De mond van een ander is een werkplaats

Vanochtend onderging ik iets dat een zenuwbehandeling bleek te heten. De verdoving deed zijn werk. Achteraf werd ik overvallen door warme gevoelens voor de tandarts. Ik weet niet of dat onder de bijwerkingen valt. Toen ik opstond, schudde ik met beide handen de hand van de tandarts. Bij het afscheid deed ik het nogmaals. Uit zijn reactie maakte ik op dat het minimaal een keer te veel was. In het vervolg houd ik me aan deze vuistregel: je eigen mond is intiem, de mond van een ander is een werkplaats.

Sindsdien wacht ik tot de verdoving is uitgewerkt. Er zijn de verwachte effecten – het onvermogen te proeven, vastlopen in woorden met veel medeklinkers en morsen bij het koffiedrinken, omdat mijn mond niet doorhad dat mijn lip de rand van de beker niet raakte. Een onverwacht fenomeen is dat ik nu al enige tijd jeuk heb in het gebied waar ik verder niets voel. Zachtjes krabben en koud water hielpen niet. De jeuk zit in mijn hoofd.

Miesepies | Dinsdag 28 September 2010 - 3:16 pm | | Tekst | Eén reactie

De dienstregeling van de Haagse Trammaatschappij

Ik had kiespijn. Dat duurde inmiddels een kleine week. Maar dit was de eerste keer dat het me uit de slaap hield. Voor we naar bed gingen, had mijn vrouw nog één hele paracetamol weten op te diepen. Die was inmiddels uitgewerkt.
    Ik lag wakker. Ik lig nooit wakker.
    Het heeft een slechte naam, wakker liggen, maar ik besloot het onbevooroordeeld tegemoet te treden. Ik dacht aan een goed gesprek met een vriend. Daarna dacht ik aan de tram die ik morgen moet nemen om vanuit Den Haag op tijd te komen voor het college dat ik ’s middags geef. Ik probeerde terug te komen naar die vriend en vroeg me vervolgens af of ik wel of niet de vouwfiets moest nemen naar onze volgende afspraak. Daarna probeerde ik me te herinneren in welke map ik het bestand had gezet dat ik nodig had voor het avondcollege.
    Na enige tijd concludeerde ik dat wakker liggen niet wilde zeggen dat je kon nadenken. Het was een nogal kortademige aangelegenheid.
    Ik probeerde opnieuw in slaap te komen. Daarvoor bezocht ik in gedachten het zwarte strand van een vulkanisch eiland waar ik jaren geleden was. Daar heb ik een legendarisch aangenaam uiltje geknapt. Ik concentreerde me op het gevoel van zand onder mijn zij. Het geluid van mijn eigen ademhaling liep synchroon met de branding.
    Even later vond ik mezelf opnieuw terug in de dienstregeling van de Haagse Trammaatschappij en de mappenindeling van mijn laptop.

Ik stond op. In de woonkamer doorzocht ik nogmaals de kast, in de hoop nog een verdwaald stripje paracetamol te vinden. Maar die kast had ik al eens doorzocht.
    Het medicijnkastje in de badkamer was eveneens leeg, op een doosje zetpillen na. Voor 1 tot 5 jaar, stond er op. Ik keek op het doosje en probeerde in te schatten hoeveel zetpillen ik moest inbrengen om het lichaam van een veertigjarige te verdoven. Eerst als grap, maar een paar seconden later was ik uitgelachen en pakte ik het doosje. Toen zag ik erachter een ander doosje. Smelttablet banaan, luidde het opschrift. Eronder las ik het begeerde woord paracetamol.
    Ik drukte vier smelttabletten uit de verpakking en stopte ze in mijn mond. Ze vielen onmiddellijk uiteen, maar de term ‘smelten’ was toch wat misleidend. Ik had nu een hap kalk in mijn mond. Met een zeer uitgesproken bananenaroma. Een flinke slok water verloste me daarvan. Wel nam ineens de kiespijn toe. Misschien vanwege de suiker in de pillen.
    Wachtend op de verdoving, ging ik bij de kinderen kijken. Ik trok een dekbed recht en veegde een bezwete lok haar uit een gezicht. De een smakte in de slaap, de ander snurkte. Buiten was de doorgaande weg eindelijk stil. Ik trok een kier in de gordijnen en vroeg me af hoe laat de tram weer ging rijden.

Miesepies | Maandag 27 September 2010 - 02:14 am | | Tekst | Twee reacties

Onverwacht optimisme over de mensheid

Het is druk op de Voldersgracht. Mensen schuifelen langs de kraampjes die zich genesteld hebben tussen het water en de winkels.
    Ik kijk op van mijn tafeltje in de lunchzaak als ik buiten geschreeuw hoor.
    Een oudere man rijdt voorbij op een Segway, de driftige elektrische tweewieler waarop ik tot nu toe alleen parkeerwachters voorbij zag rollen.
    Dan draait de oude man ineens het mobiel om en rijdt hij terug naar een andere oude man. De bestuurder van de Segway is boos. Hij ziet er uit als iemand die op een vissersboot werkt. Slonzige dikke kleding, een wollen muts en woest grijs haar. Nog voor hij de andere man bereikt heeft, priemt zijn vinger al in diens richting.
    De Segway stopt abrupt, slechts centimeters voor de andere man. Die deinst niet achteruit en laat de tirade kalm over zich heenkomen. Af en toe herhaalt hij de opmerking dat de andere man had moeten uitkijken. Zijn handen blijven in de zakken van zijn pak, een ouderwets pak in een ongrijpbare blauwe tint.
    De man op de Segway spuugt woorden en speeksel in de richting van de andere man. Hij leunt over het stuur heen en kijkt neer op de andere man, alsof hij op een preekstoel staat.
    Op de verticale balk van de Segway zie ik een blauwe sticker met een witte rolstoel erop.
    Tijdens een symposium vertelde laatst iemand dat de Segway een reuze interessant juridisch probleem vormde. En ook een ernstig maatschappelijk probleem, voegde ze er snel aan toen. Want er waren mensen die ze nodig hadden, maar die niet de weg op mochten met deze uitvinding omdat hij niet past in de categorieën van de Verkeerswet.
    Er zijn ernstige maatschappelijke problemen die me onverwacht optimistisch stemmen over het lot van de mensheid.
    Dan draait de man zich om, vertrekt met grote vaart door het publiek en neemt met jaloersmakende precisie de bocht naar een steegje.

Miesepies | Dinsdag 14 September 2010 - 12:18 am | | Tekst | Twee reacties