Welvaartspiek

Op een borrel stond ik naast een econoom uit de babyboomgeneratie. Hij constateerde dat zijn kinderen harder werkten dan hijzelf had gedaan, en voor minder geld.
    ‘Ik heb met ze te doen,’ zei hij. ‘Bij mijn generatie kwam het allemaal aanwaaien.’
    Ik vroeg hem of hij zich daar schuldig over voelde.
    Dat vond hij een merkwaardige vraag. ‘Je kunt je niet schuldig voelen over het tijdsgewricht waarin je geboren bent.’

In de krant las ik dat het Sociaal en Cultureel Planbureau had geconstateerd dat kinderen steeds vaker achterblijven bij hun ouders.
    In de energiesector spreekt men al jaren over “peak oil” – het moment waarop de wereldwijde olieproductie op zijn hoogtepunt is, waarna deze onomkeerbaar zal afkalven. Volgens het International Energy Agency passeerden we dat moment al in 2006. Misschien moeten we eveneens over peak wealth gaan spreken. Er zijn tekenen dat ook dat moment al achter ons ligt.




Een dorp is een manier van denken

Zondagmiddag was ik Obbicht, het dorp waarin ik ben opgegroeid, om de Ecrevisseprijs te ontvangen. Mijn vrouw kon er niet bij zijn. Na afloop probeerde ik tevergeefs de uitreiking voor haar te omschrijven. Er zat een aangenaam soort dubbelzinnigheid in. Het comité sprak ernstig over het behoud van de lokale cultuur, terwijl ze zelfgemaakte papieren hoedjes droegen. Misschien moet je katholiek zijn om dat een begrijpelijke combinatie te vinden. Mijn vrouw vroeg: 'Weet je zeker dat het ironisch bedoeld was?' De organisatie had ook nog Frans Pollux weten te strikken voor een onaangekondigd optreden met dit prachtige lied. De onderstaande tekst las ik voor als dankwoord.

Gisteravond zat ik voor het eerst sinds tien, vijftien jaar weer eens in de bus naar Obbicht.
    Ooit is het normaal geworden dat pap me komt ophalen in Sittard. Ouderschap lijkt soms verdacht veel op een taxibedrijf.
    Gisteravond kon pap me niet komen halen. Er was een feestavond van het zangkoor.

Behalve mij is er één andere passagier in de bus. Een vrouw van een jaar of dertig. Een vriendin had haar met de fiets naar de bushalte bij het station in Sittard gebracht en was daar blijven staan wachten bij de bus, in de kou, zoals je iemand uitzwaait die gaat emigreren.
    De vrouw stapt uit in Born.
    Het laatste stuk ben ik alleen met de chauffeur. Zwijgend draaien we door de bochten van de donkere dorpen. Straten zijn leeg. In een enkel huis brandt gelig licht. Maar hele stukken ogen verlaten. Hoe langer ik hier weg ben, hoe mysterieuzer het gebied op me overkomt. Even heb ik het gevoel dat ik op het punt sta wakker te worden uit een droom.

Ik stap uit op de markt en loop naar de Rietlaan. Nog voor ik bij mijn ouderlijk huis ben, springt de buitenlamp aan bij de deur van de stal. Of wat mijn ouders de stal noemen. Een rechthoekige garage waarin nooit enig vee heeft gestaan of anderszins agrarische activiteiten in zijn ontplooid. Al jaren is het mijn vaders fietswerkplaats. Toch noemen ze het nog steeds de stal.
    Een dorp is vooral een manier van denken.
    Zo noemen mijn ouders het hok onder de trap: de kelder. De kelder is een genereuze aanduiding voor wat loze ruimte die ongeveer een halve meter lager ligt dan de rest van het huis.
    In de buitenwijken van de Randstad staan huizen die identiek zijn qua vorm aan mijn ouderlijk huis. Ik denk niet dat iemand daar spreekt over stallen of kelders.
    In het huis is het stil, afgezien van de tikkende klok. Mijn ouders zijn op de feestavond van het zangkoor. Feestavond, ook een fenomeen dat ik alleen ken uit het dorp. De Randstad kent geen feestavonden. Er zijn feesten in de Randstad en ook avonden komen regelmatig voor. Maar opvallend genoeg zijn er geen feestavonden.
    Op de kachel staat een feestelijk verpakte fles wijn met een wenskaart van de familie Houben uit de Vonderstraat. Ze feliciteren me met de Ecrevisseprijs. Ik probeer me te herinneren waar dat is, de Vonderstraat. Het lukt niet. Ik ben inmiddels 22 jaar weg uit Obbicht, de kaart in mijn hoofd is niet meer bijgewerkt sinds 1988. Daarna probeer ik te begrijpen waarom mensen die ik, in alle eerlijkheid, nauwelijks ken, de moeite hebben genomen om een fles wijn voor mij te kopen. Zoals ik al zei, hoe langer ik weg ben, hoe mysterieuzer het leven hier wordt.

Ik ben langer weg uit Obbicht dan ik er ooit gewoond heb. Dat vormde blijkbaar geen belemmering om mij de Ecrevisseprijs te willen overhandigen. Ik heb me laten uitleggen dat die prijs wordt gegeven aan mensen die een bijdrage hebben geleverd aan de Obbichtse cultuur.
    Ik zou zelf nooit beweren dat ik een bijdrage heb geleverd aan de Obbichtse cultuur. In eerste instantie werd ik dan ook wat ongemakkelijk bij de gedachte dat ik deze prijs zou gaan ontvangen, alsof het een vergissing was die ik moest corrigeren. Maar daarna besefte ik dat het niet aan mij is om hierover te oordelen. Het dorp bepaalt wanneer je van het dorp bent.

Het duurde lang voordat ik – voordat we, de Van Eetens – van het dorp waren. Toen we in Obbicht kwamen wonen, in 1975, had je als jongetje twee mogelijkheden om je tijd door te brengen: de voetbalclub en de harmonie. Ik begon bij de voetbalclub. Een jaar of drie hobbelde ik op zaterdagochtend in een kluitje jongens over het veld. Nagenoeg alle wedstrijden verloren we, meestal met dubbele cijfers. In die jaren heb ik één doelpunt gemaakt, een puntertje door de benen van de keeper.
    Mijn voetbalcarrière eindigde op de dag dat het nieuwe voetbalcomplex van Obbicht werd geopend. Ik werd ingedeeld bij een van de twee gelegenheidsteams die de openingswedstrijd zouden spelen, als opwarmertje voor de wedstrijd van het eerste elftal. De gelegenheidsteams waren een mengelmoes van de verschillende jeugdelftallen. Ik was zeven. De oudsten waren zo’n vijftien, zestien jaar.
    Bij het begin van de wedstrijd zei de aanvoerder van mijn team, Jean Paul Colaris, dat ik achterin moest blijven verdedigen. Als Jean Paul Colaris iets tegen je zei, dan deed je dat. Dus ik bleef achterin verdedigen.
    Al snel bleek dat de hele wedstrijd zich afspeelde op de vijandelijke helft. Maar ik kwam de middenlijn niet over, want dat was mijn opdracht. Ik wachtte en wachtte op de bal. Die kwam niet. Op een gegeven moment ben ik gaan zitten op het veld.
    De openingswedstrijd van het nieuwe sportpark van Obbicht. Rijen dik publiek. En midden op het veld, vlak voor de middenlijn, zat een zevenjarig jongetje voor zich uit te staren. 
    Het was duidelijk: ik was te gezagsgetrouw voor voetbal. Na afloop van de wedstrijd suggereerde mijn vader dat ik me wellicht beter op de klarinet kon toeleggen.
    In de harmonie werd het nauwkeurig uitvoeren van instructies wel gewaardeerd. De rest van mijn jeugd speelde zich dan ook hier af, in de harmoniezaal. Op een gegeven moment zat de hele familie Van Eeten bij de harmonie. We dachten dat we Obbichtenaren waren geworden.
    Maar zo werkt dat niet.
    Halverwege de jaren negentig nam ik een keer een vriend uit de Randstad mee naar de harmoniezaal. Iemand van de harmonie zei tegen hem: ‘Ja, die van Van Eeten, die zijn niet van hier, maar ze hebben zich toch heel aardig aangepast.’ Toen woonden we ruim twintig jaar in het dorp.
    Inmiddels ben ik meer dan twintig jaar weg. En toch blijf ik als Obbichtenaar gezien worden.
    Dat is de essentie van een dorp: eerst kom je er niet in, dan kom je er niet meer uit.
    Het is ten diepste een geruststellend idee; dat anderen bepalen dat ik hier vandaan kom. Daarvoor ben ik dankbaar en daarom ben ik ook verheugd met deze prijs. Ik wil het prijzengeld graag doneren aan het instrumentenfonds van de harmonie. Zonder de harmonie was ik nooit Obbichtenaar geworden.




Na afloop van een congres raakte ik gesprek met twee Delftse studenten die ik niet eerder had ontmoet. Ze kwamen er achter dat ik ook uit Delft kom. Vroeg een van hen: ‘Wat studeer je dan?’
    Toen ik in de lach schoot, zei hij: ‘O, wacht, ben je misschien net afgestudeerd of zo?’

26/11 - 4

Een taxi bracht me van station Zwolle naar mijn afspraak. De taxichauffeur zei laconiek: ‘Na drie maanden wist ik dat een taxi rijden niets voor mij was. Dat was tien jaar geleden.’
    Even later zei hij: ‘Ik ga bijna met pensioen, dus het wordt langzaamaan tijd om iets anders te vinden.’
    Niet iedereen is belast door de obsessie met geluk.

20/11 - 0

20/11 - 1

Ontsnappen aan de korzeligheid

Wie uitgebreid Sinterklaas viert, doet er goed aan een liefde op te vatten voor het eindrijm. Zo moet iemand die zich bezighoudt met veiligheid, leren houden van de hyperbool.
    Maandag was ik op een symposium over veiligheid op internet. De hyperbolen betroffen vooral het onheil dat ons zou bedreigen. Uiteindelijk verkondigen die overdrijvingen dezelfde boodschap: onze strijd is nobel en verdient meer erkenning. De hyperbool is het wapen van de miskenden, van hen die bang zijn te tekort gedaan te worden. De overdrijving helpt de realiteit een handje bij het behartigen van de goede zaak. Blijkbaar kan de realiteit dat niet op eigen kracht.

Tijdens het veiligheidssymposium betoogde een politieagent dat de criminaliteit op internet exponentieel toeneemt. Hij had enkele rekwisieten meegenomen: een schaakbord en een paar zakken rijst. Voor het geval de toehoorder de ernst van die mededeling zou ontgaan. Een rijstkorrel op het eerste vakje, twee op het tweede vakje, vier op het derde vakje. Ruim voor het laatste vakje van het schaakbord zou die reeks de totale wereldproductie overstijgen.
    Lange tijd heb ik geprobeerd de hyperbool met warmte, of op zijn minst met mededogen, tegemoet te treden. Toen dat had gefaald, probeerde ik ironie. Ik zei tegen mezelf: Veiligheid gaat niet over waarheid, maar over handel. Iedereen probeert iets te verkopen, ik evenzeer. Maar ook de ironie hield geen stand. Uiteindelijk is een kleingeestig soort ergernis overgebleven. Misschien wordt het tijd om iets anders te gaan doen.
    Afijn.
    Toen de politieagent klaar was, mochten de toehoorders vragen stellen. Ik vroeg hem waarop hij baseerde dat de criminaliteit op internet exponentieel toeneemt. De geluidinstallatie versterkte mijn stem. Ik hoorde iemand wiens kaken moeite hadden van elkaar los te komen.
    Hij antwoordde dat veel mensen niet begrijpen wat ‘exponentieel’ betekent. ‘Een groei van drie procent per jaar is ook exponentieel.’
    Daarop besloot ik weer te gaan zitten.

Gisteren, de tweede dag van het symposium, hield een andere agent een betoog naar aanleiding van een recent succes: men had een Armeense internetcrimineel weten te arresteren. Ook in het succesverhaal bleek de overdrijving een geliefd stijlmiddel. Daarover had ik een paar weken eerder een korzelig stukje geschreven.
    Toen ik tijdens de discussie het woord nam, hoorde ik weer die meneer wiens kaken niet van plan waren hun innige verhouding op te geven.
    De sprekers in de sessie deden voorstellen die met elkaar gemeen hadden dat er grote offers gebracht moesten worden voor de veiligheid. Zo suggereerde de politieagent dat zijn organisatie de bevoegdheid moest krijgen om ook in het buitenland computersystemen over te nemen, zonder toestemming van de lokale autoriteiten. Ik hoop dat de Chinese autoriteiten vergelijkbare wetgeving introduceren. Er staan in Nederland genoeg systemen die een veiligheidsrisico inhouden voor Chinese burgers. De Chinese overheid is ongetwijfeld genereus genoeg om te vermelden dat Nederland hierin voorop loopt. Zo kunnen we onszelf met recht weer eens tot gidsland uitroepen.
    In de wereld van de goede zaak is een slecht idee beter dan geen idee. We kunnen slechts hopen dat het virus van de goede zaak niet al te veel om zich heen grijpt.
    De ergernis had nu geheel beslag van mij genomen. Daarin was ik overigens niet alleen. Bij mijn derde of vierde opmerking hoorde ik twee agentes voorin de zaal zuchten en steunen.

Aan het einde van de dag had ik behoefte om te ontsnappen aan de korzeligheid. Ik zocht de politieagent en vond hem in de hal, geflankeerd door een van de agentes uit de sessie, een jonge vrouw in een elegant mantelpakje. Ze streelde zijn bovenarm, maar trok haar hand terug toen ik me naast hen posteerde.
    Ik stelde mezelf voor.
    ‘Ik weet wel wie je bent,’ antwoordde hij koeltjes.
    Toen ik voorstelde om een keer in alle rust over het onderwerp te praten, knikte hij beleefd. Dat was goed, maar ze hadden het nogal druk, vertelde hij.
    ‘De opzet van de sessie lokte het gehakketak een beetje uit,’ zei ik. We hadden een gemeenschappelijke vijand nodig. Het leek me dat je vergaderschema’s straffeloos kon offeren.
    Hij knikte.
    Omdat hij zweeg, zei ik: ‘Dan word ik onbedoeld getypecast als een...’ Die zin beviel me niet. Ik aarzelde.
    ‘Mopperkont,’ zei de jonge agente. Ze keek me tevreden aan.
    Ik knikte gedwee.
    Voor de vorm gaf ik hem nog mijn kaartje.
    Het was tijd om naar huis te gaan.




Vrijdagmiddag verzorgde ik een lezing over internetveiligheid bij de Rijksacademie voor Financiën.
    Een van de aanwezigen was Coen Teulings, de directeur van het Centraal Planbureau. Hij gaf me een hand, bekeek me van top tot teen en zei toen tegen de organisator: ‘Mensen die zich met internet bezighouden zien er altijd een beetje raar uit.’
    Ik droeg een donkerbruin pak met daaronder een lichtgeel overhemd en gele das. Die combinatie had ik nooit eerder aangehad. Ik had een klein geluksmoment beleefd toen ik mezelf die ochtend in de spiegel had bekeken. 
    ‘Beter dan dit wordt het niet,’ zei ik.
    ‘Nee, ik zie dat je erg je best hebt gedaan,’ zei Teulings.

15/11 - 3

Maand negentien

Lieve Jules,

Het is de taak van het tweede kind om de ouders te bevrijden van enkele illusies. De illusie die opvoeding heet, bijvoorbeeld. We keken naar je grote zus, die zich gewillig laat inpassen in wat tegenwoordig vaak wordt aangeduid als beschaving. We hebben het opvoedingsrepertoire op haar losgelaten en ons vervolgens het resultaat toegeëigend: een kalm meisje dat broccoli lust en witte voetjes probeert te halen bij haar juffrouw en andere gezagsdragers. Niemand lust uit zichzelf broccoli, dat moest wel met onze verdienste zijn, zo luidde ongeveer onze redenering.
    Psychologen noemen dit een attributiefout. Dat werkt als volgt: Wat goed gaat, is onze eigen verdienste; wat verkeerd gaat, rekenen we toe aan anderen. Jij hebt ons genezen van die fout. Toen we hetzelfde repertoire loslieten op jou, bleek het geen enkel effect te hebben. Niet een verkeerd effect, maar simpelweg geen effect.

Je weigerde al heel snel gevoerd te worden. Je bliefde zelf te eten en anders niet. We hebben je verzet proberen te breken, maar jij hield de hongerstaking geduldig vol. Met andere woorden, jij brak ons verzet. Het gevolg is een dagelijks ritueel waarin een groot deel van jouw maaltijd op de grond belandt. Dat zou je kunnen vergoelijken door op je gebrekkige motorische vaardigheden te wijzen. Maar die vaardigheden zijn voldoende ontwikkeld om je etensbakje ostentatief omhoog te houden, me aan te kijken en de inhoud van het bakje naast je stoel te deponeren. Vervolgens observeer je me nauwlettend, zoals een experimentator loert naar een laboratoriumrat. Als ik boos wordt, amuseert je dat.
    Bij je zus gebruikte ik ook wel eens boosheid, maar dat was meer een soort amateurtoneel. Omdat ze snel onder de indruk was, dacht ik een verdienstelijk hobbyacteur te zijn. Bij jou hoef ik niet meer te acteren, ik word echt boos. Jij kijkt met pretogen naar mijn wanhopige geschreeuw en lacht. Het moet gezegd: je lach is adembenemend, vergezeld van je hemelsblauwe ogen en Einsteiniaanse kapsel.
    Het blijft niet beperkt tot het avondmaal. Overal heb je de beschaving opgeschort. Dat is niet je doel, vermoed ik, maar een neveneffect. Natuurkrachten vallen de beschaving niet aan, ze negeren haar.
    Ooit zag ik een televisieprogramma over ouders die leerden op te voeden door te oefenen op een hond. Als je een dier kon opvoeden, dan was een kind daarna een koud kunstje, dat was de achterliggende gedachte. Ik denk dat voor jou het omgekeerde geldt: als je jou kunt opvoeden, dan is een wild dier een peulenschil.
    Je hebt ons dus bevrijd van de illusie opvoeders te zijn. Nu weten we: Er is geen opvoeding. Er is co-habitatie met uiteenlopende vormen van territoriumgedrag.

Het is goed zo. Beschaving is een mooie uitvinding, maar de overgave waarmee je zus aan een stronk broccoli kan knabbelen maakt me ook ongemakkelijk.
    Anderen zijn minder terughoudend. Het regent zorgelijke bespiegelingen over onze beschaving. Ik meen dat dat woord ooit een ironische bijklank had verworven, maar daarvan is nu niets meer te merken. Per dag duikt het woord vaker op in de krant. De pleitbezorgers van de beschaving hebben een ding gemeen: hun weerzin jegens de medemens. Met hun eigen beschaving is niets mis. Het is de ander die terug moet in het hok.
    Afgelopen zaterdag betoogde een schrijver genaamd Thomése dat de beschaving wordt bedreigd doordat er teveel wordt geschreven, mede dankzij het internet. Iedereen eist aandacht, ten koste van de ander, zo luidde de diagnose. Dit, schatteboutje, noemen we ironie. Iemand wil in de krant, een in drukvorm gegoten vorm van aandacht, om daar te kunnen klagen dat teveel mensen aandacht willen.
    Laatst klaagden enkele gokverslaafden het casino aan. Het casino hen had binnengelaten, ondanks dat de verslaafden zich op een lijst hadden laten zetten van mensen die niet langer toegelaten wilden worden. Misschien kan de krant ook zo’n lijst aanleggen. De eerste naam hebben we al: P.F. Thomése. Zo draagt iedereen zijn steentje bij aan het redden van de beschaving.

Afijn. Er is nog een ander terrein waar je de beschaving een gevoelige tik uitdeelt: de taal. Je weigert te praten. Vorige week heeft de medische stand, vertegenwoordigd door een instituut met de misleidende naam ‘consultatiebureau’, daarover een ultimatum afgekondigd. Binnen drie maanden moet er gepraat worden, anders volgt er heropvoeding door iemand met een diploma.
    Tot nu toe beperk je je tot twee woorden. Het eerst woord voorziet tot nu toe in al je communicatiebehoeften: ‘kaka’. Het kan vragend, zeurend, dreigend, lachend en gebiedend worden uitgesproken. Je zegt het met zoveel overtuiging, dat ik soms vergeet dat er een specifiek woord bestaat voor dat wat je bedoelt. Als je een foto ziet van ons gezin, gaat je vingertje een voor een de gezichten af, steeds vergezeld van de uitroep: ‘kaka!’ ‘Ja, dat is kaka,’ antwoordde ik laatst, voor ik er erg in had. Het is zo effectief dat we ons moeten afvragen of het begrip ‘woordenschat’ niet aan herwaardering toe is. Misschien is het beter van ‘woordenoverschot’ te spreken.

Je tweede woord is ‘pappa’. Dat heeft geen communicatieve functie, maar doet dienst als soort plaatsbepalingstechnologie. Als we samen thuis zijn, gaat het ongeveer als volgt.
    - ‘Pappa?’
    - ‘Ja?’
    - ‘Pappa?’
    - ‘Ja?’
    - ‘Pap-paah?’
    - ‘Ja-haa?’
    Ad absurdum.
    Het lijkt erop dat je voortdurend mijn locatie peilt. Soms vanuit een andere kamer. Je komt niet naar me toe, je kijkt vaak niet eens naar me, je houdt slechts routinematig bij waar ik me bevind. Een soort radar.
    Meer komt er vooralsnog niet over je lippen. Je moeder wacht nog steeds op de eerste ‘mamma’.

Misschien zie je in spraak de voet tussen de deur van het beschavingsoffensief. We weten dat je wantrouwen goed ontwikkeld is. Sommige mensen observeer je minutenlang, zwijgend, bewegingsloos, met gefronste wenkbrauwen. Vooral zij die aardig tegen je doen. Alsof je denkt: ‘Als ik die lach beantwoord, zit ik binnen de kortste keren ook aan een stronk broccoli te knagen. Misschien is dat onvermijdelijk. Maar ik wil het in ieder geval uitstellen tot na de afronding van mijn experiment met het herhaaldelijk in het gezicht slaan van mensen. Die dataverzameling is nog niet compleet.’
    In het bijzijn van anderen moet ik daar bezwaar tegen aantekenen. Maar weet dat ik ten diepste jaloers ben dat ik zelf het experiment destijds vroegtijdig heb afgebroken.




Knagen in het eigen achterwerk

Gisteren verzorgde ik de Le Roy lezing tijdens een symposium van Stichting De Tijd. De tekst vindt u hieronder, minus enkele lange passages uit Tegennatuur. Ter voorbereiding van de lezing bezocht ik enkele weken geleden de zogenaamde "ecokathedraal" van Louis Le Roy, net buiten Heerenveen. Zo’n bezoek kan ik iedereen aanraden.

Wie zich enige tijd bezighoudt met het milieu, loopt het risico zwaarmoedig te worden. Het zijn niet alleen de somber stemmende voorspellingen. Het is ook het gevoel van onmacht dat bij die voorspellingen wordt meegeleverd. De voorspelling zegt: het is uw en onze plicht om deze crisis af te wenden. En dus stemde ik op de juiste partij, scheidde ik mijn afval, at ik minder vlees, nam ik de trein, deed ik de lampen uit en viel ik mijn vrouw lastig wanneer zij de lampen niet uitdeed – of naar mijn zin niet snel genoeg uitdeed.
    Maar de milieucrisis werd niet afgewend. Integendeel. Nieuwe voorspellingen doemden op. We deden niet genoeg, zoveel was zeker. Wat resteerde is het knagende besef dat ik tekort schoot.
    Deze toestand heeft een jaar of tien geduurd. Toen betrapte ik mezelf op een heimelijk verlangen naar de vernietiging van de planeet. Ergens hoopte ik dat het eindelijk zou beginnen, dan hadden we het maar achter de rug.
    Onmacht is zoiets als jeuk. Een oom van mij had een hond, een Schotse collie, die urenlang in zijn mand lag te knagen op zijn eigen achterwerk, omdat hij gekweld werd door jeuk. Het zou met niet verbazen als mensen ook af en toe ten prooi vallen aan dat gedrag. Uiteindelijk had de hond een kaal achterwerk, maar hij bleef knagen, tot bloedens toe.
    Ook ik moest af van de aanhoudende jeuk. Dan komt er een moment dat de ondergang van de planeet een acceptabele prijs lijkt.

Inmiddels is de jeuk minder. Niet omdat de ondergang van de planeet is begonnen. Eigenlijk weet ik niet precies wat ik moet denken van de huidige staat van de planeet. Het is onduidelijk waar slecht nieuws overgaat in propaganda.
    De jeuk is gaan liggen om een andere reden: Ik ben me minder met milieu gaan bezighouden. Ja, ik scheid nog steeds mijn afval, eet nog steeds minder vlees en neem nog steeds de trein, maar tegenwoordig val ik mijn vrouw niet meer lastig als ze niet snel genoeg de lampen uitdoet. Nu loop ik zwijgend achter haar aan en doe ik zelf de lampen uit.
    Het zijn hardnekkige gewoonten waar ik niet meer vanaf kom. De jeuk is verdwenen, maar ik krab nog steeds. Soms vind ik het gekrab beschamend. Laatst zag een collega me toen ik alle lichten uitschakelde in het toiletblok van ons kantoor. Ik schrok, alsof hij me betrapte tijdens het urineren in de wasbak. Het redden van het milieu doe ik het liefst in het geniep.
    Maar dit zijn rudimenten. Beroepshalve hou ik me al jaren niet meer bezig met het milieu.

Toen het beklemmende gevoel van onmacht en tekortkoming me enigszins had verlaten, kon ik met andere ogen kijken naar de zaken die ik eerder had onderzocht.
    Sommige van die zaken heb ik gebruikt in een roman. De twee hoofdpersonen van de roman zijn wetenschappers die in Amerika onderzoek doen naar pogingen om bedreigde diersoorten en natuurgebieden te redden – vergaande, soms ronduit wanhopige pogingen om diersoorten en natuurgebieden te redden.
    Ik neem u even mee naar Californië, waar al enkele decennia een wateroorlog wordt uitgevochten. Het water moet verdeeld worden tussen stad, landbouw en natuur. Er is niet genoeg water om aan alle behoeften te voldoen; die van de 22 miljoen stedelingen rond Los Angeles, die van de boeren in de Central Valley, het meest productieve landbouwgebied ter wereld, en die van de natuur, zoals de zalmsoorten die op uitsterven staan en die bij lage waterstanden in de rivieren de oceaan niet meer weten te vinden.
    Halverwege het onderzoek komen de hoofdpersonen, Grad en Leslie, terecht op een industrieterrein net buiten Sacramento. Daar bevind zich een kantoor van het California Department of Water Resources, een soort Californische Rijkswaterstaat. Ze worden daar ontvangen door medewerker van die organisatie, genaamd Jon. Ik lees een ingekorte passage voor uit de roman:

[...]

In het controlecentrum worden bedreigde dieren geobserveerd alsof het ruimtevaartuigen zijn. Op een ander moment in de roman bezoeken Grad en Leslie een kwekerij waar bedreigde zalmen kunstmatig worden bijgekweekt en vervolgens heropgevoed moeten worden voor ze de natuur in kunnen.

[...]

Een controlecentrum en een heropvoedingskamp voor bedreigde dieren. Het boek bevat meer van dit soort voorbeelden.
    Tijdens de interviews na het verschijnen van het boek, was de op één na meest gestelde vraag: “Bestaan ze echt, dat controlecentrum en die zalmkwekerij?”
    (Overigens was de meest gestelde vraag: “Is het autobiografisch?” Ik vermoed dat die vraag mede zo populair was omdat de hoofdpersoon enkele weinig verheffende seksuele activiteiten onderneemt. Maar dit terzijde.)
    Het antwoord op de vraag of het controlecentrum en het heropvoedingskamp voor zalmen echt bestaan, is: “Ja. Alle voorbeelden zijn ontleend aan de realiteit.” Het controlecentrum heb ik zelf bezocht. De zalmkwekerij werd me beschreven door een ambtenaar van de instantie die het financierde.
    De vraag of de voorbeelden verzonnen waren, hangt samen met de zoektocht van de interviewers naar de boodschap van het boek.
    (Dat is overigens de op twee na meest gestelde vraag: “Wat is de boodschap van uw boek?” Er is een bepaald slag interviewers dat probeert hun werk uit te besteden aan de geïnterviewde.)
    Sommige interviewers dachten dat ik de voorbeelden verzonnen had om een dystopie te schetsen, een pessimistisch toekomstbeeld bedoeld als aanklacht tegen onze omgang met de natuur. Maar voor zo’n boodschap hoef je de toekomst niet in te vluchten. Veel mensen ervaren het heden al als een dystopie.
    Recent verscheen een roman van Frans Pollux – getiteld “Het gelijk van Heisenberg”. Het boek schetst een Orwelliaanse toekomstbeeld waarin de wereld is onderworpen aan de dictatuur van de markt. De reden waarom die dystopie aanspreekt, is omdat velen het vermoeden koesteren dat de dictatuur van de markt zich allang heeft gevestigd.
    Zo is het ook met mijn voorbeelden over natuurbehoud. Wie mensen wil overtuigen dat we het milieu onomkeerbaar aan het vernietigen zijn, hoeft zich niet in te spannen om voorbeelden te verzinnen. Veel mensen zien in het heden al overvloedig bewijs daarvoor.

Ik weet niet wat de boodschap is van het boek, je moet auteurs dat ook niet vragen, maar zelf zie ik het niet als aanklacht. Een aanklacht suggereert dat je weet hoe het beter moet. Hoe meer ik over dit onderwerp te weten ben gekomen, hoe minder bekwaam ik me voelde om te bepalen hoe het beter moet.
    De voorbeelden van het controlecentrum en het heropvoedingskamp voor de vissen vertellen mij iets anders: ze maken duidelijk dat als je natuur wil behouden, je haar moet vernietigen. Ze houdt op te bestaan in de vorm waarin ze zo vaak bejubeld is, een idylle waarin de mens afwezig is. In plaats daarvan krijgen we iets dat een onontwarbaar kluwen is van mens, techniek en ecologie en elk is een bestaansvoorwaarde voor de ander. Dat is de prijs voor behoud. Als je dit prijs niet wilt betalen, moet je bereid zijn de natuur los te laten. Bloot te stellen aan verval. Op te geven. Ruimte en tijd te geven, zou Louis Le Roy wellicht zeggen.

Toen ik werd uitgenodigd voor deze lezing, heb ik voor het eerst kennisgemaakt met het werk van Le Roy. Tijdens die, toegegeven, oppervlakkige kennismaking, meende ik dit gemeenschappelijke thema te herkennen: behoud is hetzelfde als vernietiging.
    Drie weken geleden bracht ik voor het eerst een bezoek aan de ecokathedraal in Mildam. Het was laat in de middag en goudgeel licht viel door de bladeren van de toen nog grotendeels groene bomen. Ik werd oprecht geraakt door de wandeling over het terrein. Net als Le Roy deel ik een voorliefde voor complexiteit, voor het gevoel dat er meer is dan je kunt bevatten. Maar meer nog was ik gecharmeerd door het feit dat zijn bouwwerken het onderscheid leken op te heffen tussen opbouw en verval. Je kon niet zien welke kant het op moest. In deze context was een deels afgebrokkelde toren tegelijk een vorm van verval als van opbouw. De toren ontwikkelde zich. Dat vind ik een interessant uitgangspunt. Zo zie ik het controlecentrum en het heropvoedingskamp ook: het is tegelijk verval en opbouw. Vooruitgang noch achteruitgang. Het is ontwikkeling.

Voorafgaand aan het bezoek aan de ecokathedraal, brachten Peter Wouda en ik een kort bezoek aan Le Roy. Zijn gezondheid liet een echt gesprek niet toe. We zaten tegenover elkaar en probeerden af en toe een zin op elkaar uit, onzeker over het effect. Toen er een stilte viel, trok Le Roy mijn roman uit een stapel boeken op de tafel. Hij tikte erop. Ik meende daar een teken van instemming in te kunnen ontdekken. Ik vroeg hem of hij iets van zijn ideeën herkende in het boek. Ineens werden zijn ogen helder. Hij keek me indringend aan en zei resoluut: ‘Nee.’
    Dat vond ik charmant.
    Het deed me denken aan het gesprek met Huub Mous, enkele weken eerder, voor een interview dat zou verschijnen rondom deze lezing. Bij aanvang van het interview leek hij enigszins ongemakkelijk. Al snel werd duidelijk waarom: hij had mijn boek gelezen geconstateerd dat het volstrekt haaks stond op het werk van LeRoy. Dat was het vertrekpunt van een overigens bijzonder aangenaam gesprek.

Als ik me goed herinner, betoogde Huub Mous dat Le Roy activistisch was. Dat ben ik niet. Ik wil het best zijn, maar ik weet niet waar de actie heen moet. Als mensen praten over actie, zie ik vaak goede bedoelingen, maar niet veel meer. Soms zie ik zelfverheerlijking, een enkele keer achteruitgang. Ook hier voel ik de klamme hand van de onmacht.
    Huub Mous betoogde eveneens dat Le Roy systeemkritiek uitoefende. Ook daar ben ik niet goed in.  Het valt niet te ontkennen dat er veel te bekritiseren is aan het systeem, aan de maatschappij. Maar wat me daarin belemmert is het gevoel medeplichtig te zijn. Iedereen met enige intelligentie moet toch beseffen dat maatschappijkritiek uiteindelijk zelfkritiek is. Arnon Grunberg schreef ooit: “Maatschappijkritiek laat zich samenvatten in drie woorden: ‘Weg met mij.’”
    ‘Weg met mij’ – dat is uiteindelijk  onleefbaar. Iedereen zoekt daarin zijn eigen uitweg. Sommigen worden activistisch, anderen vluchten in de verwondering. Je moet iets. Anders ga je in je eigen achterwerk knagen, tot aan bloedens toe.




One trick pony

Gistermiddag verzorgde ik een co-referaat bij een lezing van Rik van der Ploeg, hoogleraar in Oxford en voormalig PvdA-politicus. Zijn lezing bestond uit een litanie over Rutte I, met name over het gebrek aan liberalisme in het regeerakkoord.
    Dat laatste punt deel ik. De afgelopen twintig jaar overziend, kunnen we constateren dat het liberalisme zijn hoogtijdagen kende onder de PvdA. Zijn verontwaardiging deelde ik niet.

Ik ben al een jaar of vijftien bevriend met de vrouw die de lezing had georganiseerd. Na afloop zei ze: ‘Ik mag nooit verontwaardigd zijn van jou. Dat mocht ik vroeger ook al niet.’
    Het wordt tijd dat ik mijn repertoire uitbreid.

Een deel van de lezing van Van der Ploeg wordt binnenkort geplaatst in NRC Handelsblad. Mijn co-referaat is hier te lezen: Engagement is populisme voor mensen met een diploma.




Verzorgd door Grunberg

De Volkskrant plaatst elke dag een ‘Voetnoot’ van Arnon Grunberg. Vandaag refereerde Grunberg aan onze ontmoeting in New York. We spraken onder andere over libertijns paternalisme – de gedachte dat je mensen vrij laat kiezen, maar wel het keuzeproces zo inricht dat wenselijke gedrag gestimuleerd wordt. Dat kun je manipulatie noemen. De aanhangers van deze stroming zullen betogen dat elk keuzeproces ons manipuleert, bedoeld of onbedoeld. Het gaat dus om wenselijke versus onwenselijke vormen van manipulatie.

Ik bracht libertijns paternalisme ter sprake nadat Grunberg zich in de eerste tien minuten van de ontmoeting had opgeworpen als iemand die door de aanhangers van die stroming een keuzearchitect zou worden genoemd.
    We hadden afgesproken op de hoek van Park Avenue en 34th street. Meteen na de begroeting, zei hij: ‘We hebben drie opties om te lunchen.’ Ik koos een optie en onmiddellijk stapte hij de straat op om een taxi aan te houden.
    Even later zaten we aan de bar van het restaurant. Toen we de menu’s hadden gekregen, vroeg hij: ‘Rood, wit of rosé?’
    Tot dat moment verkeerde ik in de veronderstelling dat ik zelf mijn bestelling zou opgeven, dus ik dacht dat hij wellicht een gezamenlijke fles wijn wilde bestellen.
    Ik koos wit.
    ‘Welke wit?’
    ‘Kies jij maar.’
    ‘Sancerre?’
    ‘Prima.’
    Hij bestelde een glas Sancerre voor mij en koos zelf een glas rosé. Daarna vroeg hij wat ik wilde eten en ook dat gaf hij door aan de bediening. Ik beperkte me tot een vriendelijke glimlach.
    Toen de serveerster vertrokken was, merkte ik op dat hij het keuzeproces zorgvuldig had geregisseerd.
    ‘Hoe bedoel je?’
    ‘Je vroeg bijvoorbeeld: Rood, wit of rosé?’
    ‘Is dat verkeerd? Je leek me geen bierdrinker.’
    Even keek hij voor zich uit met de onderdrukte teleurstelling van iemand wiens goede bedoeling beloond wordt met een verwijt. Maar het was geen verwijt. Om dat misverstand te smoren, begon ik over libertijns paternalisme.
    Het zou niet in me opkomen om voor iemand anders te bestellen, uitgezonderd minderjarigen. Maar het beviel me wel om het te ondergaan. Het was efficiënt, een eigenschap die ik doorgaans hoger aansla dan het onderscheid tussen wijn en bier. Daarnaast voelde ik me verzorgd. Zorg is manipulatie van hoge kwaliteit.
    Ik kan me voorstellen dat er vrouwen zijn die terug verlangen naar de rolverdeling van voor de laatste emancipatiegolf. Als man verlang ik daar niet naar terug. Zo vond ik het al een ondraaglijke verantwoordelijkheid om te moeten leiden tijdens een cursus salsadansen. Ik ben blij dat er mensen zijn die zich opwerpen als keuzearchitekt.

Na afloop weigerde Grunberg me te laten betalen. ‘Dan word ik echt boos,’ zei hij. Zijn laatste zin was: ‘Ik ga je nu op de taxi zetten, dan ben je op tijd voor je vlucht.’ Hij wachtte bij de taxi, totdat deze zich in het verkeer had gemengd.




Gaslek

De laatste tijd bezoek ik regelmatig buitenlandse conferenties. Mijn vrouw merkte op: ‘Je hebt duidelijk geen last meer van milieubezwaren tegen het vliegen.’
    Er is een periode geweest waarin ik milieubezwaren opvoerde als reden waarom ik conferenties links liet liggen. Dat en het schrijnende gebrek aan nut van veel conferenties.
    Blijkbaar gaat het belasten van het milieu en het verspillen van belastinggeld me inmiddels beter af.

Een week of twee geleden was ik in Wiesbaden, Duitsland. De conferentie vond plaats in een zalmroze kasteeltje. Een Iraanse collega zei: Het ziet er uit als een bruiloftstaart. Ook in andere opzichten leek het wel op een bruiloft. Er waren pijnlijke toespraken en na afloop van de plechtigheden werd de alcohol met onverholen enthousiasme onthaald. Mijn Iraanse collega’s – er waren er twee – keken enigszins geschokt naar de pogingen van enkele Japanse ambtenaren om te dansen op de muziek van het jazz combo dat de barbecue opluisterde.

Gisteren vloog ik naar Washington, D.C., voor een conferentie. De avond ervoor was ik mijn stem kwijt geraakt door een verkoudheid. De vraag is wat je kunt doen op een conferentie als je niet kunt praten. Het antwoord is: knikken en glimlachen.
    Ik heb nu anderhalve dag gezwegen en hoop dat ik over een uur voldoende stemgeluid heb om mijn eigen onderzoek te kunnen presenteren. De kans is aanwezig dat ik daarna weer veroordeeld ben tot het geluid dat ik gisteren produceerde. Het leek nog het meest op een gaslek. Morgen zal ik in New York lunchen met Arnon Grunberg – het etentje is een cadeau van mijn collega’s voor mijn oratie. Als ik klink als een gaslek, zullen we die lunch zwijgend doorbrengen. Eigenlijk zou dat het mooist zijn.
    Ook als mijn stem weer hersteld is, lijkt het me zinning om ervan uit te gaan dat ik klink als een gaslek. Let wel, ook een gaslek doet af en toe belangrijke mededelingen.




De mond van een ander is een werkplaats

Vanochtend onderging ik iets dat een zenuwbehandeling bleek te heten. De verdoving deed zijn werk. Achteraf werd ik overvallen door warme gevoelens voor de tandarts. Ik weet niet of dat onder de bijwerkingen valt. Toen ik opstond, schudde ik met beide handen de hand van de tandarts. Bij het afscheid deed ik het nogmaals. Uit zijn reactie maakte ik op dat het minimaal een keer te veel was. In het vervolg houd ik me aan deze vuistregel: je eigen mond is intiem, de mond van een ander is een werkplaats.

Sindsdien wacht ik tot de verdoving is uitgewerkt. Er zijn de verwachte effecten – het onvermogen te proeven, vastlopen in woorden met veel medeklinkers en morsen bij het koffiedrinken, omdat mijn mond niet doorhad dat mijn lip de rand van de beker niet raakte. Een onverwacht fenomeen is dat ik nu al enige tijd jeuk heb in het gebied waar ik verder niets voel. Zachtjes krabben en koud water hielpen niet. De jeuk zit in mijn hoofd.




Niet iedereen maakt mooie bochten met de Segway: "The multi-millionaire owner of the Segway company died in a freak accident yesterday when he rode one of the high-tech two-wheel machines off a cliff and into a river."

27/09 - 0

De dienstregeling van de Haagse Trammaatschappij

Ik had kiespijn. Dat duurde inmiddels een kleine week. Maar dit was de eerste keer dat het me uit de slaap hield. Voor we naar bed gingen, had mijn vrouw nog één hele paracetamol weten op te diepen. Die was inmiddels uitgewerkt.
    Ik lag wakker. Ik lig nooit wakker.
    Het heeft een slechte naam, wakker liggen, maar ik besloot het onbevooroordeeld tegemoet te treden. Ik dacht aan een goed gesprek met een vriend. Daarna dacht ik aan de tram die ik morgen moet nemen om vanuit Den Haag op tijd te komen voor het college dat ik ’s middags geef. Ik probeerde terug te komen naar die vriend en vroeg me vervolgens af of ik wel of niet de vouwfiets moest nemen naar onze volgende afspraak. Daarna probeerde ik me te herinneren in welke map ik het bestand had gezet dat ik nodig had voor het avondcollege.
    Na enige tijd concludeerde ik dat wakker liggen niet wilde zeggen dat je kon nadenken. Het was een nogal kortademige aangelegenheid.
    Ik probeerde opnieuw in slaap te komen. Daarvoor bezocht ik in gedachten het zwarte strand van een vulkanisch eiland waar ik jaren geleden was. Daar heb ik een legendarisch aangenaam uiltje geknapt. Ik concentreerde me op het gevoel van zand onder mijn zij. Het geluid van mijn eigen ademhaling liep synchroon met de branding.
    Even later vond ik mezelf opnieuw terug in de dienstregeling van de Haagse Trammaatschappij en de mappenindeling van mijn laptop.

Ik stond op. In de woonkamer doorzocht ik nogmaals de kast, in de hoop nog een verdwaald stripje paracetamol te vinden. Maar die kast had ik al eens doorzocht.
    Het medicijnkastje in de badkamer was eveneens leeg, op een doosje zetpillen na. Voor 1 tot 5 jaar, stond er op. Ik keek op het doosje en probeerde in te schatten hoeveel zetpillen ik moest inbrengen om het lichaam van een veertigjarige te verdoven. Eerst als grap, maar een paar seconden later was ik uitgelachen en pakte ik het doosje. Toen zag ik erachter een ander doosje. Smelttablet banaan, luidde het opschrift. Eronder las ik het begeerde woord paracetamol.
    Ik drukte vier smelttabletten uit de verpakking en stopte ze in mijn mond. Ze vielen onmiddellijk uiteen, maar de term ‘smelten’ was toch wat misleidend. Ik had nu een hap kalk in mijn mond. Met een zeer uitgesproken bananenaroma. Een flinke slok water verloste me daarvan. Wel nam ineens de kiespijn toe. Misschien vanwege de suiker in de pillen.
    Wachtend op de verdoving, ging ik bij de kinderen kijken. Ik trok een dekbed recht en veegde een bezwete lok haar uit een gezicht. De een smakte in de slaap, de ander snurkte. Buiten was de doorgaande weg eindelijk stil. Ik trok een kier in de gordijnen en vroeg me af hoe laat de tram weer ging rijden.




Onverwacht optimisme over de mensheid

Het is druk op de Voldersgracht. Mensen schuifelen langs de kraampjes die zich genesteld hebben tussen het water en de winkels.
    Ik kijk op van mijn tafeltje in de lunchzaak als ik buiten geschreeuw hoor.
    Een oudere man rijdt voorbij op een Segway, de driftige elektrische tweewieler waarop ik tot nu toe alleen parkeerwachters voorbij zag rollen.
    Dan draait de oude man ineens het mobiel om en rijdt hij terug naar een andere oude man. De bestuurder van de Segway is boos. Hij ziet er uit als iemand die op een vissersboot werkt. Slonzige dikke kleding, een wollen muts en woest grijs haar. Nog voor hij de andere man bereikt heeft, priemt zijn vinger al in diens richting.
    De Segway stopt abrupt, slechts centimeters voor de andere man. Die deinst niet achteruit en laat de tirade kalm over zich heenkomen. Af en toe herhaalt hij de opmerking dat de andere man had moeten uitkijken. Zijn handen blijven in de zakken van zijn pak, een ouderwets pak in een ongrijpbare blauwe tint.
    De man op de Segway spuugt woorden en speeksel in de richting van de andere man. Hij leunt over het stuur heen en kijkt neer op de andere man, alsof hij op een preekstoel staat.
    Op de verticale balk van de Segway zie ik een blauwe sticker met een witte rolstoel erop.
    Tijdens een symposium vertelde laatst iemand dat de Segway een reuze interessant juridisch probleem vormde. En ook een ernstig maatschappelijk probleem, voegde ze er snel aan toen. Want er waren mensen die ze nodig hadden, maar die niet de weg op mochten met deze uitvinding omdat hij niet past in de categorieën van de Verkeerswet.
    Er zijn ernstige maatschappelijke problemen die me onverwacht optimistisch stemmen over het lot van de mensheid.
    Dan draait de man zich om, vertrekt met grote vaart door het publiek en neemt met jaloersmakende precisie de bocht naar een steegje.




We did enough Hitler last time. (Amerikaanse collega over waarom hij München had gemeden tijdens de vakantie.)

13/08 - 1
¤

Vanmiddag kreeg ik bezoek van een journalist van de Telegraaf. Nadat hij was vertrokken, zag ik een zakje liggen op de stoel waar hij had gezeten. Een zakje om hondepoep mee op te rapen. Andere journalisten lieten wel eens een pen achter. Of namen een pen van mij mee, of een notitieblok. Het is wonderlijk hoeveel journalisten arriveren zonder notitieblok. Nu ben ik een zakje voor hondepoep rijker, met een ingenieus ingebouwd opraapmechanisme. Dit compenseert ruimschoots alle kantoorartikelen die ik de afgelopen jaren heb verstrekt aan vertegenwoordigers van de Nederlandse media.


11/08 - 0

Maand zestig

Lieve Vera,

Je bent gisteren vijf jaar geworden. Ik zong een liedje voor je. Halverwege het eerste couplet onderbrak je me met de woorden: ‘Papa, wil je daar alsjeblief mee stoppen?’
    Je bent inmiddels oud genoeg om ouderlijke aanmoedigingen te wantrouwen. Zondag was je gevallen met je fiets. Ik je probeerde te troosten, maar je kon niet stoppen met huilen. Toen ik je aanraadde om even diep adem te halen, zei je dat je dat niet durfde.
    ‘Waarom durf je niet diep adem te halen?’    
    ‘Want dan ga jij “goed zo” zeggen.’
    Het is waar: Ook het schouderklopje is een vorm van machtsuitoefening. Daarom heeft men de subsidie uitgevonden.

De afgelopen weken viel je een keer of vijf, zes. De schaafwond is inmiddels een vertrouwde gast in ons gezin. Dat het vijf jaar heeft geduurd voordat hij arriveerde, zegt iets over opvoeding. Ouderliefde is in de eerste plaats het vermijden van krassen, butsen en breuken. In dat opzicht zijn kinderen hetzelfde als parketvloeren. Dat idee maken we draaglijk door een nieuw krasje te omarmen als bewijs voor verlicht ouderschap. We doen er zogenaamd niet moeilijk over.
    Overigens voer ik wel meer op als bewijs voor verlicht ouderschap. Je zusje heeft onder mijn toezicht enkele malen poep gegeten. Ooit nam ze een hap uit haar eigen luier. Gisteren proefde ze een geitenkeutel. Toezicht is cipierswerk en ik ben een slechte cipier. Een andere manier om dat te typeren is: ik bevorder zelfredzaamheid.
    Het blijft niet beperkt tot poep. Je zusje neemt voortdurend steekproeven van haar omgeving. In de oude afleveringen van Star Trek neemt men bij expedities naar onbekende planeten een apparaat mee waarmee men monsters kan ontleden en determineren. Je zusje doet dat met haar mond. Vaak zie ik het te laat om nog te kunnen achterhalen wat er precies gemonsterd is. Er resteert dan alleen een kring van groezelig materiaal rondom haar lippen. Dan zeg ik tegen mezelf: ‘Dat is goed voor de weerstand.’ Soms zeg ik het hardop. Als de resten op haar gezicht een verontrustende kleur hebben. Of als er een andere toezichthouder in de buurt is. Je moeder, bijvoorbeeld. In alle redelijkheid: het zou best waar kunnen zijn. Bijna alles bevordert de weerstand. Bij mij wel, in ieder geval.

De schaafwonden maken veel indruk op je. Je bent panisch voor bloed. Het vermoeden van bloed is al genoeg. Soms kom je aanlopen en hou je een lichaamsdeel voor mijn neus. ‘Kijk, pappa, bloed.’
    ‘Waar? Ik zie niets.’
    ‘Da-haar.’ Je vinger ligt dan naast een minuscuul donker stipje. Misschien is het bloed, het zou kunnen. Dat oordeel moeten we uitstellen tot er substantiële verbeteringen bereikt zijn op het gebied van de elektronenmicroscopie.

De obsessie met bloed wordt gevoed door vindingrijke theorieën over het menselijk lichaam. Zo maakte je je recent zorgen dat je velletje ooit op zou raken en er dan gaten in je lijfje over zouden blijven. Eergisteren, na de valpartij met de fiets, deed je de mysterieuze observatie dat het bloed van je schaafwond ‘naar binnen’ zou gaan. Dat moest ten koste van alles voorkomen worden, zo begreep ik.
    Het menselijk lichaam is een bron van angst die bezworen moet worden. Een paar weken geleden was ik bij een workshop over het maatschappelijk verzet tegen inentingscampagnes. De leiders van dat verzet waren ook aanwezig. Hun theorieën over het menselijk lichaam kwamen er, kortgezegd, op neer dat ziekte een complot is van de farmaceutische industrie. Die theorie is niet helemaal zonder merites. Maar zijn belangrijkste verdienste is dat hij het lichaam voorstelt als een onschuldig organisme. Een goedmoedige hond die hoogstens een beetje kwijl achterlaat op de hand waarmee je hem aait.
    Misschien is het voor de verzetsleiders geruststellender om een handvol ondernemers te vrezen, in plaats van hun eigen lichaam. Maar persoonlijk boezemt het onschuldige lichaam me meer angst in. Ergens moet ik mijn gebreken lokaliseren. Als het lichaam vrij is van schuld, dan ben ik belangrijkste verdachte die overblijft. Doe mij dan maar een valse hond, eentje die hapt naar zijn baas en naar voorbijgangers. Een hond die je af en toe een schop mag geven. Onthoudt dit, liefje: een goedgeplaatste schop is vaak eerlijker dan een schouderklopje.




Romantische fantasieën

Het eiland Ikaria, gelegen in het noordoosten van de Egeïsche zee, is zo genoemd omdat het plek zou zijn waar Icarus in zee is gestort, nadat zijn vleugels uiteen waren gevallen. Van Icarus was niets meer te zien. Wel lag er op het eiland een indrukwekkende hoeveelheid defecte voorwerpen. Autowrakken, bijenkasten, huisraad, olijfolieblikken, reclameborden. De traditie van het neerstorten werd in ere gehouden.
    De berm van de handvol wegen die het eiland rijk is leek op een uitdragerij. Behalve dat er niemand te zien was waar je kon afrekenen. Soms sloegen we bocht om in een verlaten gebied en reden we ineens langs een tankwagen die daar ooit was achtergelaten. De romp hing lui tegen de bergwand, omdat de banden lek waren en het onderstel was doorgezakt. Daarnaast stond een koelkast, met het vriesvak open. Even verderop stond een ontmanteld bestelbusje met het opschrift: Müller Partyanlagen und Festzelte.
    Na een paar dagen oogde het vertrouwd. Toen hield het op rommel te zijn. De antropologe Mary Douglas schreef ooit: “Dirt is matter out of place”.

Het hele eiland straalde een schitterend gebrek aan ambitie uit. Er was iets dat je toerisme kon noemen, maar ook dat werd meer gadegeslagen dan bevorderd.
    We hadden de benedenverdieping gehuurd van een huisje aan het strand van het dorpje Faros. De vrouw die de verdieping verhuurde, vroeg vooraf geen garantie dat we daadwerkelijk zouden komen opdagen. Onze e-mails werden traag of niet beantwoord. Het leek haar om het even of we zouden komen.
    We kwamen.
    Via een omweg kregen we een sleutel. De vrouw zou pas na enkele dagen opduiken. Op een middag kwam ze vragen of alles in orde was. Toen we over de betaling begonnen, kon dat onderwerp met moeite haar aandacht vasthouden. Liever sprak ze over de horren die nog voor de ramen geplaatst zouden worden.

Vooraf had mijn vrouw romantische fantasieën over het appartementje aan het strand. Ik werk graag mee aan romantiek, vooral als mijn bijdrage in euro’s uitgedrukt kan worden.
    Tot haar eigen verbazing, werden de fantasieën niet bespot door de realiteit.

Na een dag of tien begon ik te verlangen naar huis. Dat gebeurt elke vakantie. Mijn vrouw vroeg wat ik het meeste miste. Ik antwoordde: ‘Efficiëntie’.
    De laatste dagen probeerde ik me over te geven aan de romantiek. Ik maakte veel foto’s van mijn vrouw te midden van onze dochters. Telkens weer dacht ik: dit moet ik vastleggen. Het leek belangrijk, alsof ik de romantiek kon betrappen door het beeld nauwkeurig te bestuderen. Maar ik zag alleen drie mooie vrouwen, die samenzweerderig in de camera keken.

Toen we weer terug waren op Schiphol, vroeg Vera, ons dochtertje van vier, of we haast hadden. Ik zei dat we geen haast hadden.
    ‘Waarom loop je dan zo snel, pappa?’
    Ik antwoordde dat ik langzaam lopen heel moeilijk vind.
    Het is een oude kwaal. De haast zit diep.
    In de trein zaten we gevieren op het balkon, dicht bijeen. Ik keek naar ons en nam de laatste foto van de vakantie.




De vakantie is aangebroken. Dat had ik een week eerder moeten constateren, maar goed. Morgen gaat het internet uit.

Er resteert alleen nog de mededeling dat degenen die interesse hadden in de tekst van mijn oratie, de voordracht die een gepensioneerde ingenieur uit zijn slaap hield, zij deze alhier kunnen downloaden.

Tot 1 augustus.

05/07 - 1
¤

In de wereld van internetonderzoekers zijn de Brazilianen goed vertegenwoordigd. Binnen een half uur na de wedstrijd circuleerde deze kernachtige weergave. 'At least they are taking it well,' was de conclusie van een Amerikaanse collega.


03/07 - 0

Een wonder uit armoede

(Ooit heb ik een klarinetensemble opgericht. Daar ben ik al jaren geen lid meer van, maar ik werd gevraagd een stukje te schrijven ter gelegenheid van het twintigjarig jubileum. Dit is mijn bijdrage aan het lustrumboekje.)

Wat bezielt iemand om een klarinetensemble te beginnen? Het antwoord luidt: armoede.  
    Begin jaren negentig woonde ik in Leiden. Ik had geen hobby’s. Ik had wel een klarinet.
    De opties voor het bespelen van de klarinet waren beperkt. Als je talent had, was er misschien een plekje in een symfonieorkest te veroveren. Begin jaren negentig had ik geen talent. In de late jaren negentig evenmin, overigens.
    De andere optie was me aan te sluiten bij een Leidse harmonie. Ondanks de afwezigheid van talent, voelde ik me daar toch te goed voor. Ik had jaren gespeeld in de harmonie van het Limburgse dorp waar ik ben opgegroeid. Laat ik daarover dit zeggen: voor de rest van mijn leven had ik voldoende gemarcheerd. Ik vond marcheren een mooie uitvinding, maar mijn voorkeuren hadden zich verlegd. In al die jaren had ik een keer gezoend met een saxofoniste en een avond op een bank zitten rommelen met de trompettiste. De conclusie was duidelijk: harmoniemuziek brengt niet het losbandige boven in de mens.
    Geen symfonieorkest en geen harmonie. Die armoede aan opties heb ik me een paar jaar laten aanleunen. Toen had ik een belangrijk inzicht: er moest een substantieel aantal klarinettisten zijn dat mijn lot deelde. Zij zouden evenmin getalenteerd zijn, anders zaten ze wel bij een symfonieorkest.  En ze zouden, noodgedwongen, met mededogen kijken naar andere bespelers van de klarinet – een van de minst begeerde instrumenten uit de muziekgeschiedenis.
    Ik dacht: ik breng enkele dolende klarinettisten bij elkaar om troost te vinden in het getto van de klarinetmuziek. Met terugwerkende kracht besef ik dat ik eigenlijk een zelfhulpgroep heb opgericht.
    Ik stapte naar de enige klarinettist die ik kende in Leiden: Tjy-ying. Tjy vond het een goed idee. Pas later besefte ik dat Tjy met hoge frequentie iets een goed idee vond. Dat verklaarde ook waarom hij vertrok na een van de eerste bijeenkomsten. Bijeenkomsten waarin bijzonder onwelluidend gemusiceerd werd, precies zoals een collectief gebrek aan talent doet vermoeden. Hij vertrok omdat hij wel talent had en, inderdaad, een plek had veroverd in een symfonieorkest.
    En zo kwam het dat begin jaren negentig, een stuk of vijf matig spelende klarinettisten een avond per week bijeenkwamen in een zaaltje van het LAK-theater en zich door een paar liedjes van Scott Joplin heen ploeterden. Zo’n liedje paste op een enkel blaadje en had niet overdreven veel noten. Toch bleek het lastig om het enigszins herkenbaar ten gehore te brengen.
    Daarna gebeurde er iets vreemds. De zelfhulpgroep kreeg ambities. De repetities werden serieuzer. Er sloten zich nog enkele mensen aan. Dat was op zich niet zo bijzonder. Nee, we hadden eerst lang gepraat over de vraag of de nieuwelingen wel goed genoeg waren. Je blijkt gradaties te kunnen aanbrengen in talentloosheid. Op tijd op de repetitie verschijnen, telde bijvoorbeeld mee. Of überhaupt op de repetitie verschijnen.
    Daarna wordt het schimmig in mijn herinnering. We verhuisden naar Catena en trokken een dirigent aan. Ergens was het idee ontstaan dat we een dirigent nodig hadden. Vraag me niet dat uit te leggen. Hoe dan ook, het groeide uit tot een ensemble. Een paar mooie jaren volgden. Er werd gedronken, er werd gezoend, er werd gezweet op moeilijke stukken.
    Een van de prettige effecten van saamhorigheid is dat je vergeet je te schamen. Achteraf komt de schaamte alsnog. Bijvoorbeeld als ik terugdenk aan de opvoering van de tune van het A-team. Zogenaamd met ironie. Speciaal voor dat nummer bediende ik tijdens het bespelen van de basklarinet met mijn rechtervoet een basdrum. Dat was lastiger dan vermoed. Tijdens het jaarlijkse concert in de Lokhorstkerk voerden we dit nummer ook op. Marco had zich verstopt in de kansel. Halverwege het nummer kwam hij tevoorschijn, getooid met een militaire helm en een megafoon. Hij brulde wat onverstaanbare teksten de kerk in. Het publiek keek meewarig toe.
    Na afloop, in een naburig café, dronken we zo snel dat de schaamte geen kans kreeg ons in te halen.
    Het is goed mogelijk dat schaamte vooral mijn eigen preoccupatie is en niet door de andere leden uit die tijd gedeeld wordt. Ik schaam me voor alles. Het feit dat er een periode is geweest waarin ik me niet heb geschaamd voor de striemende orkaan van vijfentwintig krijsende klarinetten, is een vorm van puur geluk. Voor de concerten nodigde ik iedereen uit die ik kende. Geen moment vroeg ik me af of ik niet teveel vroeg van vriendschappen en familiebanden. Geluk en zelfgenoegzaamheid zijn soms moeilijk van elkaar te scheiden.
    Op een gegeven moment was het klaar. Ik had geen zin meer. Ik stopte. Niet veel later belandde mijn klarinetkoffer onder in de kledingkast.
    Met enige teleurstelling constateerde ik niet onmisbaar te zijn. Lignum bleef monter haar publiek trakteren op striemende orkanen van krijsende klarinetten. Pas daarna voelde ik dankbaarheid voor het feit dat een groepje mensen mij even de illusie had verschaft onmisbaar te zijn. Die illusie kan ik iedereen aanraden.
    Nu resteert slechts de verbazing. Na twintig jaar bestaat Lignum nog steeds en het gaat haar goed. Sommige wonderen worden uit armoede geboren.




Gisteren was ik begeleider van de schoolreis van Vera’s klas. Er waren bijna alleen vrouwelijke begeleiders. Ik weet niet of het opzet was, maar de twee wildste jongetjes, beide vijf jaar, waren in mijn groepje ingedeeld.
    Mijn vrouw vroeg per sms of alles onder controle was. ‘Ik heb de wind er flink onder,’ schreef ik terug.
    Halverwege de dag liep ik na het zoveelste toiletbezoek met een van de wilde jongetjes terug naar de groep. We zwegen een poosje. Toen vroeg hij op beschouwende toon: ‘Meneer de pappa van Vera, waarom zegt u zo vaak sorry?’
    Ik vond dat een verontrustende vraag.

15/06 - 5
¤

Ik ben in Cambridge, Massachusetts voor een conferentie op de campus van Harvard University. Op de route van het hotel naar de conferentie loop ik langs Obama's oude hangplek, de Law School.


09/06 - 0

Op vakantie in eigen land (slot)

(Wat er vooraf ging.)

De eerste spreker in de schouwburg van Barendrecht was geoloog Salomon Kroonenberg, klimaatscepticus. Hij noemde zichzelf liever klimaatrelativist. Hij liet een dia zien met een serie vrouwelijke onderbroeken uit verschillende tijdperken. Ze werden steeds kleiner. Conclusie: het wordt warmer. De zaal gierde het uit.
    De rest van het betoog kwam er op neer dat de opwarming weinig te maken had met CO2 en alles met de activiteit van de zon. Klimaatneutrale producten was een vorm van oplichterij waarmee geld kon worden verdiend. Voor me zat een oudere vrouw met gespalkte onderarmen. Ze mompelde na elke bewering van Kroonenberg: ‘Ja ja, zo is het wel.’
    Onder een warm applaus verliet de spreker het podium. Er was gelachen, er was gejoeld, er was geklapt. Het eigen gelijk heeft al snel amusementswaarde. Cabaret is een bedrijfstak die bestaat dankzij dat gegeven. Je zoekt het engagement uit dat bij je past. Vervolgens koop je een kaartje voor een avond lachen en het gevoel aan de goede kant te staan. Een koopje.

Na een tweede spreker, een geoloog met verstand van ondergrondse reservoirs, was ik aan de beurt. Ik vroeg de aanwezigen een hand op te steken als ze tegen de opslag waren. Een paar honderd handen gingen omhoog. Er werd gegniffeld over zoveel eendracht. Daarna vroeg ik of er voorstanders waren. Twee jongenmannen in het midden van de zaal staken hun hand op. Er ontstond wat geroezemoes en er werd wat geroepen. Ik zei dat die jongens na afloop een drankje moesten krijgen voor het feit dat ze hun hand hadden opgestoken. De twee jongens joelden. De zaal schoot in de lach.
    Ik hield mijn betoog – dat er niets uitzonderlijks was aan de CO2-opslag in Barendrecht, dat we zulke risico’s voortdurend nemen en dat, cru gezegd, Barendrecht levens tegen geld moest ruilen – en ging weer zitten. Er volgde een beleefd applaus, zonder boegeroep.
    Tijdens de discussie aan het slot van de avond werd gekaapt door buitenstaanders die hun product om CO2 op te slaan kwamen verkopen. Een Vlaamse man met een woeste haardos en een oranje stropdas vertelde dat zijn Iraanse partner allang een oplossing voor het probleem had uitgevonden, maar dat de grote bedrijven die tegenhielden. Daarna volgde iets warrigs over CO2 die oneindig lang in een quantumtoestand werd gebracht. De twee geologen naast me keken elkaar vragend aan. Een andere ondernemer had een oplossing die iets met het zand in de Sahara te maken had. De zaal wist niet wat ze er mee aan moest. Zoals bekend zijn innovatie en oplichting moeilijk van elkaar te scheiden.

Na afloop werd ik in de foyer aangesproken door de twee jongemannen die voor de opslag waren. Ze bleken niet bij Shell te werken en verder weinig van de opslag te weten, net als ik. De gemeentesecretaris van Barendrecht haalde twee biertjes voor ze.
    De voorlopige conclusie van de avond: het maatschappelijk verzet is gastvrij en lacht graag.




Op vakantie in eigen land

Het avontuur lonkt en afgelopen woensdag lonkte het vanuit Barendrecht. Een paar honderd boze burgers kwamen die avond bijeen in het lokale theater.

Ik herinnerde me televisiebeelden van diezelfde boze burgers in datzelfde theater, afgelopen najaar. Toen kwamen twee ministers uitleggen dat de voorgenomen CO2-opslag onder Barendrecht veilig, nuttig en noodzakelijk was. Het journaal verkneukelde zich toen over beelden van ongemakkelijk kijkende bewindsvrouwen, afgewisseld met beelden van burgers in de zaal, met hun priemende vingers en bijtende zinnen in de richting van de ministers op het podium.

Een paar weken geleden kwamen twee actievoerders tegen de CO2-opslag bij mij op bezoek. Op zoek naar wetenschappers die wilde spreken op hun symposium. Je kunt een pastoor vragen om de wielerkoers te zegenen. Zo worden wetenschappers gevraagd om meningen te zegenen.

Ze hadden allerlei wetenschappers gevraagd en die hadden allemaal geweigerd. En nu waren ze bij mij uitgekomen. Ze wisten zelf ook niet goed waarom. Iemand had mijn naam genoemd, meer wisten ze niet. Meer hoefden ze ook niet te weten. Een naam was meer dan geen naam.
    ‘Waar doet u eigenlijk onderzoek naar?’ vroeg een van de actievoerders.
    ‘Kunt u misschien iets met dit onderwerp?’ vroeg de ander hoopvol.
    ‘Wat vind u van burgerlijke ongehoorzaamheid?’ vroeg de een.
    Ik dacht aan de beelden van de zwetende ministers en nam de uitnodiging aan. Op vakantie in eigen land, dat was ongeveer de gedachte. Ik had geen idee wat ik er zou gaan vertellen.

Afgelopen woensdag meldde ik me in de foyer van het theater. Er heerste een gezellige drukte. Een ding konden we alvast concluderen: het maatschappelijk verzet gaat onberispelijk gekleed en heeft een voorliefde voor cappuccino.

(Wordt vervolgd.)




Er is leven na de vuistslag

Gistermiddag was ik in Den Haag voor het Elsevier Technologiedebat over de veiligheid van internetbankieren. Na afloop liep ik met twee bossen bloemen over het Plein. De tweede bos was van een ander panellid, een journalist. Die weigerde echter om, in zijn woorden, rond te lopen met geamputeerde geslachtdelen.

Op een terras op het Plein raakte ik in gesprek met een onderzoeker die het debat had bijgewoond. De bloemen had ik op een stoel naast me gelegd.

Ineens hoorden we gejoel in de verte. Het klonk alsof in een van de cafés een voetbalwedstrijd werd gekeken. Maar er was geen voetbal.
    Het geluid zwol aan. Uit een steegje dat eindigde bij ons terras verschenen enkele politieagenten. Ze liepen achteruit, de blik gefixeerd op het steegje.
    Inmiddels hoorden we massaal gescandeerde leuzen. Een betoging. De voorhoede, jongemannen met Turkse vlaggen, bereikte de terrassen. Het steegje balde het geluid van de menigte samen en dwong het onze kant op. De leus was nu verstaanbaar. Allahu akbar. Het geschreeuw had de geestdrift van een opwelling, van iets ondoordachts. Op het Plein zijn vaak betogingen, maar die ogen doorgaans even spontaan als lijndansen. Het proces van maandenlange voorbereiding en overleg heeft de eventuele geestdrift en verontwaardiging gekanaliseerd in de keuze van de lunchpakketten en de lettertypes op de voorbedrukte borden.
    De eerste demonstranten liepen om de terrassen heen, maar de grote groep die volgde stroomde als vloedgolf over de terrassen, op weg naar het open gedeelte van het Plein. Veel Turkse en Palestijnse vlaggen. Een enkeling had zijn gezicht verborgen achter een sjaal.
    De borrelende terrasbezoekers zaten vertwijfeld in hun stoelen. Een handvol agenten te paard had het plein betreden. Iemand wees naar de busjes van de Mobiele Eenheid. De onderzoeker met wie ik zat te praten stond op en zei: Ik ga mijn iPad in veiligheid brengen.
    Een stroom scanderende mannen passeerde onze tafel. De onderzoeker ging weer zitten, de tas met de iPad op schoot. De mannen keken naar ons, onze drankjes en bloemenbossen, en wij keken naar hen, met hun vlaggen en sjaals.
    Een van hen zei: ‘Niet bang zijn, er gebeurt niets.’
    Het meest vernederende van het leven in de middenklasse is de frequentie waarmee je jezelf betrapt op angstgevoelens. Of anderen je daarop betrappen. Ik ben in de markt voor een cursus in burgerlijke weerbaarheid. Les 1: Er is leven na de vuistslag. Incasseren en uitdelen.
    Toen verschenen de eerste vrouwen. Een van hen droeg een bord van de Socialistist Workers Party. Daar ging een zekere geruststelling vanuit. Ons onbehagen heeft inmiddels de vorm aangenomen van nostalgische verlangens naar de tijden van gewelddadige linkse vrouwen.
    Het was me nog steeds niet duidelijk waartegen er gedemonstreerd werd. Met behulp van mijn telefoon begreep ik dat ik het nieuws had gemist over de Israëlische commando-actie op het hulpkonvooi.
    Inmiddels  had de achterhoede van de demonstratie het terras bereikt. Vrouwen met kinderen. Een klein meisje zwaaide vrolijk met een vlag. Haar moeder, gekleed in een chador, zei dat ze voorzichtig moest doen, want er liepen mensen langs.
    Een passerende vrouw knikte naar de stoel naast me en zei: ‘Mooie bloemen.’
    Ik las een bericht van Teletekst waarin stond dat de sfeer in Den Haag grimmig was. ‘Er heerst hier een grimmige sfeer,’ zei ik tegen de onderzoeker. We lieten zeer nadrukkelijk merken dat we dat onzin vonden. ‘Echt weer de media,’ zei hij.
    Op het Plein waren de toespraken begonnen. De eerste werd gehouden door een studentikoos ogende jongeman. Hij had een zeker oratorisch talent.
    De Palestijnse vlaggen die boven de menigte wapperden vertoonden uitzondering nog de vouwen van de verpakking waar ze eerder op de dag uit waren gehaald. Na de tweede toespraak verdampte de betoging binnen enkele minuten. Een paar demonstranten streken neer op de terrrassen.
    De zon was nog niet helemaal verdwenen achter sociëteit de Witte. Hier en daar werd alweer genipt aan een wijntje.




Vandaag kocht ik een zwarte tweedehands vouwfiets voor zeshonderd euro. Een vriend had me een dag eerder voorgerekend dat hij zojuist 16500 euro aan een tweedehands auto had uitgegeven, bovenop de inruilwaarde van zijn BMW. Waar ik me druk over maakte, was zijn onuitgesproken vraag.
     De man die de vouwfiets verkocht, vertelde dat hij een nieuwe vouwfiets had gekocht ter waarde van 2300 euro.
     Kortom, iedereen was zeer behulpzaam. Het bezit van anderen kan een bron van afgunst zijn, maar zelf ervaar ik het als bevrijdend.

30/05 - 2

Men and women who love their partner are more likely to fake. (Freakonomics weblog, Who’s More Likely to Fake It in the Bedroom?)

28/05 - 0

Verlangen naar een vouwfiets

Toen ik vanochtend wakker werd, dacht ik aan vouwfietsen. De diefstal heb ik een paar dagen geleden achter me gelaten, nu worstel ik met de begeerte. Wie ben je als je verlangt naar een opvouwbare fiets van zevenhonderd euro?
    Ik ervaar bijna alle verlangens als beschamend. De willekeur ervan, het zelfzuchtige. De waarheid over wie je bent wordt zichtbaar als een pisvlek in een onderbroek.

In het geval van verlangens naar consumptiegoederen, heb ik een omgangsvorm ontwikkeld die bestaat uit langdurige kruisverhoren. Het verlangen wordt ondervraagd over het nut van de aanschaf. Als er nut is, heb ik een alibi om tot aanschaf over te gaan. Ik moet mezelf dus bedriegen.
    Het bedrog gaat me makkelijker af als het iets is dat ik veelvuldig gebruik. Toen ik mijn vouwfiets nog elke dag gebruikte, was ik er na een paar dagen uit dat ik acceptabel vond om duizend euro neer te tellen voor een mooi exemplaar. De periode van dagelijks gebruik is echter voorbij. De begeerte niet.
    Het ergert me dat ik wakker wordt, opnieuw, denkend aan vouwfietsen. Ook de rest van de dag zijn ze aanwezig. Voor zover dat nog niet duidelijk was, weet ik nu: de mens heeft een beperkte tolerantie voor vouwfietsen.
    De bedrieger is vindingrijk en ruikt zijn kans. De zevenhonderd euro is niet langer de prijs van een nieuwe vouwfiets, maar losgeld. Ik koop de vrijheid om aan iets anders te kunnen denken. Ik ben niet op de hoogte van de huidige prijzen, maar een paar honderd euro om bevrijd te worden van een verlangen lijkt me een alleszins redelijk aanbod.




Acceptatie van verlies

Een vriend en ik keken de finale van de Champions League in een café op de Zeedijk in Amsterdam. Even verderop werden onze fietsen gestolen. Daar zouden we pas later achterkomen.

Aan de bar zaten twee jonge vrouwen gekleed in t-shirts van Bayern München. Geconcentreerd volgden ze de wedstrijd.
    Vrouwen in voetbalshirts, het is een verschijning die je in Nederland weinig ziet. Dat zou je de Nederlandse vrouw kunnen verwijten, maar ik vermoed dat het eerder de vaders zijn die hun plicht hebben verzaakt.
    Na de verloren wedstrijd staarden de twee vrouwen met holle ogen voor zich uit. De teleurstelling werd langzaam verteerd. Het moet gezegd, het lijden, ontdaan van zijn morele ballast van slachtoffers, daders, verontwaardiging en engagement, was prachtig.
    Een voetbalclub is zoiets als een romanpersonage. Je wordt verleid tot identificatie, tot de illusie dat een verzinsel je iets kan schelen. Dat is vaak makkelijker dan het lijkt. Zadel een personage op met een verschrikkelijke ziekte en je bent al aardig op weg. Wanneer een miljoenenbedrijf, een organisatie van miljonairs, erin slaagt om identificatie op te wekken, is dat echter een kunststukje dat meer respect afdwingt dan de bedenksels van veel romanschrijvers.  

We dronken nog wat bier en liepen daarna terug naar onze fietsen. Of liever, naar de plek waar we ze aan een hek hadden geketend. Mijn dure vouwfiets schitterde in afwezigheid, net als de zoveelste fiets op rij van mijn vriend. Drommen toeristen slenterden nog steeds de Zeedijk af, maar het had de dieven niet weerhouden. Dat dwong ongewild ook enig respect af.

Een paar dagen eerder zat ik in een discussiepanel met CDA-kamerlid Haersma Buma. Het ging over de vraag of je acceptatie van veiligheidsrisico’s kunt verkopen aan de burger. Ik had beweerd dat het kon.
    Nou, dacht deze burger. Laat maar eens zien dan.




Op het grote scherm verschijnt een Youtube filmpje van K3.
    ‘Nee, die wil ik niet,’ zegt Vera. ‘Die heeft allemaal blokjes. Dat is lelijk.’
    Ik kuste haar.
    ‘Wat is er?’ vraagt ze.
    ‘Je hebt gelijk, zeg ik.
    Eindelijk deelt Vera mijn afkeer van compressieartefacten. In zaken als partnerkeuze en politiek is het raadzaam om artefacten te leren aanbidden. Daarnaast gun ik iedereen een gebied waar het gebrek geen bestaansrecht heeft en uitgeroeid moet worden.

21/05 - 0

Those types of PowerPoint presentations, Dr. Hammes said, are known as “hypnotizing chickens.” (Elisabeth Bumiller, We Have Met the Enemy and He Is PowerPoint)

05/05 - 4

Mijn vrouw zegt: ‘Ik vind dat wij goed zijn in scheiden.’
    Ik kijk op. Een moment lang verdwaal ik in de vraag hoe je goed scheidt. Snel en kort, als het verwijderen van een pleister? Genereus, qua bezittingen en bezoekregelingen?
    Dan pas zie ik de zak in haar handen, vol plastic. Sinds kort zamelt onze gemeente plastic afval gescheiden in. Zonder het onderling te bespreken zijn we het plastic gaan scheiden. Het is zo langzamerhand een dagtaak om welvarend te zijn.
    Ik knik. We zijn goed in scheiden.

04/05 - 0

Meer ontsnapping dan we konden verorberen

Drie loonslaven in een auto, weg van huis en gezin, zonder plan. We reden over een industrieterrein in het Amsterdamse havengebied. Zomaar.
    ‘Kijk, ijzererts,’ zei Wijn.
    We keken naar de bergen van ijzererts. Die zagen we anders nooit. Het avontuur was begonnen.
    Op het fietspad naast het terrein met de ijzererts liepen drie mensen in oranje kledingstukken.
    We hadden geen plan, behalve dat we Koninginnedag zouden ontvluchten. O, en we zouden misschien met een bootje gaan varen, ergens in het veen bij Landsmeer. Verder zouden we wel zien. Als drie loonslaven zeggen dat ze op avontuur gaan, dan bedoelen ze dat ze de routebeschrijving niet hebben uitgeprint.

Een kwartiertje later passeerden we een plaatsnaambord. Kadoelen, stond erop. Kadoelen, we proefden het woord een paar keer in de mond. Op een kilometer of vijf ten noordwesten van Amsterdam Centraal begon een nieuw land.

We passeerden een Lidl. Hij bleek open. Thuis was alles dicht, maar in Kadoelen was een Lidl gewoon open. Wijn trapte op de rem. Even later betraden we de supermarkt. Ik geloof niet dat een van ons ooit in de Lidl was geweest. Een nerveus soort koopzucht maakte zich van ons meester. Bakjes huzarensalade, 32 cent. Met moeite beperkten we ons tot drie bakjes. De rest van de kar vulde zich met genoeg proviand voor een kleine week, ook al zouden we hooguit een nacht wegblijven. We kochten hier geen eten, maar ontsnapping.

In het uitgestorven veengebied Ilperveld maakten we een boottochtje. Daarna toerden we langs een paar dorpen. In Ransdorp had de bevolking zich verzameld voor de ringsteken. Er was een soort achtbaan gebouwd. De ringsteker ging op een karretje zitten, een lange stok in de handen geklemd. Het karretje werd losgelaten op de achtbaan. De ring hing een meter of dertig verderop boven de baan. De mannen in het dorp waren te geoefend en staken met grote precisie de stok door de ring. We moesten een klein half uur wachten voor iemand het doel miste en de bak met water over zich kreeg.

In het café van Ransdorp raadpleegden we onze iPhones. We besloten naar een luxe hotel te gaan in Edam. Waar de loonslaaf op avontuur is, daar is ook de creditcard.

Tijdens het uitgebreide diner spraken we over de toekomst. Wijn zei dat hij over tien jaar best in de goot kon liggen, maar het klonk niet erg overtuigend. Het was alsof hij zich moed probeerde in te praten. Wanneer hij een beetje zijn best zou doen, behoorde de goot ook tot de mogelijkheden – zoiets. Ik herkende dat gevoel. We hebben de goot nodig om de wurgende vlakheid van de jaren die voor ons liggen onder ogen te kunnen zien.

In een café speelden we biljart. De zaak was leeg, op twee mannen na die zich over de fruitautomaten hadden ontfermd. Edam is een prima locatie om Koninginnedag te ontlopen.

We sliepen met zijn drieën in de bruidsuite van het hotel. Ik scheen enorm te hebben gesnurkt. In plaats van schaamte daarover, dacht ik met genegenheid aan mijn vrouw. Ze laat mijn gesnurk doorgaans onvermeld.

De volgende middag leverden we de leenauto weer af op zijn vaste plek bij Station Sloterdijk. Uit de kofferbak haalden we de volle boodschappentas van de Lidl. Het pakje ham, de voorgesneden kaas, drie appels, ik weet niet wat er verder nog in zat, maar het was allemaal onaangeroerd gebleven. We hadden meer ontsnapping gekocht dan we konden verorberen.




¤

In het vriesvak van de Aziatische supermarkt. Niet gekocht.


28/04 - 1

Onheil is een product

In een recent verschenen boek wordt beweerd dat de Verenigde Staten in ongeveer 15 minuten geheel ontregeld kan worden. Via internetaanvallen. Er zijn al vele van zulke boeken verschenen. De enige reden waarom dit boek  aandacht kreeg is omdat de auteur ooit een  hooggeplaatst bestuurder was.

Onheil is een product. Er is een bepaald type deskundige dat zich specialiseert in dit product. Voorspellingen van onheil kunnen tegen lage kosten worden geproduceerd en de vraag ernaar is redelijk conjunctuurbestendig. Vroeger dacht ik dat het gedragen werd door angst – indien niet bij de deskundigen zelf, dan toch bij de afnemers van dat onderzoek. Maar bij de mensen die dat onderzoek inkochten, zeg de overheidsdiensten die met de openbare veiligheid zijn belast, zag ik geen angst. Ze waren vooral gefascineerd, soms geamuseerd.

Naast de bedrijfstak die onheil produceert, bestaat een iets kleinere, maar ook levensvatbare sector die relativering van onheil levert. Daar werk ik. Afgelopen vrijdag gaven een collega en ik les aan ambtenaren. Een van de ambtenaren zei: “Het valt me op dat er nogal wat relativisten langskomen in deze opleiding.” Het is geen goedkope opleiding, dus we kunnen vaststellen dat ook relativering economische waarde heeft.

Zelf vind ik relativering een iets sympathieker product dan onheil. Maar zoals bekend is verkoop gebaat bij een zeker geloof in het eigen product.
     Soms fantaseer ik dat ik me specialiseer in de verkoop van apathie. Daarvoor heb ik echter nog weinig afnemers kunnen vinden. Misschien geloof ik er zelf onvoldoende in.




Hartstochtelijk staren

Op het terras aan de achterkant van het ministerie stonden vier ambtenaren zwijgzaam te roken. De zon scheen, maar verder was er niemand. In dit gebouw werken enkele duizenden mensen, maar ze lieten het terras bij de koffiehoek aan de rokers.

De rokers hadden zich verdeeld over de vier hoeken van het terras en keken allemaal naar de groen uitgelopen bomen van het Haagse bos, aan de andere kant van de sloot die achter het ministerie liep. Vogels kwetterden. Een fietser kwam voorbij, de banden knerpend over het grind.

Als roken een band schept, dan bestond hij in dit geval uit de afspraak te zwijgen en te staren. Mooiere banden worden er niet geschapen tussen mensen. Niemand keek op zijn Blackberry, niemand las een vergaderstuk. Er werd hartstochtelijk gestaard en teder aan sigarettenuiteinden gezogen.

Een oude man die niet meer goed ter been was, slofte zich vooruit door het grind. Als je je ogen dichtdeed, klonken zijn slepende voetzolen als tientallen legerlaarzen die in de verte voorbij marcheerden. De ambtenaren staarden naar de man en langs hem heen, het groen in. Een van hen zuchtte hoorbaar. Een ander kuchte.

Uiteindelijk doofden ze een voor een hun sigarettenstompje in de asbak naast de deur en gingen ze weer naar binnen, zodat ik alleen achterbleef.

Kort daarna kwamen twee vrouwen naar buiten, de een met een flesje water en de andere met een kop cappuccino. ‘Jeutje, het is nog best wel koud, hé,’ zei een van hen. ‘Zullen we weer naar binnen?’




Vera heeft leren bidden. Op school was een tentoonstelling over verschillende landen, waaronder Marokko.
    ‘Zal ik even laten zien hoe moet bidden?’ vraagt ze. Ze laat zich op haar knieën zakken en buigt dan voorover. Met haar voorhoofd tegen de vloer, kijkt ze opzij en zegt: ‘Zie je? Zo moet je het doen.’ Het oogt overtuigend.
    ‘Maar Vera, weet je ook waarom mensen bidden?’
    ‘Ja. Het is een soort gymnastieken.’

20/04 - 1

Een kwestie van onderhoud

‘Hoor ik een haan?’ vroeg onze dinergast, toen we in de opening van de tuindeuren stonden. Ik zei dat het inderdaad een haan was. Ergens, in een van de achtertuinen van onze straat, is een haan gehuisvest.
    De middenklasse koestert allerlei verlangens. Sommige daarvan nemen de vorm van een haan. Anderen verlangen een lege schoorsteen. Er was een brief in de bus gedaan door twee buurmannen waarin werd gesteld dat er nogal wat overlast was van een of andere vogelsoort met een voorliefde voor onze schoorstenen. Of we ook geïnteresseerd waren in deskundig advies en een offerte voor een beschermkap. Er waren ook straatgenoten die de daklozen uit de buurt wilden weren. Ook daarvoor werd deskundig advies ingeroepen.
    Volgens de kranten brokkelt het gezag van deskundigheid af. Zie de ophef rond klimaatonderzoek en griepvaccinatie. De kranten constateerden het met enige opluchting. Eerst was de politiek zijn gezag verloren, toen de media en nu was de wetenschap aan de beurt. Als overal het gezag afbrokkelde, dan kon men zichzelf niets verwijten. Maar het gezag van deskundigheid brokkelt alleen maar af op triviale terreinen. Griep, de zoveelste aangekondigde zondvloed, dat soort zaken. De zondvloed komt of hij komt niet, net als de griep. Maar als het gaat om eigen huis en straat, daar waar de burger zelf het heft in handen heeft, gebeurt er niets zonder deskundig advies. Aan de schoorsteenbeschermingsdeskundigheid is in het geheel geen gebrokkel te herkennen, om maar eens iets te noemen.

Er wordt wel eens gesteld dat de middenklasse een ingeslapen klasse is die geen verlangens meer zou kennen, anders dan het handhaven van de hypotheekrenteaftrek. Dat is een misverstand. De middenklasse is heel goed in het articuleren van vervulbare verlangens, meer dan welke klasse dan ook. Een haan, een lege schoorsteen, een daklozenvrije buurt, het ligt allemaal binnen handbereik. Soms is een ritje naar de dierenwinkel voldoende, een andere keer het indienen van een bezwaarschrift. Als ik afga op de stille toewijding waarmee in de achtertuinen alhier wordt gewerkt, dan vermoed ik dat het geluk tegen hele redelijke prijzen op voorraad ligt in de bouwmarkt. En waarom ook niet. Een samenleving waarin de bouwmarkten groeien, is een samenleving die de toekomst monter tegemoet treedt. De middenklasse weet als geen ander: geluk is geen kwestie van zoeken, maar van onderhoud.




Overal achter de schermen is het hetzelfde: mensen die staan te wachten op mensen die geen tijd voor hen hebben. Te veel tijd, te weinig tijd: uit de wrijving daartussen ontstaat nieuws. (P.F. Thomése, Daar is Wilders! En nou is-ie weg)

14/04 - 2

Bijna dood

De eenzame aanvang van mijn verjaardag had zijn charme. De lege minibar, het zappen langs de televisiekanalen, het begon vanzelf, maar op een gegeven moment zocht ik het een beetje op. De volgende ochtend zongen mijn collega’s Happy Birthday voor me. Daarna bespraken we de financiële prognoses voor onze groep en de wetenswaardigheden rondom het berekenen van overhead. Tijdens de lunch bracht een medewerker van het hotel een gebakje met slagroom en een kaarsje.

Voor het diner belde ik met thuis. Mijn dochter van vier zei dat ze me miste. Alleen al daarom was het fijn om van huis te zijn. Ze vroeg hoe oud ik ook alweer was geworden. Veertig, zei ik.  ‘O, ik dacht vijftig,’ zei ze. ‘Gelukkig niet,’ zei ik. ‘Nee, gelukkig niet,’ antwoordde ze. ‘Anders ging je al bijna dood.’

Vanmiddag kwam ik thuis. Op tafel lag een lief kaartje van mijn vrouw. Daarnaast lag een tekening van mijn dochter – ‘een eiland met water er om heen,’ luidde de omschrijving.




Jarig in Domburg

Een paar minuten geleden werd ik veertig. De grote vier nul. Ik had besloten er niets aan te doen.
    Het was stil in de hotelkamer. Ik schoof de gordijnen een stukje opzij, maar ik zag alleen het licht van het bushokje tegenover het hotel. Domburg sliep.
    Mijn vrouw stuurde een sms’je.
    Ik sms’te meteen terug.
    Op de televisie was golf. Tiger Woods stond op de vijfde plaats. Dat leek me alleszins respectabel, maar ik weet verder niets van golf. Langs de golfbaan stonden cohorten witte Amerikaanse mannen in korte kaki broeken. Het blijkt dat er bij golfwedstrijden veel en langdurig wordt geapplaudisseerd.
    Er kwam geen antwoord meer van mijn vrouw. Ik zag dat haar felicitatie een klein half uur onderweg was geweest. Ze was vast gaan slapen voor ik had geantwoord.
    De minibar dan maar. Een biertje en dan slapen. Of toch een wijntje.
    Ik trok het vierkante deurtje open. Een golf koude lucht gleed over mijn blote voeten.
    Het felle licht van de koelkast verlichte iets dat ik afrondend toch wel als leegte mocht samenvatten.
    Op de bodem van de minibar lag een geplastificeerd briefje. Ik pakte het op. Als ik iets wilde drinken, dan moest ik nummer zus en zo bellen en dan zouden ze mijn bestelling komen langsbrengen.
    Daarnaast stond een fles mineraalwater.
    Ik legde het briefje op de bodem en deed het deurtje weer dicht.
    In het kastje ernaast lag poeder voor warme chocolademelk.
    Ik opende opnieuw de minibar en pakte de fles mineraalwater.
    Nadat ik mijn pyjama had aangetrokken schonk ik mezelf een glas water in.
    Het golfen was afgelopen. Ik zocht de herhaling van de Studio Sport. ADO had eindelijk weer eens gewonnen, maar ik had de samenvatting gemist.
    Ik nam een slok water. Het was verrassend smakelijk. Licht bruisend, een tikje zout. Het merk Taunusquelle, ik kan het iedereen aanraden.




Normbudget

Een paar maanden geleden had de decaan wat geld toegezegd voor activiteiten met onze promovendi. De bureaucratische naam voor ‘wat geld’ is: een normbudget.

Gisteren wilde ik voor het eerst iets betalen uit het budget. Dat bleek niet te kunnen. De verantwoordelijke ambtenaar meldde: er is geen budget beschikbaar.

Ik mailde hem: ‘Met andere woorden, je draait de toezegging van de decaan terug?’
    Zijn antwoord: ‘Ik draai niets terug, er is een normbudget ingesteld. Ik zet het alleen op nul euro.’
    Die mededeling vond ik van een grote schoonheid.
    Veel mensen lezen de romans van Kafka als aanklacht tegen de ambtelijke systemen die individuen vermalen. Maar ik voel doorgaans meer sympathie met de ambtenaren in die romans dan met de hoofdpersonen K. en Joseph F. Soms is de nederlaag nu eenmaal mooier dan een overwinning.




Bayern won en ik dronk een biertje. Ik goot het flesje leeg in het glas en keek op het etiket. La Trappe Tripel. Voor zover ik wist had ik nog nooit een La Trappe Tripel gekocht. Ineens herinnerde ik me een jongeman in een donker pak. En een bril, geloof ik. Hij drukte me de hand tijdens de receptie na mijn oratie en stelde zich voor als een lezer van Bijzinnen. Hij gaf me twee cadeaus. ‘Een voor als je vrouw thuis is en een voor als ze weg is.’ Een verwijzing naar een eerder stukje. Het was een fles rode wijn en een flesje bier. Ik was getroffen door het feit dat hij had nagedacht over een cadeau voor een vreemde. Vanavond won Bayern en dronk ik een La Trappe Tripel. Mijn vrouw was inderdaad van huis.

30/03 - 1

Het record van John de Mol

Een man gaat winkelen met zijn vrouw. Zeven woorden die gevolgd worden door het ongewisse. En zo stond ik op vrijdagmiddag met mijn vrouw in de winkel van Hugo Boss in Den Haag.

Een huwelijk wordt bepaald door de bijzaken, de zaken die je niet per se gezamenlijk hoeft te ondernemen. De verplichte nummers zijn veilig. Hun belangrijkste verdienste is dat ze achter de rug zijn. De bijzaken stellen je echter soms voor de vraag wat dat precies inhoudt, echtgenoot zijn.

Ik had broeken nodig. Ik kan niet zelf broeken kopen. Dat vereist namelijk, om te beginnen, dat je in de spiegel kunt kijken, terwijl je met je kont draait. Dat kan ik niet.

In de winkel van Hugo Boss stond een verkoper die zo aantrekkelijk was, dat het me even in verwarring bracht. Daardoor kon ik niet zien of hij hetzelfde effect had op mijn vrouw. Hij vroeg wat ik zocht. Ik zei: een broek.
    Een paar minuten later stond ik in een paarse broek. Ik ben tamelijk kleurenblind, maar zelfs ik zag dat het een paarse broek was.
    Ik heb nooit het bezit van een paarse broek begeerd. Maar mijn vrouw keek en zei: Dat is een erg mooie broek.
    Ze sprak met de verkoper over het innemen van de broek, terwijl ik voor de spiegel stond. De verkoper trok achter mijn rug aan de band van de broek, zoals je een konijn in zijn nekvel optilt. Drie centimeter, concludeerde hij.

Of ik nog iets anders zocht. Een truitje, misschien, zei ik. De verkoper kwam met een dun truitje dat me lichtblauw voorkwam in het gelige licht van de paskamers. Ik deed het aan boven de paarse broek.
    ‘Kan dit bij elkaar?’ vroeg ik.
    Mijn vrouw grijnsde. ‘Het staat heel mooi bij elkaar, maar het is wel roze.’
    ‘Roze?’
    ‘Dat moet je natuurlijk niet tegen hem zeggen,’ zei de verkoper. ‘Het is lila,’ zei hij tegen mij.
    ‘Ik heb geen moeite met roze,’ zei ik. ‘Ik zie alleen niet dat het roze is.’
    ‘Het is lila.’
    Ik keek naar mijn vrouw. ‘Je zou kunnen zeggen dat het heel licht lila is,’ zei mijn vrouw.
    ‘Maar kan het bij elkaar?’
    ‘Het staat prachtig.’
    Ik besloot het ensemble te kopen.
    ‘Heel dapper, echt iets nieuws voor jou,’ zei mijn vrouw.
    We liepen naar de kassa. ‘Misschien kun je nog een choker kopen,’ zei ze grijnzend.
    Ik hield onmiddellijk halt. ‘Je moet dit wel serieus doen,’ zei ik.
    ‘Sorry. Grapje.’
    ‘En die broek en trui?’
    ‘Dat was geen grapje.’

We rekenden af. Ik kocht ook nog dezelfde broek in het grijs en een grijze vestje.
    Op dat moment was ik een minuut of tien in de winkel. Mijn vrouw vroeg aan de verkoper of het een recordtijd was. Maar het bleek dat televisieproducent John de Mol af en toe binnenliep, wat kledingsstukken aanwees en die zonder te passen afrekende. Soms stuurde hij achteraf een kledingstuk terug.
    Maar mijn vrouw was toch onder de indruk van mijn inkoopsnelheid. Het helpt dat ik wel voorkeuren bezit, maar ze zelf niet ken. Maar in plaats van dat te zeggen, deed ik me even te goed aan haar bewondering.

Daarna liepen we met opgewekt gemoed door Den Haag. We waren het ongewisse ingegaan en er aan de andere kant weer uitgekomen.
    Soms vraagt mijn vrouw of ik nog van haar hou. Mijn antwoord is duidelijk: een paarse broek met een roze trui.




De laatste anekdote over poep. Tijdens het ontbijt riep mijn dochtertje vanaf het toilet dat ik moest komen. Ze was bijna klaar, zei ze. ‘Ik ben benieuwd welke letter het is.’ Ze kantelde haar heup en probeerde in de pot te kijken naar het halffabricaat. Ze fronste.
    ‘En?’ vroeg ik.
    ‘Ik kan het nog niet zien,’ zei ze.
    Ik knikte.
    Ze beet op haar onderlip. ‘Maar als het geen letter is, dan is het een kunstwerk, oké?’
    ‘Oké.’
    ‘En dan is voor nep het kunstwerk niet van poep, oké?’
    Ook dat was oké. Gerustgesteld concentreerde ze zich op het vervolg. Ik keek op mijn horloge en rekende uit dat we nog elf minuten hadden om aan te kleden en tanden te poetsen.

24/03 - 0

Maand vierenvijftig

Lieve Vera,

Vorige week bracht ik je naar school. Terwijl we je jas ophingen, zag ik rond je mond een witte kring van gedroogde tandpasta. Ik nam je kin in mijn hand en likte met een lange haal de tandpasta van je gezicht. Ik geef toe, er zat iets van wellust in die lik. Ik herinner me goddank niet wat ik ’s nachts droom, maar ik vermoed dat jij in sommige afleveringen figureert als ijsje. Een smeltend ijsje, dat snel opgelikt moet worden voordat het verdwenen is.
    Terwijl ik de zoete kindertandpasta op mijn tong proefde, trok je je los.
    ‘Gatver, pappa!’ zei je.
    ‘Nou, snoepie, zo erg is het toch niet.’
    ‘Jawel. Het is wel erg. Je smaakt vies.’
    ‘Hoe smaak ik dan?’
    ‘Naar smurrie.’

Dus nu weet ik: ik smaak naar smurrie. Mijn moeder smaakte ook naar smurrie. Als er iets rond mijn mond zat dat daar niet thuishoorde, maakte ze de hoek van een zakdoek nat met haar speeksel en veegde het daarmee weg. De rest van de dag rook ik dan haar gedroogde speeksel, achtergebleven onder mijn neus.

Sinds ik kinderen heb, weet ik: volwassenen stinken. Hun speeksel stinkt, hun adem, hun voeten,  hun haar, hun poriën, hun ontlasting. Het moet iets met verval zijn. Jouw adem ruikt fris. Of eigenlijk: je adem heeft niet echt een geur. De lucht die je mond verlaat, is iets warmer en vochtiger dan zijn omgeving. Een soort zomerlucht voor het onweer. Dat heb je niet te danken aan toegewijde mondverzorging. Laten we wel wezen, je ziet het tandenpoetsen vooral als een moment om ons een raadsel op te geven of te onderhandelen over wat er zal volgen na die twee seconden waarin je kaken voldoende vertragen om ze met de tandenborstel te kunnen lokaliseren.

Je ouders staan daarentegen elke dag te poetsen, wassen, schrobben, schuren. Daarna worden er nog prachtige chemische cocktails op ons lichaam aangebracht. Alles om de geur van verval tijdelijk terug te dringen.  

Ik kan je dus niet tegenspreken – ik smaak naar smurrie. Maar, schatteboutje, dan zeg ik tegen jou: jouw poep ruikt niet naar bloemetjes. Ik weet dat je moeder het tegendeel heeft verteld, een jaar of twee geleden. Je hebt geen seconde getwijfeld aan die typering. Als je op de pot zit en ik kom het toilet binnen, vraag je me: hoe ruikt het hier? En dan zeg ik: naar bloemetjes. Dan knik je goedkeurend. Het is geen vraag om bevestiging, het is een examen dat je afneemt.

Vanaf nu ga ik zakken voor dat examen, ik zeg het maar alvast. Ook in jouw darmen heeft het verval intrek genomen. In plaats van mij naar het toilet te roepen voor een examen, zou je een voorbeeld moeten nemen aan je grootvader. Als hij terugkeert in de woonkamer na een enigszins bewerkelijk toiletbezoek, deelt hij zakelijk mede: het is beter het toilet voorlopig niet te betreden. Zakelijkheid is het enige antwoord op verval.

Ik vermoed dat je dat ergens al weet. De laatste tijd roep je me vaker naar het toilet voor iets nieuws: cijfers en letters. Laatst zei je: ‘Kijk papa, jouw letter.’ Samen staarden we in de pot naar de kruisende lijnen die jij had gefabriceerd. Zelden was de uitdrukking ‘adembenemende schoonheid’ zo van toepassing.




Tijdens het ontbijt, vraagt mijn dochter: “Pappa, mag ik nu die meneer?”
    “Mag je nu die meneer? Welke meneer?”
    “Die lekkere meneer.”
    “Ik snap het niet. Wie bedoel je?”
    “Euh.” Ze fronst haar wenkbrauwen en zet haar wijsvinger tegen haar voorhoofd. “Ik weet niet meer hoe die heet. Die meneer die ik had gekregen bij het feestje van Rafaël.”
    “Ah. De Lange Jan, bedoel je.”
    “Ja, zo heet die. Mag ik die nu opeten?”
    “Nee.”

19/03 - 0
¤

In het Amsterdamse gemeentekantoor waar ik gisteren was, stond een soort douchecel. Het bleek een rookcel. Boven het asbakje bevond zich een instructiesticker die aangaf in welke richting de roker diende uit te ademen.


18/03 - 0

Productiedwang

Er stonden twee mensen te wachten bij de lift in een Amsterdams gemeentekantoor. Ik ging er naast staan. Langzaam sloten ook andere mensen zich aan. Telkens als er een nieuw iemand arriveerde, vroeg deze iets in de trant van: ‘En? Ligt ‘ie nog steeds op zijn gat?’ Of: ‘Is het alweer in de lucht?’
    Niemand wist het antwoord.
    ‘Ik heb er gisteren twee kunnen uploaden, daarna werd ik eruit geflikkerd omdat mijn credentials zogenaamd onjuist waren,’ zei een man.
    De vorige dag bleek Het Systeem onderuit te zijn gegaan. Het was niet duidelijk wat Het Systeem deed.
    ‘Als het er nog een dag uit ligt, dan word ik helemaal gek,’ zei een vrouw.
    ‘Dan ga ik meteen naar huis,’ zei een ander op verslagen toon, alsof Het Systeem dan had gewonnen.

Ooit werkte ik als vakantiekracht in de pershal van een autofabriek. Tussen de vaste jongens gold een code: minimaal een keer per dag moest Het Systeem plat. In dat geval was Het Systeem een persstraat: een rij hydraulische persen, elk een meter of tien hoog. Tussen sommige persen stonden wij, tussen andere stonden robots. Wij en de robots gaven stukken plaatstaal door van de ene pers naar de andere. In een strak ritme. Aan het einde van de staat had je dan een motorklep. Of een onooglijk balkje dat ergens anoniem in het chassis zou eindigen.
    De jongens hadden allerlei trucs om hun sabotage uit te voeren. Als je bijvoorbeeld te weinig smeerolie op het plaatstaal spoot, dan bleef hij klemzitten in de mal. Gevolg: een alarmgeluid, een zwaailicht en een voorman die kwam schelden. Het losmaken van het plaatstaal van de mal was een technische klus. De mallen waren erg kostbaar, dus wij mochten er niet aankomen. Het duurde altijd een poos voor er iemand arriveerde van de technische afdeling. De bemanning van een hele straat zakte onderuit of ging roken. Dat mocht toen nog op de werkvloer. Tijdens nachtdiensten knapten we soms een uiltje. De straat naast ons keek dan jaloers toe, maar ze wisten: over een uurtje gaat hier de zaak plat.
    In het laatste jaar dat ik er vakantiewerk deed, doken de eerste Japanners op. De auto’s, maar ook de mensen. Ze liepen rond met klemborden en stopwatches. De Japanners hadden snel door waar de winst te halen was. Toen ze de fabriek overnamen, werd de pershal volledig geautomatiseerd.

In de autofabriek was het stilleggen van Het Systeem een overwinning voor de werkvloer. In het Amsterdamse gemeentekantoor leidde de werkonderbreking tot wanhoop van de werkvloer. Geen scheldende voormannen, maar zuchtende werknemers. Een van de mooiste ontdekkingen van managementonderzoek uit de twintigste eeuw is dat je mensen productiedwang kunt laten internaliseren.




Verliefd op Frans Pollux

Een paar weken geleden was ik bij de presentatie van "Het gelijk van Heisenberg", een prachtig boek van Frans Pollux. Bij die gelegenheid las ik onderstaande tekst voor.

Op een avond zei ik tegen mijn vrouw: ‘Ik ben verliefd op Frans Pollux.’
    Het was 21 november 2009, een zaterdag. Ik had een kater. Als ik een kater heb, loop ik een verhoogd risico op ontboezemingen.
    Mijn vrouw vroeg: ‘Wie is Frans Pollux?’
    Ik had zijn naam heus wel eens eerder laten vallen. Maar dat zei ik niet. Als mijn vrouw namen vergeet, dan mag ik ook namen vergeten. Ik ben een aanhanger van de theorie dat gezamenlijk falen een goede basis is voor een huwelijk.

Die ochtend was ik teruggekeerd uit Venlo. De avond ervoor was ik te gast tijdens een literair café, hier, in deze boekhandel, onder leiding van Frans Pollux. Ik geef toe, op dat moment was ik al enigszins in de ban van Frans Pollux. Alleen die naam al. Frans Pollux. Het geluid van borrelende luchtbellen in kokende dikke soep. Frans Pollux.
    Een jaar eerder had ik nog nooit van Frans Pollux gehoord. Dat veranderde toen mijn debuutroman uitkwam bij uitgeverij Atlas. Een vriendin van de middelbare school werkt bij L1 en ze nodigde me uit als gast in een cultuurprogramma op L1 radio. Dat werd uitgezonden vanuit een café in Venlo.
    En zo kwam ik voor het eerst in twintig jaar weer eens in Venlo. De laatste keer dat ik hier was geweest, speelde ik nog klarinet. Derde klarinet om precies te zijn, in Harmonie Concordia uit Obbicht. Op een zondagmiddag moesten we naar de Maaspoort voor het bondsconcours. Venlo had voor mij ongeveer dezelfde klank als Waddinxveen of Waalwijk. De grens van Limburg lag voor mijn gevoel ergens bij de Prins Claus centrale in Maasbracht. Zo werd er over gepraat. Op genereuze momenten rekende we Roermond ook nog tot Limburg. Maar daarboven begon het gebied dat we handzaam hadden ingedikt tot twee lettergrepen: Holland.
    Het enige dat ik me herinnerde van die zondagmiddag in Venlo waren de gesloten rolluiken van de Blokker en de Etos, opgevrolijkt door rondwaaiend zwerfafval. Alleen de friettent was open. Om de tijd te doden voordat we moeten optreden, at ik met enkele andere muzikanten een frikadel speciaal. Weken later proefde ik nog de smaak van uitjes en curry als ik tijdens de repetitie het mondstuk van mijn klarinet tussen mijn lippen nam.
    Door het radioprogramma maakte ik opnieuw, zoveel jaar later, kennis met Venlo. Het was een prettige kennismaking. Ik wandelde door de binnenstad en meldde me in het café waar het radioprogramma werd opgenomen. De twee presentatoren zaten aan een tafel. De ene man zag eruit alsof hij het hele jaar door in een tent op het Pinkpopterrein woonde. Inclusief beperkte toegang tot sanitaire faciliteiten. De andere presentator was een enthousiaste jongeman, vooruit, een aantrekkelijke jongeman met het soort grijns van mensen die je het gevoel bezorgen dat ze meer van het leven kunnen zien dan jij. Zo’n glas-half-vol type. Dat was Frans Pollux. Frans ondervroeg zijn gasten met de gretigheid van iemand die lijkt te denken dat de gast op elk moment een onsterfelijke uitspraak zou kunnen doen. Van het interview herinner ik me vooral dat ik er alles aan deed om Frans Pollux niet teleur te stellen. Hij dacht dat ik een onsterfelijke uitspraak zou kunnen doen en dat vertrouwen wilde ik niet beschamen.
    Mijn vader, trouw luisteraar van L1, belde me later op en zei: ‘Auw muk, hej, ich höb dich nog nuaotsj zoa sjnel heure ratele. Ich heurde eers neet das du ut waars.’ (‘Oude mug, hé, ik heb je nog nooit zo snel horen praten. Ik hoorde eerst niet dat jij het was.’)
    Toen kende ik Frans Pollux alleen nog maar als een radiopresentator. Een paar maanden daarna stuurde hij me zijn boekmanuscript. ‘Virtuele fontonen,’ heette dat toen nog. Nou Frans, dacht ik, laten we eens beginnen met die titel. Maar ik zag ook meteen dat het iets heel bijzonders was. De presentator kon ook nog erg goed schrijven. Ik stuurde het manuscript door aan Jessica Nash, mijn redactrice bij Atlas. Die zag onmiddellijk wat ze in handen had en bood hem een contract aan.
    Op dat moment waren mijn gevoelens voor Frans Pollux nog net hanteerbaar.
    Toen kwam die avond in Venlo, afgelopen november. Die nacht in Venlo. Na het literair café in deze boekhandel haakte Roger Abrahams aan en we verzeilden gedrieën in de eerste kroeg. Dat ging nog wel, al bekroop me ook het soort weemoed dat je overvalt als je wordt herinnerd aan de levens die je allemaal niet leidt. Een glas-half-vol leven, bijvoorbeeld.
    De genadeklap kwam pas toen ik meeging naar een kroeg waar Frans Pollux nog even een paar liedjes zou zingen. Ik wist wel dat hij ook liedjes zong, dat was ooit ergens ter sprake gekomen en daarna weer vergeten. Ik had me nooit afgevraagd wat voor liedjes hij zong. Er zijn teveel mannen met een gitaar om nieuwsgierig te blijven naar alle liedjes die ze maken. Maar toen zag ik hem op het podium staan. Soms zeggen mensen van iemand dat hij een podiumdier is. Maar die uitdrukking kwam me in dit geval wat zwak voor. Hij speelde een hartverscheurend mooi nummer dat iedereen kende en meezong. Ik keek er ademloos naar en besefte: Daar stond een ster.
    En dat gaf me de genadeklap.
    Het was teveel.
    Dit mocht niet.
    Presentator. Interviewer. Schrijver. Componist. Podiumdier. In een woord: Eikel.
    Dit soort mensen laten je maar twee opties: Je kunt ze haten of je kunt er verliefd op worden. Ik heb gemerkt dat die opties elkaar niet uitsluiten.
    Om een uur of vier eindigde ik dronken en verward in mijn kamer in Hotel Wilhelmina. Hotel Wilhelmina, de perfecte afsluiting van de nacht. Als u ooit pijnloos van een minnares afwil, neem haar mee naar hotel Wilhelmina. Wat ze ooit in u gezien mag hebben, ze zal het zich niet kunnen herinneren onder de mortuariumverlichting in de kamers van hotel Wilhelmina.
    Afijn.
    De volgende dag deed ik de ontboezeming aan mijn vrouw. Toen ze vroeg wie Frans Pollux was, probeerde ik iets te vertellen over de avond in Venlo. Het liet zich natuurlijk niet navertellen. Ik zette de computer aan en liet haar het hartverscheurend mooie liedje horen op Youtube. Mijn vrouw zei: ‘Leuk liedje.’ En ging verder met opruimen van het speelgoed.
    Terwijl ik mijn opkomende tranen probeerde weg te slikken, vroeg mijn vrouw: ‘Frans Pollux, is dat zijn artiestennaam?’

Zijn artiestennaam.
    En ineens dacht ik: Godverdomme. Inderdaad. Frans Pollux. Niemand heet Frans Pollux. Dat is te bedacht. Het verzinsel van iemand die avondenlang een bijpassende handtekening zit te oefenen op zijn kamertje.
    Ineens vielen verschillende puzzelstukjes op hun plek. Het was te perfect allemaal. Zoveel bereikt en dan in New York een debuutroman schrijven die al voor verschijning verkocht is aan Duitsland. Echt, Frans Pollux?
    Op zijn website staat dat hij als kind er al van droomde om schrijver te worden. Ja ja. Natuurlijk, Frans Pollux. De ultieme schrijversmythe.
    Als kind droomde hij er al van om schrijver te worden. Die uitspraak staat onder een foto waarop hij als een soort rock&roll-held met een gitaar langs de snelweg loopt. Als je zo nodig schrijver wilde worden, Frans Fucking Pollux, waarom loop je daar dan met een gitaar, jongen? Duurde het echt zó lang voor je doorhad dat je geen toetsenbord op een gitaar kon aansluiten toetsenbord? Had je zoveel jaar nodig om er achter te komen dat het gat van je niet geschikt was om het printerpapier in te stoppen? Kwam je daar pas achter nadat je een paar hartverscheurend mooie liedjes had gemaakt? Of was het misschien nadat je nog even presentator en interviewer was geworden, omdat je dacht dat boeken werden gemaakt door urenlang in een microfoon te lullen. Dat je pas na al die jaren ergens een schrijver achter een computer zag zitten en dacht: ‘O, godnondeju, zo doen die gasten dat!’
    Nee, dat wil er bij mij niet in, Frans Fucking Pollux. Of hoe je ook maar heet.
    Frans Pollux bestaat niet. Frans Pollux is geen persoon, maar een marketingcampagne. Een goede marketingcampagne, dat geef ik toe. Zorgvuldig opgebouwd, klaar om nu te incasseren. Maar uiteindelijk, zoals alle marketingcampagnes, te glad, te pijnloos.
    En daarom wil ik afsluiten met dit advies, Frans Pollux, om je carrière verder op stuwen. Je bent een flat character. Wat je nodig hebt zijn gebreken. Schrijnende gebreken. Dat willen de mensen. Het menselijk tekort. Literaire personages mogen wel afgunst oproepen, maar alleen als de lezer ook opgelucht kan ademhalen omdat hij niet gebukt gaat onder dezelfde fnuikende tekortkomingen als het personage. De held moet ten onder gaan.
    Dus: Bouw je personage uit tot iemand die ons echt bij de strot grijpt. Begin een allesverwoestende affaire met een voormalig prostitué uit de Oekraïne. Mishandel je schattige zoontje een keer in het openbaar, in de Blokker of zo. Kots eens over de tafel bij Pauw en Witteman. Dan, Frans Pollux, dan zal de mythe compleet zijn. De tragiek zal zo meeslepend zijn dat mensen vanzelf je gebreken zullen opvatten als een bewijs voor je genialiteit. Je bent, in één woord, onsterfelijk geworden.

En Frans, als je aan de top bent, Frans – en dan bedoel ik niet dat je tafelhoer bent bij De Wereld Draait Door, maar echte top. Denk je dan nog eens aan me, Frans?




Voor de tweede keer in korte tijd merkt iemand op dat mijn site geen RSS-feed zou hebben. Misschien omdat het betreffende knopje verdwenen is. Browers geven dat tegenwoordig immers zelf aan. Afijn. Voor de handmatigen onder u: http://bijzinnen.com/rss.

12/03 - 1

Uit de slaap gehouden

Een half uur voor de oratie, zaten mijn vrouw en ik in een zaaltje te wachten. Ze gaf me een liga. Toen ik die met enige tegenzin had opgegeten, wees ze op de kruimels waarmee mijn zwarte toga was bedekt. Ik stond op en veegde de kruimels van me af.

Een fotograaf die door de universiteit was ingehuurd doodde de tijd door aan een koekje te knabbelen. Hij had me zojuist gefotografeerd. Ik moest in toga en met baret voor een houten lambrisering gaan staan. Toen hij had afgedrukt liep hij naar me toe om me op het schermpje van de camera het resultaat te laten zien.
    ‘Is het wat?’ vroeg hij.
    ‘Ik kijk nogal chagrijnig,’ zei ik.
    ‘Er is niets mis met chagrijnig kijken,’ mompelde hij, terwijl hij terugliep terug naar zijn plek om nog een  foto te nemen. Ik probeerde te glimlachen.
    Toen bood hij aan me ook nog in rokkostuum te fotograferen. Het protocol schrijft voor dat je tijdens de intreerede onder de toga een rokkostuum draagt. ‘Dat heb je toch ook niet elke dag aan,’ zei hij.
    Ik bedankte.
    ‘Goed hoor. Zelf weten,’ zei hij. Hij liep naar de tafel met koffie en frisdrank en pakte een koekje van een schaaltje. Een medewerker van de catering keek werkeloos toe. Ik herkende zijn geblondeerde haar. Vroeger schepte hij de avondmaaltijden op in de mensa van de universiteit.
    Een man van de ondersteunende dienst kwam nerveus melden dat mijn laptop, waarmee de presentatie zou worden getoond, in de slaapstand was gegaan. Ik vroeg hem of hij hem weer aan wilde zetten. Hij zei dat hij niet wist welk knopje hij moest indrukken.
    Langzaam druppelden de eerste hoogleraren binnen. Het zaaltje was het verzamelpunt voor de hoogleraren die meeliepen in het cortège, de stoet van professoren. Meestal is het een stoetje van professoren. Er zijn veel oraties. Ik zag tot mijn verbazing dat er ook hoogleraren van de technische faculteiten binnenkwamen – grijze, wat nerveus glimlachende mannen die ik nooit eerder had gezien. Ze stelden zich niet aan mij voor. Het werd uiteindelijk toch nog een stoet.

Toen we het auditorium betraden, liepen we het protocollaire rondje door het publiek. Ik vermoed dat ik weer chagrijnig keek. Ik had geprobeerd te glimlachen, maar de spieren in mijn lippen voelden alsof ze een kubistisch portret moesten nabootsen. Chagrijn leek me een betere optie. Zorgvuldig meed ik de blikken van bekenden in het publiek.  

De ceremonie wordt altijd geopend door de rector van de universiteit of door een van diens vervangers. Dan wordt er een kort overzicht gegeven van de loopbaan van de nieuwe hoogleraar. In dit geval had de vervanger van de rector mijn gehele CV uitgeprint en aan elkaar geniet. Met een gele markeerstift waren de door hem relevant geachte onderdelen aangestreept. Die begon hij voor te lezen. Het was ongeveer even informatief als de waterstanden die vroeger op de radio werden voorgelezen. Ik voelde dat ik rustig werd. Er was geen succes en falen meer, alleen nog maar het protocol. De waterstanden horen ook bij het protocol. Er is troost in het onvermijdelijke. Wat ook min of meer de strekking van mijn verhaal was.

Eindelijk betrad ik het podium. Ik zette de laptop aan en keek naar een glazen hokje in de nok van het auditorium. Ik zag niets door het glas, maar enkele seconden later verscheen alsnog de presentatie op het grote scherm. Omdat ik voor het eerst nieuwe presentatiesoftware gebruikte, controleerde ik even of de software wel reageerde op de afstandsbediening. Het werkte.

Na afloop mogen de hoogleraren als eerste feliciteren, volgens het protocol. Een van de grijze mannen van de technische faculteiten zei dat hij altijd een uiltje knapte tijdens oraties, maar dat ik hem uit de slaap had gehouden. Uit zijn toon kon ik niet opmaken of het een klacht was of een compliment. Een andere man zei dat het heel goed te volgen was, omdat er zo weinig wetenschap in zat.

Na afloop van de verplichte receptie in de Aula vertrokken we naar de locatie van het diner en feest, een gebouw van een oude lijmfabriek. De avond was bijzonder ontspannen. Af en toe vergat ik dat het mijn feestje was. Mijn collega’s hadden een prachtige video voor me gemaakt en een erg bijzonder cadeau weten te organiseren: ik schijn te gaan dineren met Arnon Grunberg.

Ik had me voorgenomen dronken te worden en dat lukte redelijk. Om kwart voor een viel ik in slaap boven een Grimbergen dubbel in een café in de Delftse binnenstad. Mijn collega’s betaalden voor me en ik fietste naar huis.




Ook vlees moet vertroeteld worden

Het zit er even niet in, dagelijks hier iets te plaatsen. Tot 10 maart zit het er niet in, om precies te zijn. Dan dien ik mijn oratie uit te spreken aan de Technische Universiteit Delft. Het is een ritueel – maar een ritueel dat ik serieus neem.

Je hebt ruwweg twee opties voor het schrijven van een oratie: Of je zet je onderzoek van de voorafgaande jaren nog eens op een rijtje, gevolgd door enkele voornemens voor de toekomst. Of je maakt iets nieuws. Een breuk met het voorafgaande. Ik had behoefte aan een breuk. Dus verzon ik medio december een onderwerp waar ik nog nooit over had geschreven: Fatalisme.
    Sindsdien denk ik na over de vraag hoe je fatalisme kunt verkopen als politieke boodschap. Dat amuseert me. Wat niet wil zeggen dat het opschiet. Het is nu medio februari en ik ben nog niet halverwege met de tekst. Het schrijven moet tussen de bedrijven door en er waren nogal wat bedrijven de laatste weken.
    Collega’s vragen me of ik al nerveus ben. Dan zeg ik: nee. Of ik zeg: ja. Het is allebei waar.
    Hoe dan ook, ik moet me even concentreren. Waarvoor mijn excuses. Op 11 maart zien we elkaar hier weer terug.
    Of misschien de dag ervoor. U bent van harte uitgenodigd de oratie bij te wonen. Het auditorium van de TU Delft is immens en oogt dan ook altijd deprimerend leeg tijdens oraties. En andere gelegenheden. Het schijnt dat Frans Bauer de zaal ooit heeft weten te vullen tijdens een feestje van de personeelsvereniging. Verder ken ik het alleen als een locatie die minachting uitdrukt. Ik heb ruzie gemaakt tot op het niveau van het College van Bestuur om in een kleinere zaal te mogen oreren. Dat mocht niet. Conclusie: Ik ben een slechte ruziemaker.
    Hoe dan ook, u zou me een groot genoegen doen dit openbare ritueel bij te wonen. “Meat in the room,” noemen Amerikaanse diplomaten dat, heb ik recent geleerd. Ik zal al het aanwezige vlees dankbaar zijn. Bijkomende voordeel is dat u me kunt zien struikelen in toga. Na afloop wordt er gratis drank geserveerd. Ook vlees moet vertroeteld worden.

“Techniek van de onmacht: Fatalisme in politiek en technologie”
Auditorium, Aula van de Technische Universiteit Delft
Mekelweg 5, Delft
Woensdag 10 maart, 1500u.




Professor 6

Ik las een wetenschappelijk artikel van een auteur met de achternaam: 6. Inderdaad, het cijfer zes. Voornaam: Perri.
    Ik keek in de literatuurlijst. Die begon met diverse publicaties van 6, P. Daarna kwam Adams, G.

Ik dacht eerst dat er iets mis was gegaan bij het opmaken van het tijdschrift. Een korte zoekactie genereerde echter een hele serie artikelen van Perri 6. Professor Perri 6. Het zou een aardige naam zijn voor een robot in een kinderserie.

Ook op zijn officiële webpagina bij de Nottingham Trent University stond hij onder die naam vermeld. Ik voelde de behoefte een foto van de man te zien. Maar het enige dat ik vond was een close-up van een lego-poppetje. Uit de ruimtevaartserie, als ik me niet vergis.

Toen belandde ik op Wikipedia. Daar stond het volgende: “Professor Perri 6 is a noted British social scientist. He changed his name from David Ashworth to Perri 6 in 1983, stating that he was amused by the notion of ‘6, P’ appearing in academic papers.”

Verwarring zaaien is een van de sympathiekere vormen van amusement. Maar ik bewonderde vooral de volstrekte frivoliteit van zijn naamsverandering. Een beschaafde verzetsdaad tegen de wurgende ernst van de academie. Verzet is doorgaans nog humorlozer dan datgene waartegen het zich afzet. Maar Perri 6 had een sluiproute gevonden.

Net voor ik mijn kleine excursie wilde beëindigen, vond ik een opname van een toespraak van Perri 6. Dat was even schrikken. Een geaffecteerde Britse stem oreerde traag en bombastisch over een nogal triviaal punt. Humorloos, zou ik normaal gezegd hebben. Maar nu vroeg ik me af of dit deel was van de strategie van verwarring waarin meneer 6 zich had gespecialiseerd.




Ik sprak iemand die een discussieavond van de gemeente ging leiden in Amsterdam Zuidoost.
    ‘In de Bijlmer, dus,’ zei ik.
    Hij schudde zijn hoofd. ‘Je mag geen Bijlmer meer zeggen.’
    Terwijl ik daar over nadacht, zei hij: ‘Zwartjes mag ook niet meer.’

09/02 - 0

Ja ik stem in Delft

Op de markt in Delft stonden twee stewardessen te zingen voor een metershoog rood potlood. Ze waren omringd door een kluitje toeschouwers.
    Ik wilde eerst verder fietsen, maar het kluitje had aandacht nodig. Warmte. Ze stonden bijeen in een hoek van het grote lege plein. Je ziet dezelfde formatie bij pinguïns die langdurige sneeuwstormen moeten trotseren. Het mistige plein werd gevuld met luide muziek en de zang van de stewardessen. Iets over dat het fijn was te mogen stemmen.
    Het kluitje bestond bijna geheel uit leden van politieke partijen. De CDA’ers in een groen windjack dat de laatste campagne van Lubbers nog meegemaakt leek te hebben. De VVD’ers in fluorescerende veiligheidshesjes. Die zochten toenadering tot de straatwerkers. Of ze waren bang aangereden te worden.
    Op gepaste afstand van de politiek actieven stond een man met zijn hondje te kijken. Verder kon ik geen burger ontwaren.
    Halverwege viel de geluidsinstallatie uit. De kille mist drong blijkbaar niet alleen de ledematen binnen.
    De stewardessen zongen dapper verder. De burgemeester, met ambtsketen, zwaaide mee met het nu onhoorbare lied.
    Toen de muziek weer aanging zaten de zangeressen een toon te hoog. Als je stug volhoudt zit je al snel een toon te hoog.
    De installatie viel nog een paar keer uit. Naast de burgemeester sprongen nu ook andere partijsympathisanten in het gat.
    ‘Ja, jullie doen het heel goed,’ riep een van de stewardessen.
    Toen het einde van het nummer was bereikt, klonk er een kort applausje. Daarna keerde de stilte weer op het lege plein.
    Ik las de tekst op het grote rode potlood. Jaikstemindelft.nl.
    Ik nam me voor dat adres te bezoeken, vanaf verschillende computers. Ergens in de komende maanden zouden de politiek actieven er doorheen zitten. Terwijl ze in hun plastic bekertjes koffie stonden te roeren, zou iemand erop wijzen dat er in ieder geval de website aardig bezocht was geweest.
    Politiek is een hond die geschopt wordt, maar die blijft terugkomen in de hoop ooit een aai van het baasje te krijgen. Daar krijg je valse honden van, heb ik me laten uitleggen.




¤
Kasteel Oud Poelgeest

Gisteren gaf ik les in een kasteel, aan vijfentwintig van onze jongste onderzoekers. Tijdens het diner aan het einde van de dag vroegen verschillende onderzoekers me waarom ze zo verwend werden. Ik zei dat personeelsbeleid en omkoping soms moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn.


05/02 - 1

Als er geen te hoge bonussen waren, moesten ze worden uitgevonden. (Max Pam, Over de uitwas die kapitalisme heet)

02/02 - 0

Maand drieënvijftig

Lieve Vera,

Het was de maand waarin je te weinig sliep. Niet omdat je niet wilde slapen, maar omdat je te vroeg gewekt werd. Vond jij. Elke ochtend probeer ik je wakker te krijgen. Elke ochtend draai je van me weg en begin je hartstochtelijk te jammeren als ik je uit bed til.
    Dit was ook de maand dat je niet meer naar school wilde. Een paar maanden lang was school de beste uitvinding sinds het perenijsje. Toen werd je juf ernstig ziek en raakte je, samen met een paar klasgenootjes, op drift als een stel zigeuners.
    Begin deze maand kwam je eindelijk weer terug in je eigen lokaal. Met twee nieuwe juffen. Weer twee. Ik heb teveel nieuwe juffen zien komen en gaan. Sommige gezichten zag ik een enkele ochtend, daarna kwam er alweer een nieuw gezicht. Misschien werd het verzorgen van kleuteronderwijs ergens als cursus aangeboden, tussen expressief kleien en de poëziewerkplaats. Even lijkt het bevredigender, het boetseren met kinderzieltjes in plaats van klei. Maar ik had er alle begrip voor dat de vrouwen na een ochtend, misschien twee, terugverlangden naar een koude, zwijgzame homp klei. Daarom besloot ik niet meer te vragen naar hun namen.
    Nu heb je twee juffen. Dat komt omdat bijna iedereen in het onderwijs in deeltijd blijkt te werken. Behalve je oude juf. We missen haar allebei. Je verafgode haar zozeer dat je haar wetten als een soort sharia invoerde hier in huis. Veel woorden werden verbannen. We moesten om de beurt praten. Lachen was vaak niet toegestaan. Je glom als je ons corrigeerde en je glom als je het zelf goed deed, in de klas. De sharia wordt gezien als instrument van onderdrukking, maar jij had ontdekt dat het leidde tot reproduceerbaar geluk.
    De twee nieuwe juffen zijn erg verschillend. De eerste laat je even vergeten dat je school niet meer leuk vindt. De tweede is iemand die je daar weer aan herinnert. Ze boezemt je angst in. Ineens klamp je je weer aan mijn been vast. En de afgelopen week barstte je voor het eerst in huilen uit, toen je moeder je achterliet in de klas.
    Ik wist eerst niet wat je bezwaar was tegen de tweede nieuwe juf. Totdat ik haar aankeek. Ze heeft de dood in de ogen. Een blik die ik ken van journaalbeelden uit rampgebieden en van ontmoetingen bij de koffieautomaat in mijn kantoor. Het is meteen duidelijk: ze kan er niets aan doen. De dood heeft intrek genomen in haar ogen. Waarschijnlijk stond de zaak al een poosje leeg.
    Als volwassene raak je gewend aan die blik. Je probeert de blik te vermijden. Maar soms ontmoet je hem toevallig. Bijvoorbeeld omdat de ander staat te wachten tot de automaat iets gebrouwen heeft dat, volgens het bijschrift onder de betreffende knop, Wiener Melange heet. Dan kijk je de dood aan en knik je vriendelijk. Je beseft dat er momenten zijn geweest waarop je zelf die blik had, zonder het te weten. Het te willen weten. De vriendelijk knikkende medemens helpt daarbij. Je zult merken dat je vader een groot voorstander is van vriendelijk knikken. Er zijn weinig situaties denkbaar waarin dat een ongepaste reactie is. Zodra ik ontdekt heb welke dat zijn, zal ik je daarover inlichten.
    Maar goed. Volwassenen zijn gewend aan die blik. Jij, daarentegen, trekt de enige juiste conclusie: je wilt vluchten.
    Vluchten is een belangrijke menselijke vaardigheid. Het belang ervan kun je herkennen aan de grote schaal waarop het wordt ontmoedigd.
    Als je vier bent is vluchten nagenoeg onmogelijk. Ja, kinderen vluchten in hun fantasieën, zeggen volwassenen dan. Maar fantasie, dat is vluchten voor beginners. Net als je weg bent, klinkt er een stem. Je kijkt op en aanschouwt ineens weer het gezicht van de vrouw die zich over je heen buigt. In haar ogen schuilt geen leegte, dat zou aanzienlijk draaglijker zijn. Nee, er is nog wel iets van leven in te ontdekken, maar dat leven is omstandig aan het creperen.
    Als je moeder morgen dit leest, zal ze me aanspreken op deze onbarmhartige woorden over je tweede juf. Ik weet nog niet precies hoe ze dat zal doen. Dat is het aardige van je moeder. Maar ze zal niet ontkennen dat jouw wil om te vluchten een gepaste reactie is. En dat we je op dat vlak vooralsnog weinig te bieden hebben.
    Je moeder en ik zijn allebei aan het oefenen met vluchten. Ik zal je op de hoogte houden van onze vorderingen.




Twee primeurs

Terwijl ik een boek las over het leven in de accountancy, koekjesproductie, raketbouw en andere beroepen die ik nooit zal beoefenen, maakte mijn vrouw beneden in de keuken een kruikje voor me. En een kop thee.
    Voor het eerst in mijn leven had ik om een kruikje gevraagd. Je maakt mij niet wijs dat dit geen mijlpaal is. Ik ging ervan uit dat het kruikje gevuld zou worden met warm kraanwater, maar mijn vrouw stond erop er kokend water in te doen. Het was een kleine moeite om er nog een kopje thee aan toe te voegen, zei ze. Uit milieu-overwegingen stemde ik daarmee in. Tevergeefs opgewarmd warm water vervuld me met een zekere somberheid. Overigens hebben milieu-overwegingen wel vaker een opstuwend effect op mijn consumptiepatroon. Je zou daaruit het failliet van die overwegingen kunnen concluderen, maar zoals bij vele regelsystemen is het bestaan ervan belangrijker dan het resultaat.
    De ibuprofen begon effect te sorteren en ik kreeg ineens een beetje trek.
    Naast het bed lag mijn telefoon aan de oplader.
    Ik pakte de telefoon en belde de mobiel van mijn vrouw.
    Ik luisterde of ik de beltoon van mijn vrouw door de vloer van de slaapkamer kon horen. Het is een soort liftmuziekje. Maar ik hoorde niets.
    Mijn vrouw nam enigszins verbaasd op. Na het kruikjesverzoek was dit interne telefoonverkeer een tweede primeur. Ik werd ineens bevangen door een gevoel van optimisme over wat de toekomst nog allemaal zou brengen.
    Ik vroeg mijn vrouw of ze ook nog een bakje chips mee wilde nemen. Die nieuwe, ja.
    Even later arriveerde mijn bestelling.
    Daarna ging mijn vrouw douchen.
    Ik overwoog mijn laptop te gaan halen en even een stukje te tikken. Optimisme is een vorm van agitatie en dat moet ergens in afgevoerd worden. Een ogenblik mediteerde ik op de vraag of het tikken van een stukje niet met terugwerkende kracht mijn hulpverzoek in een bedenkelijk daglicht zou stellen.
    Ik bleef in bed.
    De nieuwe chips, iets met pittige oosterse kruiden, combineerde verrassend goed met de kruidenthee. Terwijl ik het hoofdstuk over de accountants uitlas, ebde de agitatie langzaam weg. Maar niet helemaal.




De bovenhand

In een hotel in Amsterdam had ik een afspraak met de Chief Technical Officer van TrendMicro, een wereldwijd opererend computerbeveiligingsbedrijf. De vorige keer dat ik hem sprak, liepen we naar de koffiehoek van de Bijenkorf en trakteerde ik hem op koffie met appelgebak. Deze keer had hij een verdieping van zijn hotel afgehuurd. Bij de receptie raadpleegden ze een schema. Ik moest naar kamer 4.16. Hij zou van de ene naar de andere kamer gaan, als een arts langs de patiënten in een ziekenhuis.

Hij kwam binnen, precies op tijd, schudde mijn hand en begon me uitvoerig te bedanken voor het feit dat ik ervoor gezorgd zou hebben dat de Nederlandse overheid wereldwijd vooropliep bij het bestrijden van botnets.
    Ik zei dat hij mijn rol schromelijk overschatte.
    Nee, dat vond hij niet. Hij herhaalde nog een keer zijn compliment.
    Een belachelijk compliment. Ik zei nogmaals dat àls de Nederlandse overheid al vooropliep, het niet aan mij te danken was.
    Weer wuifde hij mijn bezwaren weg.
    Toen zei ik dat ik voor het verslag wilde laten aantekenen het niet eens te zijn met zijn bewering.
    ‘Je bent te bescheiden,’ zei hij glimlachend.
    Soms is generositeit een vorm van agressie. Een manier om de overhand te krijgen. Je kunt iemands hand iets te stevig vastpakken of je kunt iemand iets te genereus complimenteren.
    Desondanks werd het prettig gesprek. Onderdanigheid is een onderschatte vorm van geluk.




Strijden als Grover

Ik parkeerde mijn fiets naar het hoofdgebouw van het opleidingsinstituut voor krijgsmachtofficieren. Voor de ingang waren twee militairen bezig met het hijsen van een vlag die ik niet herkende. Er staat een hele rij vlaggenmasten en ze waren halverwege. Een soldaat hield de vlag vast, een ander knoopte hem vast. Daarna drukte hij op een knopje drukte in de mast en werd de vlag met een zoemend geluid gehesen.

Het gebouw zelf doet sterk denken aan een zwembad uit de jaren zeventig. De binnenmuren zijn opgetrokken uit gasbetonblokken, de deuren zijn geel, de vloertegels grijs. Het ruikt ook als een zwembad. Een combinatie van chloor en toiletverfrisser.

In de gang langs de klaslokalen hing een staatsieportret van de vorige lichting die de opleiding doorlopen had. In het midden van de eerste rij had men een lege stoel neergezet. Ik vroeg een van de cursisten naar de reden van de lege stoel. Hij zei dat er twee deelnemers door persoonlijke omstandigheden de opleiding niet hadden kunnen afmaken en dat de stoel symbolisch stond voor hun aanwezigheid in de groep. Het gewicht waarmee hij “persoonlijke omstandigheden” uitsprak, suggereerde dat het een eufemisme was voor een bermbom of zelfmoordaanslag.

In de korte pauzes bleef ik meestal in het leslokaal. Ik bekeek onder andere de stickers op de muur. Het waren logo’s van verschillende krijgsmachtonderdelen – kleurrijke knutselwerkjes die uit de handen waren gebleven van de huisstijlpolitie en communicatieafdeling. Sommige onderdelen beeldden zichzelf af als sesamstraatfiguren of tekenfilmdieren. Ik zou ook het liefst als Grover ten strijde trekken.


Dit was het derde jaar dat ik les gaf in deze opleiding. De eerste keer moest ik wennen aan de formele beleefdheden die werden aangehouden. Men stond erop dat aan het begin van de dag een van de officieren mijn CV zou voorlezen aan de klas. Er zijn weinig situaties die ik beschamender vind. Slavoj Žižek heeft ooit beweerd dat dit fenomeen, wanneer iemand over je praat tegenover een ander en je herkent jezelf niet in de beschrijving, een vorm is van symbolische castratie.

Een andere beleefdheid bestond eruit dat ik voortdurend werd vergezeld door een chaperonne. Toen was dat een Luitenant der eerste klasse uit de onderzeedienst. De officier haalde koffie voor me en gaf me een rondleiding in de bedrijfskantine waarbij hij de slaatjes, broodjes, kroketten, kuipjes met kipkerrie en de soep van de dag voorzag van een korte recensie, om zo mijn keuzeproces te vergemakkelijken. Hij zag het ook als zijn taak om het gesprek gaande te houden tijdens de lunch.

Vorig jaar vergat men mijn CV voor te lezen bij aanvang van de les. Toen die omissie in de loop van de dag werd geconstateerd leidde dat tot enige consternatie onder de officieren. Uiteindelijk werd iemand aangewezen die aan het einde van de dag alsnog mijn CV ging voorlezen.

Gisteren liep het anders. Er werd geen CV voorgelezen en ik kreeg geen chaperonne. Niemand begon erover. Misschien dat de zorgen over de oorlog langzaam het opleidingsinstituut zijn binnengedrongen.




15/01 - 3

Een omineuze titel

Toen ik de woonkamer binnenkwam, met mijn muts nog over de oren, zei mijn vader dat Docters van Leeuwen in het journaal mijn naam had genoemd. En een boek van mij.
    Er waren zoveel dingen mis met die mededeling dat ik er vanuit ging dat ik hem niet goed had verstaan. Ik was ingesteld op een zin als: Nou, je fietslamp doet het weer en de heg is ook geknipt. Maar die zin zou pas later op de middag volgen. Dus ik zei: ‘Wat?’
    ‘Het ging over Irak. Heb je daar een boek over geschreven?’
    ‘Hij noemde mijn naam? Weet je het zeker?’
    ‘Ja.’ De suggestie dat hij niet zou weten wanneer de naam van zijn zoon genoemd werd in het journaal, stond hem niet aan.
    ‘En een boek?’
    ‘Ja.’
    ‘Welk boek?’
    Maar mijn vader wist niet meer welk boek. ‘Noem er eens een paar,’ zei hij.
    Met tegenzin noemde ik een titel.
    ‘Nee, die was het niet. Geloof ik.’
    Ik heb ooit meegeschreven aan een boekje waarvan Docters van Leeuwen een van de belangrijkste auteurs was. Maar als het om dat boekje ging, was er geen enkele reden om mijn naam te noemen.
    ‘Nee,’ zei mijn vader. ‘Die was het ook niet.’
    ‘En ook niet de roman?’
    ‘Nee, dan had ik het wel onthouden.’
    Zijn mededeling bij mijn binnenkomst was laconiek geweest, alsof het normaal was dat mijn naam in het journaal werd genoemd. Een van de effecten van sociale mobiliteit is dat je ouders niet meer weten wat normaal is. Met een ruimhartig gebaar nemen ze dan maar aan dat alles normaal is.
    Mijn vader had van mij uitleg verwacht. Nu die uitbleef, werd hij ook onrustig.
    ‘Kun je dat niet euh, op de televisie terugkijken, hoe heet het, bij ons kun je dat dan nog op de receiver opslaan, als je op de knop drukt.’
    Ik zocht op Uitzending gemist naar het journaal van twaalf uur.
    ‘Ja, dit is het,’ zei mijn vader opgewonden. ‘Straks komt het.’
    Ik spoelde vooruit. Het was niet zozeer een journaaluitzending, maar een gedeelte van de live-uitzending rondom de persconferentie van de commissie Davids. Helemaal aan het einde verscheen Docters van Leeuwen in beeld. Na twee zinnen werd de opname afgebroken. Mijn naam was niet gevallen.
    Ik ging koken. Ik wilde liever eerst mijn donkere pak en grijze stropdas uittrekken, maar ik had mijn vrouw beloofd mijn hoogleraarstoga aan te trekken. Met een zekere begerigheid had ze daarom gevraagd. In een huwelijk is het zaak niet lichtzinnig om te springen met begerigheid. Onder de toga moet een donker pak en een grijze stropdas.
    Terwijl ik andijvie sneed, realiseerde ik me de oplossing voor het journaalmysterie. Docters van Leeuwen, die ik sporadisch tegenkom in Den Haag, had me verward met iemand anders. Iemands boek was genoemd omdat het iets met Irak of oorlog of het volkenrecht van doen had. En Docters had daar de verkeerde auteursnaam aan gekoppeld.
    Na het eten zocht ik toch nog een keer op Uitzending gemist. Mijn vader stond naast me. Toen vond ik een langere registratie van de live verslaggeving. Deze keer was Docters er niet afgeknipt. Gespannen wachtte ik op het moment.
    Helemaal aan het einde gebeurde het. De presentatrice probeerde langzaam de uitzending af te sluiten. Docters was echter nog niet klaar. Het ging over tunnelvisie. Hij zei: ‘Daar zijn mooie proefschriften over geschreven. Euh. Maar, laat maar.’
    Mijn proefschrift van elf jaar geleden bevat alleen in een zeer fantasierijke lezing elementen die je, als je daartoe geneigd zou zijn en als de voorraden van de duizenden academische boeken die gaan over tunnelvisie om niet nader te noemen redenen allemaal in rook zouden zijn opgegaan, zou kunnen scharen onder de noemer: tunnelvisie.
    Het gesprek bewoog weer weg van proefschriften.
    En toen, in de allerlaatste seconden van de uitzending, vergezeld van een verontschuldigend handgebaar voor het feit dat hij de afronding van de uitzending ophield, zei Docters: ‘Michel van Eeten, ik zeg het toch nog maar even, heeft er een mooi proefschrift over geschreven. Dat heet: Dialoog tussen de doven.’
    De presentatrice sloot het gesprek af met de woorden: ‘Een omineuze titel.’




Een collega kwam mijn kamer binnen en zei: ‘Dus jij hebt hier een vogelkooitje hangen?’ Ik wees naar het kooitje boven mijn deur. ‘Kijk zelf maar, daar lijkt het toch op?’ Hij keek, fronste een ogenblik zijn wenkbrauwen en concludeerde toen: ‘Je bedoelt een vogelhuisje.’ Ik staarde hem aan en zei toen gegeneerd: ‘Je hebt gelijk.’ Ik wilde nog iets zeggen, maar hij was alweer weg. Lezers attenderen me regelmatig op fouten. Ook op kinderlijke taalfouten. Daar ben ik ze dankbaar voor, maar het laat me verder onberoerd. In dit geval had ik echter even het onbehaaglijke gevoel dat de fout een symptoom was van iets ernstigers. Ik corrigeerde de fout met tegenzin, alsof dat niet de juiste handeling was.

12/01 - 2

Ovenfriet met spruitjes

Dit weekeinde keek ik met mijn twee dochters naar de vallende sneeuw. Mijn vrouw was een paar dagen weg. Vlak na haar vertrek belde mijn schoonmoeder of de verwarming het deed, of ik nog boodschappen nodig had, of er verder nog iets was. Er was verder niets, de verwarming deed het, de boodschappen waren gedaan. We hebben twee dagen ovenfriet met spruitjes gegeten. En ik had Belgisch bier in huis gehaald. Als mijn vrouw thuis is drink ik wijn, maar in haar afwezigheid bleek ik ineens weer een bierdrinker te zijn. Het was alsof mijn lichaam zich een eerder leven herinnerde. Een leven waarin het woord bierbuik me weinig angst in boezemde. Sinds ik getrouwd ben, boezemen allerlei zaken me angst in. Let wel, als ik nog iets van mijn leven maak, is het uit angst. Wat dat betreft kwam het huwelijk niets te vroeg.

We keken naar de sneeuw en het was goed. Ik stemde in met elk verzoek van Vera en mocht als beloning mijn stapel ongelezen afleveringen van The New Yorker verkleinen. Af en toe kwam ze naar de bank om op schoot te zitten of om een boekje te lezen. De rest van de tijd scharrelde ze door de kamer. Jules lag op haar buik en draaide als een kompas mee met de magnetische pool die haar grote zus is.
    Ik herinnerde me een moment tijdens tweede Kerstdag. Het is donker. Ik parkeer de leenauto om de hoek bij mijn schoonouders. Vera is net in slaap gevallen. We besluiten dat mijn vrouw en Jules al naar binnen gaan en ik bij Vera blijf zitten.
    Zitten in een stilstaande auto is een genot dat me iedere keer weer overvalt. In de droge, besloten akoestiek hoor ik haar ademhaling en de mijne. Af en toe schiet er een spasme door een van haar ledematen. Op de garage naast ons heeft iemand een lichtslang gehangen in de vorm van een rendier. Sporadisch rolt een auto om de hoek van het woonerf, de lichten doorsnijden onze cabine. De straten heten hier geen straten maar zijdes. Als in: Brechtzijde.
    De twintig minuten in die auto was het mooiste moment van Kerst.
    Ook toen las ik trouwens The New Yorker. Op mijn telefoon. Dat wil zeggen, verder dan de openingsregels kwam ik niet. Ik kan alleen prettig niets doen als ik iets te doen heb.

Zaterdagavond keek ik My Sister’s Keeper. Sentimenteel, maar niet zonder effect. Een kind sterft aan kanker.
   Soms fantaseer ik dat Vera of Jules een afschuwelijke ziekte krijgt. Een beeld is het, een flits, meer dan een fantasie. De pijn die het oproept is verslavend. De intense gewaarwording dat ik aan een ander mens gehecht ben.
    Toen ik eindelijk naar bed ging, was het gestopt met sneeuwen.




Vogelhuisje

De afgelopen dagen werkten er mannen op onze gang die in alle kantoorkamers een mysterieus houten plankje met een donker gat in het midden monteerden. Precies boven de deurpost. Het heeft iets van een vogelhuisje.
    Vanmiddag liep ik het secretariaat binnen. Twee van de vier secretaresses waren aanwezig. Ze zaten naar de deur gedraaid, maar ze keken over me heen, naar het vogelhuisje.
    ‘Nee, ik had dat ding ook nog niet gezien,’ zei de een. ‘Wanneer hebben ze dat gemaakt?’
    ‘Geen idee. Wat zou het zijn?’
    ‘Zou er een camera in zitten, misschien? Dat ze op alle secretariaten er eentje gehangen hebben.’ Ze stak haar hand op en zwaaide glimlachend naar het vogelkooitje.
    Haar laconieke reactie op zo’n vorm van toezicht, deed me denken aan de wetenschappers die alle organisaties opvatten als varianten van gevangenissen. De secretaresses hebben het, voor zover ik weet, naar hun zin op het secretariaat. Die twee zaken hoeven elkaar niet uit te sluiten. Ik heb ook wel eens fantasieën waarin ik langere tijd in een gevangenis moet doorbrengen. Om de een of andere reden vervult me dat met een geluksgevoel.
    Ik keek even naar het vogelhuisje en zei toen dat iedereen zo’n ding op zijn kamer had gekregen.
    ‘O,’ zei ze.
    ‘Het is een ontruimingsluidspreker.’
    Ik had het aan de monteur gevraagd die in mijn kamer had gewerkt. Hij kon me niet vertellen waarom we die kregen. Later hoorde ik dat vlak voor Kerst het brandalarm was afgegaan. Er was enige rookontwikkeling geweest in een andere vleugel. In onze vleugel had schijnbaar iedereen doorgewerkt en beweerd het alarm niet gehoord te hebben. Enkele mensen hebben hun vakantie geofferd om deze schrijnende misstand uit de wereld te helpen. Je kunt veel zeggen over onze gevangenissen, maar niet dat ze verwaarloosd worden.




Maand tweeënvijftig

Lieve Vera,

Gisteren heb je me genezen van het waanidee een goede vader te zijn. Achteraf verbaast het me dat je er tweeënvijftig maanden voor nodig had.
    Je zat ziek thuis, samen met mij en je zusje. Het was pas de tweede of derde keer dat we je thuis hoefden te houden in viereneenhalf jaar. Wij doen niet aan ziekte. Vooral uit efficiëntieoverwegingen. Het negeren van symptomen is doorgaans aantrekkelijker dan de verstoring in de huishoudelijke logistiek die we uitzieken noemen.
    Je had mij ook besmet, maar omdat ik op dinsdagen niet hoef te werken, telt het niet als ziekte en bleef de huishoudelijke logistiek gespaard. Of je zusje de ziekteverwekker had binnengekregen was niet duidelijk. Ze heeft sinds haar geboorte een loopneus, meestal in combinatie met de raspende ademhaling van een kettingroker. Ook zij doet niet aan ziekte.
    Je moeder had gedoucht en het pand verlaten. De eerste rituele handelingen hadden we voltooid. Boterhammen waren opgegeten, verzoeken om televisie te mogen kijken waren afgewezen, jullie kleren waren aangetrokken en het speelgoed was uit de kast gehaald. Ziek of niet, je speelde zoet vakantietje onder een deken waarmee we een tent hadden gefabriceerd. Je zusje had intussen haar doorlopende project hervat: het in de mond stoppen van onze gehele huisraad.
    Toen wilde ik ook even douchen. Ik geef toe, op dat moment jammerde ik al een beetje van binnen. Helaas had ik geen koorts, blijkbaar waren een paar pijntjes al voldoende om de deur open te wrikken naar iets dat ik verafschuw: zelfmedelijden. Een soort emotionele incontinentie.
    Ik ontkleedde mezelf en zette de douche aan. Het water bleef steenkoud. Ik kleedde me weer aan en toog naar de verwarmingsketel. Fout 5, stond er op de display. Bel uw gediplomeerd monteur, stond er in het boekje. De verwarming deed het evenmin. Ik pakte extra truien uit de kast, voor mezelf en jullie. Jij hoefde er geen. Je vond het lekker warm, zei je. Volgens de thermostaat was het toen nog zeventien graden.
    Terwijl jij lief speelde, probeerde ik te werken. Je moet niet willen werken als je thuis bent met twee kinderen. Dingen niet willen, dat gaat me echter steeds slechter af. Een verontrustend vooruitzicht.
    Je kwam bij me staan. Wilde ook even typen.
    Nee, zei ik.
    Wilde op schoot.
    Nee, zei ik.
    Wilde dat ik mee kwam op vakantie.
    Nee, zei ik.
    Wilde dat ik meehielp met een puzzel die je ineens hoegenaamd te moeilijk vond om alleen te maken.
    Nee, zei ik.
    Toen me duidelijk werd dat ik niet verder kon werken, verschoonde ik je zusje en gaf haar een fruithapje. Ik had geen zin om een verse appel te pureren en pakte een potje uit de kast. Terwijl ik dat bij haar naar binnen lepelde, kwamen zeven nieuwe e-mails binnen.
    De temperatuur in de kamer was inmiddels veertien graden. De monteur zou aan het einde van de middag komen.
    Ik knuffelde je zusje, snoof de geur op van haar hals, maar omdat mijn neus verstopt was, rook ik niets. Ze trok aan mijn haren en ik legde haar weer op de grond.
     Je vroeg nog een keer iets, ik weet niet meer wat, en ik zei weer nee. En zette me schrap voor het gejengel dat zou volgen.
    Maar er volgde geen gejengel. We hebben veel energie gestoken in het afleren van gejengel. Voortdurende correctie. Opvoeden is het breken van iemands wil, totdat er een aangepast mensje ontstaat dat niemand tot last is, geen verstoringen meer veroorzaakt in het logistieke proces. Dat jij over een jaar of tien mij als een stuk vuil gaat behandelen, is een geruststellend idee, in dat verband. Beter dat, dan je om vergeving te vragen.
    Je jengelde dus niet. In plaats daarvan jengelde ik. In mijn hoofd. Ik wilde dit niet meer. Wilde weg. Even probeerde ik mezelf vrij te pleiten. Overmacht, zoiets. Iedereen zit er wel eens doorheen. Maar dit was geen overmacht. En ik ben niet iedereen. Meende ik. Je jengelde niet. Ik jengelde. Het grote zelfmedelijden, dat ik honend had aanschouwd bij anderen, had me eindelijk in zijn klauwen.
   Weer een terrein om middelmatig op te zijn. Waarvoor dank, schatteboutje.




Buitenaards wezen

Gisteravond, voordat ik naar bed ging, schoor ik mezelf. De laatste keer was ergens voor de Kerst. Mijn baardgroei is bescheiden – de baardgroei van een wijf, grapte ik vroeger, toen ik nog een voormalig gereformeerd collega had die mij het gevoel gaf dat het een enigszins choquerend grapje was. Hem mis ik niet, maar dat gevoel wel. Als het choqueren je niet van nature afgaat, is het zaak een publiek te zoeken dat aan een half woord genoeg heeft.
            Overigens vond die collega het hele leven choquerend. Dat drong pas tot me door toen ik een keer bij hem thuis kwam en zag dat hij zijn flessen drank bovenop een hoge kast legde, uit het zicht. In eerste instantie dacht ik dat hij een liefde voor overmatige alcoholconsumptie probeerde te verbergen. Maar navraag leerde dat hij de naakte aanblik van flessen buitenlands gedestilleerd choquerend vond. Alsof het een collectie pornografie betrof. Vervolgens vond hij het bijna even choquerend dat ik die mening niet was toegedaan.
            Het was aangenaam om zijn universum te betreden. Om even een buitenaards wezen te zijn.
           Ik verlang er nog wel eens een buitenaards wezen te zijn, maar de voormalig gereformeerde collega emigreerde een paar jaar geleden naar een ander continent. Verder is mijn leven bevolkt met soortgenoten. Ooit moet me dat een goed idee hebben geleken.