Twee primeurs

Terwijl ik een boek las over het leven in de accountancy, koekjesproductie, raketbouw en andere beroepen die ik nooit zal beoefenen, maakte mijn vrouw beneden in de keuken een kruikje voor me. En een kop thee.
    Voor het eerst in mijn leven had ik om een kruikje gevraagd. Je maakt mij niet wijs dat dit geen mijlpaal is. Ik ging ervan uit dat het kruikje gevuld zou worden met warm kraanwater, maar mijn vrouw stond erop er kokend water in te doen. Het was een kleine moeite om er nog een kopje thee aan toe te voegen, zei ze. Uit milieu-overwegingen stemde ik daarmee in. Tevergeefs opgewarmd warm water vervuld me met een zekere somberheid. Overigens hebben milieu-overwegingen wel vaker een opstuwend effect op mijn consumptiepatroon. Je zou daaruit het failliet van die overwegingen kunnen concluderen, maar zoals bij vele regelsystemen is het bestaan ervan belangrijker dan het resultaat.
    De ibuprofen begon effect te sorteren en ik kreeg ineens een beetje trek.
    Naast het bed lag mijn telefoon aan de oplader.
    Ik pakte de telefoon en belde de mobiel van mijn vrouw.
    Ik luisterde of ik de beltoon van mijn vrouw door de vloer van de slaapkamer kon horen. Het is een soort liftmuziekje. Maar ik hoorde niets.
    Mijn vrouw nam enigszins verbaasd op. Na het kruikjesverzoek was dit interne telefoonverkeer een tweede primeur. Ik werd ineens bevangen door een gevoel van optimisme over wat de toekomst nog allemaal zou brengen.
    Ik vroeg mijn vrouw of ze ook nog een bakje chips mee wilde nemen. Die nieuwe, ja.
    Even later arriveerde mijn bestelling.
    Daarna ging mijn vrouw douchen.
    Ik overwoog mijn laptop te gaan halen en even een stukje te tikken. Optimisme is een vorm van agitatie en dat moet ergens in afgevoerd worden. Een ogenblik mediteerde ik op de vraag of het tikken van een stukje niet met terugwerkende kracht mijn hulpverzoek in een bedenkelijk daglicht zou stellen.
    Ik bleef in bed.
    De nieuwe chips, iets met pittige oosterse kruiden, combineerde verrassend goed met de kruidenthee. Terwijl ik het hoofdstuk over de accountants uitlas, ebde de agitatie langzaam weg. Maar niet helemaal.




De bovenhand

In een hotel in Amsterdam had ik een afspraak met de Chief Technical Officer van TrendMicro, een wereldwijd opererend computerbeveiligingsbedrijf. De vorige keer dat ik hem sprak, liepen we naar de koffiehoek van de Bijenkorf en trakteerde ik hem op koffie met appelgebak. Deze keer had hij een verdieping van zijn hotel afgehuurd. Bij de receptie raadpleegden ze een schema. Ik moest naar kamer 4.16. Hij zou van de ene naar de andere kamer gaan, als een arts langs de patiënten in een ziekenhuis.

Hij kwam binnen, precies op tijd, schudde mijn hand en begon me uitvoerig te bedanken voor het feit dat ik ervoor gezorgd zou hebben dat de Nederlandse overheid wereldwijd vooropliep bij het bestrijden van botnets.
    Ik zei dat hij mijn rol schromelijk overschatte.
    Nee, dat vond hij niet. Hij herhaalde nog een keer zijn compliment.
    Een belachelijk compliment. Ik zei nogmaals dat àls de Nederlandse overheid al vooropliep, het niet aan mij te danken was.
    Weer wuifde hij mijn bezwaren weg.
    Toen zei ik dat ik voor het verslag wilde laten aantekenen het niet eens te zijn met zijn bewering.
    ‘Je bent te bescheiden,’ zei hij glimlachend.
    Soms is generositeit een vorm van agressie. Een manier om de overhand te krijgen. Je kunt iemands hand iets te stevig vastpakken of je kunt iemand iets te genereus complimenteren.
    Desondanks werd het prettig gesprek. Onderdanigheid is een onderschatte vorm van geluk.




Strijden als Grover

Ik parkeerde mijn fiets naar het hoofdgebouw van het opleidingsinstituut voor krijgsmachtofficieren. Voor de ingang waren twee militairen bezig met het hijsen van een vlag die ik niet herkende. Er staat een hele rij vlaggenmasten en ze waren halverwege. Een soldaat hield de vlag vast, een ander knoopte hem vast. Daarna drukte hij op een knopje drukte in de mast en werd de vlag met een zoemend geluid gehesen.

Het gebouw zelf doet sterk denken aan een zwembad uit de jaren zeventig. De binnenmuren zijn opgetrokken uit gasbetonblokken, de deuren zijn geel, de vloertegels grijs. Het ruikt ook als een zwembad. Een combinatie van chloor en toiletverfrisser.

In de gang langs de klaslokalen hing een staatsieportret van de vorige lichting die de opleiding doorlopen had. In het midden van de eerste rij had men een lege stoel neergezet. Ik vroeg een van de cursisten naar de reden van de lege stoel. Hij zei dat er twee deelnemers door persoonlijke omstandigheden de opleiding niet hadden kunnen afmaken en dat de stoel symbolisch stond voor hun aanwezigheid in de groep. Het gewicht waarmee hij “persoonlijke omstandigheden” uitsprak, suggereerde dat het een eufemisme was voor een bermbom of zelfmoordaanslag.

In de korte pauzes bleef ik meestal in het leslokaal. Ik bekeek onder andere de stickers op de muur. Het waren logo’s van verschillende krijgsmachtonderdelen – kleurrijke knutselwerkjes die uit de handen waren gebleven van de huisstijlpolitie en communicatieafdeling. Sommige onderdelen beeldden zichzelf af als sesamstraatfiguren of tekenfilmdieren. Ik zou ook het liefst als Grover ten strijde trekken.


Dit was het derde jaar dat ik les gaf in deze opleiding. De eerste keer moest ik wennen aan de formele beleefdheden die werden aangehouden. Men stond erop dat aan het begin van de dag een van de officieren mijn CV zou voorlezen aan de klas. Er zijn weinig situaties die ik beschamender vind. Slavoj Žižek heeft ooit beweerd dat dit fenomeen, wanneer iemand over je praat tegenover een ander en je herkent jezelf niet in de beschrijving, een vorm is van symbolische castratie.

Een andere beleefdheid bestond eruit dat ik voortdurend werd vergezeld door een chaperonne. Toen was dat een Luitenant der eerste klasse uit de onderzeedienst. De officier haalde koffie voor me en gaf me een rondleiding in de bedrijfskantine waarbij hij de slaatjes, broodjes, kroketten, kuipjes met kipkerrie en de soep van de dag voorzag van een korte recensie, om zo mijn keuzeproces te vergemakkelijken. Hij zag het ook als zijn taak om het gesprek gaande te houden tijdens de lunch.

Vorig jaar vergat men mijn CV voor te lezen bij aanvang van de les. Toen die omissie in de loop van de dag werd geconstateerd leidde dat tot enige consternatie onder de officieren. Uiteindelijk werd iemand aangewezen die aan het einde van de dag alsnog mijn CV ging voorlezen.

Gisteren liep het anders. Er werd geen CV voorgelezen en ik kreeg geen chaperonne. Niemand begon erover. Misschien dat de zorgen over de oorlog langzaam het opleidingsinstituut zijn binnengedrongen.




Een omineuze titel

Toen ik de woonkamer binnenkwam, met mijn muts nog over de oren, zei mijn vader dat Docters van Leeuwen in het journaal mijn naam had genoemd. En een boek van mij.
    Er waren zoveel dingen mis met die mededeling dat ik er vanuit ging dat ik hem niet goed had verstaan. Ik was ingesteld op een zin als: Nou, je fietslamp doet het weer en de heg is ook geknipt. Maar die zin zou pas later op de middag volgen. Dus ik zei: ‘Wat?’
    ‘Het ging over Irak. Heb je daar een boek over geschreven?’
    ‘Hij noemde mijn naam? Weet je het zeker?’
    ‘Ja.’ De suggestie dat hij niet zou weten wanneer de naam van zijn zoon genoemd werd in het journaal, stond hem niet aan.
    ‘En een boek?’
    ‘Ja.’
    ‘Welk boek?’
    Maar mijn vader wist niet meer welk boek. ‘Noem er eens een paar,’ zei hij.
    Met tegenzin noemde ik een titel.
    ‘Nee, die was het niet. Geloof ik.’
    Ik heb ooit meegeschreven aan een boekje waarvan Docters van Leeuwen een van de belangrijkste auteurs was. Maar als het om dat boekje ging, was er geen enkele reden om mijn naam te noemen.
    ‘Nee,’ zei mijn vader. ‘Die was het ook niet.’
    ‘En ook niet de roman?’
    ‘Nee, dan had ik het wel onthouden.’
    Zijn mededeling bij mijn binnenkomst was laconiek geweest, alsof het normaal was dat mijn naam in het journaal werd genoemd. Een van de effecten van sociale mobiliteit is dat je ouders niet meer weten wat normaal is. Met een ruimhartig gebaar nemen ze dan maar aan dat alles normaal is.
    Mijn vader had van mij uitleg verwacht. Nu die uitbleef, werd hij ook onrustig.
    ‘Kun je dat niet euh, op de televisie terugkijken, hoe heet het, bij ons kun je dat dan nog op de receiver opslaan, als je op de knop drukt.’
    Ik zocht op Uitzending gemist naar het journaal van twaalf uur.
    ‘Ja, dit is het,’ zei mijn vader opgewonden. ‘Straks komt het.’
    Ik spoelde vooruit. Het was niet zozeer een journaaluitzending, maar een gedeelte van de live-uitzending rondom de persconferentie van de commissie Davids. Helemaal aan het einde verscheen Docters van Leeuwen in beeld. Na twee zinnen werd de opname afgebroken. Mijn naam was niet gevallen.
    Ik ging koken. Ik wilde liever eerst mijn donkere pak en grijze stropdas uittrekken, maar ik had mijn vrouw beloofd mijn hoogleraarstoga aan te trekken. Met een zekere begerigheid had ze daarom gevraagd. In een huwelijk is het zaak niet lichtzinnig om te springen met begerigheid. Onder de toga moet een donker pak en een grijze stropdas.
    Terwijl ik andijvie sneed, realiseerde ik me de oplossing voor het journaalmysterie. Docters van Leeuwen, die ik sporadisch tegenkom in Den Haag, had me verward met iemand anders. Iemands boek was genoemd omdat het iets met Irak of oorlog of het volkenrecht van doen had. En Docters had daar de verkeerde auteursnaam aan gekoppeld.
    Na het eten zocht ik toch nog een keer op Uitzending gemist. Mijn vader stond naast me. Toen vond ik een langere registratie van de live verslaggeving. Deze keer was Docters er niet afgeknipt. Gespannen wachtte ik op het moment.
    Helemaal aan het einde gebeurde het. De presentatrice probeerde langzaam de uitzending af te sluiten. Docters was echter nog niet klaar. Het ging over tunnelvisie. Hij zei: ‘Daar zijn mooie proefschriften over geschreven. Euh. Maar, laat maar.’
    Mijn proefschrift van elf jaar geleden bevat alleen in een zeer fantasierijke lezing elementen die je, als je daartoe geneigd zou zijn en als de voorraden van de duizenden academische boeken die gaan over tunnelvisie om niet nader te noemen redenen allemaal in rook zouden zijn opgegaan, zou kunnen scharen onder de noemer: tunnelvisie.
    Het gesprek bewoog weer weg van proefschriften.
    En toen, in de allerlaatste seconden van de uitzending, vergezeld van een verontschuldigend handgebaar voor het feit dat hij de afronding van de uitzending ophield, zei Docters: ‘Michel van Eeten, ik zeg het toch nog maar even, heeft er een mooi proefschrift over geschreven. Dat heet: Dialoog tussen de doven.’
    De presentatrice sloot het gesprek af met de woorden: ‘Een omineuze titel.’




Ovenfriet met spruitjes

Dit weekeinde keek ik met mijn twee dochters naar de vallende sneeuw. Mijn vrouw was een paar dagen weg. Vlak na haar vertrek belde mijn schoonmoeder of de verwarming het deed, of ik nog boodschappen nodig had, of er verder nog iets was. Er was verder niets, de verwarming deed het, de boodschappen waren gedaan. We hebben twee dagen ovenfriet met spruitjes gegeten. En ik had Belgisch bier in huis gehaald. Als mijn vrouw thuis is drink ik wijn, maar in haar afwezigheid bleek ik ineens weer een bierdrinker te zijn. Het was alsof mijn lichaam zich een eerder leven herinnerde. Een leven waarin het woord bierbuik me weinig angst in boezemde. Sinds ik getrouwd ben, boezemen allerlei zaken me angst in. Let wel, als ik nog iets van mijn leven maak, is het uit angst. Wat dat betreft kwam het huwelijk niets te vroeg.

We keken naar de sneeuw en het was goed. Ik stemde in met elk verzoek van Vera en mocht als beloning mijn stapel ongelezen afleveringen van The New Yorker verkleinen. Af en toe kwam ze naar de bank om op schoot te zitten of om een boekje te lezen. De rest van de tijd scharrelde ze door de kamer. Jules lag op haar buik en draaide als een kompas mee met de magnetische pool die haar grote zus is.
    Ik herinnerde me een moment tijdens tweede Kerstdag. Het is donker. Ik parkeer de leenauto om de hoek bij mijn schoonouders. Vera is net in slaap gevallen. We besluiten dat mijn vrouw en Jules al naar binnen gaan en ik bij Vera blijf zitten.
    Zitten in een stilstaande auto is een genot dat me iedere keer weer overvalt. In de droge, besloten akoestiek hoor ik haar ademhaling en de mijne. Af en toe schiet er een spasme door een van haar ledematen. Op de garage naast ons heeft iemand een lichtslang gehangen in de vorm van een rendier. Sporadisch rolt een auto om de hoek van het woonerf, de lichten doorsnijden onze cabine. De straten heten hier geen straten maar zijdes. Als in: Brechtzijde.
    De twintig minuten in die auto was het mooiste moment van Kerst.
    Ook toen las ik trouwens The New Yorker. Op mijn telefoon. Dat wil zeggen, verder dan de openingsregels kwam ik niet. Ik kan alleen prettig niets doen als ik iets te doen heb.

Zaterdagavond keek ik My Sister’s Keeper. Sentimenteel, maar niet zonder effect. Een kind sterft aan kanker.
   Soms fantaseer ik dat Vera of Jules een afschuwelijke ziekte krijgt. Een beeld is het, een flits, meer dan een fantasie. De pijn die het oproept is verslavend. De intense gewaarwording dat ik aan een ander mens gehecht ben.
    Toen ik eindelijk naar bed ging, was het gestopt met sneeuwen.




Vogelhuisje

De afgelopen dagen werkten er mannen op onze gang die in alle kantoorkamers een mysterieus houten plankje met een donker gat in het midden monteerden. Precies boven de deurpost. Het heeft iets van een vogelhuisje.
    Vanmiddag liep ik het secretariaat binnen. Twee van de vier secretaresses waren aanwezig. Ze zaten naar de deur gedraaid, maar ze keken over me heen, naar het vogelhuisje.
    ‘Nee, ik had dat ding ook nog niet gezien,’ zei de een. ‘Wanneer hebben ze dat gemaakt?’
    ‘Geen idee. Wat zou het zijn?’
    ‘Zou er een camera in zitten, misschien? Dat ze op alle secretariaten er eentje gehangen hebben.’ Ze stak haar hand op en zwaaide glimlachend naar het vogelkooitje.
    Haar laconieke reactie op zo’n vorm van toezicht, deed me denken aan de wetenschappers die alle organisaties opvatten als varianten van gevangenissen. De secretaresses hebben het, voor zover ik weet, naar hun zin op het secretariaat. Die twee zaken hoeven elkaar niet uit te sluiten. Ik heb ook wel eens fantasieën waarin ik langere tijd in een gevangenis moet doorbrengen. Om de een of andere reden vervult me dat met een geluksgevoel.
    Ik keek even naar het vogelhuisje en zei toen dat iedereen zo’n ding op zijn kamer had gekregen.
    ‘O,’ zei ze.
    ‘Het is een ontruimingsluidspreker.’
    Ik had het aan de monteur gevraagd die in mijn kamer had gewerkt. Hij kon me niet vertellen waarom we die kregen. Later hoorde ik dat vlak voor Kerst het brandalarm was afgegaan. Er was enige rookontwikkeling geweest in een andere vleugel. In onze vleugel had schijnbaar iedereen doorgewerkt en beweerd het alarm niet gehoord te hebben. Enkele mensen hebben hun vakantie geofferd om deze schrijnende misstand uit de wereld te helpen. Je kunt veel zeggen over onze gevangenissen, maar niet dat ze verwaarloosd worden.




Maand tweeënvijftig

Lieve Vera,

Gisteren heb je me genezen van het waanidee een goede vader te zijn. Achteraf verbaast het me dat je er tweeënvijftig maanden voor nodig had.
    Je zat ziek thuis, samen met mij en je zusje. Het was pas de tweede of derde keer dat we je thuis hoefden te houden in viereneenhalf jaar. Wij doen niet aan ziekte. Vooral uit efficiëntieoverwegingen. Het negeren van symptomen is doorgaans aantrekkelijker dan de verstoring in de huishoudelijke logistiek die we uitzieken noemen.
    Je had mij ook besmet, maar omdat ik op dinsdagen niet hoef te werken, telt het niet als ziekte en bleef de huishoudelijke logistiek gespaard. Of je zusje de ziekteverwekker had binnengekregen was niet duidelijk. Ze heeft sinds haar geboorte een loopneus, meestal in combinatie met de raspende ademhaling van een kettingroker. Ook zij doet niet aan ziekte.
    Je moeder had gedoucht en het pand verlaten. De eerste rituele handelingen hadden we voltooid. Boterhammen waren opgegeten, verzoeken om televisie te mogen kijken waren afgewezen, jullie kleren waren aangetrokken en het speelgoed was uit de kast gehaald. Ziek of niet, je speelde zoet vakantietje onder een deken waarmee we een tent hadden gefabriceerd. Je zusje had intussen haar doorlopende project hervat: het in de mond stoppen van onze gehele huisraad.
    Toen wilde ik ook even douchen. Ik geef toe, op dat moment jammerde ik al een beetje van binnen. Helaas had ik geen koorts, blijkbaar waren een paar pijntjes al voldoende om de deur open te wrikken naar iets dat ik verafschuw: zelfmedelijden. Een soort emotionele incontinentie.
    Ik ontkleedde mezelf en zette de douche aan. Het water bleef steenkoud. Ik kleedde me weer aan en toog naar de verwarmingsketel. Fout 5, stond er op de display. Bel uw gediplomeerd monteur, stond er in het boekje. De verwarming deed het evenmin. Ik pakte extra truien uit de kast, voor mezelf en jullie. Jij hoefde er geen. Je vond het lekker warm, zei je. Volgens de thermostaat was het toen nog zeventien graden.
    Terwijl jij lief speelde, probeerde ik te werken. Je moet niet willen werken als je thuis bent met twee kinderen. Dingen niet willen, dat gaat me echter steeds slechter af. Een verontrustend vooruitzicht.
    Je kwam bij me staan. Wilde ook even typen.
    Nee, zei ik.
    Wilde op schoot.
    Nee, zei ik.
    Wilde dat ik mee kwam op vakantie.
    Nee, zei ik.
    Wilde dat ik meehielp met een puzzel die je ineens hoegenaamd te moeilijk vond om alleen te maken.
    Nee, zei ik.
    Toen me duidelijk werd dat ik niet verder kon werken, verschoonde ik je zusje en gaf haar een fruithapje. Ik had geen zin om een verse appel te pureren en pakte een potje uit de kast. Terwijl ik dat bij haar naar binnen lepelde, kwamen zeven nieuwe e-mails binnen.
    De temperatuur in de kamer was inmiddels veertien graden. De monteur zou aan het einde van de middag komen.
    Ik knuffelde je zusje, snoof de geur op van haar hals, maar omdat mijn neus verstopt was, rook ik niets. Ze trok aan mijn haren en ik legde haar weer op de grond.
     Je vroeg nog een keer iets, ik weet niet meer wat, en ik zei weer nee. En zette me schrap voor het gejengel dat zou volgen.
    Maar er volgde geen gejengel. We hebben veel energie gestoken in het afleren van gejengel. Voortdurende correctie. Opvoeden is het breken van iemands wil, totdat er een aangepast mensje ontstaat dat niemand tot last is, geen verstoringen meer veroorzaakt in het logistieke proces. Dat jij over een jaar of tien mij als een stuk vuil gaat behandelen, is een geruststellend idee, in dat verband. Beter dat, dan je om vergeving te vragen.
    Je jengelde dus niet. In plaats daarvan jengelde ik. In mijn hoofd. Ik wilde dit niet meer. Wilde weg. Even probeerde ik mezelf vrij te pleiten. Overmacht, zoiets. Iedereen zit er wel eens doorheen. Maar dit was geen overmacht. En ik ben niet iedereen. Meende ik. Je jengelde niet. Ik jengelde. Het grote zelfmedelijden, dat ik honend had aanschouwd bij anderen, had me eindelijk in zijn klauwen.
   Weer een terrein om middelmatig op te zijn. Waarvoor dank, schatteboutje.




Buitenaards wezen

Gisteravond, voordat ik naar bed ging, schoor ik mezelf. De laatste keer was ergens voor de Kerst. Mijn baardgroei is bescheiden – de baardgroei van een wijf, grapte ik vroeger, toen ik nog een voormalig gereformeerd collega had die mij het gevoel gaf dat het een enigszins choquerend grapje was. Hem mis ik niet, maar dat gevoel wel. Als het choqueren je niet van nature afgaat, is het zaak een publiek te zoeken dat aan een half woord genoeg heeft.
            Overigens vond die collega het hele leven choquerend. Dat drong pas tot me door toen ik een keer bij hem thuis kwam en zag dat hij zijn flessen drank bovenop een hoge kast legde, uit het zicht. In eerste instantie dacht ik dat hij een liefde voor overmatige alcoholconsumptie probeerde te verbergen. Maar navraag leerde dat hij de naakte aanblik van flessen buitenlands gedestilleerd choquerend vond. Alsof het een collectie pornografie betrof. Vervolgens vond hij het bijna even choquerend dat ik die mening niet was toegedaan.
            Het was aangenaam om zijn universum te betreden. Om even een buitenaards wezen te zijn.
           Ik verlang er nog wel eens een buitenaards wezen te zijn, maar de voormalig gereformeerde collega emigreerde een paar jaar geleden naar een ander continent. Verder is mijn leven bevolkt met soortgenoten. Ooit moet me dat een goed idee hebben geleken.