Stil verwijt

We hebben twee konijnen te logeren, van de buren. Het hok staat naast de vuilnisbakken. Ik gooide net wat afval weg en zag ze zitten, in het donker. Ze schrokken van het dichtklappen van de afvalcontainer.
    De witte heet Smokey, de naam van de zwarte weet ik niet. Ik hoor de buurmeisjes alleen over Smokey praten. Er zit een zeker ontzag in hun stemmen als ze mijn kinderen inwijden in de wensen van het konijn. Ze zijn de exclusieve woordvoerders van een mysterie.
    Het leek me koud in het hok. De dieren waren bovendien in de meest tochtige en zichtbare hoek gaan zitten, als een stil verwijt. Ik heb niet bedacht dat ze hun leven achter gaas in de achtertuin van een rijtjeshuis moeten doorbrengen, maar tegen zoveel hulpeloosheid is geen argument opgewassen.
    Er zijn allerlei redenen waarom ik geen dieren in huis wens te hebben, maar dit is de belangrijkste: als ik een huisdier zie, zie ik een verwijt.
    Terwijl ik naar binnen liep, kon ik me niet aan de indruk onttrekken dat twee paar ogen me indringend volgden.
    Ik ruimde het aanrecht op.
    ’s Middags had ik even de hoop gekoesterd dat ik de spitskool die in het groenteabonnement zat aan de konijnen kon slijten. De ontdekking van een gedeeld belang – wij verlost van de spitskool, zij van het stro – schiep een band. Maar volgens mijn vrouw waren ze recent bij de dierenarts geweest en die had enig overgewicht geconstateerd. Er was een dieet opgesteld en spitskool paste daar niet in, meende ze.
    De konijnen moesten hun lot in blakende gezondheid zien te dragen.




Column L1

Elke maand zal ik een radiocolumn inspreken voor L1, de regionale omroep van Limburg. De eerste afllevering werd vandaag uitgezonden – gebaseerd op mijn stukje over carnaval.
    Ik twijfelde erover of ik de tekst in het Nederlands of in het Limburgs zou voorlezen. Mijn vrouw haalde me over om het laatste te doen. Nu ik de column heb terug gehoord, neig ik ernaar om die keuze te herzien.




Een echte vogelverschrikker

Na de optocht stonden we in de harmoniezaal, omgeven door luide muziek en confetti. Ik dronk een piepke sjoes, met mijn jongste dochter op mijn arm. Als ik probeerde haar op de grond te zetten, deed ze alsof ze boven een krokodillenvijver bungelde. Benen omhoog en angstige blik naar beneden.
    Bij elke serveerster die passeerde, vroeg mijn moeder of ik nog een sjoeske wilde. Er passeerden nogal wat serveersters.
    Sinds ik getrouwd  ben, proberen mijn ouders me dronken te voeren met carnaval. Vroeger maakten ze zich zorgen dat ik teveel plezier had, nu verdenken ze me ervan dat ik te weinig plezier heb in het leven. Ouderlijke zorg houdt nooit op, alleen de middelen veranderen.
    Mijn vrouw was er niet bij. Vorig jaar had ze voor het eerst in haar leven carnaval gevierd, dit jaar bleef ze thuis. Ze is opgegroeid in Zoetermeer en heeft in Amsterdam gestudeerd. Zo iemand kun je niet elk decennium de polonaise laten lopen.

In de trein hadden mijn dochters en ik tussen de carnavalstoeristen gezeten. Sommige toeristen hadden werk gemaakt van hun kostuums, dat viel niet te ontkennen. Toch had het iets halfhartigs. Het waren pijnloze verkleedpartijen van mensen die wilden voorkomen dat ze er belachelijk uit zouden zien. Een gemiste kans.
    De flirt met zelfvernedering is een van de meer sympathieke kanten van het carnaval. Ik herinner me dat ik als puber een keer verkleed was als bloem. Rond mijn gezicht zat een krans van grote schuimrubberen bloembladen. Ze hingen slap naar beneden, waardoor ik meer leek op een treurwilg. Een te krappe groene maillot en idem truitje omklemden mijn stakerige lijf – hetzelfde lijf dat ik in het zwembad met grote tegenzin blootstelde aan de blikken van mijn klasgenoten.
    Ik weet nog dat ik me onkwetsbaar voelde in het bloemenpak. Er was niets meer te verliezen.

Dit jaar was ik vogelverschrikker. Ik ben afhankelijk van wat mijn ouders op zolder hebben liggen. Het was vogelverschrikker of kip en vorig jaar was ik kip geweest.
    Mijn vader moest tappen, maar op een gegeven moment kwam hij even naar onze tafel. Hij zag me staan en schoot in de lach. ‘Vogelverschrikker!’ riep hij verrast, alsof hij het pak nog nooit gezien had.
    Mijn moeder draaide zich naar mij en leek ineens ook verrast. Met een licht zorgelijke stem riep ze naar mijn vader: ‘Ja, hij is echt een vogelverschrikker.’
    Ik glimlachte wat ongemakkelijk.
    Toen knikte mijn vader naar mijn halfvolle glas en vroeg: ‘Wil je nog een sjoeske?’




Grimmige voldoening

Om kwart voor twaalf ’s avonds zou ik een kort radio-interview geven voor Met het oog op morgen van Radio 1. Ze stuurden me naar de studio van de regionale omroep West in Den Haag. Daar zou een verbinding met de studio in Hilversum worden gemaakt.
    Ik belde aan bij de studio, maar niemand deed open. Even later kwam een vrouw naar buiten en ik glipte achter haar naar binnen door de sluitende schuifdeuren.
    De hal was verlaten.
    Toen verscheen een man die vroeg voor wie ik kwam.
    Ik zei dat ik kwam voor een opname voor Met het oog op morgen.
    ‘Daar weet ík niks van,’ mompelde de man.
    Zonder iets te zeggen verdween hij in een regieruimte. Ik besloot hem te volgen.
    ‘Dat is niet aan mij doorgegeven,’ zei hij. Met een muis scrolde werktuiglijk hij door een emailvenster, alsof hij mij wilde bewijzen dat hij niet geïnformeerd was.
    Na een moment waarin we zwijgend tegenover elkaar stonden, besloot hij mij alvast maar achter een microfoon te zetten in een andere ruimte.
     Ik zag hem, achter het glas, bellen. Het enige dat ik kon verstaan was: ‘Nee, ik óók niet.’
    Uiteindelijk werd de verbinding opgebouwd.
    De regie in Hilversum vroeg of ik even iets wilde zeggen.
    ‘Zomaar iets zeggen?’ vroeg ik.
    Dat was voldoende.
    Even later kwam de man het kamertje binnen, trok de microfoon bij me weg en zei: ‘Hallo. Hallo Hilversum, hier West. Hoort u mij?
    Er kwam geen antwoord.
    Ik vroeg wat hij wilde vragen aan Hilversum.
    ‘Of ze even een factuurtje willen sturen. Nou moet ik het weer doen.’
    Hij vroeg nog een keer of Hilversum hem kon horen.
    Toen duwde hij de microfoon weer terug in mijn richting.
    ‘Wij luisteren wel naar Hilversum, maar Hilversum niet naar ons,’ constateerde hij met de grimmige voldoening van iemand die weet hoe de wereld in elkaar zit.




Maand zevenenzeventig

Lieve Vera,

Vanochtend kroop je bibberend boven op de verwarming om je kleren aan te trekken, ook kwam er nauwelijks warme lucht uit het rooster. Ik heb de thermostaat zo ingesteld dat het 16 graden is wanneer we opstaan. Op werkdagen gaat de verwarming dan meteen weer uit.
    Ik zou nu iets kunnen zeggen over het milieu of over het ongemak dat ik voel bij de gedachte dat we het huis warm stoken voor een uurtje comfort in de ochtend. Maar de waarheid is dat ik geniet van het afzien van genot.
    Dat is de prijs van beschaving: genot is omgeven door bezwaren. Tel maar eens op hoe vaak de reclame ons ‘onbekommerd genieten’ belooft. Gewoon genieten is bekommerd genieten, dat is de impliciete erkenning. De beschaafde mens heeft dat opgelost door de onderdrukking van genot zelf de plaats van het genot in te laten nemen. Het menselijke ras is een prachtige uitvinding, laat je niets wijsmaken.
    Ergens tussen het smeren van jouw lunch, het inpakken van een verweesd tartaartje voor mijn lunch, je haren borstelen, je zus aankleden, het inruimen van de vaatwasser en het op de trap leggen van jullie pyjama’s, vroeg je waarom ik de verwarming niet aanzette.
    Ik kan me niet meer herinneren wat ik precies antwoordde.
    Het lokte wel een vervolgvraag uit. Je vroeg: ‘Wat is dat, energie?’
    Vroeger, toen je net geboren was, verheugde ik me op het moment dat je zulke vragen zou gaan stellen. In mijn fantasie bracht ik je de liefde voor natuurkunde bij. In die fantasie was het echter nooit kwart over zeven in de ochtend en werd de vraag niet onderbroken door klappertanden – of zoals jij het noemt: bibbertanden.
    Ergens aan het einde van mijn onbegrijpelijke relaas viel het woord ‘zonde’. Waar de wetenschap faalt, is er altijd nog het moralisme.
    Prompt zei je: ‘O ja, pappa. Nu snap ik het. Dan moeten we vanavond de verwarming ook niet aanzetten, want dat is zonde.’
    Het zal niet lang meer duren voor we ook aan jouw onbekommerd genieten een einde hebben gemaakt.
    Ik bood aan om je even op schoot te nemen en warm te knuffelen. Hoe onsmakelijk ik dat woord ook vind, ik knuffel je graag, altijd. Ik heb me vaak afgevraagd waarom dat niet geldt voor de volwassenen die me dierbaar zijn, in het bijzonder je moeder. Bij haar ervaar ik het knuffelen als een activiteit voor uitzonderlijke gelegenheden, zoals je een oliebol eet op oudjaar. Op alle andere dagen zie ik alleen maar een homp gefrituurd meel met een teleurstellend aantal rozijntjes. Niet iets waar ik trots op ben, overigens.
    Je nam mijn aanbod aan. Ik vouwde je op tot een pakketje en begon je warm te wrijven. Je bent zesenhalf en je lijf krijgt lengte en een zekere pezigheid. Na jou wilde Jules ook en toen ik haar omklemde besefte ik: dit is het echte werk. Een klein, zacht, onbeholpen pakketje mens dat ik met moeite los kon laten. Misschien had ik toch niets tegen volwassen vrouwen, maar waren hun lijven gewoon te lang en niet onbeholpen genoeg. Een geruststellende gedachte.

In de kou van de afgelopen maand, drong ook tot je door dat er kinderen bestaan die jou tot de middelmaat veroordelen. Je krabbelde heel verdienstelijk op je nieuwe schaatsjes en je liet je daar uitgebreid voor huldigen door ons. In je enthousiasme vroeg je een klasgenootje mee te gaan schaatsen. Al snel bleek dat ze aanzienlijk beter schaatste dan jij, een feit dat je zelf observeerde en dat je niet wenste te relativeren. Je was zo woedend dat je expres beroerd ging schaatsen, inclusief schwalbes, waarna je veinsde niet meer te kunnen opstaan.
    Je was altijd al een slecht verliezer, maar tot voor kort werd je boos omdat je meende dat er van onrecht sprake was. Je verloor omdat iemand vals speelde. Sinds kort weet je: je verliest omdat je inferieur bent. Er is maar een ding erger dan ten onrechte verliezen, en dat is terecht verliezen.
    Gisteren vertelde je moeder aan onze visite dat je erg competitief blijkt te zijn en dat je dat van mij zou hebben. Dat vind ik teveel eer. Ik zal niet bestrijden dat ik competitief ben, maar je moeder heeft in een aangeschoten bui wel eens bekend dat ze er van droomde zoveel te verdienen dat ze mij ontslag kon laten nemen en kon onderhouden. Dat is natuurlijk liefdevol, maar ook een poging om mij als huisdier te nemen. Dat knuffelt waarschijnlijk ook een stuk prettiger.
    Je superieur schaatsende klasgenootje kan ook nog eens beter lezen en tekenen dan jij. Mijn advies is: blijf in haar nabijheid en koester je woede. De koortsige hoop haar ooit te verslaan, is de meest betrouwbare bondgenoot die je kunt hebben. Op een dag sla je een arm om haar heen en dan zeg je: ‘Zullen we eens kijken wat voor mooie tekening je vandaag weer gemaakt hebt?’ Vanaf die dag hoef je het nooit meer koud te hebben.




Alzheimer Light

Tijdens een onderwijsevaluatie.
Ik:     ‘Het vak liep wel goed, vorig jaar. Toch?’
V:     ‘Ach jongen, mijn geheugen vertelt me nog wel allerlei bizarre details over bijrollen in Pasolinifilms in de jaren zeventig, maar over wat ik eergisteren deed tast ik soms in het duister. Een goede vriend in de gezondheidszorg noemt dat liefdevol alzheimer light.’
Ik:    ‘Alzheimer Light, klinkt als een product waar een markt voor is.’
V:     ‘Zonder enige twijfel. En dan vooral met veel liefdevolle verzorging en schoonheid.’
Ik:     ‘Dat is Alzheimer Lite Premium. Bij de gratis versie krijg je alleen Wordfeud en Sky Radio.’




Aantallen huilende mensen

Enige tijd geleden vroeg mijn vrouw me welke muziek er op mijn begrafenis gedraaid moet worden. Er was een aanleiding voor de vraag, maar die kan ik me niet meer herinneren. Ik geloof niet dat ik de dood ter sprake had gebracht.
    Er is een periode geweest, een jaar of tien geleden, dat ik vrienden schoffeerde door hun persoonlijk kwesties samen te vatten in vier woorden: angst voor de dood. Ik deed overigens hetzelfde voor mijn eigen persoonlijke kwesties. Ik had de dood ontdekt en hij bleek een handzame verklaring te bieden voor allerlei zaken waar ik mezelf mee kwelde op dat moment. Anderen waren er minder van gecharmeerd. Ze meenden dat ik hun vragen niet serieus nam. Ik geef toe dat mijn antwoorden wat eentonig werden, maar wat ernst betreft is de dood moeilijk te overtreffen – hooguit door de verloren WK-finale van 2010 of de metafysische vragen die mijn kinderen stellen. Zoals: wat is een gat?
    Bovendien gaf het verwijzen naar doodsangst  een zweem van diepgang aan de narcistische kwesties die ons als jonge dertigers bezig hielden. De beste rechtvaardiging voor een obsessie met jezelf is het feit dat je binnenkort ophoudt te bestaan.
    Laat ik zeggen dat mijn vriendendienst niet op waarde werd geschat. Het kwam zover dat gesprekspartners mij, nog voor ik iets had kunnen zeggen, interrumpeerden met de opmerking: ‘Ja ja, jij vindt dat weer angst voor de dood, natuurlijk.’
    Dat was meestal zo, maar door hun vroegtijdige onderbreking kon ik veinzen dat ik een ander antwoord in gedachten had gehad. Dat antwoord wenste ik niet langer mede te delen.
    Het is een wonder dat ik vrienden heb overgehouden uit die tijd. Twee, om precies te zijn.
    Het leed is hardnekkig. Vorige week nog, betichtte een van hen me ervan doodsangst te gaan opvoeren als verklaring voor zijn persoonlijke ongemak. Voor zover ik weet, heb ik dat al jaren niet gedaan. Maar het kan zijn dat hij daar anders over denkt.
    Afijn.
    Mijn vrouw vroeg dus naar muziek voor mijn begrafenis. Ik had meteen een antwoord, hetgeen verraadde dat ik hier vaker over nagedacht moest hebben. Vermoedelijk bezondigen de meeste mensen zich wel eens aan fantasieën over de eigen begrafenis, maar dat maakt het niet minder pathetisch. De eigenwaarde meten in aantallen huilende mensen. Aantallen verzonnen huilende mensen.
    Toen ik dit vorige week bij vrienden ter sprake bracht – inderdaad, dezelfde twee vrienden – kreeg ik prompt allerlei Youtube-filmpje toegestuurd. Nog net geen draaiboeken.
    Ik stelde me voor hoe de heren op tochtige perrons hadden gestaan of op de bank hadden gezeten naast een wrokkige geliefde en hoe ze kortstondig troost hadden gezocht in het beeld van hun eigen begrafenis. Als het om troost gaat, zijn veel middelen geoorloofd. Zo niet alle.




Het grote aanstellen

We zaten in een restaurant – W., D. en ikzelf. Een dag eerder was W. 44 jaar geworden en hij had al eerder toegegeven dat een onprettige gedachte te vinden, 44 jaar te zijn.
    De laatste jaren oefenen we in het toegeven. Drie mannen die de zelfopgelegde plicht zich niet aan te stellen, proberen de ontmantelen. Dat is zo gênant als het klinkt.
    Ik ben gehecht geraakt aan het gênante en vond dat het gesprek over het 44 jaar zijn te kort geduurd had. Of liever: niet pijnlijk genoeg was geweest. Dat had ik zien aankomen, dus ik had D. gevraagd om foto’s mee te nemen van de eerste jaren dat we W. kenden. Zelf had ik dat ook gedaan.
    Ik zei dat we even gingen rouwen om W.’s leven dat voorbij was en om alle levens die hij niet meer zou leiden. We bladerden door de foto’s en zagen onszelf.
    Op enkele stond ik zelf prominent in beeld. Het viel me op dat ik vroeger aantrekkelijk was geweest, ik kon er niets anders van maken.
    Toen D. op de achterkant keek van een foto, zag hij dat vroeger slechts acht jaar geleden was.
    Ik ben snel oud geworden, zei ik.
    Het is echt ongelooflijk, zei W.
    D. vond dat het wel meeviel.
    Nee, zei W. Het valt helemaal niet mee.
    Nee vooruit, zei D. Het valt inderdaad niet mee.
    Het was gênant allemaal, maar we boekten vooruitgang, dat viel niet te ontkennen. Het grote aanstellen lag binnen handbereik.