Ook vlees moet vertroeteld worden

Het zit er even niet in, dagelijks hier iets te plaatsen. Tot 10 maart zit het er niet in, om precies te zijn. Dan dien ik mijn oratie uit te spreken aan de Technische Universiteit Delft. Het is een ritueel – maar een ritueel dat ik serieus neem.

Je hebt ruwweg twee opties voor het schrijven van een oratie: Of je zet je onderzoek van de voorafgaande jaren nog eens op een rijtje, gevolgd door enkele voornemens voor de toekomst. Of je maakt iets nieuws. Een breuk met het voorafgaande. Ik had behoefte aan een breuk. Dus verzon ik medio december een onderwerp waar ik nog nooit over had geschreven: Fatalisme.
    Sindsdien denk ik na over de vraag hoe je fatalisme kunt verkopen als politieke boodschap. Dat amuseert me. Wat niet wil zeggen dat het opschiet. Het is nu medio februari en ik ben nog niet halverwege met de tekst. Het schrijven moet tussen de bedrijven door en er waren nogal wat bedrijven de laatste weken.
    Collega’s vragen me of ik al nerveus ben. Dan zeg ik: nee. Of ik zeg: ja. Het is allebei waar.
    Hoe dan ook, ik moet me even concentreren. Waarvoor mijn excuses. Op 11 maart zien we elkaar hier weer terug.
    Of misschien de dag ervoor. U bent van harte uitgenodigd de oratie bij te wonen. Het auditorium van de TU Delft is immens en oogt dan ook altijd deprimerend leeg tijdens oraties. En andere gelegenheden. Het schijnt dat Frans Bauer de zaal ooit heeft weten te vullen tijdens een feestje van de personeelsvereniging. Verder ken ik het alleen als een locatie die minachting uitdrukt. Ik heb ruzie gemaakt tot op het niveau van het College van Bestuur om in een kleinere zaal te mogen oreren. Dat mocht niet. Conclusie: Ik ben een slechte ruziemaker.
    Hoe dan ook, u zou me een groot genoegen doen dit openbare ritueel bij te wonen. “Meat in the room,” noemen Amerikaanse diplomaten dat, heb ik recent geleerd. Ik zal al het aanwezige vlees dankbaar zijn. Bijkomende voordeel is dat u me kunt zien struikelen in toga. Na afloop wordt er gratis drank geserveerd. Ook vlees moet vertroeteld worden.

“Techniek van de onmacht: Fatalisme in politiek en technologie”
Auditorium, Aula van de Technische Universiteit Delft
Mekelweg 5, Delft
Woensdag 10 maart, 1500u.




Professor 6

Ik las een wetenschappelijk artikel van een auteur met de achternaam: 6. Inderdaad, het cijfer zes. Voornaam: Perri.
    Ik keek in de literatuurlijst. Die begon met diverse publicaties van 6, P. Daarna kwam Adams, G.

Ik dacht eerst dat er iets mis was gegaan bij het opmaken van het tijdschrift. Een korte zoekactie genereerde echter een hele serie artikelen van Perri 6. Professor Perri 6. Het zou een aardige naam zijn voor een robot in een kinderserie.

Ook op zijn officiële webpagina bij de Nottingham Trent University stond hij onder die naam vermeld. Ik voelde de behoefte een foto van de man te zien. Maar het enige dat ik vond was een close-up van een lego-poppetje. Uit de ruimtevaartserie, als ik me niet vergis.

Toen belandde ik op Wikipedia. Daar stond het volgende: “Professor Perri 6 is a noted British social scientist. He changed his name from David Ashworth to Perri 6 in 1983, stating that he was amused by the notion of ‘6, P’ appearing in academic papers.”

Verwarring zaaien is een van de sympathiekere vormen van amusement. Maar ik bewonderde vooral de volstrekte frivoliteit van zijn naamsverandering. Een beschaafde verzetsdaad tegen de wurgende ernst van de academie. Verzet is doorgaans nog humorlozer dan datgene waartegen het zich afzet. Maar Perri 6 had een sluiproute gevonden.

Net voor ik mijn kleine excursie wilde beëindigen, vond ik een opname van een toespraak van Perri 6. Dat was even schrikken. Een geaffecteerde Britse stem oreerde traag en bombastisch over een nogal triviaal punt. Humorloos, zou ik normaal gezegd hebben. Maar nu vroeg ik me af of dit deel was van de strategie van verwarring waarin meneer 6 zich had gespecialiseerd.




Ja ik stem in Delft

Op de markt in Delft stonden twee stewardessen te zingen voor een metershoog rood potlood. Ze waren omringd door een kluitje toeschouwers.
    Ik wilde eerst verder fietsen, maar het kluitje had aandacht nodig. Warmte. Ze stonden bijeen in een hoek van het grote lege plein. Je ziet dezelfde formatie bij pinguïns die langdurige sneeuwstormen moeten trotseren. Het mistige plein werd gevuld met luide muziek en de zang van de stewardessen. Iets over dat het fijn was te mogen stemmen.
    Het kluitje bestond bijna geheel uit leden van politieke partijen. De CDA’ers in een groen windjack dat de laatste campagne van Lubbers nog meegemaakt leek te hebben. De VVD’ers in fluorescerende veiligheidshesjes. Die zochten toenadering tot de straatwerkers. Of ze waren bang aangereden te worden.
    Op gepaste afstand van de politiek actieven stond een man met zijn hondje te kijken. Verder kon ik geen burger ontwaren.
    Halverwege viel de geluidsinstallatie uit. De kille mist drong blijkbaar niet alleen de ledematen binnen.
    De stewardessen zongen dapper verder. De burgemeester, met ambtsketen, zwaaide mee met het nu onhoorbare lied.
    Toen de muziek weer aanging zaten de zangeressen een toon te hoog. Als je stug volhoudt zit je al snel een toon te hoog.
    De installatie viel nog een paar keer uit. Naast de burgemeester sprongen nu ook andere partijsympathisanten in het gat.
    ‘Ja, jullie doen het heel goed,’ riep een van de stewardessen.
    Toen het einde van het nummer was bereikt, klonk er een kort applausje. Daarna keerde de stilte weer op het lege plein.
    Ik las de tekst op het grote rode potlood. Jaikstemindelft.nl.
    Ik nam me voor dat adres te bezoeken, vanaf verschillende computers. Ergens in de komende maanden zouden de politiek actieven er doorheen zitten. Terwijl ze in hun plastic bekertjes koffie stonden te roeren, zou iemand erop wijzen dat er in ieder geval de website aardig bezocht was geweest.
    Politiek is een hond die geschopt wordt, maar die blijft terugkomen in de hoop ooit een aai van het baasje te krijgen. Daar krijg je valse honden van, heb ik me laten uitleggen.




Maand drieënvijftig

Lieve Vera,

Het was de maand waarin je te weinig sliep. Niet omdat je niet wilde slapen, maar omdat je te vroeg gewekt werd. Vond jij. Elke ochtend probeer ik je wakker te krijgen. Elke ochtend draai je van me weg en begin je hartstochtelijk te jammeren als ik je uit bed til.
    Dit was ook de maand dat je niet meer naar school wilde. Een paar maanden lang was school de beste uitvinding sinds het perenijsje. Toen werd je juf ernstig ziek en raakte je, samen met een paar klasgenootjes, op drift als een stel zigeuners.
    Begin deze maand kwam je eindelijk weer terug in je eigen lokaal. Met twee nieuwe juffen. Weer twee. Ik heb teveel nieuwe juffen zien komen en gaan. Sommige gezichten zag ik een enkele ochtend, daarna kwam er alweer een nieuw gezicht. Misschien werd het verzorgen van kleuteronderwijs ergens als cursus aangeboden, tussen expressief kleien en de poëziewerkplaats. Even lijkt het bevredigender, het boetseren met kinderzieltjes in plaats van klei. Maar ik had er alle begrip voor dat de vrouwen na een ochtend, misschien twee, terugverlangden naar een koude, zwijgzame homp klei. Daarom besloot ik niet meer te vragen naar hun namen.
    Nu heb je twee juffen. Dat komt omdat bijna iedereen in het onderwijs in deeltijd blijkt te werken. Behalve je oude juf. We missen haar allebei. Je verafgode haar zozeer dat je haar wetten als een soort sharia invoerde hier in huis. Veel woorden werden verbannen. We moesten om de beurt praten. Lachen was vaak niet toegestaan. Je glom als je ons corrigeerde en je glom als je het zelf goed deed, in de klas. De sharia wordt gezien als instrument van onderdrukking, maar jij had ontdekt dat het leidde tot reproduceerbaar geluk.
    De twee nieuwe juffen zijn erg verschillend. De eerste laat je even vergeten dat je school niet meer leuk vindt. De tweede is iemand die je daar weer aan herinnert. Ze boezemt je angst in. Ineens klamp je je weer aan mijn been vast. En de afgelopen week barstte je voor het eerst in huilen uit, toen je moeder je achterliet in de klas.
    Ik wist eerst niet wat je bezwaar was tegen de tweede nieuwe juf. Totdat ik haar aankeek. Ze heeft de dood in de ogen. Een blik die ik ken van journaalbeelden uit rampgebieden en van ontmoetingen bij de koffieautomaat in mijn kantoor. Het is meteen duidelijk: ze kan er niets aan doen. De dood heeft intrek genomen in haar ogen. Waarschijnlijk stond de zaak al een poosje leeg.
    Als volwassene raak je gewend aan die blik. Je probeert de blik te vermijden. Maar soms ontmoet je hem toevallig. Bijvoorbeeld omdat de ander staat te wachten tot de automaat iets gebrouwen heeft dat, volgens het bijschrift onder de betreffende knop, Wiener Melange heet. Dan kijk je de dood aan en knik je vriendelijk. Je beseft dat er momenten zijn geweest waarop je zelf die blik had, zonder het te weten. Het te willen weten. De vriendelijk knikkende medemens helpt daarbij. Je zult merken dat je vader een groot voorstander is van vriendelijk knikken. Er zijn weinig situaties denkbaar waarin dat een ongepaste reactie is. Zodra ik ontdekt heb welke dat zijn, zal ik je daarover inlichten.
    Maar goed. Volwassenen zijn gewend aan die blik. Jij, daarentegen, trekt de enige juiste conclusie: je wilt vluchten.
    Vluchten is een belangrijke menselijke vaardigheid. Het belang ervan kun je herkennen aan de grote schaal waarop het wordt ontmoedigd.
    Als je vier bent is vluchten nagenoeg onmogelijk. Ja, kinderen vluchten in hun fantasieën, zeggen volwassenen dan. Maar fantasie, dat is vluchten voor beginners. Net als je weg bent, klinkt er een stem. Je kijkt op en aanschouwt ineens weer het gezicht van de vrouw die zich over je heen buigt. In haar ogen schuilt geen leegte, dat zou aanzienlijk draaglijker zijn. Nee, er is nog wel iets van leven in te ontdekken, maar dat leven is omstandig aan het creperen.
    Als je moeder morgen dit leest, zal ze me aanspreken op deze onbarmhartige woorden over je tweede juf. Ik weet nog niet precies hoe ze dat zal doen. Dat is het aardige van je moeder. Maar ze zal niet ontkennen dat jouw wil om te vluchten een gepaste reactie is. En dat we je op dat vlak vooralsnog weinig te bieden hebben.
    Je moeder en ik zijn allebei aan het oefenen met vluchten. Ik zal je op de hoogte houden van onze vorderingen.