee te doen. Inmiddels ben ik dertigduizend woorden verder – en 28 tabellen, negen figuren, een PERT diagram en een GANTT diagram.
    Ik heb Europese subsidies altijd gemeden, om uiteenlopende redenen. Die luxe kan ik me niet meer permitteren.
    Morgen is de deadline. Ik werkte het weekeinde aan het vervolmaken van alle werkplannen. Een onwaarschijnlijk priegelwerk met Milestones en Deliverables. Ik raakte in een soort trance.
    Net toen alles gereed was, kreeg ik een mail van een onderzoeker uit Cambridge, de wereldwijde autoriteit op het gebied van de aanvraag. Hij wilde toch meedoen.
    Mijn vrouw vroeg hoe het ging. Ik vertelde dat ik de werkplannen, begrotingen en een paar diagrammen moest overdoen omdat Cambridge ineens was ingestapt.
    ‘Zijn dat de mensen waar je vroeger bang voor was?’ vroeg ze.
    Het waren inderdaad die mensen.
    ‘Waarom lach je me uit?’ vroeg ze.
    Ik zei dat ik haar niet uitlachte. Ik was het vergeten. Een ogenblik voelde ik heimwee naar die angst.




Bahco

Ik had mijn pyjama al aan, toen mijn vrouw vroeg of ik haar fietsstuur even wilde vastzetten. Ze stond op het punt met de buurvrouw naar de film te gaan.
    ‘Het is een kwestie van de bout bovenop het stuur even aandraaien, met de bahco,’ zei ik.
    ‘Ja?’ zei ze. Het leek er niet op of ze iets ging doen met die informatie.
    ‘Heb je geen enkele wens tot enige zelfredzaamheid op dit terrein?’ vroeg ik. Het was een eerlijke vraag. Als ik moet kiezen tussen een bout aandraaien of iemand vragen om een bout aan te draaien, dan zal ik altijd de bout aandraaien. Iedereen komt vroeg of laat op een punt waar hulpbehoevendheid vernederend wordt. Bij mij ligt dat punt wellicht wat vroeg.
    Ze kwam naast mijn stoel staan, bukte voorover en gaf me een aai. ‘Schatje, ik wil van alles, maar dit soort dingen laat ik even lopen.’
    De buurvrouw klopte op het raam.
    Mijn vrouw deed de voordeur open.  Ze zei dat ze klaar was om te gaan, maar dat ze eerst het stuur nog moest vastzetten. ‘Michel vindt dat ik eens wat minder afhankelijk moet zijn.’
    ‘O, dan zetten we dat toch even vast,’ zei de buurvrouw.
    ‘Met de bahco,’ zei mijn vrouw.
    ‘Ja, ik weet wel welke dat is.’
    Ze namen afscheid en trokken de gangdeur achter zich dicht.
    Ik hoorde gegraai in de gereedschapskist. Toen gingen ze naar buiten.
    Even daarna klonk weer gegraai.
    Buiten werd druk overlegd.
    Ik stond op en keek in de gang. De bahco lag nog in de gereedschapskist. Ik pakte hem en liep naar buiten. De vrouwen stonden met de griptang in de aanslag bij de moer die op het frame zit, aan de onderkant van de stuurpen.
    Ik schoof de bahco om de bout bovenop het stuur en draaide hem vast. ‘O, die bedoel je,’ zei de buurvrouw.
    Tevreden liep ik weer naar binnen. Dat is de gunst die de hulpbehoevenden ons schenken. Even heb je de ander niet in de weg gezeten.

Update: alle baco's vervangen door bahco's. Met dank aan IJsbrand: "Gevoeligheid van een oud-werktuigbouwer, maar die dingen heten bahco, van Bernt August Hjort & Company. Baco is Bacardi-cola."




Het offer


Deprecated: preg_replace(): The /e modifier is deprecated, use preg_replace_callback instead in /home/miesepie/domains/bijzinnen.com/public_html/pivotx/includes/textile/classtextile.php on line 1011

Het gerucht ging dat de decaan ‘zijn’ toilet – dat wil zeggen, het toilet naast zijn kantoor – liet opknappen. Er waren inderdaad mannen in overalls bezig achter een haastig opgetrokken wandje van spaanplaat. En dat in tijden van bezuinigingen en de dreiging van ontslagen. Er werd schande van gesproken.
    Een paar weken later bleek dat alle toiletblokken in het gebouw werden opgeknapt. Ook dat plan werd kritisch bejegend, zij het dat het klagers geestdriftiger hadden geklonken toen de decaan nog van dure privileges beschuldigd kon worden. Het tentenkamp op het Damrak in Amsterdam is nagenoeg verdwenen, maar de Occupy-beweging heeft enkele oude volkswijsheden nieuw leven ingeblazen: mensen die meer hebben, zijn verdacht. En: maatschappelijke tegenslag is het gevolg van de morele gebreken van een bepaalde groep.
    Het toiletblok dat ik frequenteer, is inmiddels ook opgeknapt. In eerste instantie zag ik geen verschil, behalve dat het toiletgarnituur nu van grijs plastic was, in plaats van wit. Pas veel later viel me het grijze apparaatje op in de nok van de toilethokjes. Een automatische toiletverfrisser.
    Ik besefte ineens dat ik al enige tijd geen toilethokje had hoeven mijden vanwege de geur van de vorige gebruiker. Soms, als het andere hokje ook bezet bleek te zijn, ging ik naar binnen met mijn neus begraven in de holte van mijn ellenboog. Maar dat hoefde niet meer.
    Nu hangt er een penetrante chemische lucht die je doet vergeten dat er andere mensen bestaan met dezelfde behoeften als jezelf.
    Het is geen vriendelijke gedachte, maar daar offer ik graag een medewerker voor op.




¤
wandeling

Ik maakte een korte wandeling met mijn dochter. In de stilte van het bos, bekende ze ineens dat ze toch niet door de poortjes had gezwommen tijdens de zwemles, iets dat ze ons eerder trots kwam vertellen.
    ‘Maar ik heb niet gelogen, pappa.’
    ‘Nee, schatje, je hebt niet gelogen.’


11/01 - 1

Een belediging voor de echte nerds

De kerstboom was afgebroken en teruggebracht naar het asiel. De keuken was aan kant, het speelgoed opgeruimd, de vuilnisbak geparkeerd aan stoeprand van de donkere straat.
    Ik was als enige wakker in het huis. Er lagen enkele uren tussen mij en het einde van de dag.
    Ineens dacht ik aan een filmpje dat we bij wijze van Kerstkaart hadden gemaakt bij een site genaamd JibJab. Op de site kon je gezichten uit eigen foto’s laten monteren op dansende figuren die overdreven veel plezier hadden in de feestdagen.
    Ik koos voor Disco Christmas. Voor mezelf selecteerde ik een portret waarop ik nogal gekweld keek. Dat zag er minder eng uit dan de breed lachende variant.
    Samen met de kinderen bekeek ik het resultaat. Het viel niet te ontkennen dat dit een alleraardigste Kerstkaart was. Overal ter wereld versterkte Disco Christmas de familiebanden en verhoogde het de feestvreugde.
    De kinderen kregen er geen genoeg van.
    Toen kwamen de buurmeisjes langs. Ik startte nog een keer het filmpje. De buurmeisjes gilden het uit.
    Vera reageerde geschokt. ‘Je mag niet lachen als mijn mamma in beeld is!’
    Dat ze zelf had meegelachen, vond ze niet relevant.
    Niemand mocht de kaart nog te zien krijgen. Want dan zou er nog meer gelachen worden.
    Na lang aandringen, mocht ik de kaart aan opa en oma sturen. Een paar minuten later kreeg Vera buikpijn. We stuurden nog een extra bericht met de uitdrukkelijke instructie dat er niet gelachen mocht worden.

We hadden dus een ongeziene Kerstkaart.
    Eigenlijk doen we niet aan Kerstkaarten. Dat is zo’n opmerking waarvan de treurigheid pas tot je doordringt wanneer je de toehoorder begripvol ziet knikken.
    Ik wilde het filmpje opslaan. Ik weet niet hoeveel Kerstkaarten nog gaan volgen, maar veel zullen het er niet zijn. Bovendien: een bedrijf dat zichzelf JibJab noemde, leek me weinig geïnteresseerd in zijn eigen overleving. Om dezelfde reden wacht ik al jaren op het moment dat Yahoo! zichzelf hernoemt tot Yahoo!1@!2!!!!, om enkele maanden daarna de tent te sluiten.
    De site bood de mogelijkheid om te kaart te downloaden, maar daar moest ik voor betalen, terwijl ik voor het maken van de kaart ook al een euro of tien had betaald. Dat vond ik ruim voldoende voor een kaart die nagenoeg niemand had gezien. Ik besloot de Flashvideo van het discofilmpje uit de site te slopen en te converteren naar een normaal bestand. Een aangenaam klusje waarmee deze dag tot een goed einde kon worden gebracht. Ik had al eerder video geript van Uitzending Gemist, Youtube en zelfs BBC iPlayer. Ik zou mezelf geen nerd noemen, maar dat is omdat ik echte nerds niet wil beledigen.
    Eerst neusde ik wat in de HTML-code van de pagina. Dat was te hoog gegrepen. De link naar het videobestand bleef verborgen.
    Na enige gegoogel, downloadde ik een programmaatje dat de code van dergelijke sites volgt tot uiteindelijk het echte videobestand op de proppen komt. Het programma meldde dat er geen video op de pagina te vinden was. Ik verwijderde meteen de software, maar er bleven wel enkele verdachte mappen achter.
    Een volgend programma vond wel video. Mooi. Tijdens het downloaden ervan, zag ik dat het bestand maar 6Mb groot was. Dat betekende een matige beeldkwaliteit. Maar goed, de tien euro, of wat de download officieel ook maar kostte, hield ik mooi op zak.
    Ik speelde het videobestand af. Tevreden hoorde ik de beginklanken van het disconummer. Toen kwamen de gezichten in beeld. Onze vier gezichten waren vervangen door die van een nogal manisch ogende meneer. Raar.
    Ik besloot nog een ander programma te proberen. Dat leverde weer dezelfde meneer op. Bij het verwijderen van het programma, volgde de melding dat de verwijdering helaas niet kon worden voltooid.
    Mijn vrije uren waren verstreken. De mensen achter JibJab hadden inmiddels mijn respect.
    Ik had nog een troef in handen, een onfeilbare oplossing, zij het met meer gedoe. Ik installeerde Camstudio om het filmpje op te nemen van het scherm. Dat kon niemand tegenhouden. Het duurde even voor ik begreep hoe het programma werkte. Ik nam het filmpje op. Het lukte, we dansten weer gevieren de Disco Christmas. Alleen deze keer in stilte. Camstudio bleek niet het juiste audiospoor te kunnen vinden.
    Een zeurende hoofdpijn maakte duidelijk dat elk einde nu een goed einde zou zijn van deze dag. Ik opende voor de zoveelste keer het filmpje op JibJab. En klikte op de link: ‘High Quality Download’. In een rode rechthoek verscheen de prijs: $1.99. Mijn avond bleek besteed aan het ontlopen van een rekening van een euro en achtenvijftig cent. Herstel: het tevergeefs ontlopen van een rekening van een euro en achtenvijftig cent.
    Zoals ik al zei: het zou een belediging zijn voor echte nerds.




Liven polizi

Door een samenloop van omstandigheden ontmoette Vera, onze dochter van zes, de plaatselijke politiecommandant. Ze overhandigde hem een brief die ze letter voor letter aan de computer had ontfutseld, met haar neus bijna op het toetsenbord speurend naar het juiste symbool.
Liven polizi   ik   zag    hel veel
Vuurweerk   naa  het  al  niwjar gwest was
Op deseu dag  egt  heel  veel
Groetjus   van vera
De commandant beloofde dat hij er nog beter op zou letten. Het was een rustige jaarwisseling geweest. Voor het eerst in lange tijd had de Mobiele Eenheid niet in actie hoeven komen. Misschien droomde de commandant van wetten die volgend jaar gehandhaafd konden worden.
   Een dag of twee voor oudjaar had mijn vrouw aan Vera uitgelegd dat je eigenlijk alleen op oudjaarsavond vuurwerk mocht afsteken. Toen was al te horen dat het verbod overal genegeerd werd. De volgende drie dagen reageerde Vera op elke knal die zich verhief boven het kabbelende geluid van een bescheiden militair conflict enkele straten verderop. ‘Stomme rotjongens!´
   De laatste tijd dringt het besef tot haar door dat allerlei overtredingen niet door straf worden gevolgd, dat je kunt doen waar je zin in hebt. Je hebt mensen die dat een bevrijdende gedachte vinden en mensen die zich bedreigd voelen door de mensen die dat een bevrijdende gedachte vinden.
   Ik vreesde dat ze me zou vragen naar buiten te gaan om er iets van te zeggen. Er zou een woordenbrij uit mijn mond zijn gekomen. De strekking zou haar ontgaan, maar niet mijn ontwijkende blik.
   Ik verlang regelmatig naar een politiestaat. Langdurige scholing en indoctrinatie heeft me afgeleerd dat verlangen te omarmen, maar daarmee is het nog niet gedoofd. Vandaag hoorde ik op de radio dat agenten steeds vaker hun wapen trekken. De nieuwslezer deed erg zijn best om dat als probleem voor te stellen.