Brevet van onvermogen

Frans Pollux schreef een stuk in De Limburger over populisme in de serie Het onbehagen van Limburg, waaraan ik eerder bijdroeg. Vandaag verschijnen er verschillende reacties op zijn stuk, waaronder het mijne.
    Ik hou er altijd een wat somber gevoel aan over, mijn opiniestukken. De mening is een schrale verschijning, de eigen nog het meest van al.

Het is nog nooit zo goed met ons gegaan, zegt Frans Pollux. En daarom is er eigenlijk geen grond voor het onbehagen. Waarom laten kiezers zich dat toch aanpraten?
    ‘Vervang onbehagen door honger, armoede, desnoods door xenofobie – en alles valt op zijn plaats,’ zegt Pollux. ‘Dat zijn concrete drijfveren voor kiezers en politici. Onbehagen is te vaag.’
    Inderdaad. Veel te vaag.
    Maar wacht even: je kunt de PVV veel verwijten, maar niet dat ze zich vaag uitdrukt. Het woord ‘onbehagen’ heb ik nog nooit over de lippen van een PVV’er horen komen.
    Wie heeft er wel de mond van vol? Juist, de tegenstanders van het populisme. Ze zijn dol op de term. Dat is niet zo vreemd. Eerst verzin je zelf dat mensen stemmen uit onbehagen, ook al heeft geen kiezer dat ooit gezegd, en vervolgens constateer je fijntjes dat die motivatie te vaag is. Goh, verrassend. Een poging tot diskwalificatie, meer is het niet.
    Pollux wil het onbehagen niet langer serieus nemen. Hij wil dus eigenlijk zijn eigen diagnose niet langer serieus nemen. Hij heeft gelijk. Laten we vanaf nu de term zien als een brevet van onvermogen. De eigen staart smaakte goed, maar het wordt tijd dat de tegenstanders hun tanden zetten in iets met meer voedingswaarde.

Tweede misverstand: Het is nog nooit zo goed met ons gegaan, dus we zouden wat meer tevreden moeten zijn. De achterliggende gedachte lijkt deze: de tevreden mens stemt niet op de PVV.
    Een rare gedachte. Veel verhalen van de PVV drukken juist intense tevredenheid uit met ons land. Het is een paradijs dat beschermd moet worden. Tegen moslims, Grieken, bankiers, asielzoekers, zakkenvullers, gedeputeerden met chauffeurs – de lijst is eindeloos.
    Dat is de paradox van het paradijs: zodra je bent gearriveerd, wordt je leven beheerst door de angst om er uit verstoten te worden.
    Die angst wordt niet alleen gevoed door de PVV. Elke partij schetst zijn eigen val uit het paradijs. De ene zegt dat we de pensioenrechten moeten beschermen tegen de afbraak, de ander juist dat we ze moeten terugschroeven als we ze willen behouden. De ene zegt dat de Euro ons naar de ondergang sleurt, de ander dat onze welvaart niet zonder de Euro kan. De ene zegt dat we de grenzen dicht moeten houden voor gelukszoekers, de ander dat we arbeidsmigratie juist nodig hebben om de voorzieningen te betalen voor de vergrijzende bevolking.
    Het hele politieke spectrum spreekt ons aan met hetzelfde motief: de val uit het paradijs loert overal.
    Hierin ligt ook de sleutel van een andere paradox, die onder andere door het Sociaal-Cultureel Planbureau is opgetekend: We zijn gelukkig met ons eigen leven, maar ontevreden over de samenleving. Die laatste zien we namelijk als bedreiging van het eerste. In de woorden van het SCP: ‘De Nederlander mist respect, fatsoen en solidariteit bij de medeburgers.’
    Respect, fatsoen en solidariteit. Ziedaar de waarden waaraan de populisten appelleren. Wat hebben moslims, immigranten, gedeputeerden-met-chauffeur en Zuid-Europeanen met elkaar gemeen? Niets. Maar in de mythologie van de PVV nemen al die groepen een loopje met de ‘hardwerkende Nederlander’. Veel van die mythes slaan feitelijk gezien nergens op. De Europese steunoperaties gaan naar onze eigen banken, niet naar de Griekse bevolking, om maar eens iets te noemen. Hoe onzinnig de tirades over luie Grieken ook zijn, de populisten werpen in talloze varianten dezelfde vraag op: wie helpt er mee onze samenleving overeind te houden en, belangrijker nog, wie niet? Dat is niet vaag, dat is de kern van politiek.




Dear Zachery is een Amerikaanse documentaire, of eigenlijk: een eerbetoon aan een man die vermoord wordt door een gestoorde geliefde. Die geliefde vlucht vervolgens naar Canada en blijkt het kind te dragen van de man, waarna diens ouders proberen voogdij over het kind te krijgen. De film is bijzonder effectief in het betrekken van de kijker bij de tragedie die zich ontvouwt. Er is geen ironie tegen opgewassen, terwijl je beseft gemanipuleerd te worden. Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het laatst in tranen een film heb gekeken. En dan weet je als kijker niet eens dat de echte schok nog moet komen.
    De film eindigt in een pleidooi voor bepaalde hervormingen waarvan het onbegrijpelijk lijkt dat ze niet worden doorgevoerd. Wanneer je iets weet van het openbaar bestuur, kun je bedenken dat het wel eens beter kan zijn dat de hervorming faalt. Hoe naar dat ook lijkt. Herstel: is.
    Soms hoor je de verzuchting dat burgers zich machteloos voelen. De suggestie is dat het niet zou hoeven, dat het een gebrek aan kennis is. Maar er zijn hele vakgebieden in de greep van de machteloosheid. Waaronder het mijne.

08/11 - 3

Een man kampt met zijn verlies

De bel gaat. Als ik de deur open, tref ik een man van een jaar of zeventig met een enigszins verwilderde blik.
    ‘Ik ben mijn bordje kwijt,’ zegt hij. ‘Ik ben van nummer vier.’
    Het klinkt als een verwijt.
    Denkt hij dat ik een of ander bordje heb ontvreemd?
    Laatst kreeg mijn vrouw een onbekende dame aan de deur die haar vuilnisbak kwijt was. Ze was boos. Mijn vrouw zei dat we haar vuilnisbak niet hadden. Daarop eiste de dame onze achtertuin te mogen doorzoeken. Met enige tegenzin, willigde mijn vrouw die eis in. Toen de vuilnisbak niet in onze achtertuin bleek te staan, bleef de dame onverminderd wantrouwend, alsof wij haar te slim af waren geweest en de bak vlak voor haar komst hadden verstopt. Zonder groet, laat staan verontschuldiging, verliet ze onze woning, op weg naar de volgende voordeur. Ik had de indruk dat ze minder overstuur zou zijn geweest als haar auto was gestolen.
    De man kijkt me strak in de ogen, maar ik weet niet of zijn blik wantrouwen of wanhoop verraadt.
    ‘Ik had hem helemaal opgekalefaterd,’ zegt hij. ‘Geschuurd en bijgewerkt. En nu kan ik hem niet meer vinden.’
    ‘Oké,’ zeg ik, wachtend op het moment dat hij de beschuldiging uitspreekt.
    ‘Ik ga ervan uit dat die nummers hetzelfde zijn.’ Hij wijst op het bordje met ons huisnummer: 14.
    Ik begrijp nu dat hij overstuur is omdat zijn huisnummer is verdwenen. Waarom ook niet. Bij dure spullen is de kans op verlies min of meer ingecalculeerd, het is de verdwijning van kleine huiselijke zaken die ons radeloos maakt.
    De hele straat heeft dezelfde bordjes, wellicht al sinds de oplevering in de jaren dertig. Voor het eerst kijk ik met aandacht naar ons huisnummer, in het bijzonder naar de 4. Een elegante vorm die me doet denken aan Art Deco.
    De man kampt met een verlies, maar ik weet niet precies welke vorm dat verlies aanneemt en in welke realiteit zich een en ander afspeelt. Denkt hij dat onze 14 een gestolen 4 bevat?
    ‘Ik had hem van de muur gehaald, geschuurd en opnieuw geschilderd,’ zegt hij. ‘En toen heb ik ‘m ergens neergelegd en ik weet bij god niet meer waar. Ik heb overal al gezocht.’
    Voor het eerst glimlacht hij. Verontschuldigend.
    ‘Dus nu wilde ik vragen of ik een keer een afdruk mag maken van uw huisnummer.’
    Zijn blik is ineens zachter, alsof hij opgelucht is dat het hoge woord eruit is.
    ‘Natuurlijk,’ zeg ik, eveneens opgelucht. ‘Gaat uw gang.’
    Hij rommelt wat in zijn jaszak. Ik ben benieuwd hoe hij die afdruk gaat maken.
    Maar er komt alleen een zakdoek uit de jas. Hij haalt 'm een paar keer langs zijn neus en begint dan omstandig het stukje textiel weer terug te frommelen in de jaszak.
    ‘Dank u wel,’ zegt hij. ‘Ik wens u nog een prettige dag.’
    Hij draait zich om en loopt weg, zijn hand nog steeds in gevecht met de nukkige zakdoek.




Er zijn dappere volhouders die nog wel eens een reactie op dit weblog achterlaten, alsof Twitter en al die nieuwewetse uitvindingen nooit gedaan zijn. Hulde aan jullie. Alleen voor dit selecte gezelschap de volgende mededeling: de anti-spam-vraag is veranderd. Laat je niet van de wijs brengen. (Er was een spammende webwinkel die het antwoord op de vraag aan zijn robots had gevoerd, vandaar.)

28/10 - 3

Maand dertig

Lieve Jules,

Je bent tweeënhalf en niet langer onzichtbaar. Terwijl we door de winkelstraat lopen, stoppen oude mensen hun rollators, stoten tienermeisjes elkaar vertederd aan en glimlachen de in stilte rokende vakkenvullers. Het zijn je blonde krullen. In het gebied boven je oren lijken diverse natuurwetten tijdelijk te zijn opgeschort.
    Je trok altijd al aandacht, maar sinds kort merk jij het ook. Tot je eigen schrik.
    Zodra je je bekeken weet, maak je abrupt een haakse bocht, weg van de toeschouwer, je blik beschaamd naar de grond gericht.
    De haakse bocht bracht je vanochtend in aanraking met een vogelhuisje dat voor de dierenwinkel stond. Je tolde een keer om je as, hervond je evenwicht en vond toen een veilig onderkomen aan mijn been. Je mompelde: ‘Isse hogel-uisje.’
    Een stukje verderop leidde je manoeuvre dwars door de fiets waarmee ik naast je liep. Je botste, kon niet verder en besloot toen maar je gezicht in mijn kruis te begraven.
    Zo stonden we een ogenblik intiem verenigd in de winkelstraat. Het was fijn. Intimiteit is schaars. Je moet je niet laten afschrikken door een paar toeschouwers meer of minder.
    Ik aaide over je blonde krullen en glimlachte naar de Oost-Europese verkoopster van het Straatnieuws. Elke week passeren we haar en nog nooit heb je haar avances beantwoord. Ik voel me verplicht dat te compenseren. Vermoedelijk speelt daarin een zekere ongemak mee over het contrast tussen jouw Arische welvarendheid en haar leerachtige huid en verteerde gebit.

Je verlegenheid op straat staat niet op zichzelf. Je hebt je ineens ontpopt als zachtmoedig wezen. Tegen de afspraak in, zou ik haast zeggen.
    We hadden je ingeschat, nee gecast, als de oproerkraaier, de dwarsligger, het ongeleide projectiel. Het vertelt zo makkelijk. Ouderliefde laat zich niet navertellen. Bij wijze van surrogaat cultiveren vaders en moeders de anekdote. Het is een van de redenen waarom ze gehaat worden door grote delen van de bevolking.
    Anekdotes over het eigen kind lijken nog het meest op de moppen die kinderen verzinnen. Je zus vertelde laatst haar eerste zelfverzonnen mop: ‘Er rijdt een auto over het strand. Toen rijdt hij ineens in de zee. En toen deed iemand het raampje open en kwam er allemaal water naar binnen!’ Einde mop. Lachsalvo gratis bijgeleverd. Uit de mond van een zesjarige klinkt dat aandoenlijk, uit die van een vijfendertigjarige als een haiku van wanhoop.

Je zachtmoedigheid kwam tegelijk met je taalvaardigheid. Je kunt uitdrukken wat je wilt. De top drie: meesjouw (speentje), bieman de bieman kijken (Buurman en Buurman kijken), sjoepsje (snoepje).
    Als ik je verzoek afwijs, stort je ter aarde. Tot zover niets nieuws. Het verschil is dat er geen gekrijs volgt. Je ligt zwijgend op de grond – op je buik, knieën onder je lijf, armen om het hoofd geslagen. Alsof je gelaten wacht op het einde van een raketaanval.

Het viel me pas laat op, je zachtmoedigheid. Je zus stond onder voortdurende observatie, jij niet. De aandacht verslapt. Dat heeft niets met jouw charmes te maken. Die zijn aanzienlijk. Maar het gevoel van dreiging ontbreekt.
    Bij je zus loerde dat overal. Ze at prima, maar at ze wel genoeg? Of juist teveel? Of de verkeerde dingen? Elke dag werd in minutieus detail besproken om problemen vroegtijdig op te sporen.
    Jij eet voor geen meter, wat we ook serveren. Je kijkt naar je maaltijd zoals anderen naar moderne kunst kijken: blijkbaar voelde iemand zich geroepen om het te fabriceren, maar van jou hoeft het allemaal niet zo.
    En wij? We zuchten hooguit een keer en gaan over tot de orde van de dag. Het zal allemaal wel goedkomen.
    Aandacht is gestileerde angst, zoveel is duidelijk. Dat is tussen volwassenen niet veel anders. Je moeder hangt de theorette aan dat een huwelijk gedijt bij het besef dat de ander altijd kan vertrekken. Ik denk dat ze daar gelijk in heeft. Het is de onvoorwaardelijke liefde die je de das omdoet.




De hoer die ik vermoed te zijn

Een redacteur van het programma Nieuwsuur wilde bellen om mijn visie te krijgen op het conflict onder de vakbonden.
    Ik weet nagenoeg niets over vakbonden. Toch had een van de betrokkenen mijn naam genoemd. Dat bleek hij ook al in de uitzending van Buitenhof te hebben gedaan, hoorde ik later.
    Er staan heel veel karretjes te wachten op iemand die ervoor gespannen kan worden. Liefst een professor. Onder mannen met karretjes heeft de wetenschap niets aan gezag ingeboet.
    Omdat ik dus nagenoeg niets weet over vakbonden, is het eenvoudig om te zeggen: Nee, dank u. Geen interesse.
    Behalve dat het niet eenvoudig is. Ik wil ook wel eens aanschuiven bij Nieuwsuur. Een verlangen dat even simpel als beschamend is.
    Het staat helaas niet op zichzelf. Ik ben iemand geworden die zichzelf graag hoort praten, zo ontdekte ik recent. Een vloek is het, zij het een van de meer draaglijke. Voor mijzelf dan.

Om te bewijzen dat ik niet de hoer ben die ik vermoed te zijn, nam ik me voor Nieuwsuur niet terug te bellen. Met een beleefde e-mail zou ik het verzoek van de redacteur afwijzen.
    Na dat besluit, stuurde ik niet meteen de e-mail.

Een uur later belde ik alsnog de redacteur. Op de achtergrond lag mijn zelfrespect omstandig te creperen.
    De vrouw nam op en ik noemde mijn naam.
    ‘Met wie spreek ik?’ vroeg ze.
    Ik noemde nogmaals mijn naam.
    ‘Met wie?’
    Toen hield ik een ogenblik mijn mond.
    ‘Sorry, maar u moet me even helpen. Waar belt u voor?’

Enkele seconden later vatte ze de situatie als volgt samen: ‘Ik moet dus iemand anders hebben.’
    Ik zei: ‘Inderdaad.’
    Behalve dat ik dat niet zei.
    Wel zei ik: ‘Dat hangt er van af wat u precies wilt weten.’
 
Veertig minuten later, na een woedende ontleding van het conflict onder de vakbonden, besloot de redacteur dat mijn analyse bijzonder interessant was. Dat dacht ik ook.
    Toen kwam de vraag: ‘Zou u dit in de uitzending willen komen vertellen?’
    Ik haalde opgelucht adem en zei: ‘Het lijkt me beter van niet.’




Seks met vrouwen die kinderen hebben gekregen

Ik had een poosje voor me uit gestaard in het stille huis, toen mijn vrouw belde. Ze stond op de stoep van het restaurant waar ze met een jonge collega was gaan eten. De man had beweerd dat seks minder aangenaam was met vrouwen die kinderen hadden gekregen.
    ‘Zo hoor je nog eens wat,’ zei ze.
    Toen kwam de vraag: ‘Is het echt waar?’
    Ik zei dat zijn steekproef vermoedelijk niet deugde.
    Ondertussen probeerde ik me de collega voor de geest te halen. Ik zag de gezichten voor me van twee beleefde jongemannen die ooit op kraambezoek waren geweest: een slungelige bestuurskundige en een aantrekkelijke veganist. Een van hen moest het zijn. In beide gevallen leek het me aannemelijk dat hun steekproef onder moeders van gebrekkige kwaliteit was.
    Mijn vrouw zei dat de midlifecrisis acuut was uitgebroken. Aan het einde van het telefoongesprek begreep ik dat de midlifecrisis naar het café werd meegenomen om aldaar verder behandeld te worden met alcohol. Misschien hoopte de collega nog wat bewijs tegen zijn eigen stelling te verzamelen. Zelfkritiek is een nobele onderneming.

Hoe het daar ging, vroeg ze. Het ging goed, zei ik.
    Er viel een korte stilte. Misschien wachtte ze op een detail, op iets dat deze dag had gebracht.
    Er was veel en niets.
    In de groentetas had spitskool gezeten. Het is het beste om dat maar meteen achter de rug te hebben. Dus aten we spitskool.
    Ik had de bordjes van de kinderen opgeschept, het water in de glazen geschonken, mijn eigen bord opgeschept en toen ik mijn stoel had aangeschoven meldde Jules laconiek dat ze klaar was met eten. ‘Ik ook,’ zei Vera.
    Normaal volgt dan een decreet over een paar hapjes proeven en op de billen blijven zitten. Maar in plaats daarvan zei ik dat het goed was.
    Er drongen zich rekensommen aan me op. Hoeveel eten was er nog over en wanneer zouden we wat en hoeveel eten. Een eerste schatting suggereerde dat ik zo rond zondag de spitskool weer uit de koelkast zou halen en de gang naar de GFT-container zou maken.

Na het eten vroeg Vera: ‘Kunnen we nu op de webs, pappa?’
    Tijdens een aflevering van Sesamstraat had ze gezien dat er een wedstrijd was. Ze wilde meedoen. Samen keken we naar de opgave: nieuwe kleren verzinnen voor Ienemienie, Tommie en Pino. Je mocht tekenen of zelf achter de naaimachine. De vrouw die de wedstrijd introduceerde stond in een ruimte boordevol met kleren. De strekking was duidelijk: deze wedstrijd zou uitgevochten worden tussen een paar creatieve overachievers.
    Vera ging meteen aan de slag met het waskrijt.
    Toen ze de tekening van het truitje voor Ieniemienie in de lucht hield, zei ik dat het prachtig was. ‘Misschien mag ik dan ook wel langskomen bij Sesamstraat,’ zei ze met grote ogen, alsof de gedachte haar overweldigde.
    Terwijl ze zich op het volgende vel stortte, haatte ik een ogenblik de mevrouw in de ruimte vol met kleren en verder iedereen die creatief was en haar kansloos zou laten.
    Daarna schreef ze een verjaardagskaart voor een vriendje. Livu Anne, guveeriziteert. Dat maakte zoveel indruk op me, dat ik er van schrok. Alsof ik haar achter het stuur van een auto had aangetroffen. Ze is pas vier weken op de basisschool. Wat doen ze in hemelsnaam de rest van die zes jaar nog?

Toen ik mijn vrouw een fijne avond had gewenst, ging ik naar bed. Op weg naar de slaapkamer keek ik bij de kinderen. Jules had het dekentje tot in haar oksel opgetrokken. Ook dat maakte indruk. Ze is bijna tweeënhalf en de deken is niet langer een willekeurig object dat ze tegenkomt tijdens haar nachtelijke kruipgang langs alle hoeken van het bed.

Vanochtend zei mijn vrouw, vlak voor ze met Vera het huis verliet, dat de collega was blijven slapen.
    Een kwartiertje na haar vertrek meldde de collega zich frisgewassen in de keuken. Het bleek de slungel te zijn. Van de slungeligheid was weinig meer te zien.
    Hij stelde zich aan me voor en vroeg: ‘Heb je misschien wat gel voor me?’

De ene dag bracht spitskool, de andere een seksueel kieskeurige man die gel nodig had. Toen hij het huis had verlaten, was ik zeker een uur lang verlost van het verlangen naar meer dan een doordeweekse dag.




Maand tweeënzeventig

Lieve Vera,

Je moeder stelde voor om naar het strand te gaan. Zoiets zal ik zelden voorstellen. Het gezinsuitje is het antwoord op een vraag die zich blijkbaar niet aan me opdringt. Gelukkig wordt je moeder wel geplaagd door die vraag. Ik heb me toegelegd op het instemmen. Dat is ook een noodzakelijke vaardigheid.
    ‘Het is de laatste mooie dag van de zomer,’ zei ze. Ik kreeg de indruk dat het ook de laatste dag was van iets anders – een kans die buiten bereik raakte, een hoop die ze moest loslaten.
    ‘Nu is het allemaal weer begonnen,’ had ze eerder opgemerkt. School, werk, maar meer nog de dagen die aaneenplakken, de kortademigheid. Vermoed ik. Ik merk het verschil niet zo. Mijn ademhaling vindt weinig houvast in vakantieroosters of seizoenswisselingen.
    Met jou had ze geprobeerd te praten over je nieuwe klas. Je bent net zes geworden en gaat nu naar groep 3, wat vroeger de basisschool heette. Een grote stap. Maar haar vragen liepen stuk op jouw weigering om groep 3 als iets bijzonders te zien. ‘Ik ben toch al een dag gaan wennen, voor de vakantie?’ zei je. En daarmee was de kous af.
    De laatste mooie dag van de zomer was bewolkt en fris. Jij en je zus speelden in de poelen op het strand. Het kippenvel bedekte je armen en benen. We voetbalden. En ik begroef jullie voeten een paar keer.
    We zaten op het zand en je moeder zei: ‘Ik heb het koud.’
    Ik sloeg mijn arm om haar heen. Tenminste, ik hoop dat ik dat deed. Helemaal zeker weet ik het niet meer.

In de nieuwe klas ligt elke ochtend een ingewikkeld rooster van taken op je te wachten. Je moeder had, enigszins verontrust, geconstateerd dat ze niets van het rooster begreep. Ik evenmin, maar het was niet bij me opgekomen dat ik het diende te begrijpen.
    Vanochtend schoof ik het rooster naar ons toe en vroeg ik je wat je geacht werd te doen. Je legde je vinger op een hokje en mompelde: ‘Een tot achttien’. In het hokje stond: ‘Blz. 19-28.’ In een ander hokje stond: ‘Blz. 1-18’. Maar dat was al afgevinkt door de meester.
    Ik vroeg: ‘Een tot achttien van wat?’
    ‘Nou gewoon,’ zei je. De vragen bevielen je allerminst.
    ‘Van het werkboek, misschien?’ Dat stond boven de kolom.
    ‘Ja, ja, van het werkboek,’ zei je snel.
    ‘Wat is dan je werkboek?’ vroeg ik. In je laatje ligt een hele verzameling boekjes, mapjes en papieren.
    Toen zweeg je en staarde betrapt naar het tafelblad.
    Ik had spijt van mijn vragen. Je had geveinsd alsof je alles begreep, alsof groep 3 niets nieuws was, om een verlammende angst te bezweren. Een tactiek die me bekend voorkomt.
    ‘Vertelt de meester dat zo meteen, misschien?’ Ik zocht een uitweg, iets beters schoot me niet te binnen.
    ‘Ja,’ antwoordde je zacht.
    Toen ik je zoende bij het afscheid, zoende je niet terug.
    Soms is betrokkenheid een vorm van egoïsme. Het onvermogen om de levensreddende leugens van de ander met rust te laten.

Tijdens het avondeten eerder in de week, vroeg je moeder naar een essay dat ik met een collega heb geschreven.
    Ik zei dat we veertig bladzijden hadden besteed aan de constatering dat het centrale idee van de opdrachtgever geen waarde had.
    Jij had aandachtig geluisterd en zei toen verontwaardigd: ‘Pappa, dat is zonde van het papier!’
    We schoten in de lach, vooral je moeder. Die had ik in tijden niet zo hard horen lachen.
    (Voor het verslag: het is geen zonde van het papier. We worden overal voor de voeten gelopen door kreupele ideeën, het is tijd om meer jachtvergunningen uit te geven. Maar toch. Het heeft iets gênants, om achter zo’n strompelend geval te gaan staan en de trekker over te halen.)
    Jij keek eerst verbaasd toe hoe we lachten en reageerde toen beledigd. Alsof we je in de maling namen. De laatste tijd heb je een bovenmatige achterdocht op dit terrein ontwikkeld. Zelfs wanneer je bewust een grap vertelt en wij daarom lachen, hetgeen me de bedoeling lijkt, wordt je soms verrast door die reactie. Dan roep je boos: ‘Niet lachen! Dat vind ik niet leuk!’
    Toen je moeder weer was gekalmeerd, vroeg ze aan me: ‘Snijdt het door je ziel, als Vera dat zegt?’
    Ik ontkende dat het door mijn ziel sneed. Het antwoord was oprecht, maar de ontkenning maakte onbedoeld ook haar lach, de beste lach van onze zomer, een beetje ongedaan.




Het dieptepunt van de zomer van 2011

Alles lag klaar voor de kampeervakantie. De belt aan spullen die, als ze eenmaal in al haar glorie is opgebouwd in de woonkamer, één woord onverbiddelijk naar de oppervlakte dwingt: Waarom? Dat woord hebben we leren negeren.
    Het was als eerdere jaren. De huurauto, de spullen. Behalve dat het regende. En dat we maar twee uur hoefden te rijden naar de eindbestemming, in plaats van elf. Op het moment dat we onze vakantiebestemming hadden gekozen, klonk dat als een voordeel. Twee uur naar het oosten, niet naar het zuiden.
    Terwijl het regende, riep de radio die dag uit tot het dieptepunt van de zomer van 2011. Later volgden reportages over campings die geëvacueerd dienden te worden. Ondertussen vermaakten de kinderen zich met de autostoeltjes. Ze zetten ze achter elkaar en speelden treintje.
    We stelden ons voor hoe we gevieren in de tent zouden luisteren naar de eindeloze regen. Ineens herinnerden we ons allerlei klussen in het huis die we nodig moesten doen, waar we de rest van het jaar plezier van zouden hebben.
    Het regende nog steeds, zij het weer iets harder. De slechtste dag van de zomer van 2011 had nog ambities.

Toen hakten we de knoop door: we zouden gaan klussen. Beter plan. Je moet je niet vastbijten in een achterhaald idee.
    Een paar minuten later besloten we ineens toch te gaan kamperen. Dat wil zeggen, ik zou eerst gaan, met de tent en de belt aan spullen. Volgens het weerbericht zou het de volgende dag minder hard regenen. Dan zouden mijn vrouw en dochters komen. Daarna zou het opnieuw gaan regenen, een week lang. Wat daarna zou komen, wist niemand.
    Toen we eenmaal een week op de camping waren, werd het antwoord duidelijk: nog meer regen.
    Op het veldje voor onze tent oefenden twee meisjes hun regendans. Urenlang. Iedereen die langs liep werd staande gehouden, om het resultaat te bekijken.
    Bij de afwas maakten mensen grappen over dat het ergste nog zou komen. Terugkerende vraag: ‘Hoe lang moeten jullie nog?’
    Toen het een avond niet regende, vloog er ineens een zwerm badmintonshuttles door de lucht langs de volle maan, als muggen rond een lamp.

Aan de campingeigenaar vroeg ik of er veel afmelding waren, vanwege het weer. Hij keek me aan alsof ik iets raars had gezegd. ‘Geen enkele,’ luidde het antwoord.
    De vastberadenheid had iedereen stevig in zijn greep.

Vier dagen voor het einde, vroeg Vera, onze dochter van zes jaar, welke dag het was. De regen rammelde op de tent. De bui was al voorbij, maar de bomen gaven het verzamelde water met een vertraging door.
    ‘Zondag,’ zei ik.
    Ze zuchtte en liet haar schouders en hoofd hangen. Ze heeft een theaterpose voor teleurstelling. De meeste mensen kennen die pose vooral van dansers die een robot nadoen die wordt uitgeschakeld.
    ‘Wat is er?’ vroeg ik.
    ‘Dan gaan we over vier dagen alweer naar huis. Ik wil nog niet naar huis,’ zei ze somber.
    Zo was het.
    Het dieptepunt van de zomer van 2011 bleek een prachtige tijd om te kamperen.
    De laatste avond liep mijn vrouw over de camping om te kijken of er nog mooiere plekken waren dan de onze. Voor wanneer we zouden terugkeren. Ze waren er niet.

3yl4ij5f




Rancune aan de macht

Vanochtend plaatste dagblad De Limburger onderstaand opiniestuk in een licht ingekorte versie.

“PVV buigt diep voor rol in Limburgse coalitie,” zo omschreef De Limburger het coalitieakkoord van PVV, CDA en VVD. De PVV had immers het verbod op nieuwe moskeeën opgegeven tijdens de onderhandelingen. Ook de Volkskrant zag dat als het grootste nieuws en kopte: “PVV bestuurt in Limburg: Geen verbod op moskeeën.’
    Wie denkt dat hier van een concessie sprake is, begrijpt niets van de opkomst van de PVV in Limburg.

Ondertussen rolt het ene na het andere boek over populisme van de persen. Telkens klinkt hetzelfde refrein: het populisme teert op rancune.
    Dat refrein klonk ook na de overwinning in Limburg. Zo noemde NRC-journaliste Marcia Luyten de provincie, tevens haar geboortegrond, “een vat vol rancune”. De Limburger startte een serie onder de titel: “Het onbehagen van Limburg.”
    Er is inderdaad sprake van onbehagen, maar dan vooral bij de gevestigde orde die zich geen raad weet met het populisme. Ironisch genoeg is juist dàt onbehagen – en het dedain à la Luyten waarin het zich uit – voor veel kiezers een bevestiging dat de PVV inderdaad iets nieuws te bieden heeft.
    Natuurlijk is het kleinerend voor aanhangers van de PVV om steeds te moeten horen dat ze uit rancune stemmen. Toch kun je daar ook een zeker genoegen in scheppen. Als iemand de moeite neemt om je te kleineren, dan doe je er toe. Dan boezem je angst in.

Belangrijker is dat rancune als verklaring voor het succes van de PVV niet deugt. De partij is daarin namelijk niet uniek. En voor zover de partij inderdaad op rancune teert, is dat niet per se onwenselijk. Het wordt tijd deze kreupele verklaring uit de weg te ruimen.

Ressentiment als politiek kapitaal

De Amerikaanse essayist Henry Adams omschreef politiek ooit als de “systematic organization of hatreds” – vrij vertaald, politiek is de ordentelijke optelsom van wederzijdse afschuw. Iedereen die verlangt naar een politiek zonder rancune, verlangt eigenlijk naar een politiek zonder politiek. Dat noemen we ook wel: technocratie, emotieloze deskundigheid aan de macht. De jaren negentig was de enige periode in onze politieke historie waarin de praktijk het ideaal benaderde. Het was de uitzondering. Het huidige klimaat is geen uitzondering, het is een terugkeer naar de normaliteit.
    De PVV heeft geen monopolie op ressentiment. Alle partijen appelleren eraan. Kijk eens hoe er over bankiers en andere grootverdieners wordt gesproken. Rationele argumenten daarvoor schieten tekort. Blijft over de rancune jegens het grote geld. Het feit dat ongebreidelde rijkdom ons als iets onsmakelijks voorkomt. Dit is niets nieuws. In de jaren zeventig lanceerde Den Uyl het idee dat de grootverdieners maximaal vijf keer het minimuminkomen mochten verdienen. Toen heette dat engagement, tegenwoordig zouden we dat populisme noemen.
    De Duitse filosoof Peter Sloterdijk laat in zijn boek ‘Woede en tijd’ zien dat grote ideologische stromingen rancune omzetten in politiek kapitaal. Daarmee kun je investeren, bijvoorbeeld in verandering. Zo gebruikte het socialisme het ressentiment jegens de kapitalisten om uiteindelijk sociale hervormingen door te voeren.
    De kunst is rancune productief te maken in een politiek programma dat ook andere elementen kent: ideeën van rechtvaardigheid, rationaliteit, gemeenschap en vooruitgang. ‘Limburg voor de Limburgers’ is in dat opzicht een schraal programma, maar op schraalheid heeft het populisme evenmin een monopolie.

Gezonde correctie

Als het zich niet onderscheidt in rancune, waaraan dankt het populisme dan haar succes? Kort gezegd: aan het eerdere succes van het liberalisme.
    Het volgende geldt inmiddels als onomstreden: Kiezers zijn niet alleen verdeeld langs de sociaaleconomische scheidslijn links-rechts, maar ook langs de culturele scheidslijn libertair-autoritair. Tot in de jaren tachtig brachten de grote middenpartijen ook autoritaire waarden tot uitdrukking. Maar in de jaren negentig nam het liberalisme het politieke speelveld over, van links tot rechts. Alle grote partijen schoven op in de richting van de libertaire deel van het speelveld. Juist de dominantie van het liberalisme maakte de opkomst van het populisme mogelijk. Er lag electoraal terrein braak.
    Een deel van het electoraat, vooral het lager opgeleide deel, is niet liberaal. Dat is al heel lang zo en waarschijnlijk ook nooit anders geweest. In 1984 maakte Gerard van Westerloo een prachtige reportage over Amsterdamse trambestuurders, onder de titel “Niet spreken met de bestuurder”. Wie de trambestuurders hoort spreken, hoort de PVV, minus de obsessie met de islam. Hun zorgen gingen over de teloorgang van gemeenschap. Ze werden echter steeds minder gerepresenteerd in het politieke debat. Hoe je ook denkt over die opvattingen, in democratisch opzicht is dit een tekortkoming. De opkomst van het populisme – LPF, SP, PVV – heeft dit tekort opgeheven. Met andere woorden, de democratie doet zijn werk.
    De vraag is niet waarom het populisme is opgekomen, de vraag is waarom het zolang is uitgebleven.

Burgerlijke waarden

Onbehagen maakt blind. Wie zich blind staart op de xenofobe excessen van de PVV, ziet niet dat veel van haar kiezers en een deel van het partijkader geen belangstelling hebben voor de Islam. Zo ook de Limburgse PVV-leider Laurence Stassen. Een dag voor de Statenverkiezing werd ze geïnterviewd door de Volkskrant. De interviewers schrijven: “Met vragen over moslims, hoofddoekjes, moskeeën en halal-vlees heeft ze het moeilijk. Maar begin over de ‘plucheplakkende bestuurders’, en Laurence Stassen houdt niet op met praten.”
    Uit het interview blijkt duidelijk dat Stassen zich probeert te onttrekken aan vragen over Islam en massa-immigratie. Niet zij, maar de interviewers zijn geobsedeerd door deze thema’s – oftewel, door hun eigen weerzin. Uiteindelijk capituleert Stassen. Met tegenzin reciteert ze de officiële landelijke standpunten van de PVV.
    Natuurlijk gaf Stassen het moskeeverbod op in de onderhandelingen voor het coalitieakkoord. Misschien veinsde ze om tactische redenen dat het haar zwaar viel. En ja, ze zal regelmatig ridicule opmerkingen maken over de Islam. Dat staat in haar functieomschrijving. Maar veel van haar verkiezingsthema’s drukken geen xenofobie uit. Ze richt de rancune elders.
    Wat zeg je als je ten tijde van een crisis de dienstauto van gedeputeerden wilt afschaffen, een triviale bezuiniging? Dan ben je een symbolische rekening aan het vereffenen – in dit geval met bestuurders die belastinggeld aan zichzelf spenderen, terwijl de belastingbetalers moeilijke tijden doormaken.
    “De vereffening van de onrechtrekeningen van een moreel onuitgebalanceerde wereld,” zo omschrijft Sloterdijk het productief maken van ressentiment. Als bestuurders zichzelf privileges ontzeggen, kun je dat ook solidariteit noemen. In tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, is solidariteit niet afgeschreven. Het wordt opnieuw vormgegeven.
     Het populisme is het vereffenen van onrechtrekeningen. Een deel van het vermeende onrecht drukt burgerlijke waarden uit, geen xenofobie. Niet de fundamentalist is de vijand, maar de profiteur, de asociaal. Daarom laten populisten het woord ‘burger’ graag voorafgaan door de kwalificatie ‘hardwerkende’.
    Uit peilingen blijkt voortdurend dat een aanzienlijk deel van de PVV-aanhang weinig opheeft met de kruistocht tegen de Islam. Niet uit piëteit, maar omdat men het eenvoudigweg amper relevant vindt. Ook het kader van de partij zelf is hierover verdeeld. Wilders’ obsessie met de Islam is de Achilleshiel van de partij. Vertegenwoordigers als Stassen kunnen wel eens haar redding zijn.

Politisering

Het laatste misverstand over rancune is dat het alleen maar ‘tegen’ is. Daarom zou de PVV geen antwoorden hebben. Luyten schreef destijds: “Met een stem voor behoud van wat er nog is van vroeger, gaat de toekomst verloren.”
    Het idee dat een stem voor behoud een stem tegen de toekomst is, lijkt me nogal merkwaardig. Is een stem tegen klimaatverandering ook een vorm van nostalgie? Luyten bewijst zelf het failliet van haar diagnose met het relaas van Sanderbout, een oude wijk en PVV-bolwerk in Sittard. De bewoners verzetten zich, met succes, tegen de sloop waarvan de deskundigen hadden besloten dat die beter voor hen was. In plaats daarvan wordt er gerenoveerd en blijft de gemeenschap bewaard. Ook behoud kan vooruitgang zijn.
    Meer in het algemeen politiseren de populisten iets dat door de deskundigen buiten de politiek is geplaatst: ons antwoord op globalisering. Hoe weten de tegenstanders als Luyten dat de PVV geen antwoorden heeft? Omdat de populistische standpunten afwijken van het neoliberale recept: ze zijn tegen de verhoging van de pensioenleeftijd, tegen flexibilisering van de arbeidsmarkt, tegen open grenzen. Luyten, en vele met haar, weten zeker dat dit recept het enige mogelijke antwoord is, dat we geen keuze hebben.
    Als je beweert dat er geen keuze is, dan plaats je dat onderwerp buiten de politiek. De Franse socioloog Bourdieu noemt dit ‘economisch fatalisme’. Een defaitistische onderwerping aan de economische orthodoxie, zonder strijd. We zien het nu weer, rondom Griekenland. We hebben geen keuze, anders volgt de rampspoed. Let wel: de economische orthodoxie is geen onzin. Ik pleit hier niet voor fact-free politics. Maar die orthodoxie is faalbaar, dat moge inmiddels gevoeglijk duidelijk zijn.
    Het is een leugen dat een complex fenomeen als globalisering ons geen keuzes laat. Elders werd wel keuzevrijheid bevochten. Zo bedankte Denemarken voor de euro. Volgens de economen was dat kortzichtig en dom. Ze vergooiden hun toekomst. En nu? Nu gaat het prima met Denemarken. Ze kijken vast met enig leedvermaak naar onze worsteling met de Grieken.
    De strijd die Sanderbout heeft geleverd, wordt op allerlei terreinen en schaalniveaus gevoerd. Natuurlijk heeft de PVV geen doordacht economisch antwoord, maar ze biedt wel strijd. En politiek begint bij strijd.
    Misschien moet het antwoord op globalisering op een ander terrein gevonden worden: identiteit. Als je je staande wilt houden in een veranderende wereld, is het van belang te weten met welke groep je dat probeert te doen en welke ideeën van rechtvaardigheid die groep aanhangt. Misschien wil je eerst voelen dat er überhaupt nog een groep is. Daarna kun je praten over oplossingen en offers. En wie weet emancipeert Limburg en passant ook nog uit de slachtofferrol.




Een man die niet bang is voor zijn vrouw

Mijn vrouw ontvoerde me. Per fiets. Mijn ouders en onze kinderen zwaaiden ons uit.
    Het was een verrassing, al had mijn vrouw die half moeten aankondigen, omdat ik die avond met een vriend had afgesproken. Toen ik de afspraak in onze elektronische agenda’s zette, had mijn vrouw hem elektronisch geannuleerd.
    Ik zag dat en dacht: ‘O.’ Meer niet. Een van de vele voordelen van elektronische agenda’s is dat je leert hoeveel informatie alleen maar ballast is. Toelichtingen, beweegredenen, verzachtende omstandigheden, tegemoetkomingen. Terwijl juist de afwijzing gebaat is bij lage transactiekosten.

Toen we de straat uit waren, zei mijn vrouw: ‘Dit is vanwege onze trouwdag.’
    ‘O ja,’ zei ik.
    De afgelopen jaren was ik telkens in het buitenland tijdens onze trouwdag. Ik vond dat daaraan geen conclusies verbonden mochten worden.
    Dit jaar was ik thuis. Een paar weken geleden had ik het nog gezegd: ‘Dit jaar ben ik eindelijk eens thuis met onze trouwdag.’
     En thuis vergat ik onze trouwdag.

Ooit verzamelde ik bewijsmateriaal van het menselijk tekort. Al snel heb je genoeg voor levenslange veroordelingen van alles en iedereen. Alleen mensen die gehecht zijn aan hun eigen teleurstelling, blijven verzamelen. Onder de verzamelaars bevinden zich veel schrijvers, filosofen en vrouwen met wie ik vroeger een relatie heb gehad.
    De laatste jaren ben ik me gaan toeleggen op de forensische analyse van de hulpeloosheid. Zoals het vergeten van trouwdagen, bijvoorbeeld. Je hoeft niet al te lang te zoeken om sporen van het geluk te vinden. De man die zijn trouwdag vergeet, is de man die niet bang is voor zijn vrouw. Eigenlijk zou je daar al kunnen stoppen: een man die niet bang is voor zijn vrouw. Zij die graag teleurstelling verzamelen, zullen het benoemen als onverschilligheid. Maar waar de angst eindigt, kan de liefde aanvangen. Ik heb me voorgenomen te beginnen in voorjaar 2013.




Maand vijfentwintig

Lieve Jules,

Er zijn vaardigheden die je je eigen moet maken, als tweejarige. Dat bestrijdt je niet. Maar je hebt een hardnekkig verzet getoond tegen instructie als leermethode.
    Zo ben ik een paar maanden bezig geweest met het onderscheid tussen tram en autoosj. Ik begrijp dat we met autoosj beginnen voor alles wat rijdt. Prima. Als jij vervolgens elke dag de tram die langs ons huis rijdt, onthaalt met een enthousiast ‘Pappa, autoosj!’, dan lijkt het me de taak van de opvoeder om te zeggen: ‘Nee, dat is een tram’. Corrigeer me als ik dit verkeerd zie.
    Ik begrijp ook dat consequente herhaling de kern is van instructie. Dus corrigeerde ik je tientallen malen in alle toonsoorten die binnen mijn bereik liggen. Langzaam ontstond er een ritueel:
    ‘Pappa, kijk, autoosj!’
    ‘Nee, Jules, dat is een tram.’
    ‘Ja! Autoosj!’
    ‘Neehee. Dat is geen auto. Dat is een TRAM.’
    ‘Jaaaa! Isse autoooooosj!’
    Ad absurdum.

Op een gegeven moment heb ik een boekje gekocht met foto’s van voertuigen. Even voor jouw begrip, voor je zus heb ik nooit een boekje gekocht. We hebben boeken zat. Maar ik had een missie. In het boekje stond een foto van een tram. Dat niet alleen, er stond een foto van precies die tram die langs ons huis rijdt – HTM lijn 1 tussen Delft en Den Haag.
    ’s Avonds in bed, wees ik de auto aan en daarna de tram. In beide gevallen hoorde ik een enthousiast ‘autoosj’.
    Avondenlang herhaalde het ritueel zich. Ondertussen ging ik de beroepsmogelijkheden na voor iemand die geen instructies kan verwerken. In dat verband overwoog ik ook of het verstandig was een verhoging van het minimumloon te steunen. En lid te worden van een vakbond, zodat ze nog bestaan als jij ze straks nodig hebt.
    Ik smeekte je. Zeg tram. Alsjeblieft.
    Je zei geen tram.
    Het precieze moment weet ik niet meer, maar er knapte iets. Ik pakte jouw wijsvinger, prikte er mee in het plaatje op de maat van mijn instructie: TRAM! TRAM! TRAM TRAM TRAMTRAMTRAMTRAMTRAM.
    Vanaf die avond hadden we een nieuw ritueel. Je pakte mijn hand, vouwde mijn vingers rond de wijsvinger van je andere hand en maakte een prikbeweging richting het plaatje. Ik werd geacht de bijbehorende uitroepen te produceren. Hilariteit. Bij jou dan.
   
Een week geleden ging je ineens in de fout. We fietsen op straat, de tram kwam er aan en je zei laconiek: ‘Tram.’
    ‘Ja! Tram! Goed zo!’ riep ik over mijn schouder.
    Die aanmoediging beantwoordde je met een kordaat: ‘Ja, isse autoosj!’
    Maar het was te laat. Ik heb je door. Ik ben jouw experiment. Misschien onderzoek je de amusementswaarde van wanhoop. Of de houdbaarheidsdatum van de menselijke wil. Daar zal het proefkonijn niet achter komen.
    Ik geef toe, als methode van kennisverwerving is het experiment in bijna alle opzichten superieur aan instructie. Ik zeg alleen dit: aan de universiteit zijn ethische commissies ingesteld die experimenten met mensen moeten goedkeuren voor ze mogen worden uitgevoerd. Jouw experimenten zouden geen schijn van kans maken. Dat geldt overigens voor bijna alle interessante experimenten.

Soms terg je Vera – of zoals jij haar noemt: He! Ha! Je oudere zus heeft genoeg zelfbeheersing om je niet te slaan, maar ze balt wel af en toe haar vuistje en houdt die vlak voor jouw gezicht.
    In gedachte bal ik nu ook mijn vuistje.
    En in diezelfde gedachte vind jij dat hilarisch.




Wijn en coke

Het was half vier ’s nachts. Een meute mensen bewoog net genoeg heen en weer om hun aanwezigheid op de dansvloer te rechtvaardigen. De muziek was zestig jaar oud en nagenoeg ondansbaar, maar men weigerde de dansvloer te verlaten.

Die middag had ik gezegd: we gaan dansen. Het was het soort overmoed dat allang niet meer jeugdig is. Rondom overmoed bestaat een soort leeftijdsdiscriminatie. Boven de veertig heet het ineens: wanhoop.
    Wijn en Daan hadden verdacht enthousiast gereageerd op de term ‘dansen’. Zij zijn eveneens de veertig gepasseerd.

Wijn danst precies zoals hij twintig jaar geleden danste. Ook toen was het niet al te best. Hij moest het vooral van enthousiasme hebben. Je goot er een paar chocomel in en hij danste langer dan het Duracell-konijn kon trommelen.
    De chocomel is een jaar of tien geleden afgedankt. Tegenwoordig drinkt hij de hele avond ginger ale. Je kunt dat lood om oud ijzer noemen, maar ik vind het troostrijk. Zolang je de moeite neemt om je voorkeuren in suikerhoudende drankjes bij tijd en wijle te herzien, heb je de toekomst nog niet afgeschreven.

Daan stond op de dansvloer met iemand te praten. Als Daan de dansvloer ziet, dan ziet hij mensen die om een goed gesprek verlegen zitten.
    Dus ik keek naar Wijn.
    Ik was niet de enige. Voor me stonden een meisje en jongen te kijken. Ze waren in overleg.
    ‘Hij is helemaal out!’ riep het meisje. Met haar wijsvinger tekende ze een kurketrekker op haar voorhoofd.
    ‘Ex!’ riep de jongen.
    Ze observeerden hem een moment nauwkeurig.
    Toen zei het meisje: ‘Nee coke, denk ik.’
    Ze keken weer naar de man die het dansen van elke esthetische pretentie had ontdaan, in ruil voor de bewondering van alle toeschouwers die wel eens beelden van de kolibrie hadden gezien en nu ineens beseften ten onrechte te hebben geconcludeerd dat de mens niet was toegerust voor een dergelijke slagfrequentie.
    ‘Je hebt gelijk, het is coke,’ riep de jongen.
    Op dat moment was Wijn zonder twijfel de nuchterste bezoeker van het Amsterdamse nachtleven.

Tijdens het fietsen naar onze slaapplek, vertelde ik hem dat toeschouwers na rijp overleg hadden besloten dat hij coke had gebruikt.
    ‘Echt?’ vroeg hij. ‘Dachten ze dat echt?’
    Het was donker, maar het viel duidelijk te zien: hij glom.





Deprecated: preg_replace(): The /e modifier is deprecated, use preg_replace_callback instead in /home/miesepie/domains/bijzinnen.com/public_html/pivotx/includes/textile/classtextile.php on line 1011

In de sauna valt op dat het menselijk lichaam de creatie is van een vijftigjarige vrouw die net een cursus Klei en Verdriet is begonnen.

14/05 - 0

Vorige week is het nieuwe VakantieDoeBoek van Hans Ubbink uitgekomen. Mijn bijdrage, Ikaria, is hier te lezen (PDF). (Inderdaad, het is een bewerkte versie van dit stuk.)

De bijdrage wordt vergoed in natura, dat wil zeggen, met kleding van Hans Ubbink. Zonder dat ik daartoe aanleiding had gegeven, zei mijn vrouw: ‘Lief van je dat ik kleren van Hans Ubbink mag uitzoeken.’
    Ik vertelde dit voorval aan een vriend. Hij zei: ‘Het is belangrijk dat je vrouw profiteert van je schrijfactiviteiten.’ Dat vond ik een waardevolle observatie.

05/05 - 0

Maand achtenzestig (slot)

(Wat er voorafging.)

Het waren zitplaatsen, maar iedereen stond. Jij op het kuipstoeltje. Na elk applaus vroeg je of ADO een punt had gemaakt. Jij kon niet weten dat bij ADO om alles wordt geklapt – een hoekschop, een veroverde bal, zelfs een bal die over de zijlijn wordt geschopt. Dat was de afgelopen jaren ook zo. Het huidige succes is geen reden om de eisen op te schroeven.
    Tegen Daan zei je trots: ‘Ik ben voor twee landen. Nederland en ADO.’
    Groningen kwam op voorsprong. Kort daarna maakte ADO gelijk. Een oorverdovend gejuich steeg op. Ik tilde je van het kuipstoeltje en we sprongen mee met de rest van de tribune. Ik schreeuwde. Jij keek me lachend aan, maar met ingehouden adem. Beduusd. Op zulke moment krijg je een vertederend onderkinnetje, omdat je probeert je hoofd in je romp te trekken. Met je bril erbij zie ik dan een voorafspiegeling van een vrouw van middelbare leeftijd die me komt bezoeken in het verzorgingstehuis. Niet elke maand, natuurlijk.
    Er vloog bier door de lucht. Je hield je hand op zoals je doet bij de eerste regendruppels.
    ‘Wat is dat, pappa?’
    ‘Dat is bier.’
    ‘O ja.’
    De zon scheen, er was spectaculair voetbal, er werd gezongen en geschreeuwd. Je verborg regelmatig je gezicht in mijn hals om me kusjes te geven. Kortom, we hadden ons avontuur gevonden. Ik zou niet de man zijn met baardstoppels die goed kon knuffelen, maar de man die zijn hele leven naar het zelfde kantoor fietste en droomde over het meeschreeuwen van antisemitische leuzen. Dat heet: vooruitgang.

De tweede helft was overbodig, wat jou betreft. Je wilde even liggen op de kuipstoeltjes. Ik maakte een kussentje voor je en ging zo staan dat er een schaduw over je gezicht viel.
    Toen moest je plassen. Ik droeg je de trap af, door een opeengepakte verzameling woeste mannen. Ik tikte steeds de man voor me op de schouder en zei: ‘Pardon.’ Ze keken fronsend over hun schouder, soms vijandig. Maar dan zagen ze jou op mijn arm zitten en maakten snel ruimte voor onze doortocht. Soms duwden ze alvast de man opzij die voor hen stond, al dan niet met de mededeling: ‘Hé mongool, ga es opzij.’
    In de tweede helft liep Groningen uit naar een comfortabele overwinning. Een minuut of tien voor het einde zei ik tegen Daan dat ADO het had opgegeven.
    Iemand ontstak een groene rookbom die het speelveld bijna geheel aan het oog onttrok. Jij was echter meer in de ban van het smeulende restant aan de rand van het veld: ‘Straks gaat een voetballer op het vuur staan!’ Toen je zag dat ik je zorg niet deelde, vroeg je: ‘Wat gebeurt er als je op vuur gaat staan?’

We fietsten naar huis door Ypenburg, een uitgestrekte nieuwbouwwijk waarin nagenoeg niemand op straat was. Thuis paste oma op je zusje.
    ‘Vond je het leuk?’ vroeg ik aan je.
    ‘Ja.’
    Dat leek me ook.
    ‘Zullen we binnenkort weer eens gaan?’ vroeg ik.
    ‘Nee.’
    ‘Nee? Je vond het leuk, zei je net.’
    ‘Nee, ik vind het stom.’
    ‘O.’
    ‘Ik wist niet dat oma op zou passen. De volgende keer wil ik bij oma blijven.’
    Oma.
    Ik was niet de eerste die deze nederlaag incasseerde. Laatst zei je tegen je moeder: ‘Je bent de allerliefste van de hele wereld. Bijna net zo lief als oma.’
    Misschien moeten we oma wat meer inzetten om je het belang van de schijf van vijf en een goede mondhygiëne bij te brengen.

De volgende ochtend vroeg je moeder hoe het was geweest.
    ‘ADO had het opgegeven,’ zei je, kauwend op de boterham.
    Einde verslag.




Maand achtenzestig

Lieve Vera,

Gistermiddag stonden we in de rij bij het stadion van ADO Den Haag. Jij, Daan en ik. Daan vroeg waarom ik jou had meegenomen. Ik zei dat ik iets zocht om samen te doen. Van je houden is eenvoudig, dat gaat vanzelf. Maar het is niet genoeg. Sterker nog, hoe meer je van iemand houdt, hoe schraler de omgang met die persoon oogt. De liefde moet in activiteit uitgedrukt worden.
    Ooit gaat iemand, wellicht jezelf, je de vraag stellen: wat herinner je je van je vader? Som hoor je andere mensen antwoord geven op die vraag. Die antwoorden luiden nooit: ‘Hij kookte zo goed met de schijf van vijf.’ Of: ‘Hij heeft me het belang van mondhygiëne geleerd. Ik herinner me nog als de dag van gisteren hoe we samen een klemzittend stukje kipfilet met een flosdraad wisten te bevrijden.’ Zelfs dit hoor je nooit: ‘Ik herinner me een lieve man met prikkende baardstoppels die goed was in knuffelen.’
    Kortom, er moet iets gebeuren.

Voor de gezamenlijke activiteit geldt maar een eis: er moet iets op het spel staan. Een activiteit zonder emotie is amusement en tijdverdrijf. Daaraan hebben we geen tekort.
    Het probleem is dat je vader omgaat met emoties zoals de luchtvaartautoriteiten omgaan met flesjes water. Het flesje oogt onschuldig, maar theoretisch kan het ook een explosief zijn. Vanwege die theoretische kans, achten de autoriteiten het wenselijk om elke dag talloze flesjes tegen te houden bij de ingang. Ook je vader voert strenge toegangscontroles uit.
    Het enige terrein waar die controles niet bestaan, is voetbal. Wat er ook gebeurt op het veld, het heeft niets met mijzelf te maken. Ik kan niet opgeblazen worden. En dus laat ik op grote schaal verlangens, hoop, frustratie en woede naar binnen smokkelen. Ik doe het niet zelf, het smokkelen, het voetbal doet het. Dat is natuurlijk een illusie, maar eentje waarin ik geloof. Ik word wel beloond om een oogje dicht te knijpen, als een corrupte douanebeambte.
    Je vindt het wellicht tragisch, dat je vader alleen iets kan voelen op terreinen die er niet toe doen. Dat zal ik niet tegenspreken. Maar als ik zie wat hartstochten aanrichten bij mensen zonder grenscontroles, dan moeten we constateren dat het alternatief ook zijn bezwaren kent.
    Ik zet dus in op voetbal. Je moeder heeft een tijdje geprobeerd je aan het winkelen te krijgen. Wat ik ervaar bij een gestolen overwinning, dat lijken sommige vrouwen te voelen bij de vondst van een uitzonderlijk paar schoenen in de uitverkoop. Dat schurkt aan tegen een Goddelijke verschijning, afgaande op hun reacties.

We hadden kaarten voor het vak dat de fans Midden-Noord noemen, ook ligt het pal op het Oosten. Maar de gezangen zijn meegekomen uit het oude stadion.
    Toen we eenmaal op de tribune zaten, viel me op dat jij het enige kind was onder de tien. Voor ons stootte een hevig getatoeëerde meneer zijn buurman aan en knikte in jouw richting. ‘Kèk nâh, dah klèntje.’
    Er is een speciaal familievak in het stadion, in de hoek van het veld. Daar zaten we de vorige keer. De hele wedstrijd werd verstoord door af en aan lopende vaders met Fanta, patat en kinderen die moesten plassen. Het had meer met de Efteling te maken dan met voetbal.
    Deze keer wilde ik niet in het familievak. Ik had de mevrouw van de kaartverkoop gevraagd of er ook kinderen zaten op Midden-Noord. ‘Ja hoor,’ luidde het laconieke antwoord.
    Misschien had ik moeten vermelden dat je vijf bent.

(Morgen het slot.)




Zakenreis (slot)

(Wat er voorafging.)

De volgende ochtend begon de bijeenkomst die werd aangeduid als “EU ministerial conference”. Aan een Nederlandse ambtenaar vroeg ik wie er namens Nederland aanschoof: Verhagen of Opstelten.
    ‘Geen van beide,’ zei hij.
    Toen vroeg ik hoeveel ministers er dan wel waren.
    Hij schatte een stuk of vijf.
    De gedachte dat de meeste ministers geen tijd hadden voor een ministersconferentie in Balatonfüred, vond ik geruststellend.

Eurocommissaris Kroes was er wel. Het onderwerp van de conferentie viel onder haar portefeuille en ze zou de openingstoespraak verzorgen.
    Bij het ontbijt zei mijn vrouw: ‘Misschien mag je Kroes wel een hand geven.’ Ze is een zelfverklaard bewonderaar van Kroes.
    Eerst zou Eurocommissaris Kroes spreken, dan een rechterhand van Obama en dan ik. Zo had ik het vooraf verteld aan mijn ouders, aan collega’s en aan wie het verder maar wilde horen.
    In de praktijk bleef de rechterhand van Obama ongezien. Achter de schermen werd onderhandeld over enkele afspraken tussen de EU en de VS. Ook Kroes verdween meteen na haar toespraak. De spreektijd van de rechterhand werd overgenomen door een mevrouw die overkwam als een stagaire.
    Toen was ik aan de beurt. De presentatie verliep naar wens. Sinds mijn onderzoek ook statistische technieken omvat, ben ik verslaafd geraakt aan puntenwolken en staafdiagrammen. Het maakt presentaties bijna tot een soort zelfmedicatie.
    Na mij volgde een paneldiscussie. Inmiddels liepen we achter op schema en de voorzitter maande de sprekers tot bondigheid.
    Een Amerikaan rondde zijn betoog af met de mededeling: ‘Ik wil even zeggen dat ik vanwege de tijd al mijn grappen heb weggelaten’.
    Een Brit opende met: ‘Ik was eigenlijk van plan om een lang oeverloos betoog te houden. In plaats daarvan houd ik nu een kort oeverloos betoog.’

Aan het einde van de middag was ik door mijn visitekaartjes heen. Dat leek me een goed moment om te vertrekken. Ik ontmoette mijn vrouw op het kleine treinstation van de badplaats. Het eerste dat ze vroeg was of ik Kroes een hand had geschud. Dat was niet zo. Daarna vroeg ze: Wat had Kroes aan? Na mijn omschrijving constateerde ze opgelucht: ‘Ze is altijd goed gekleed.’ Naarmate helden schaarser zijn, neemt de tolerantie voor hun misstappen af.

Een paar uur later arriveerden we in Budapest. Tijdens het diner werden we verrast door de kwaliteit van de Hongaarse wijn.
    Mijn vrouw zei: ‘Als we ooit zijn uitgepraat, kunnen we misschien samen in de wijn.’
    Dat idee sprak me aan. Risico’s moeten gespreid worden. Het is onverstandig om alles te zetten op het verlangen naar elkaar. Een gezamenlijk verlangen naar wijn leek me een conjunctuurbestendige aanvulling op het portfolio.




Een dienstmededeling: Omdat nieuwe stukjes nogal onregelmatig verschijnen, zal ik updates vanaf nu doorgeven via Twitter: @bijzinnen.

26/04 - 1

Zakenreis

Mijn vrouw hield me gezelschap tijdens een zakenreis naar Balatonfüred, een kleine badplaats aan het Balatonmeer in Hongarije. Ik zou een van de sprekers zijn op een conferentie van de Europese Unie, waarvan Hongarije op dit moment voorzitter is.

Op het vliegveld in Budapest werden we naar een zwaar bewaakt verzamelpunt gebracht. Daar zouden de diplomaten, eurocraten en andere genodigden van verder vervoer voorzien worden. Het punt was zo zwaar bewaakt dat de taxi waarin we zaten, samen met een Belgische en Duitse medewerker van de Europese commissie, op ruime afstand van het gebouw werd tegengehouden. Na een minuut of tien van warrig overleg mochten we doorrijden.

In de bus naar de Balatonfüred zat ook een Amerikaanse consultant die de tijdelijke gevangenschap van de reizigers aangreep om zijn diensten aan te prijzen. Hij liep door de bus en werkte de inzittenden een voor een af. Bij elk gesprek kwam het moment waarop hij een wereldkaart tevoorschijn haalde waarop alle onderzeese internetverbindingen waren aangegeven. Daar was iets mee aan de hand.

Na een indrukwekkende reeks gesprekken belandde hij in het achterste gedeelte van de bus. Wij zaten achterin, samen met twee Nederlandse ambtenaren. Eerst werkte hij de twee ambtenaren af. Hij vroeg niet naar de bezigheden van de ambtenaren en wachtte evenmin op hun vragen om zijn eigen expertise te demonstreren. Toen hij klaar was, keek hij naar mijn vrouw en mij, de enige reizigers die nog verstoken waren van de laatste inzichten over onderzeese internetkabels. Hij keek naar ons en aarzelde. Als enige inzittenden droegen we vrijetijdskleding. Na een korte hoofdknik in onze richting, liep hij door.

(De volgende dag zou hij op me opzoeken na mijn toespraak. Toen droeg ik wel een pak. ‘Ik geloof dat we elkaar al eens ontmoet hebben,’ zei hij peinzend. Ik glimlachte en wachtte zwijgend of hij het zich zou herinneren. In plaats daarvan haalde hij de kaart van de onderzeese internetverbindingen uit zijn koffer.)

We reden al enige tijd langs de oever van het Balatonmeer. Op de kaart had het meer enige allure gehad, die in de realiteit bleek te ontbreken. Een ambtenaar haalde herinneringen op aan een eerder bezoek, een kwart eeuw geleden. ‘Pislauw water,’ mompelde hij.

De bus deed er enkele uren over om het badplaatsje te bereiken. Mijn vrouw vroeg waarom de conferentie niet gewoon in Budapest plaatsvond. Ik wist het niet. Wellicht kwam de gastheer, de Hongaarse minister van Economische Zaken, uit deze streek.  Wij waren het geschenk aan zijn achterban. In andere tijden stuurde een hooggeplaatste beambte een kudde schapen huiswaarts. Nu stuurde men tweehonderd buitenlanders.

(Wordt vervolgd.)




De dictator wil nu even de krant lezen

Het ontbijt. De kinderen eten het laatste brood op. Voor mezelf besmeer ik twee rijstwafels met chocopasta.
    De rijstwafel voldoet ternauwernood aan de kwalificatie ‘eetbaar’. Als bouwmateriaal, daarentegen, heeft het indrukwekkende eigenschappen. Het kan niet zo goed tegen vochtigheid, maar verder kun je het omschrijven met termen die we doorgaans reserveren voor het soort wondermaterialen die NASA gebruikt. Superlicht, sterk, goedkoop, makkelijk te verwerken. Een alternatief voor dure aardbevingsbestendige staalconstructies. Het ergste dat je kan overkomen is dat het dak in de vorm van gepofte rijst op je neerdaalt. Dat is geen reden tot zorg, hoogstens tot de aanschaf van een effectieve antiroosshampoo.
    Als ik aan tafel ga zitten, zegt Vera, mijn dochter van vijf: ‘O, pappa, je mag niet twee boterhammen met hetzelfde. Dat is niet eerlijk.’
    Dat is een regel. Alle regels die we voor onze kinderen verzinnen, passen onze kinderen ook op ons toe. Als we er niet aan voldoen, worden ze boos. Groot onrecht. Het is een soort populisme op huiskamerschaal.
    Doorgaans voorkom ik dergelijke conflicten door mijn eigen gedrag bij voorbaat te versmallen tot het past binnen de regels die voor onze kinderen gelden. Modern ouderschap doet denken aan een communistische dictatuur waarin de leider voortdurend moet veinzen gelijk te zijn aan het volk. De grote dictators losten dat op door het volk op afstand te houden met een hoge paleismuur. Onze woonkamer is echter net te klein voor zo’n muur.
    Terwijl mijn dochter protesteert, kauw ik traag op de eerste rijstwafel. De dictator is moreel bankroet, prima. Maar nu wil hij graag even de krant lezen.




Het amusement dat verontwaardiging heet

Mijn ouders waren gisteravond op bezoek. Dat betekent televisiekijken. Zo zag ik in korte tijd in vijf programma’s het voorval langskomen van de ADO-speler die zong “We gaan op Jodenjacht”. Met opvallende gretigheid werd schande werd gesproken van deze actie. Het beschavingsoffensief boekte aanzienlijke terreinwinst. De hoeveelheid zendtijd die het voorval kreeg, overtrof met gemak de doden in Libië en ander wereldnieuws.

Ik kan deze volstrekte overreactie maar op een manier begrijpen: er is een grote groep mensen die aanzienlijk genot ontleent aan het verontwaardigd zijn. De verveling in de middenklasse is groter dan gedacht. Er wordt wel eens geklaagd dat veel burgers apathisch voor de buis zouden zitten, maar dat lijkt een vorm van wensdenken te zijn. Was het maar waar. Verontwaardiging is een tak van de amusementsindustrie geworden. Afgezien van de bankiersachtige salarissen van producenten als Pauw en Witteman, kan verontwaardigingstelevisie tegen lage kosten worden vervaardigd, terwijl het toch voorziet in een behoefte. Dat heeft het gemeen met talentenjachten en realityseries.

De kwalificatie antisemitisme speelde een centrale rol in de opwinding. Ik kan me vergissen, maar een voorwaarde voor antisemitisme lijkt me toch dat het gericht moet zijn tegen de Semieten. Niemand lijkt echter te bestrijden dat Immers, de betreffende ADO-speler, alleen verwees naar de aanhangers van voetbalclub Ajax, niet naar de Joodse medemens of cultuur. Deze kleinigheid wordt opgelost met het argument: sommige Joden namen toch aanstoot. Als dat de norm is, dan wil ik graag dat de KNVB ook de aanstoot van dierenvrienden serieus neemt. Week in, week uit wordt het geslacht van de mannetjeshond beledigd.

De redactie van Voetbal International leek ook nattigheid te voelen. In de eerste artikelen sprak men van “antisemitische liederen”. Vandaag hanteerde men ineens het weinig vlotte “anti-Ajax-liederen die een antisemitische strekking hadden”.

Waarom staan sommige Joodse organisaties in de rij om zich over een akkefietje op te winden dat niets met Joden te maken heeft? Het enige dat ik daarvan begrijp is het beledigd zijn een manier is om je eigen bestaan wat glans te geven. Wel is het een gemiste kans dat ze tot nu toe nooit hun gekwetstheid hebben geuit wanneer het drugskartel dat ook wel wordt aangeduid als de Ajax-aanhang zichzelf identificeert als Joods.

In de Volkskrant mocht de zelfverklaarde Joodse schrijver Robert Vuisje uitleggen dat “weldenkende mensen” niet roepen dat ze op Jodenjacht gaan. Ik dacht dat de aanduiding “weldenkende mensen” alleen nog in ironische zin werd gebruikt, maar dat bleek een misvatting. Robert Vuijsje werpt zichzelf hier op als weldenkend mens. Dat biedt houvast. Laten we zijn denken eens nader bekijken.

Hij erkent volmondig dat Immers’ zang over de Jodenjacht niet over Joden gaat, maar over de aanhangers van Ajax. Dan presenteert hij drie argumenten waarom het toch “niet los gezien kan worden” van antisemitisme.
    Nu even opletten.
    Ten eerste, zegt Vuijsje, is hij als Joodse Ajax-aanhanger niet blij met het feit dat Ajax-aanhangers zichzelf als Joden aanduiden. Waarvan akte. Het ontgaat me waarom dit een argument is voor zijn stelling.
    Het tweede argument is nog merkwaardiger. Hij insinueert dat Immers een aanhanger is van Geert Wilders. De lezer moet zelf invullen waarom dat een bewijs is voor het verband tussen haat jegens Ajax en antisemitisme. Mij is dat niet gelukt. Als Immers GroenLinks zou stemmen, mag hij blijkbaar wel op Jodenjacht.
    Het derde argument is dat voetballers een voorbeeldfunctie zouden hebben. Het begrip ‘voorbeeldfunctie’ is een geliefde stok om de medemens mee te slaan. Het maakt het mogelijk – moreel hoogstaand zelfs – om de medemens te veroordelen op basis van een moraal waar je zelf niet aan hoeft te voldoen. Moraal is de uitoefening van macht zonder van macht te reppen – ik parafraseer de socioloog Goudsblom.
    Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat deze argumenten niet of nauwelijk verband houden met de stelling van Vuijsje. Wellicht hecht de redactie van de opiniepagina van de Volkskrant bij de selectie van stukken aan een correcte spelling. Aan zindelijk redeneren hecht men blijkbaar minder belang.

Als je kijkt naar de verontwaardigingsindustrie, dan kijk je ook naar de kruiperigheid van degene die moet proberen de verontwaardiging te dempen. De eerste reactie van Lex Immers en ADO was nog ter zake en oprecht: dit heeft niets met antisemitisme te maken. Die reactie hield niet lang stand. In de plaats daarvan kwamen kruiperige zelfbeschuldigingen. Op een gegeven moment twijfelde ik wie ik weerzinwekkender vond: de verontwaardigden of degene die aan de verontwaardiging probeerden te ontkomen.

Vandaag werd bekend dat Lex Immers en ADO de straffen van de KNVB accepteren. Immers is voor vijf wedstrijden geschorst, waarvan een voorwaardelijk. Ook trainer Van den Brom en speler Vicento kregen straf. Een schande. Ik kan niet ontkennen dat ik nu verontwaardiging koester en daar enig genot aan onttrek. Maar ik heb nog geen televisieprogramma of opiniestuk gevonden dat in mij hierin bedient.




Kom ik terug van de kapper, zegt mijn vrouw: ‘O leuk, je hebt Playmobilhaar.’

20/03 - 0

Maand zesenzestig

Lieve Vera,

Sinds kort draag je een roze bril. ’s Ochtends is ook nog je linkeroog afgeplakt. Dan zie je er uit als een onvoltooid robotje uit een oude sciencefictionserie. Ik weet niet waar liefde eindigt en medelijden begint, maar ik kan niet ontkennen dat het me aantrekt. Nietzsche heeft ooit het medelijden doorgrond als een vorm van begeerte.
   Ondertussen draag jij je oogparafernalia met trots. Dat je trots het gevolg is van zorgvuldig gechoreografeerde oplichting door de volwassenen om je heen, versterkt mijn begeerte alleen maar.
    Vorige week sneuvelde je bril op het schoolplein. Hij is nog niet gemaakt. Daardoor is je schoonheid tijdelijk hersteld. Je schoonheid schept afstand, ik kan er niets anders van maken. Het doet me haast verlangen naar meer gebreken in je leven.

Verder hebben we het beschavingsproject onverdund voortgezet. We corrigeren jou en je zus dat het een aard heeft. Ik mag er in ironische termen over spreken, de praktijk is ondubbelzinnig. Dat heeft weinig met opvoedkundige doelen te maken en alles met eigenbelang. Jouw beschaving is de uitbesteding van mijn ouderschap. Hoe beschaafder je bent, hoe minder ik ouder hoef te zijn. Zoals bekend levert uitbesteding, mits correct uitgevoerd, efficiëntiewinsten op. Die winsten komen ten goede van mijn eigen activiteiten.
    Laatst waren in iets dat een indoor speelparadijs heet. Dat is een bedrijfsmatige oplossing om opvoeding uit te besteden. In het indoor speelparadijs is alles verpakt in schuim. Men zou het kunnen verhuren aan psychiatrische patiënten met een voorliefde voor zelfdestructie, maar kinderen zijn waarschijnlijk een rendabelere markt. Ik had ook de buurmeisjes meegenomen. Dat was gezellig. Door hun aanwezigheid was ik niet langer noodzakelijk als bron van amusement.
     Er waren meer ouders die even niet amusant wilden zijn. Naast me zat een man met een laptop zijn boekhouding bij te werken. Hij bekeek spreadsheets. Af en toe krabbelde hij iets op een papiertje. Hij zag er gelukkig uit. Werk in uren dat je geacht wordt van je kinderen te houden, dat is het mooiste werk.

Een tijdje terug dacht ik dat het toevallig was, de timing, het samenvallen van mijn opzwellende ambities en de periode dat jij en je zus het meeste tijd vergen. Een ongeplande, wat ongelukkige samenloop van omstandigheden. Maar de waarheid dat ik juist door jullie bestaan het egoïsme heb ontdekt. Het egoïsme smaakte me beter dan ooit, ik kan niet anders zeggen. Niet dat ik vroeger geen eigenbelang kende, maar als je min of meer in een vacuüm opereert, dan is egoïsme toch een gratuite, grotendeels theoretische aangelegenheid. Nu gaat het tenminste ten koste van anderen.

Laatst werd je vader geëvalueerd door een groep ambtenaren aan wie hij les had gegeven. Op een van de evaluatieformulieren stond de tekst: ‘Mag meer tegenspraak dulden.’ Ik moest onwillekeurig aan jou denken, schatteboutje.

(Eerdere brieven zijn hier te vinden.)




¤

Voor het eerst sinds ik volwassen ben, heb ik niet gestemd bij een verkiezing waarvoor ik stemgerechtigd was. Mijn onthouding drukt niets anders uit dan vergeetachtigheid. Overigens heeft mijn opkomst in de afgelopen twee decennia evenmin veel betekenis. Ik stem vooral omdat ik geen dringende reden heb om het na te laten. Anders gezegd: het kost minder moeite om te stemmen, dan om mezelf vrij te pleiten van deze zogenaamde burgerplicht.

Stemkaart

03/03 - 0
¤

Het dorp waarin mijn ouders seniorenprins en - prinses zijn, heet Obbicht. Gisteren bleek dat ook het NRC Handelsblad aangezogen werd door de Obbichtse rituelen rond carnaval (klik op het artikel voor een vergroting). Ik kan me niet herinneren dat Obbicht ooit eerder de aandacht van landelijke media wist te trekken.
     Rituelen die de aandacht trekken, zijn rituelen in verval, zo leren antropologen ons.


01/03 - 0

De seniorenprins en -prinses (slot)

(Eerder: deel 1 en 2.)

In de feestzaal van het café werd de prinsenparen achter een rij tafel geparkeerd. De receptie kon beginnen. Er werden om en nabij de achthonderd mensen verwacht. Zomaar feliciteren behoorde niet tot de mogelijkheden. Er was een draaiboek. En mensen die als een soort luchtverkeersleiders alle aangemelde receptionisten van een felicitatieslot voorzagen. Mijn vader had geregeld dat de familie een vroeg slot toegewezen had gekregen.

De schutterij betrad het café in gelid, floot, trommelde en sprak toe. Daarna vormde zich een lange roodkleurige felicitatieslang van de receptietafels tot aan de ingang van het café. Nog voor de slang langs de tafels was, marcheerde de harmonie en drumband de zaal binnen. Het leek fysiek onmogelijk om nog eens zeventig mensen naar binnen te persen, maar het lukte toch.
    Er werd getoeterd, getrommeld en toegesproken. Tijdens een van de marsen had ik langdurig kippenvel gekregen. Ik kon me de naam van het nummer niet meer herinneren. Inmiddels had mijn jongste broer al het vierde rondje gehaald. Bier, hitte, herrie. Af en toe werd ik slap in de knieën. Het kon ook ontroering zijn.
    Er vormde zich een blauwe slang achter de rode slang. Het patroon was duidelijk. Allerlei verenigingen uit naburige dorpen kwamen binnen en duwden iedereen nog dichter bijeen.

De vorst, tevens ceremoniemeester, riep ons naar de receptietafel. We sloten aan bij de slang en feliciteerden alle prinsenparen en aanverwanten. Bij sommige zat er al enige slijtage in de glimlach. Helemaal aan het uiteinde sloeg ik twee mensen over, omdat ze niet achter de tafels stonden en ik niet wist of ze er bij hoorden. Ze riepen me terug, om alsnog de felicitatie te ontvangen. Ik vermoed dat ze op dat moment nog zo’n zeshonderd handdrukken te gaan hadden.

Toen we klaar waren met feliciteren, vroeg Vera of we nu de polonaise zouden gaan dansen. Daar had ze op geoefend. Ze was teleurgesteld toen ik vertelde dat opa nu geen tijd had om met haar de polonaise te dansen. ‘Maar,’ zei ik, ‘we komen terug als er optocht is. En dan kun je de hele avond polonaise dansen.’
    ‘Ook met omdraaien?’
    ‘Ook met omdraaien.’
    ‘Beloofd je dat, pappa?’
    Ik beloofde het.
    Op weg naar huis, vroeg ik aan mijn vrouw of ze het leuk had gevonden. Ze dacht een moment na en zei toen: ‘Leuk is niet het juiste woord.’




De seniorenprins en -prinses (2)

(Eerder: deel 1.)

Het was avond, dus toen we de straat in liepen was het van grote afstand te zien: Voor het huis van mijn ouders stonden palen met feestverlichting van het soort dat ik alleen ken van kermissen en bordelen langs provinciale verbindingswegen. Tegen de gevel waren enkele poppen geplaatst die van carnavalswagens afkomstig leken te zijn. En er hing een groot bord met de tekst: ‘Senior prins Herman II en prinses Tiny I.’
    ‘Ze hebben het verkeerd geschreven,’ zei mijn vader, toen we binnen waren. ‘Er had senioren moeten staan. Nu klopt het niet.’ Enkele gasten in de huiskamer plaagden hem door het woord senior uit te spreken als het Spaanse señor.
    Ik besloot me aan een taalkundige theorette te wagen. ‘Senior zegt iets over de leeftijd van de prins. Senioren zou betekenen dat je de prins ben van de senioren.’
    Ik wist niet zeker of die redenering correct was. Alleen in een klein Limburgs dorp durf ik me als taalkundige op te werpen.
    Mijn vader keek me onbegrijpend aan. Toen vroeg hij: ‘Dus het is wel goed?’
    Ik zei dat me leek dat het allebei goed was.
    Hij wendde zich tot de grappenmakers. ‘Hoor je dat? Het is wel goed.’
    Er kwam geen reactie.

De volgende dag zou de receptie plaatsvinden. Het senior of senioren prinsenpaar moest eerst naar een receptie in een naburig dorp. Ondertussen kwam mijn broer en zijn gezin binnen met enkele pannen vol bami. Toen mijn ouders terugkeerden, werd er bami gegeten.
    De receptie zou beginnen om elf over twee. Overal zit het getal elf in. Tegenwoordig zou men dat branding noemen.
    Om half twee werden ze opgehaald door de schutterij, de raad van elf, de dansmariekes en een verzameling mensen die ik zo snel niet kon thuisbrengen. Een film van Fellini telt doorgaans minder figuranten.
    Er werd gefloten door het fluitenkorps, er werd getrommeld door de trommelaars en er werd gesproken door de vorst van de raad van elf. Toen sloten mijn ouders aan in de stoet en was men gereed om de gewone prins en prinses op te gaan halen worden. Ook de rest van de familie zou meelopen.
    De stoet kwam in beweging en meteen weer tot stilstand. De gewone prins en prinses zijn toevalligerwijs de nieuwe buren van mijn ouders.
    Er werd gefloten door het fluitenkorps, er werd getrommeld door de trommelaars en er werd gesproken door de vorst van de raad van elf.
    Mijn vrouw, geen Limburgse, was toen al enigszins gedesoriënteerd. Vera, onze oudste dochter, wierp verliefde blikken op de dansmariekes.
    De prins en prinses sloten aan en daarmee was de stoet gereed om richting café ’t Torp te marcheren.

(Morgen het slot.)




De seniorenprins en -prinses (1)

Een paar dagen nadat mijn moeder was uitgegleden en haar enkel had gebroken, werd ze uitgeroepen tot Prinses Tiny I, seniorenprinses carnaval van het dorp.
    Per post ontvingen we het statieportret, dat van alle prinsenparen wordt gemaakt. Ze kijkt uitzonderlijk vrolijk op de foto. Haar rolstoel is even verruild voor een soort schavot dat bekleed is met zwart fluweel. Mijn vader, Prins Herman II, staat naast haar. In zijn gezicht is zoveel geluk samengebald, dat ik vermoed dat overal ter wereld plotselinge tekorten optraden en mensen overvallen werden door onbegrepen gevoelens van somberheid. Iedereen die de foto ziet, weet vanaf dat moment: het geluk draagt een steek. Dat is de naam van het hoofddeksel dat gereserveerd is voor de carnavaleske aristocratie.

Ik belde mijn moeder en vroeg of het wel ging, carnaval vieren in een rolstoel. Dat ging heel goed, bleek. Ze werd uitstekend verzorgd, zei ze. Ze klonkt zo tevreden dat ik de indruk kreeg dat de rolstoel een positieve bijdrage leverde aan haar nieuwe status. Daar zat een zekere logica in. Aristocratie is een vorm van invaliditeit, van gedwongen verzorging. Of het wordt opgelegd door een enkelbreuk of een familielijn, is een subtiel verschil.

Vorig weekeinde reisden we af om de officiële receptie mee te maken. Het fenomeen seniorenprins en –prinses bestond niet in het tijdperk dat ik nog deelnam aan carnaval. Er was een prins en een jeugdprins. De seniorenprins is een kwestie van voortschrijdende emancipatie.
    Ik vroeg mijn vader wat er verder veranderd was aan carnaval. Er was geen kinderoptocht meer, geen oudwijvenbal en geen revue. De carnavalsvereniging had bijna zelf het loodje gelegd.
    Ik vroeg hoe dat kwam.
    ‘De tweeverdieners.’ Hij roerde in zijn koffie. ‘Ik begrijp het wel. Ze hebben nergens tijd voor en als ze tijd hebben, willen ze zich nergens op vastleggen.’
    Ik sprak recent een gebiedsmanager van een grote Vinexwijk. Ze gaf hetzelfde antwoord als mijn vader op de vraag waarom de wijk afgleed naar een probleemgebied. Het waren niet de buitenlanders, de losbandige jeugd of de hufters. Aan de bron van alle ellende stonden de tweeverdieners. Dat komt me voor als een buitengewoon sympathieke diagnose.
    Maar het carnaval is een venijnige institutie. Er kwamen nieuwe feesten, die minder voorbereiding vergden. De tweeverdieners kwamen massaal. En men richtte zich op een nieuwe groep: de senioren. Dat was mij al die jaren ontgaan, totdat mijn moeder me belde om te vertellen dat ze op het punt stonden uitgeroepen te worden als Herman II en Tiny I.
    De ernst van dat nieuws drong pas tot me door toen we – mijn vrouw, de kinderen en ik – afreisden naar het dorp en mijn ouderlijk huis zagen.

(Wordt vervolgd.)




Een vereenzaamd kluitje kiwi's


Deprecated: preg_replace(): The /e modifier is deprecated, use preg_replace_callback instead in /home/miesepie/domains/bijzinnen.com/public_html/pivotx/includes/textile/classtextile.php on line 1011

Deprecated: preg_replace(): The /e modifier is deprecated, use preg_replace_callback instead in /home/miesepie/domains/bijzinnen.com/public_html/pivotx/includes/textile/classtextile.php on line 1011

Deprecated: preg_replace(): The /e modifier is deprecated, use preg_replace_callback instead in /home/miesepie/domains/bijzinnen.com/public_html/pivotx/includes/textile/classtextile.php on line 1011

Ik heb nu al vier dagen kiwi’s bij me. Twee stuks, in een gele Jip en Janneke broodtrommel die ik elke ochtend in mijn tas stop. (Overigens was ik gisteren het woord broodtrommel kwijt. En toen ik daar niet op kon komen, viel mijn hoofd een kort moment uit. Ik stond verbouwereerd in de keuken en vroeg me af hoe ik daar beland was. Vera zat aan tafel te ontbijten. Ze zag me in bevroren toestand staan en stopte zelf met kauwen. We keken elkaar strak aan. Na een moment zei ze voorzichtig: ‘Papa, bedoel je soms mijn broodtrommeltje?’)

Maar goed, de kiwi’s. Elke ochtend pakte ik de broodtrommel in en elke avond, wanneer ik de tas neerzette in de gang, hoorde ik iets rammelen. O ja, de kiwi’s. Ik had er ook een lepeltje bijgedaan.
    Ik wilde plek maken in mijn leven voor de kiwi. Maar fruit zit niet in mijn routine en wat niet in mijn routine zit, bestaat niet. Tenzij het wordt ingevoerd in de elektronische agenda. Ik wacht nog op een plugin voor fruit.
    Meestal gaat het fruit, dat via ons groente- en fruitabonnement binnenkomt, vanzelf op. Maar niet de harige kiwi’s. Ze liggen in een vereenzaamd kluitje op de fruitschaal. Tot ze een alcoholische geur beginnen te verspreiden. Dat zie ik als persoonlijk falen.
    Ik vind kiwi’s smakelijk, maar vreemd genoeg nooit op het moment dat ik ze zou kunnen opeten.

Voor het weekeinde bleven ze in de boterhammentrommel. Tijdens het weekeinde stond de tas, kiwi’s incluis, in de gang. Maandag probeerde ik het nog een keer. Vandaag gaf ik het op. Ik besloot ze te gebruiken voor het fruithapje van Jules. Ze keek belangstellend toe terwijl ik de vruchten leeg lepelde en op tafel zette. Toen maakte ze duidelijk: Zij bliefde ze ook niet.




Voortschrijdende indoctrinatie

Een kwartiertje voor de vergadering, mail ik mijn twee Iraanse medewerkers met het verzoek of ze zich stipt op tijd in mijn kantoor willen melden. Normaal gesproken komen ze vijf minuten te laat. Soms voeren we filosofische gesprekken over de vraag of vijf minuten te laat komen niet een contradictie is. Een van hen heeft ooit de stelling verdedigd dat vijf minuten te laat eigenlijk te vroeg is.

Deze keer zal een onderzoeker van Harvard per telefoon aan het gesprek deelnemen en ik wil hem niet laten wachten. In zijn tijdzone is het zeven uur in de ochtend.

Een minuut voor aanvang melden de twee medewerkers zich in mijn kamer.
    ‘Hoe gaat het?’ vraag ik.
    ‘Gaat wel,’ zegt een van hen bedeesd.
    Vroeger dacht ik dat er iets mis was wanneer hij dit antwoord gaf. Inmiddels weet ik dat het Nederlandse standaardantwoord, ‘Goed’, hem onbegrijpelijk voorkomt. Hoe kun je ooit je leven samenvatten met het woord ‘goed’? Na enkele experimenten in de eerste maanden van zijn aanstelling, heeft hij geconcludeerd dat ‘gaat wel’ het meest handzame antwoord is.
    Wanneer ze klaar zitten met hun laptop op schoot, grinnikt hij. Ik vraag wat er grappig is.
    ‘Ik zie net je mail,’ zegt hij.
    ‘En toch ben je voor het eerst op tijd,’ zeg ik. ‘Heel interessant.’ Onder het mom van ironie indoctrineer ik hen met onze lokale tradities als punctualiteit en het veinzen van belangstelling voor de medemens. Ik constateer dat de indoctrinatie zijn vruchten begint af te werpen.
    ‘Ik ben eerder vanwege onze gast. Het leek me onbeleefd om hem te laten wachten.’
    ‘Aha,’ zeg ik. ‘Dus als ik het goed begrijp is het onbeleefd om een gast te laten wachten, maar niet om je baas te laten wachten.’
    Hij schiet in de lach. Een hoog, enigszins manisch geluid, met een zweem van paniek. Hij kijkt me taxerend aan.
    Dan zegt hij: ‘Jij bent extended family. Bij familie kun je nooit te laat komen.’
    ‘Aha.’ Ik schik de vergaderstukken. ‘Vermoedelijk is dat een compliment,’ zeg ik tegen niemand in het bijzonder.
    De indoctrinatie schrijdt voort, maar het is nog onduidelijk bij wie.




Goedkope generalisaties

Ik zit te wachten op een bankje in de hal van station Amsterdam Amstel. Het is nog te vroeg om me te melden voor het radio-interview in de studio van BNR Nieuwsradio, tegenover het station.
    Waar de hal overgaat in de tunnel naar de perrons, staan zes jongeren in blauwe hesjes met het logo van een stroombedrijf. Ze spreken passanten aan met de vraag of ze een minuutje van hun tijd mogen.
    Het zijn aantrekkelijke jonge mannen en vrouwen met een bestendige glimlach. Wanneer ze nul op het rekest krijgen, verplaatsen ze zich lichtvoetig naar een andere passant, soms met een pirouette of een huppeltje.
    Ik begin te tellen hoe vaak ze iemand staande weten te houden. Een op de vijf, schat ik. Dan valt me op dat de drie jongens alleen vrouwelijke passanten aanspreken en de drie meisjes alleen mannelijke passanten. Minutenlang hou ik ze alle zes in de gaten en het patroon is onmiskenbaar. Als ze iemand staande houden wordt er overvloedig geglimlacht, ook door de passant, die toch een aantrekkelijk iemand tegenover zich weet en daar bedoeld on bedoeld op reageert.
    Seks verkoopt, ook als het verkeer beperkt blijft tot het afnemen van goedkope stroom. Elk verkeer is meegenomen.

Vlak voor ik wil opstappen, zie ik een jongen in gesprek met een mannelijke passant. Ik blijf nog even zitten. Ik zie nog een jongen die een man aanspreekt en vervolgens een meisje die een vrouw aanspreekt. Een minuut later is duidelijk; er was geen patroon. Seks mag verkopen, volgens de generalisatie, maar het toeval blijkt een grotere kracht.
    Er drong zich wel een andere generalisatie op: om een generalisatie te vinden is het zaak tijdig te stoppen met observeren. Of zoals een vriend tegen me zei, een dag eerder: ‘Incompetentie wordt beloond.’

Tijdens het interview met Harmke Pijpers, een van de mooiste radiostemmen die ik ken, hoor ik mezelf allerlei generalisaties opdissen. Mijn vriend had gelijk. Sommige mensen verkopen goedkope stroom, ik verkoop goedkope generalisaties.




Afspraak is afspraak

De telefoonwinkel was verlaten, op een jonge medewerker na. Terwijl ik mijn verhaal deed, keek hij af en toe langs me heen. Ik keek om. Achter me stonden twee jongens die na mij waren binnengekomen. Ze bogen zich over een telefoon, de ruggen naar ons toe gekeerd.
    Toen ik op het punt stond om het gesprek af te ronden, sprong de medewerker op. Hij schreeuwde iets en rende achter de toonbank vandaan, richting de uitgang. Ik zag nog net de twee jongens naar buiten sprinten. De medewerker zette de achtervolging in: ‘Hé jongens, terugkomen!’
    Zelfs in de verwarring van het moment, viel me op dat de uitroep nogal beleefd geformuleerd was.
    Een meter of twintig buiten de winkel, staakte de medewerker de achtervolging. Hij liep terug. Via een deur achterin de winkel kwam een vrouwelijke medewerker kijken wat er aan de hand was. ‘Wat hebben ze meegenomen?’ vroeg ze.
    ‘Een iPhone,’ antwoordde de man. ‘Ik hield ze nog in de gaten. Ik vertrouwde het al niet helemaal. Verdomme.’ Hij schudde het hoofd. ‘Sorry,’ zei hij tegen mij.
    Ik had met hem te doen. Het verlies van een telefoon was een kleinigheid voor de winkelketen. Maar die abstractie leek weinig troost te bieden.
    Vreemd genoeg voelde ik me zelf ook enigszins geschoffeerd door de dieven. Eerst dacht ik dat het kwam uit empathie met de medewerker. Maar mijn burgerlijk fatsoen is veel beter ontwikkeld dan mijn vermogen tot empathie. Dat is de vloek van het fatsoen van de middenklasse: elke inbreuk op de bestaande orde voelt als een persoonlijke bedreiging of belediging. Het antwoord op het persoonlijk affront is ook duidelijk: ressentiment jegens iedereen die afwijkt. Dit neurotische patroon wordt soms vergoelijkend aangeduid met de frase ‘afspraak is afspraak’.




Maand vierenzestig

Lieve Vera,

Op de laatste dag van het jaar zei je: ‘Vandaag is oud. Morgen is nieuw.’ En zo is het.
    Nieuw kabbelde voorbij. In de ochtend van 2 januari tuigden we de kerstboom af. Je moeder was enigszins bevangen door melancholie en ze besloot dat de boom moest gaan. Zelf dacht ik dat hij nog een week zou blijven. Maar als het onvermijdelijke eerder afgewikkeld kan worden dan verwacht, ben ik er als de kippen bij. Alsof ik het leven even te snel af ben. De boom moest hoe dan ook worden afgevoerd. Nog voor hij de kans kreeg ons te herinneren aan die taak, laat staan een verwijtende hoeveelheid naalden los te laten om ons treuzelen te onderstrepen, lag hij al achter in de auto. Het voelde als een ontvoering.
    We zaten gevieren in de leenauto. Je moeder moest de prikkende naalden in haar rug dulden, omdat ze ingeklemd zat tussen je zusje en de boom. Jij zat naast mij, voorin, omdat je kinderstoel meer plaats innam dan je moeder.
    We brachten de boom terug naar de plek waar we hem hadden uitgegraven, een perceel vol meer of minder mismaakte kerstbomen op het landgoed van een kasteel. Het ophalen heeft iets van een bezoek aan een dierenasiel. Afgedankte exemplaren die hoopvol in de houding staan terwijl gezinnetjes keurend langs de rijen dwalen tot ze hun eisen genoeg hebben bijgesteld om een klein gebrek te vergeven – een grote tak zonder naalden, een kromme piek, een kaal stuk stam halverwege de boom die daardoor de vorm heeft van een plateauschaal voor desserts.
    Op het landgoed stonden twee stationwagens met open achterkleppen. Moeders en vaders zeulden met bomen. Door de open klep kon je de kruinen zien van kinderen die waren ingesnoerd in hun zitjes. Een enkeling deed verwoede pogingen om achterom te kijken naar het bevrijden van de boom uit de auto.
    De poort naar het perceel was nog dicht. We plaatsten de boom naast de ingang, waar al een stuk of tien andere lotgenoten waren achtergelaten. Toen brachten we een laatste groet.
    Het begon ooit uit milieuoverwegingen, het ophalen van een boom bij het landgoed. Maar ik betwijfel of het milieu veel opschiet met alle extra activiteiten die nodig zijn voor het hergebruik. Milieukundigen hebben ooit de troosteloze constatering gedaan dat het milieu vaak meer gebaat is bij weggooien, dan bij hergebruik. Recycling heeft vooral sentimentele waarde. Begrijp me niet verkeerd, we recyclen ons een ongeluk. Het milieu kunnen we er niet mee redden, maar daarom hoeven we ons nog niet het geluk te ontzeggen van een teruggebrachte statiegeldfles. Het terugbrengen van de boom, een levend wezen dat onze warmte heeft gedeeld en toch een beetje een gezinslid is geworden, is navenant troostrijker. Of misschien is het beter om te zeggen: het is te deprimerend om hem naast de gemeentelijke afvalbakken achter te laten.
    We redden dus niet zozeer het milieu, we redden vooral onszelf. Vandaag is oud, morgen is nieuw en onderweg klamp je je vast aan een boom.