Normbudget

Een paar maanden geleden had de decaan wat geld toegezegd voor activiteiten met onze promovendi. De bureaucratische naam voor ‘wat geld’ is: een normbudget.

Gisteren wilde ik voor het eerst iets betalen uit het budget. Dat bleek niet te kunnen. De verantwoordelijke ambtenaar meldde: er is geen budget beschikbaar.

Ik mailde hem: ‘Met andere woorden, je draait de toezegging van de decaan terug?’
    Zijn antwoord: ‘Ik draai niets terug, er is een normbudget ingesteld. Ik zet het alleen op nul euro.’
    Die mededeling vond ik van een grote schoonheid.
    Veel mensen lezen de romans van Kafka als aanklacht tegen de ambtelijke systemen die individuen vermalen. Maar ik voel doorgaans meer sympathie met de ambtenaren in die romans dan met de hoofdpersonen K. en Joseph F. Soms is de nederlaag nu eenmaal mooier dan een overwinning.




Het record van John de Mol

Een man gaat winkelen met zijn vrouw. Zeven woorden die gevolgd worden door het ongewisse. En zo stond ik op vrijdagmiddag met mijn vrouw in de winkel van Hugo Boss in Den Haag.

Een huwelijk wordt bepaald door de bijzaken, de zaken die je niet per se gezamenlijk hoeft te ondernemen. De verplichte nummers zijn veilig. Hun belangrijkste verdienste is dat ze achter de rug zijn. De bijzaken stellen je echter soms voor de vraag wat dat precies inhoudt, echtgenoot zijn.

Ik had broeken nodig. Ik kan niet zelf broeken kopen. Dat vereist namelijk, om te beginnen, dat je in de spiegel kunt kijken, terwijl je met je kont draait. Dat kan ik niet.

In de winkel van Hugo Boss stond een verkoper die zo aantrekkelijk was, dat het me even in verwarring bracht. Daardoor kon ik niet zien of hij hetzelfde effect had op mijn vrouw. Hij vroeg wat ik zocht. Ik zei: een broek.
    Een paar minuten later stond ik in een paarse broek. Ik ben tamelijk kleurenblind, maar zelfs ik zag dat het een paarse broek was.
    Ik heb nooit het bezit van een paarse broek begeerd. Maar mijn vrouw keek en zei: Dat is een erg mooie broek.
    Ze sprak met de verkoper over het innemen van de broek, terwijl ik voor de spiegel stond. De verkoper trok achter mijn rug aan de band van de broek, zoals je een konijn in zijn nekvel optilt. Drie centimeter, concludeerde hij.

Of ik nog iets anders zocht. Een truitje, misschien, zei ik. De verkoper kwam met een dun truitje dat me lichtblauw voorkwam in het gelige licht van de paskamers. Ik deed het aan boven de paarse broek.
    ‘Kan dit bij elkaar?’ vroeg ik.
    Mijn vrouw grijnsde. ‘Het staat heel mooi bij elkaar, maar het is wel roze.’
    ‘Roze?’
    ‘Dat moet je natuurlijk niet tegen hem zeggen,’ zei de verkoper. ‘Het is lila,’ zei hij tegen mij.
    ‘Ik heb geen moeite met roze,’ zei ik. ‘Ik zie alleen niet dat het roze is.’
    ‘Het is lila.’
    Ik keek naar mijn vrouw. ‘Je zou kunnen zeggen dat het heel licht lila is,’ zei mijn vrouw.
    ‘Maar kan het bij elkaar?’
    ‘Het staat prachtig.’
    Ik besloot het ensemble te kopen.
    ‘Heel dapper, echt iets nieuws voor jou,’ zei mijn vrouw.
    We liepen naar de kassa. ‘Misschien kun je nog een choker kopen,’ zei ze grijnzend.
    Ik hield onmiddellijk halt. ‘Je moet dit wel serieus doen,’ zei ik.
    ‘Sorry. Grapje.’
    ‘En die broek en trui?’
    ‘Dat was geen grapje.’

We rekenden af. Ik kocht ook nog dezelfde broek in het grijs en een grijze vestje.
    Op dat moment was ik een minuut of tien in de winkel. Mijn vrouw vroeg aan de verkoper of het een recordtijd was. Maar het bleek dat televisieproducent John de Mol af en toe binnenliep, wat kledingsstukken aanwees en die zonder te passen afrekende. Soms stuurde hij achteraf een kledingstuk terug.
    Maar mijn vrouw was toch onder de indruk van mijn inkoopsnelheid. Het helpt dat ik wel voorkeuren bezit, maar ze zelf niet ken. Maar in plaats van dat te zeggen, deed ik me even te goed aan haar bewondering.

Daarna liepen we met opgewekt gemoed door Den Haag. We waren het ongewisse ingegaan en er aan de andere kant weer uitgekomen.
    Soms vraagt mijn vrouw of ik nog van haar hou. Mijn antwoord is duidelijk: een paarse broek met een roze trui.




Maand vierenvijftig

Lieve Vera,

Vorige week bracht ik je naar school. Terwijl we je jas ophingen, zag ik rond je mond een witte kring van gedroogde tandpasta. Ik nam je kin in mijn hand en likte met een lange haal de tandpasta van je gezicht. Ik geef toe, er zat iets van wellust in die lik. Ik herinner me goddank niet wat ik ’s nachts droom, maar ik vermoed dat jij in sommige afleveringen figureert als ijsje. Een smeltend ijsje, dat snel opgelikt moet worden voordat het verdwenen is.
    Terwijl ik de zoete kindertandpasta op mijn tong proefde, trok je je los.
    ‘Gatver, pappa!’ zei je.
    ‘Nou, snoepie, zo erg is het toch niet.’
    ‘Jawel. Het is wel erg. Je smaakt vies.’
    ‘Hoe smaak ik dan?’
    ‘Naar smurrie.’

Dus nu weet ik: ik smaak naar smurrie. Mijn moeder smaakte ook naar smurrie. Als er iets rond mijn mond zat dat daar niet thuishoorde, maakte ze de hoek van een zakdoek nat met haar speeksel en veegde het daarmee weg. De rest van de dag rook ik dan haar gedroogde speeksel, achtergebleven onder mijn neus.

Sinds ik kinderen heb, weet ik: volwassenen stinken. Hun speeksel stinkt, hun adem, hun voeten,  hun haar, hun poriën, hun ontlasting. Het moet iets met verval zijn. Jouw adem ruikt fris. Of eigenlijk: je adem heeft niet echt een geur. De lucht die je mond verlaat, is iets warmer en vochtiger dan zijn omgeving. Een soort zomerlucht voor het onweer. Dat heb je niet te danken aan toegewijde mondverzorging. Laten we wel wezen, je ziet het tandenpoetsen vooral als een moment om ons een raadsel op te geven of te onderhandelen over wat er zal volgen na die twee seconden waarin je kaken voldoende vertragen om ze met de tandenborstel te kunnen lokaliseren.

Je ouders staan daarentegen elke dag te poetsen, wassen, schrobben, schuren. Daarna worden er nog prachtige chemische cocktails op ons lichaam aangebracht. Alles om de geur van verval tijdelijk terug te dringen.  

Ik kan je dus niet tegenspreken – ik smaak naar smurrie. Maar, schatteboutje, dan zeg ik tegen jou: jouw poep ruikt niet naar bloemetjes. Ik weet dat je moeder het tegendeel heeft verteld, een jaar of twee geleden. Je hebt geen seconde getwijfeld aan die typering. Als je op de pot zit en ik kom het toilet binnen, vraag je me: hoe ruikt het hier? En dan zeg ik: naar bloemetjes. Dan knik je goedkeurend. Het is geen vraag om bevestiging, het is een examen dat je afneemt.

Vanaf nu ga ik zakken voor dat examen, ik zeg het maar alvast. Ook in jouw darmen heeft het verval intrek genomen. In plaats van mij naar het toilet te roepen voor een examen, zou je een voorbeeld moeten nemen aan je grootvader. Als hij terugkeert in de woonkamer na een enigszins bewerkelijk toiletbezoek, deelt hij zakelijk mede: het is beter het toilet voorlopig niet te betreden. Zakelijkheid is het enige antwoord op verval.

Ik vermoed dat je dat ergens al weet. De laatste tijd roep je me vaker naar het toilet voor iets nieuws: cijfers en letters. Laatst zei je: ‘Kijk papa, jouw letter.’ Samen staarden we in de pot naar de kruisende lijnen die jij had gefabriceerd. Zelden was de uitdrukking ‘adembenemende schoonheid’ zo van toepassing.




Productiedwang

Er stonden twee mensen te wachten bij de lift in een Amsterdams gemeentekantoor. Ik ging er naast staan. Langzaam sloten ook andere mensen zich aan. Telkens als er een nieuw iemand arriveerde, vroeg deze iets in de trant van: ‘En? Ligt ‘ie nog steeds op zijn gat?’ Of: ‘Is het alweer in de lucht?’
    Niemand wist het antwoord.
    ‘Ik heb er gisteren twee kunnen uploaden, daarna werd ik eruit geflikkerd omdat mijn credentials zogenaamd onjuist waren,’ zei een man.
    De vorige dag bleek Het Systeem onderuit te zijn gegaan. Het was niet duidelijk wat Het Systeem deed.
    ‘Als het er nog een dag uit ligt, dan word ik helemaal gek,’ zei een vrouw.
    ‘Dan ga ik meteen naar huis,’ zei een ander op verslagen toon, alsof Het Systeem dan had gewonnen.

Ooit werkte ik als vakantiekracht in de pershal van een autofabriek. Tussen de vaste jongens gold een code: minimaal een keer per dag moest Het Systeem plat. In dat geval was Het Systeem een persstraat: een rij hydraulische persen, elk een meter of tien hoog. Tussen sommige persen stonden wij, tussen andere stonden robots. Wij en de robots gaven stukken plaatstaal door van de ene pers naar de andere. In een strak ritme. Aan het einde van de staat had je dan een motorklep. Of een onooglijk balkje dat ergens anoniem in het chassis zou eindigen.
    De jongens hadden allerlei trucs om hun sabotage uit te voeren. Als je bijvoorbeeld te weinig smeerolie op het plaatstaal spoot, dan bleef hij klemzitten in de mal. Gevolg: een alarmgeluid, een zwaailicht en een voorman die kwam schelden. Het losmaken van het plaatstaal van de mal was een technische klus. De mallen waren erg kostbaar, dus wij mochten er niet aankomen. Het duurde altijd een poos voor er iemand arriveerde van de technische afdeling. De bemanning van een hele straat zakte onderuit of ging roken. Dat mocht toen nog op de werkvloer. Tijdens nachtdiensten knapten we soms een uiltje. De straat naast ons keek dan jaloers toe, maar ze wisten: over een uurtje gaat hier de zaak plat.
    In het laatste jaar dat ik er vakantiewerk deed, doken de eerste Japanners op. De auto’s, maar ook de mensen. Ze liepen rond met klemborden en stopwatches. De Japanners hadden snel door waar de winst te halen was. Toen ze de fabriek overnamen, werd de pershal volledig geautomatiseerd.

In de autofabriek was het stilleggen van Het Systeem een overwinning voor de werkvloer. In het Amsterdamse gemeentekantoor leidde de werkonderbreking tot wanhoop van de werkvloer. Geen scheldende voormannen, maar zuchtende werknemers. Een van de mooiste ontdekkingen van managementonderzoek uit de twintigste eeuw is dat je mensen productiedwang kunt laten internaliseren.




Verliefd op Frans Pollux

Een paar weken geleden was ik bij de presentatie van "Het gelijk van Heisenberg", een prachtig boek van Frans Pollux. Bij die gelegenheid las ik onderstaande tekst voor.

Op een avond zei ik tegen mijn vrouw: ‘Ik ben verliefd op Frans Pollux.’
    Het was 21 november 2009, een zaterdag. Ik had een kater. Als ik een kater heb, loop ik een verhoogd risico op ontboezemingen.
    Mijn vrouw vroeg: ‘Wie is Frans Pollux?’
    Ik had zijn naam heus wel eens eerder laten vallen. Maar dat zei ik niet. Als mijn vrouw namen vergeet, dan mag ik ook namen vergeten. Ik ben een aanhanger van de theorie dat gezamenlijk falen een goede basis is voor een huwelijk.

Die ochtend was ik teruggekeerd uit Venlo. De avond ervoor was ik te gast tijdens een literair café, hier, in deze boekhandel, onder leiding van Frans Pollux. Ik geef toe, op dat moment was ik al enigszins in de ban van Frans Pollux. Alleen die naam al. Frans Pollux. Het geluid van borrelende luchtbellen in kokende dikke soep. Frans Pollux.
    Een jaar eerder had ik nog nooit van Frans Pollux gehoord. Dat veranderde toen mijn debuutroman uitkwam bij uitgeverij Atlas. Een vriendin van de middelbare school werkt bij L1 en ze nodigde me uit als gast in een cultuurprogramma op L1 radio. Dat werd uitgezonden vanuit een café in Venlo.
    En zo kwam ik voor het eerst in twintig jaar weer eens in Venlo. De laatste keer dat ik hier was geweest, speelde ik nog klarinet. Derde klarinet om precies te zijn, in Harmonie Concordia uit Obbicht. Op een zondagmiddag moesten we naar de Maaspoort voor het bondsconcours. Venlo had voor mij ongeveer dezelfde klank als Waddinxveen of Waalwijk. De grens van Limburg lag voor mijn gevoel ergens bij de Prins Claus centrale in Maasbracht. Zo werd er over gepraat. Op genereuze momenten rekende we Roermond ook nog tot Limburg. Maar daarboven begon het gebied dat we handzaam hadden ingedikt tot twee lettergrepen: Holland.
    Het enige dat ik me herinnerde van die zondagmiddag in Venlo waren de gesloten rolluiken van de Blokker en de Etos, opgevrolijkt door rondwaaiend zwerfafval. Alleen de friettent was open. Om de tijd te doden voordat we moeten optreden, at ik met enkele andere muzikanten een frikadel speciaal. Weken later proefde ik nog de smaak van uitjes en curry als ik tijdens de repetitie het mondstuk van mijn klarinet tussen mijn lippen nam.
    Door het radioprogramma maakte ik opnieuw, zoveel jaar later, kennis met Venlo. Het was een prettige kennismaking. Ik wandelde door de binnenstad en meldde me in het café waar het radioprogramma werd opgenomen. De twee presentatoren zaten aan een tafel. De ene man zag eruit alsof hij het hele jaar door in een tent op het Pinkpopterrein woonde. Inclusief beperkte toegang tot sanitaire faciliteiten. De andere presentator was een enthousiaste jongeman, vooruit, een aantrekkelijke jongeman met het soort grijns van mensen die je het gevoel bezorgen dat ze meer van het leven kunnen zien dan jij. Zo’n glas-half-vol type. Dat was Frans Pollux. Frans ondervroeg zijn gasten met de gretigheid van iemand die lijkt te denken dat de gast op elk moment een onsterfelijke uitspraak zou kunnen doen. Van het interview herinner ik me vooral dat ik er alles aan deed om Frans Pollux niet teleur te stellen. Hij dacht dat ik een onsterfelijke uitspraak zou kunnen doen en dat vertrouwen wilde ik niet beschamen.
    Mijn vader, trouw luisteraar van L1, belde me later op en zei: ‘Auw muk, hej, ich höb dich nog nuaotsj zoa sjnel heure ratele. Ich heurde eers neet das du ut waars.’ (‘Oude mug, hé, ik heb je nog nooit zo snel horen praten. Ik hoorde eerst niet dat jij het was.’)
    Toen kende ik Frans Pollux alleen nog maar als een radiopresentator. Een paar maanden daarna stuurde hij me zijn boekmanuscript. ‘Virtuele fontonen,’ heette dat toen nog. Nou Frans, dacht ik, laten we eens beginnen met die titel. Maar ik zag ook meteen dat het iets heel bijzonders was. De presentator kon ook nog erg goed schrijven. Ik stuurde het manuscript door aan Jessica Nash, mijn redactrice bij Atlas. Die zag onmiddellijk wat ze in handen had en bood hem een contract aan.
    Op dat moment waren mijn gevoelens voor Frans Pollux nog net hanteerbaar.
    Toen kwam die avond in Venlo, afgelopen november. Die nacht in Venlo. Na het literair café in deze boekhandel haakte Roger Abrahams aan en we verzeilden gedrieën in de eerste kroeg. Dat ging nog wel, al bekroop me ook het soort weemoed dat je overvalt als je wordt herinnerd aan de levens die je allemaal niet leidt. Een glas-half-vol leven, bijvoorbeeld.
    De genadeklap kwam pas toen ik meeging naar een kroeg waar Frans Pollux nog even een paar liedjes zou zingen. Ik wist wel dat hij ook liedjes zong, dat was ooit ergens ter sprake gekomen en daarna weer vergeten. Ik had me nooit afgevraagd wat voor liedjes hij zong. Er zijn teveel mannen met een gitaar om nieuwsgierig te blijven naar alle liedjes die ze maken. Maar toen zag ik hem op het podium staan. Soms zeggen mensen van iemand dat hij een podiumdier is. Maar die uitdrukking kwam me in dit geval wat zwak voor. Hij speelde een hartverscheurend mooi nummer dat iedereen kende en meezong. Ik keek er ademloos naar en besefte: Daar stond een ster.
    En dat gaf me de genadeklap.
    Het was teveel.
    Dit mocht niet.
    Presentator. Interviewer. Schrijver. Componist. Podiumdier. In een woord: Eikel.
    Dit soort mensen laten je maar twee opties: Je kunt ze haten of je kunt er verliefd op worden. Ik heb gemerkt dat die opties elkaar niet uitsluiten.
    Om een uur of vier eindigde ik dronken en verward in mijn kamer in Hotel Wilhelmina. Hotel Wilhelmina, de perfecte afsluiting van de nacht. Als u ooit pijnloos van een minnares afwil, neem haar mee naar hotel Wilhelmina. Wat ze ooit in u gezien mag hebben, ze zal het zich niet kunnen herinneren onder de mortuariumverlichting in de kamers van hotel Wilhelmina.
    Afijn.
    De volgende dag deed ik de ontboezeming aan mijn vrouw. Toen ze vroeg wie Frans Pollux was, probeerde ik iets te vertellen over de avond in Venlo. Het liet zich natuurlijk niet navertellen. Ik zette de computer aan en liet haar het hartverscheurend mooie liedje horen op Youtube. Mijn vrouw zei: ‘Leuk liedje.’ En ging verder met opruimen van het speelgoed.
    Terwijl ik mijn opkomende tranen probeerde weg te slikken, vroeg mijn vrouw: ‘Frans Pollux, is dat zijn artiestennaam?’

Zijn artiestennaam.
    En ineens dacht ik: Godverdomme. Inderdaad. Frans Pollux. Niemand heet Frans Pollux. Dat is te bedacht. Het verzinsel van iemand die avondenlang een bijpassende handtekening zit te oefenen op zijn kamertje.
    Ineens vielen verschillende puzzelstukjes op hun plek. Het was te perfect allemaal. Zoveel bereikt en dan in New York een debuutroman schrijven die al voor verschijning verkocht is aan Duitsland. Echt, Frans Pollux?
    Op zijn website staat dat hij als kind er al van droomde om schrijver te worden. Ja ja. Natuurlijk, Frans Pollux. De ultieme schrijversmythe.
    Als kind droomde hij er al van om schrijver te worden. Die uitspraak staat onder een foto waarop hij als een soort rock&roll-held met een gitaar langs de snelweg loopt. Als je zo nodig schrijver wilde worden, Frans Fucking Pollux, waarom loop je daar dan met een gitaar, jongen? Duurde het echt zó lang voor je doorhad dat je geen toetsenbord op een gitaar kon aansluiten toetsenbord? Had je zoveel jaar nodig om er achter te komen dat het gat van je niet geschikt was om het printerpapier in te stoppen? Kwam je daar pas achter nadat je een paar hartverscheurend mooie liedjes had gemaakt? Of was het misschien nadat je nog even presentator en interviewer was geworden, omdat je dacht dat boeken werden gemaakt door urenlang in een microfoon te lullen. Dat je pas na al die jaren ergens een schrijver achter een computer zag zitten en dacht: ‘O, godnondeju, zo doen die gasten dat!’
    Nee, dat wil er bij mij niet in, Frans Fucking Pollux. Of hoe je ook maar heet.
    Frans Pollux bestaat niet. Frans Pollux is geen persoon, maar een marketingcampagne. Een goede marketingcampagne, dat geef ik toe. Zorgvuldig opgebouwd, klaar om nu te incasseren. Maar uiteindelijk, zoals alle marketingcampagnes, te glad, te pijnloos.
    En daarom wil ik afsluiten met dit advies, Frans Pollux, om je carrière verder op stuwen. Je bent een flat character. Wat je nodig hebt zijn gebreken. Schrijnende gebreken. Dat willen de mensen. Het menselijk tekort. Literaire personages mogen wel afgunst oproepen, maar alleen als de lezer ook opgelucht kan ademhalen omdat hij niet gebukt gaat onder dezelfde fnuikende tekortkomingen als het personage. De held moet ten onder gaan.
    Dus: Bouw je personage uit tot iemand die ons echt bij de strot grijpt. Begin een allesverwoestende affaire met een voormalig prostitué uit de Oekraïne. Mishandel je schattige zoontje een keer in het openbaar, in de Blokker of zo. Kots eens over de tafel bij Pauw en Witteman. Dan, Frans Pollux, dan zal de mythe compleet zijn. De tragiek zal zo meeslepend zijn dat mensen vanzelf je gebreken zullen opvatten als een bewijs voor je genialiteit. Je bent, in één woord, onsterfelijk geworden.

En Frans, als je aan de top bent, Frans – en dan bedoel ik niet dat je tafelhoer bent bij De Wereld Draait Door, maar echte top. Denk je dan nog eens aan me, Frans?




Uit de slaap gehouden

Een half uur voor de oratie, zaten mijn vrouw en ik in een zaaltje te wachten. Ze gaf me een liga. Toen ik die met enige tegenzin had opgegeten, wees ze op de kruimels waarmee mijn zwarte toga was bedekt. Ik stond op en veegde de kruimels van me af.

Een fotograaf die door de universiteit was ingehuurd doodde de tijd door aan een koekje te knabbelen. Hij had me zojuist gefotografeerd. Ik moest in toga en met baret voor een houten lambrisering gaan staan. Toen hij had afgedrukt liep hij naar me toe om me op het schermpje van de camera het resultaat te laten zien.
    ‘Is het wat?’ vroeg hij.
    ‘Ik kijk nogal chagrijnig,’ zei ik.
    ‘Er is niets mis met chagrijnig kijken,’ mompelde hij, terwijl hij terugliep terug naar zijn plek om nog een  foto te nemen. Ik probeerde te glimlachen.
    Toen bood hij aan me ook nog in rokkostuum te fotograferen. Het protocol schrijft voor dat je tijdens de intreerede onder de toga een rokkostuum draagt. ‘Dat heb je toch ook niet elke dag aan,’ zei hij.
    Ik bedankte.
    ‘Goed hoor. Zelf weten,’ zei hij. Hij liep naar de tafel met koffie en frisdrank en pakte een koekje van een schaaltje. Een medewerker van de catering keek werkeloos toe. Ik herkende zijn geblondeerde haar. Vroeger schepte hij de avondmaaltijden op in de mensa van de universiteit.
    Een man van de ondersteunende dienst kwam nerveus melden dat mijn laptop, waarmee de presentatie zou worden getoond, in de slaapstand was gegaan. Ik vroeg hem of hij hem weer aan wilde zetten. Hij zei dat hij niet wist welk knopje hij moest indrukken.
    Langzaam druppelden de eerste hoogleraren binnen. Het zaaltje was het verzamelpunt voor de hoogleraren die meeliepen in het cortège, de stoet van professoren. Meestal is het een stoetje van professoren. Er zijn veel oraties. Ik zag tot mijn verbazing dat er ook hoogleraren van de technische faculteiten binnenkwamen – grijze, wat nerveus glimlachende mannen die ik nooit eerder had gezien. Ze stelden zich niet aan mij voor. Het werd uiteindelijk toch nog een stoet.

Toen we het auditorium betraden, liepen we het protocollaire rondje door het publiek. Ik vermoed dat ik weer chagrijnig keek. Ik had geprobeerd te glimlachen, maar de spieren in mijn lippen voelden alsof ze een kubistisch portret moesten nabootsen. Chagrijn leek me een betere optie. Zorgvuldig meed ik de blikken van bekenden in het publiek.  

De ceremonie wordt altijd geopend door de rector van de universiteit of door een van diens vervangers. Dan wordt er een kort overzicht gegeven van de loopbaan van de nieuwe hoogleraar. In dit geval had de vervanger van de rector mijn gehele CV uitgeprint en aan elkaar geniet. Met een gele markeerstift waren de door hem relevant geachte onderdelen aangestreept. Die begon hij voor te lezen. Het was ongeveer even informatief als de waterstanden die vroeger op de radio werden voorgelezen. Ik voelde dat ik rustig werd. Er was geen succes en falen meer, alleen nog maar het protocol. De waterstanden horen ook bij het protocol. Er is troost in het onvermijdelijke. Wat ook min of meer de strekking van mijn verhaal was.

Eindelijk betrad ik het podium. Ik zette de laptop aan en keek naar een glazen hokje in de nok van het auditorium. Ik zag niets door het glas, maar enkele seconden later verscheen alsnog de presentatie op het grote scherm. Omdat ik voor het eerst nieuwe presentatiesoftware gebruikte, controleerde ik even of de software wel reageerde op de afstandsbediening. Het werkte.

Na afloop mogen de hoogleraren als eerste feliciteren, volgens het protocol. Een van de grijze mannen van de technische faculteiten zei dat hij altijd een uiltje knapte tijdens oraties, maar dat ik hem uit de slaap had gehouden. Uit zijn toon kon ik niet opmaken of het een klacht was of een compliment. Een andere man zei dat het heel goed te volgen was, omdat er zo weinig wetenschap in zat.

Na afloop van de verplichte receptie in de Aula vertrokken we naar de locatie van het diner en feest, een gebouw van een oude lijmfabriek. De avond was bijzonder ontspannen. Af en toe vergat ik dat het mijn feestje was. Mijn collega’s hadden een prachtige video voor me gemaakt en een erg bijzonder cadeau weten te organiseren: ik schijn te gaan dineren met Arnon Grunberg.

Ik had me voorgenomen dronken te worden en dat lukte redelijk. Om kwart voor een viel ik in slaap boven een Grimbergen dubbel in een café in de Delftse binnenstad. Mijn collega’s betaalden voor me en ik fietste naar huis.