Ik had bedacht dat ik afgelopen vrijdag mijn laatste stukje van 2009 zou plaatsen, om daarna met goed fatsoen tot 4 januari te kunnen pauzeren. Zo ging het niet. Het is een triviaal soort verlies dat je eenvoudig zou moeten kunnen incasseren. In mijn geval duurde het vijf dagen. Ik neem goed fatsoen serieus. Zonder tastbaar resultaat, overigens. Er komt geen plaatsvervangend stukje meer. Ik ga nu zwarte kousen, maat 39, voor mijn schoonzus kopen. Daarna nemen Jules en ik de trein naar Limburg. Tot 4 januari.

24/12 - 0

Hyena's

Op het besneeuwde schoolplein bekogelt een groep kinderen een leraar. Hij rent weg. De kinderen achtervolgen hem in jachtformatie. Gillend. Het zijn taferelen die ik ken van documentaires over hyena’s en voetbalhooligans.
    ‘En nu allemaal op meester Hans! Allemaal op meester Hans!’ roept de rennende leraar, zijn armen om zijn hoofd gevouwen.
    Het roedel handhaaft de achtervolging.
    Aan de andere kant van het plein staat een man te glimlachen.
    Meester Hans, vermoed ik.




¤

Verlaten verbindingsweg tussen het zwaar beveiligde resort en het zwaar beveiligde conferentiecentrum waar het Internet Governance Forum plaatsvond, Sharm El Sheikh, Egypte.


16/12 - 0

Ik ratelde. Anderhalf uur lang. De journalist stelde simpele vragen die tot wijd vertakte antwoorden leidden. Omdat ik geen boodschap had, holde ik langs alle takken. Mijn diepste angst is dat ik niets te melden heb. We spraken al snel niet meer over het rapport, maar over een ander deel van mijn onderzoek. Daar dat het nieuws. Na afloop had ik spijt. Het verhaal dat ik al hollend had weggegeven, had ik zelf publiek willen maken. Ik overweeg de journalist op te bellen, maar weet niet precies met welk voorstel.

15/12 - 1

De boodschap

Ik moet dringend een boodschap verzinnen. Rond de lunch komt een journalist me interviewen over een onderzoeksrapport dat vorige week is verschenen.

Tot voor kort dacht ik dat een interview een gesprek is waarin iemand vraagt naar informatie waarin hij of zij geïnteresseerd. Dat blijkt een misvatting. Tijdens een mediatraining werd me uitgelegd dat de journalist moet zien als een notulist die je boodschap voor de wereld mag optekenen.
    Mediatraining laat zich samenvatten in zeven woorden: Nieuws kun je niet overlaten aan journalisten.
    Met andere woorden: je moet zelf je boodschap bedenken.
    Maar ik heb geen boodschap.
    Ik heb een rapport geschreven over iets dat ik interessant vind. Tussen de begrippen ‘interessant’ en ‘nieuws’ heb ik echter zelden een relatie kunnen ontdekken. Het interessante is zelden nieuws, het nieuws is zelden interessant.
    Ik lees de krant en kijk af en toe een journaal. Dat doe ik ongeveer met hetzelfde genoegen als het scheiden van afval.
    Voor zover ik begrijp wat voor nieuws doorgaat, voel ik weinig aandrang het zelf te maken. Net zomin als ik de straten wil afschuimen op zoek naar composteerbare etensresten.

Als je geen antwoord hebt op de vraag wat nieuws , vallen mensen vaak terug op een andere strategie: verontwaardiging. Dat heet dan: een opinie. Ook dat blijkt weer nieuws te zijn. Opinieleiden laat zich samenvatten in vijf woorden: Het is niet goed genoeg. Wat er niet goed genoeg is, laat zich naar believen invullen. De wereld, de isolatie van gezinswoningen, de waarschuwingsborden voor gevaarlijke stromingen in zeewater, het fietstrommelbeleid – de lijst is zo eindeloos dat je niet hoeft te blozen als je niets weet te verzinnen dat wel goed genoeg is.
    Ik vind het vaak wel goed genoeg. In ieder geval zie ik niet hoe het beter kan. Die houding noemt men dan cynisch, verrassend genoeg. Ontevredenheid is beter, dat is de onderliggende boodschap van het nieuws. Ik ben regelmatig ontevreden, maar vind dat meer een aanleiding voor stilzwijgend alcoholgebruik dan voor het grootschalig verspreiden van bedrukt papier. Als ik al een boodschap heb, dan is het wellicht deze: deel uw opinie eens wat vaker met een fles whiskey.
    Die boodschap zou ik zelf als eerste ter harte moeten nemen. In plaats daarvan neem ik deel aan een interview. Ik wil maar zeggen: de kans is groot dat de journalist een interessantere boodschap weet te verzinnen.




Intellectuelen moeten ons het werk uit handen praten, niet erin... (Peter Middendorp, Lieux de mémoire)

11/12 - 0

Trapdoden

Bij ongelukken op kantoor denk ik in de eerste plaats aan een hartaanval. Onheil dat je zittend kan treffen. Niet aan een fatale misstap op de trap. Toch waren alle trappen van het kantoor dat ik vandaag bezocht voorzien van de mededeling: ‘Please hold the rail!’ Alle trapgebruikers die ik zag volgden deze aanwijzing op. Naast de eerste trede stond ook nog een bordje dat het gebruik van mobiele telefoons op de trap verboden was.

Het kan bijna niet anders of iemand heeft er statistieken over aangelegd en het bedrijf heeft daar vervolgens de uiterste consequentie uit getrokken. Trapdoden zijn vermijdbare doden. Krijg daar maar eens een speld tussen.

Ik was een paar keer eerder in het gebouw. Voorafgaand aan de bijeenkomsten vindt meestal een veiligheidsinstructie plaats. Een keer kregen we een kort filmpje te zien waarin een man ongelukkig uitgleed op een trap in een fabriek. Een funniest home video-achtig tafereel. Je ziet de uitgijder, de smak doet je in een reflex lucht tussen je opeengeklemnde tanden door naar binnen zuigen, maar verder oogt het ongevaarlijk. Dat is dus schijn, hebben ze hier uitgerekend. De trap ruïneert levens. Er schijnt ook een respectabel aantal mensen zodanig uit te glijden in bad dat ze het niet kunnen navertellen. De dood moet het hebben van de routine, de banaliteit. Rare fataliteiten geven wat jeu, maar tikken natuurlijk niet aan.

De eerste keren dat ik de trap gebruikte hield ik de leuning niet vast. Het voelde teveel alsof ik een hondje was dat een kunstje geleerd moest worden. Niemand sprak me er op aan.

Vandaag hield ik wel de leuning vast. Ik dacht: Nu ben ik een hond die een kunstje heeft geleerd. Vroeger was ik een hond die geen kunstjes had geleerd. Je maakt me niet wijs dat zo’n hond je liever is.




Tochtige straathoek

In plaats van een stukje te schrijven, worstelde ik met de vraag of ik ook moest gaan Twitteren. Eigenlijk was het geen vraag. Ik worstelde met de realisatie dat ik ook zou gaan meedoen. Halfslachtig verzet.
    Een fuik is een verbluffend eenvoudig voorwerp. Zo eenvoudig dat het me niet zou verbazen als een vis door heeft wat er aan de hand is zodra hij zich voorbij de mond van de fuik heeft gewaagd. Maar dat wil blijkbaar niet zeggen dat je je kunt omdraaien en door dezelfde opening verder trekt om een andere hoek van het beekje te verkennen.

Ik klikte verder langs twitterpagina’s, eerst van bekenden, daarna van wilvreemden. De gezelligheid vierde hoogtij.
    Ooit waren weblogs gezellig. Misschien zijn sommigen dat nog steeds, maar de mijne voelt tegenwoordig meer als een tochtige straathoek. Er komen veel mensen langs, maar iedereen is op weg naar iets anders. Af en toe groet iemand in het voorbijgaan. Een enkeling zet een ogenblik de tas met boodschappen neer.

Blijkbaar zoek ik gezelligheid. Meer in het bijzonder op internet. Ik kan de fuik wel verlaten, graag zelfs, maar dit stukje zelfkennis poets ik daarmee niet meer weg.

Ik keek of ze naam ‘bijzinnen’ nog vrij was. Die bleek vergeven aan iemand die eerder dit jaar enkele meditaties heeft uitgevoerd op ruis, zwarte lijntjes en de werkelijkheid. Het laatste van de in totaal vijf berichten luidt: ‘ontdaan van betekenis’. Dat klinkt als een conclusie waarna alleen nog gezwegen kan worden.

Op de fiets naar huis verheugde ik me op nasi. Die had ik gisteren gemaakt en zou nu nog beter smaken. Maar mijn vrouw had omelet met spinazie gebakken. Daar hoorde een logistiek verhaal bij waar geen speld was tussen te krijgen. Ik at de omelet en zag op als een berg tegen de wedstrijd van AZ later op de avond.




Een van voorrechten van alleen thuis zijn met een baby van zeven maanden is dat je kunt ontbijten met een film. Een paar dagen geleden las ik een portret van Wes Anderson, maker van Rushmore, een film waar ik destijds erg van heb genoten. Twee van zijn latere films waren me ontgaan, misschien omdat ze geflopt waren voordat ze Nederland bereikten. Vanochtend keek ik het erg charmante The Life Aquatic with Steve Zissou. Het verhaal is gesitueerd in een wereld die speelt met de betovering die je als kind kon bevangen bij de documentaires van Jacques Cousteau. Ik herinner me nog de lange zondagmiddagen waarin ik verlangend keek naar een wereld vol schepen, helikopters, duikboten en veelkleurige zeedieren.

08/12 - 2

Het Nederlands van geesteszieken

Ik ontving een merkwaardige brief. Iemand vroeg of de held uit zijn roman mocht “neuken” met een van de vrouwelijke personage uit de mijne. De rest van de brief was opgesteld in het archaïsche Nederlands dat geliefd is bij een bepaald type geesteszieken.

Een jaar of tien geleden zag ik de brieven die binnenkwamen bij het ministerie dat belast is met de planning voor Schiphol. Sommige epistels maakten diepe indruk op me. Ik herinner me een brief waarin over de gehele lengte van de pagina een soort kurkentrekker was getekend. Dat bleek een voorstel te zijn voor een nieuwe aanvliegroute. De brievenschrijver was zo overtuigd van de superioriteit van zijn idee, dat hij alle resterende ruimte op de bladzijde gebruikte om het complot te ontwarren dat deze oplossing wilde tegenhouden. Ergens in de kantlijn dook in verticaal geschreven zinnen het Vaticaan op, weet ik nog.
    Destijds werd die brief bekeken met verbazing over de zonderlingen die ronddwaalden buiten de veilige muren van het ministerie. Het aantal van zulke brieven liet toe dat de beantwoordende ambtenaar met een warm hart kon hopen dat de schrijver spoedig zijn medicatieregime weer zou hervatten.
    Inmiddels, nu de kranten zonder ironie schrijven over nanochips in griepvaccinaties, heeft verbazing plaats gemaakt voor onbehagen, vermoed ik. De zonderlingen hebben elkaar gevonden en houden daarmee op zonderlingen te zijn. Voor hun eigen gevoel hebben ze die status nog niet helemaal hebben afgeschud, lijkt het. Begerig bekleden ze zichzelf met de tekenen die maatschappelijk gezag moeten uitdrukken. In de kringen van de inentingswaanzinnigen dwaalt bijvoorbeeld een zekere professor doctor ingenieur Anton van Putten rond. Ik heb een kleine tien minuten op internet gezocht, maar ik kon niet vinden bij welke universiteit deze man dan professor zou zijn. Zelfs zijn eigen CV laat na dit te vermelden, terwijl het zich toch de nodige moeite getroost om de verdiensten van de heer van Putten in detail uit te meten. De inentingswaanzinnigen zullen verheugd zijn geweest dat kwaliteitskrant NRC hem desalniettemin voorzag (mirror) van alle door hem begeerde titels.

Strikt medisch gezien mag je iemand wellicht niet kwalificeren als geestesziek op basis van zes warrige alinea’s over neukende romanpersonages. De symptomen vond ik echter tamelijk overtuigend. Zo vermeldt de man in de tweede alinea over de roman waaraan hij zegt te schrijven: “..die heb ik waarschijnlijk nog niet geschreven”. Als je niet meer weet of je een roman geschreven hebt, dan ben je wellicht ongelooflijk productief. Maar het is waarschijnlijker dat je een moeizame relatie onderhoudt met de realiteit.

Ik stopte een zinsnede uit de brief in Google. Dat leverde de ontdekking op dat de man exact dezelfde brief aan in ieder geval een andere schrijver heeft toegestuurd. Welke ziekte de man ook moge hebben, het is een efficiënte ziekte. Ook heeft hij zijn epistel weten te beperken tot een enkelzijdig A4’tje. Een ziekte die zuinig is met tekst en papier is een sympathieke ziekte.
    De posterijen hadden de envelop van de brief bestempeld met de tekst: “Schrijven zegt meer.” Ook de handelsgeest onderhoudt een moeizame relatie met de realiteit.




De promovenda die haar proefschrift verdedigde, terwijl ze een dag eerder nog met de Mexicaanse griep op bed had gelegen, moest even op adem komen. Net voordat ze de beantwoording van de vraag wilde voortzetten, klonk uit het publiek de blikken stem van een TomTom: 'Bestemming bereikt.' Schuin voor me greep een man in paniek naar zijn jaszak.

04/12 - 0
¤
Sint met piemel want het is een jongetje

‘Sint met een piemel, want het is een jongetje.’ (Vera, 4 jaar)


03/12 - 1

Maand eenenvijftig (slot)

(Wat er voorafging.)

Achteloos verliezen is een kunst. Zelf ben ik te laat begonnen met verliezen. Het gevolg daarvan is dat ik teleurstelling onderga als een levensbedreigende ziekte.
    Dat ik weinig heb verloren wil overigens niet zeggen dat ik vaak won. Het is vooral een kwestie van vermijding. Ik deed alleen mee als winst zo ongeveer gegarandeerd was. Je hebt van die kereltjes die alleen gevechten uitlokken met jongens die een kop kleiner zijn dan zijzelf. Zo verhoud ik me tot het leven.
    De laatste jaren begin ik af te wijken van die strategie. Het is zoiets als op je veertigste nog je rijbewijs gaan halen. Jonge mensen associëren auto’s met zaken als comfort of paardenkrachten. De laatkomers, daarentegen, blijken een opvallende voorkeur te hebben voor termen als ‘moordwapen’ en ‘projectiel’.
    Wat ik maar bedoel te zeggen: geef af en toe iemand uit de middenbouw een klap.
    Afijn.
    School. Je gaat inmiddels drie maanden naar de basisschool. De effecten daarvan merken we overal. Zo teken je ineens geen conceptueel werk meer, maar herkenbare taferelen. Het voorlopige hoogtepunt daarvan is het werkje dat je als titel meegaf: ‘Sinterklaas met een piemel want het is een jongetje.’ Ook zonder die titel liet de voorstelling niets aan duidelijkheid te wensen over. Morgen zal ik dit pareltje met het hele internet delen.
   Daarnaast bevat je vocabulaire sinds kort de uitdrukking: ‘Ik heb een plan.’ Er zijn weinig uitdrukkingen die merkwaardiger klinken uit de mond van een vierjarige. Laatst vroeg je aan je moeder wat voor werk ze deed. Die vraag heeft een ontmoedigend effect op haar. Het bestaan van de ambtenaar is moeilijk aanschouwelijk te maken. Ergens koestert ze het vermoeden dat een beroep dat niet aan kinderen valt uit te leggen, niet kan deugen. Ik deel haar wantrouwen. (Zelf antwoord ik dat ik meester ben van grote kindjes.)
    Je moeder zei: ‘Ik praat heel veel met andere mensen op mijn werk.’
    ‘Drinken jullie dan ook limonade?’
    ‘Ja, en thee en koffie.’
    ‘Waarom moet je dan zoveel praten?’
    ‘Om geld te verdienen.’
    Jij spreidde je armen zo wijd als je kon. ‘Zoveel geld?’
    ‘Nee, zoveel,’ zei je moeder, haar handen vlak bij elkaar houdend. ‘Ik wil wel zoveel,’ zei ze, haar armen spreidend.
    ‘Oké.’ Je kleine oogjes vernauwden zich, alsof je in de zon keek. ‘Mamma, ik heb een plan. Als je zoveel geld wil, dan moet je zoooooo’n grote portemonnee kopen.’ De triomf in jouw ogen, de armen wijd gespreid, was terecht. Er zijn mensen die minder van economie begrijpen.
   Verder praat je af en toe als een geheim agent die ons gezin geïnfiltreerd is en die moet terugrapporteren over de interne verhoudingen in onze bananenrepubliek. Vorige week was ik niet thuis, maar ik heb me laten vertellen dat je zocht naar scheurtjes in het bastion van de machthebbers. Tijdens het avondeten liet je moeder zich ontvallen dat ze jou en Jules de allerliefste schatteboutjes van de hele wereld vindt.
    Dat noteerde jij. Vervolgens vroeg je: ‘Wat vind je dan van de jongen die ook bij ons hoort?’
    ‘Welke jongen?’
    ‘Die jongen die in ons huis woont.’
    ‘Je bedoelt Michel?’
    ‘Ja, Michel, die bedoel ik.’
    ‘Die vind ik ook heel lief.’
    Je knikte ernstig. ‘Zo lief dat je hem ook kusjes wil geven?’
    Toen je moeder in de lach schoot, stelde je de vraag nog een keer.
    Wat je met deze informatie van plan bent, is ons niet bekend. Het heeft wel tot gevolg dat je moeder heeft besloten dat we elkaar vaker moeten kussen in jouw nabijheid. De gevolgen hiervan kan ik niet overzien, maar het lijkt me een gevaarlijk precedent.




Ik kwam net op tijd binnen in het Paard om te horen dat Jacq de categorie ‘best geschreven’ had gewonnen. Terecht. Met afstand het grappigste blog op het internet.

02/12 - 1

02/12 - 0

Maand eenenvijftig

Lieve Vera,

Vanavond zat ik aan tafel met de meneer die jij Weiland noemt. Ik had hem net verslagen met squash. Toen de serveerster ons eten had gebracht, feliciteerde hij me voor de derde keer die avond met de overwinning. Dat was minimaal twee keer teveel. Ik vroeg hem enigszins wantrouwig waarom ik zo uitvoerig gefeliciteerd werd. Hij antwoordde dat hij wist hoe erg ik verliezen vond.
    Het is waar, ik veracht verliezen. Na een verloren partij heb ik een klein uur nodig om mezelf uit te leggen dat doorleven een alleszins redelijk voorstel is. Een vergelijkbare intensiteit voel ik niet als ik heb gewonnen. Winnen is een vrij fletse gewaarwording. Het bestaat vooral uit de opluchting dat ik niet verloren heb.
    Weiland is een grootmoedig verliezer. Niet omdat hij de winnaar veelvuldig feliciteert. Integendeel. Dat soort felicitaties proberen eigenlijk de overwinning uit te vlakken, en daarmee ook het verlies. Een verliezer moet pijn voelen, anders doet de overwinning er niet toe. Wellicht niet zoveel pijn dat een uur toegewijd tandenknarsen vereist is voordat je een reden hebt gevonden om door te leven, maar een minimale dosis chagrijn is onontbeerlijk. Uitbundig feliciteren is vaak nauwelijks verhuld chagrijn, een strategie van de zwakkere om alsnog de overwinnaar zijn overwinning te ontnemen. Maar dat chagrijn ontbreekt er volledig aan bij Weiland. Hij is een grootmoedig verliezer omdat het hem onverschillig laat. Hij speelt fanatiek voor elk punt en drie seconden na de laatste bal is de uitslag nog slechts een statistiek voor hem.
    Je kunt dat soort mensen haten of je kunt ze je vriend maken.
    Ik heb stille hoop dat jij ook een slecht verliezer zal blijken te zijn. Je moet ergens je onvrede met de wereld onverdund kunnen voelen. Een door TL-balken verlichte sportkantine is daarvoor een uitermate geschikte locatie. Je leven te behandelen als een verzameling statistieken kun je beter bewaren voor situaties die er echt toe doen. Er was een periode dat je moeder graag statistieken over echtscheidingen citeerde. Ik begon me pas zorgen te maken toen ze daar mee ophield.
    Vooralsnog zijn de voortekenen goed. De uitdrukking ‘ik ben de winner’ behoort tot je favorieten. Als iemand anders beweert de winner te zijn, dan zeg jij snel: ik ben ook de winner. Er is veel in jouw leven dat je simpelweg poneert. Het is een verbluffend effectieve strategie. Je weet niet wat winnen is, maar je weet wel dat je er deel van moet uitmaken. Het wachten is op de persoon die je voor het eerst zal laten voelen wat verliezen is. Ik ben die persoon niet. Dat soort klussen besteed ik liever uit. Er zijn ongetwijfeld voldoende vrijwilligers die bereid zijn je te vertellen dat je een verliezer bent, net zolang tot jouw pogingen het tegendeel te poneren zijn gesmoord in tranen.

(Wordt vervolgd.)




Het nieuwe ontwerp is klaar. Een vriend keek naar een vroege versie en zei: ‘Het lijkt alsof je op een keldermuur schrijft.’ ‘Het lijkt meer op een celmuur,’ zei ik. ‘Inderdaad,’ antwoordde hij. ‘Het past precies bij je weblog.’

Klaus heeft prachtwerk geleverd.

29/11 - 1

Twee huishoudelijke mededelingen

1. Morgenavond ben ik samen met P.F. Thomése te gast tijdens de literaire avond van boekhandel Koops in Venlo. Frans Pollux, radiomaker en aanstaand literair debutant, zal ons beiden interviewen. De avond begint om half acht aan de Klaasstraat 17.

2. Dit is het laatste stuk dat zal verschijnen op de huidige incarnatie van Bijzinnen.com. Er staan twee veranderingen op stapel: een nieuw ontwerp en een nieuwe frequentie. Om met dat laatste te beginnen: ik ga binnenkort terug naar het ijzeren ritme om elke werkdag iets te plaatsen.
    De laatste keer dat ik die frequentie aanhield was ik een vrijgezel die elke combinatie van de woorden ‘passie’ en ‘werk’ in dezelfde zin een teken van hysterie vond. Kortom: ik had vrij aanwendbare avonduren. Het woord ‘passie’ schuw ik nog steeds, maar ik kan niet ontkennen dat ik ten prooi ben gevallen aan een zekere arbeidsvreugde. O, en dat ik inmiddels een gezin heb aangericht. Al komt dat laatste niet geheel op mijn conto.
    Afijn.
    Het voornemen om weer dagelijks te gaan schrijven is een vlucht naar voren. Ik heb al maanden te weinig tijd om serieuze voortgang te boeken met de tweede roman. Daar werd ik humeurig van. Een verstandig mens zou de realiteit onder ogen zien en de roman uitstellen, in ieder geval tot na het voltooien van mijn inaugurele rede. Dat soort realisme maakt weinig indruk op de rommelige verzameling drijfveren die mijn gemoedsrust gegijzeld houden. Tot ik een list bedacht: ik stelde het boek uit, maar zou wel weer dagelijks gaan bloggen. Zodra ik het idee had bedacht, holden de gijzelaars er als een stel lemmingen achteraan.
    Om mijn voornemen enigszins geloofwaardig te maken, moet ik dit weblog uit de hoek halen waar ik het de afgelopen jaren in heb gemanoeuvreerd: lange stukken die nauwelijks verband houden met mijn dagelijkse beslommeringen. Daarvoor moest het ontwerp op de schop.
    Ik heb de maker van het mooiste weblog dat ik ken, ikenmijnlada.com, gevraagd om een nieuw ontwerp voor Bijzinnen te fabriceren. Nicolas is meteen voortvarend aan het werk gegaan. Zodra het ontwerp klaar is, zal ik overgaan tot het verstrekken van dagelijkse porties Bijzinnen.




Bokkensprongen

Ik ben humeurig. Humeurig is een eufemisme, waarvoor weet ik niet precies. Ik probeer wel eens een ander woord uit, maar dat is vaak schrijnender dan de kwaal zelf. Bovendien gaat het zo ongelooflijk goed met me. Niet overdrijven, dus.

Mijn vrouw en dochters zijn deze week op een zonnig eiland. In hun afwezigheid had ik tijd om me te constateren dat ik, ergens in de afgelopen jaren, mezelf te serieus ben gaan nemen. Hoe draai je zoiets terug?

Een vriend zei: Je speelt met vuur. Ik had wat rare bokkensprongen gemaakt en hij zag er weinig heil in.
    Hij had gelijk.
    Maar het ging niet om de bokkensprongen. Versiering is het, meer niet. Spelen met vuur is het werkelijke doel. Het gevoel te krijgen dat ik er toe in staat ben. Een keer iets op het spel te zetten.

Als kind deed ik altijd twee passen achteruit als mijn speelkameraadjes met vuur in de weer gingen. Ik begreep niet wat de aantrekkingskracht was. Waarom je het risico zou nemen. Met vuurwerk heb ik dat nog steeds. En talloze andere dingen.
   De eigenlijke doelen van je leven kies je niet, die constateer je achteraf. Mijn doel heet: oppassendheid. Je komt er een heel eind mee, blijkt. Maar niemand zet dat vooraf op z'n lijstje. Hoogstens als randvoorwaarde voor iets anders. Mijn god, ik gebruikte net het woord 'randvoorwaarde' als metafoor.  

De week bestond uit: voetbal, wijn, nog meer voetbal, het monteren van een moederbord in een laptop, de nieuwe versie van Windows installeren, een kastdeurtje repareren, een beetje schrijven. En een keer uit eten met een goede vriend. Hij vroeg hoe het ging en ik zei: Goed. Een beetje humeurig, maar niets om al te serieus te nemen.




Rituelen

Vrijdagmiddag, na vijf maanden hoogleraarschap, trok ik voor het eerst een toga aan. De pedel, een kordate dame van weinig woorden, hielp me in het omvangrijke gewaad te stappen. Ze trok de schouders recht, streek de plooien uit het zwarte fluweel langs mijn armen en sloot af me de mededeling: ‘Zo.’
    Ik vergat in de spiegel te kijken.
    Door een deuropening keken enkele passerende collega’s grijnzend naar binnen.
    Iedereen verzamelde zich voor de verdediging van het proefschrift van een collega die ik jarenlang heb begeleid.
    In een ander deel van de ruimte hees de rest van promotiecommissie zich in hun toga’s. Zij hadden geen hulp meer nodig.
    Een professor uit Parijs droeg een toga waarin het sobere zwart werd teruggedrongen door allerlei opbollende en uitstekende gele en witte onderdelen. Het geheel oogde als een pronkende haan. Ik complimenteerde hem met zijn uitdossing.
    Het overleg van de commissie, voorafgaand aan de verdediging, was bijna geheel gewijd aan de verschillende looproutes die we moesten. Het ritueel vereiste een ingewikkeld patroon, met aftochten en opkomsten door verschillende deuren en steeds andere hoogleraren die moeten inhaken dan wel afhaken op cruciale momenten. De rector legde een speciaal geprepareerd kaartje op tafel en leidde de buitenlandse gasten door de instructies, met een kalme toewijding die suggereerde dat de verdediging zelf een bijzaak was.
    Ik was zelf nogal geconcentreerd op de kandidaat, hopend dat zijn wonderlijke persoonlijkheid de zaal zou betoveren. Maar gaandeweg de zitting zag ik dat de rector gelijk had. We kwamen op, gingen af, voegden in en sloegen af, aldoor vergezeld van de juiste titulatuur. Alsof de afloop niet allang bekend was. Vervoering is opgaan in een ernstig ritueel.
    ’s Avonds, na het feest, fietste ik dronken naar huis. Toen pas zag ik een berichtje dat de AKO-nominaties waren gekozen. Iemand schreef dat mijn boek bij jury-voorzitter Verhofstad op tafel had gelegen. Zoals verwacht had het niet de shortlist gehaald, maar het was toch een mooi moment.
    Later vertelde mijn redactrice dat ze zich na de bekendmaking aan de ‘troostwijn’ had vergrepen en de hele nacht van mij en een andere auteur had gedroomd.




Presentatietechniek

Ik meldde me bij een landhuis in Bloemendaal voor een training in presentatietechniek. De trainer heeft een wat merkwaardig welkomstritueel.
    ‘Erg hè, om hier te werken? Wat verschrikkelijk, hè?’ zegt hij. Hij spreidt zijn armen en toont me de werkkamer.
    Ik beaam dat het landhuis erg fraai is.
    Hij raakt me amicaal aan. In de tien seconden die ik nu in zijn kamer heb doorgebracht ben ik aanraakbaar geworden. Ik zat nog te wachten tot mijn lichaam zou stoppen met zweten. Ik had er flink de vaart in gezet, op de fiets.
    ‘En het wordt nog veel erger,’ vervolgt de trainer. ‘Weet je wat? Ik woon hier twee straten verderop! Schandalig, hè?’ Hij gebaart naar het raam. Buiten is alleen het parkje van het landhuis te zien. Achter de bomen ligt een villawijk waar ik zojuist doorheen ben gefietst.
    Op zijn bureau ligt mijn roman. Hij geeft er een goedmoedig klopje op. ‘Nog niet gelezen, hoor.’
    Dan neemt hij een telefoontje aan, waarvan hij na afloop zal zeggen dat hij een ruzie moest sussen tussen twee ministers en een gedeputeerde.
    Terwijl hij met de telefoon aan het oor de kamer verlaat, bestudeer ik de foto’s in de boekenkast. Er staan diverse gezinsfoto’s. Een lachende blonde vrouw, minder knap dan ik had verwacht, en een hele schare aanstekelijk lachende blonde kinderen. Die hebben duidelijk geen training nodig in presentatietechniek.
    Ik kijk een moment naar hun gezichten en denk: dit is de toekomstige ruggengraat van onze samenleving. Monter, hardwerkend, goed in liedjes maken voor bruiloften.
    Later die ochtend zal de trainer zeggen: ik wil graag om half vijf klaar zijn, omdat ik moet tennissen met mijn kinderen.




Maand negenenveertig

Lieve Vera,

De afgelopen maand ben je ons fototoestel gaan gebruiken en sindsdien ben je verliefd geworden op je eigen voeten. Ik ben al jaren verliefd op je voeten, maar ik begrijp goed waarom er een camera voor nodig is om je eigen voeten te kunnen liefhebben.


Dit was ook de maand waarin jij over de toekomst begon te praten. Sinds kort bestaat de toekomst. Op vakantie wilde je kanoën. We kwamen erachter dat je zes jaar moest zijn. Dat maakte indruk. Toen wilde je weten hoe oud je moest zijn om alleen naar school te fietsen. Acht jaar, verzon je moeder. En hoeveel om alleen met de trein naar opa en oma te gaan? Twaalf. Het culmineerde gisteren in de vraag: ‘En wat mag ik doen als ik duizend jaar ben?’

Verder werd je vader de afgelopen tijd opvallend vaak aangesproken op zijn cynisme. Dat raakt niet direct jouw belangen, maar ik vermoed dat mijn overwegingen later een bron van amusement voor je zullen zijn. Zelfrechtvaardiging is een satirisch genre.

Ik heb me lang proberen te ontworstelen aan de term cynicus, maar dat verzet heb ik gestaakt. Misschien omdat ik cynisch werd over de zin van het verzet. Wat mensen cynisme noemen is vaak een vorm van besparing.
    Je ontkomt niet aan rantsoenering omdat je zult merken dat er een overproductie is van zaken om je druk over te maken. Bij veel mensen leidt dat tot een soort homeopathische betrokkenheid – zo verdund dat er geen enkel werkzaam bestanddeel meer kan worden aangetroffen. Andere mensen specialiseren zich. Ze bekommeren zich om een dier, een bepaalde ziekte, een land – aangevuld met een diffuus soort betrokkenheid bij de onderwerpen die gisteravond bij Pauw en Witteman besproken werden.
   (Nu wil je weten wat Pauw en Witteman is, maar ik merk dat ik alleen maar cynische antwoorden heb op die vraag. Tegen de tijd dat je dit leest, is deze zin afdoende: Het is iets van vroeger, een automatiek voor fabrieksmatig bereidde meningen, toen mensen nog dachten dat meningen voedingswaarde hadden.)

Laatst hield ik een pleidooi voor apathie, waarop iemand reageerde met de uitspraak: “Wie zich in hartstocht verliest heeft minder verloren dan wie zijn hartstocht verliest.”
    Ik wantrouw iedereen die de term hartstocht gebruikt. Je zult merken dat mensen alleen praten over datgene waar ze naar verlangen, niet over wat ze al hebben. Het is al enige tijd mode om opgewarmde kliekjes uit je gevoelsleven te serveren alsof het een grand diner betreft. Begrijp me niet verkeerd, ik hou van opgewarmde kliekjes. Alleen smaken ze me niet beter als ze een andere naam krijgen.
    Maar ik geef toe dat mijn argwaan ook voortkomt uit een gevoel van dreiging – de dreiging dat er een club van mensen bestaat die hartstocht kennen. Hun bestaan zou mijn leven achteloos omzetten in een nederlaag.

Wat kenmerkt de cynicus? Peter Sloterdijk schreef ooit: ‘In psychologische zin kan men de cynicus van deze tijd zien als melancholisch grensgeval dat zijn depressieve symptomen onder controle kan houden en tot op zekere hoogte arbeidsgeschikt blijft.’
    Het laatste zinsdeel spreekt me aan. Ik ben gehecht aan mijn arbeidsgeschiktheid. Alsof elke gang naar kantoor bewijst dat de koude hand van de waarheid geen greep op me heeft gekregen.
    Laten we dus aannemen dat ik een melancholisch grensgeval ben. Heimelijk wilde ik altijd al een grensgeval zijn.
    Je moeder observeert het grensgeval nauwkeurig.
    Vroeger zei ze regelmatig dat ik zo weinig onderhoud nodig heb. Ik vatte dat op als compliment, maar dat kwam omdat de zorgelijke toon in haar stem me ontging. De laatste tijd zwijgt ze over dit punt. Of dat betekent dat ik nu meer onderhoud nodig heb, weet ik niet.
    Misschien heeft je moeder haar aandacht verlegd naar haar eigen symptomen. Een van haar specialiteiten is het leggen van knopen in zaken die geen knopen behoren te hebben. Laatst had ze zichzelf verstrikt in de stroomkabel van haar laptop. Nadat ik haar had bevrijd zei ze: ‘Ik ben een omgekeerde Houdini.’
    Je kunt ook van mensen houden vanwege de manier waarop ze falen.

Jij observeert me eveneens nauwkeurig. Recent vroeg je me vrolijk: ‘Pap, waarom kijk je zo verdrietig?’ Alsof ik je een poets wilde bakken en jij die probeerde te doorzien.
    Vroeger zou ik op zo’n moment ontkend hebben dat ik verdrietig keek. Maar dat lokte te vaak een vervolggesprek uit. Dus antwoord ik tegenwoordig dat ik me niet verdrietig voel. Om nogal onbegrijpelijke redenen hebben mensen teveel respect voor gevoelens om die bewering aan te vechten.
    ‘O,’ zei jij, mijn antwoord negerend. ‘Zal ik je even laten lachen?’ Dan kom je voor me staan, pak je mijn gezicht in je handjes en lach je me toe. Het werkt altijd.
    Je denkt dat we een toneelstukje opvoeren. Toen je moeder een keer toegaf verdrietig te zijn, keek je haar wantrouwig aan. Daarna schoot je in de lach, alsof ze je bijna te slim af was geweest. ‘Nee,’ kraaide je. ‘Dat kan helemaal niet. Grote mensen kunnen niet verdrietig zijn, alleen maar net-alsof-verdrietig.’

Ergens vind ik dat je gelijk hebt. Veel verdriet is net-alsof-verdriet. Ook hier bestaat een ruim aanbod aan opgewarmde kliekjes. Maar dat is ongetwijfeld cynisch.
    Misschien zal ook jij me cynisch gaan noemen. Daartegen heb ik geen bezwaar. Laten we het dan wel goed definiëren. Er heerst het misverstand dat cynici alles zinloos vinden, dat ze nergens de waarde van kunnen inzien.
    Het tegendeel is waar.
    Cynisme is dat je het leven te kostbaar vindt om te leven. Ik zit op mijn leven zoals anderen op hun spaargeld zitten. Met grote verbetenheid ontmasker ik mogelijke investeringen als oplichterij. Er zitten best aardige ideeën tussen – succes, liefde, ouderschap, schoonheid, waarheid – maar uiteindelijk is geen enkel voorstel goed genoeg. Terwijl ik mijn uitgaven probeer te beperken tot wat lopende kosten en vaste lasten, knaagt de inflatie onophoudelijk aan het spaarsaldo. Net zolang tot het tegoed alleen nog toereikend zal blijken voor een haastige bekering, een vluchtige verzoening en een kort maar hevig berouw over gemiste kansen.
    Ik ben om evidente redenen terughoudend met levenswijsheden, maar deze wil ik je toch meegeven: Maak je eigen leven niet te kostbaar. Gooi er af en toe een uitverkoop tegenaan, met afbraakprijzen.




Longlist

Zojuist belde mijn redactrice bij Atlas. Ze had goed nieuws, zei ze. Tegennatuur staat op de longlist staat voor de AKO Literatuurprijs 2009.
    ‘Leuk,’ zei ik. ‘Hoe long is die longlist precies?’

Er staan vijfentwintig boeken op de tiplijst, zoals de longlist blijkt te heten. Geselecteerd uit 390 ingezonden boeken.

Ik las het persbericht.
Daarna nog een keer.
Leuk.

Ik bladerde terug naar het statistische programma waarin ik aan het werk was voordat de redactrice belde. Starend naar het scherm, voelde ik iets van vreugde door de grensbewaking glippen.
    Ik reageer op vreugde zoals andere mensen op moslims. Niet alle moslims zijn gevaarlijk, natuurlijk, dat prenten die mensen zichzelf ook in.

Ik pakte de telefoon en belde mijn vrouw.
Terwijl de lijn overging, keek ik door mijn open deur naar de collega in de kamer tegenover me. Ik nam me voor mijn stem niet te dempen.
Mijn vrouw nam niet op. Halverwege de melding van haar voicemail, hing ik op.
Ik draaide een rondje op mijn bureaustoel.
De eerste email die binnenkwam was van D.
Ik klikte onmiddellijk op ‘beantwoorden.’




Vreugdeloze erectie

Gisteren las ik de onderstaande tekst voor op Writers for President op het Venlose Zomerparkfeest. De voordrachten werden verzorgd door vier politici en twee schrijvers. Het publiek koos de andere schrijver, Rashid Novaire, als winnaar. Ik werd tweede.
    Novaire las met tederde stem een verhaal voor dat de Venlose toehoorders erop wees dat ze ooit samen met de Spaanse bezetter de bevrijdingsmacht van de Hollanders eruit hadden gegooid. De boodschap werd van harte onarmd. Ik kreeg de indruk dat een deel van het publiek vond dat ze iets uit te leggen had omdat Wilders een stadgenoot is.

Dames en heren,

Ze zeggen: Wees verschillig. U kent de leus van de VARA. De VARA wil ons vertellen dat onverschilligheid onbeschaafd is.
Ze zeggen: Wees bewust. Want het is een morele plicht onszelf te informeren over het onrecht in de wereld.
Ze zeggen: Wees betrokken. Want desinteresse is het failliet van de mens.

Welnu, ik sta hier vandaag om u te zeggen: Laat mij alstublieft failliet gaan.

*

Mijn vader stelde me laatst een lastige vraag. We hadden net de dakgoten van mijn huis schoongemaakt – dat wil zeggen, ik hield de ladder vast en mijn vader, 63 jaar, deed het daadwerkelijke schoonmaken. Tijdens de koffie kwam de economische crisis ter sprake.

‘Wat ik nou niet begrijp, hè,’ zei mijn vader. ‘Ze zeggen dat de economie vier procent krimpt. Maar waarom is dat zo erg? Als jij of ik vier procent minder verdienen, dan is er toch ook niet zoveel aan de hand?’

Een goede vraag.

Mijn vader heeft weinig opleiding genoten. Hij groeide op in een mijnwerkergezin in Zuid-Limburg en begon kort na de lagere school te werken als glazenwasser.
Hij stelde de vraag aan mij, zijn zoon die zich, met dank aan de belastingbetaler, een kleine drie decennia liet opleiden en die zich inmiddels hoogleraar mag noemen.

De hoogleraar stond met zijn mond vol tanden.
Dat wil zeggen, ik hield een onsamenhangend verhaal dat ik halverwege afbrak omdat ik besefte: ik weet het ook niet.

Mijn vader zei dat hij gek werd van alle geleuter op televisie.
    Wat de crisis ook moge inhouden, dat in ieder geval: heel veel slechte televisie.
    Slechte televisie valt misschien niet onder de noemer ‘misdaden tegen de menselijkheid’, maar mijn ouders zijn toegewijde kijkers, dus ik wil dit leed toch niet te lichtvaardig uitvlakken.

Ik vermoed dat mijn ouders graag vier procent van hun inkomen, van hun pensioen, zouden inleveren om verlost te worden van het gekakel.
    Het zou een elegante oplossing zijn. Iedereen levert vier procent van zijn inkomen in en dan praten we nergens meer over.
    Als economen dan willen uitleggen waarom de economie niet zo werkt, dan betalen we allemaal een procent extra om de economen te laten zwijgen. Zoals je in een restaurant de violist een fooi geeft om je met rust te laten.
    Maatschappelijke betrokkenheid is mooi, maar tegen een redelijke vergoeding zou respectvolle desinteresse ook mogelijk moeten zijn.

*

Een paar maanden geleden bevond ik me in een hotelkamer in Antwerpen. Ik keek naar CNN. Thuis kijk ik nooit naar CNN, maar in hotelkamers oefent het kanaal een mysterieuze aantrekkingskracht op me uit. Hetzelfde geldt overigens voor naaktlopen.
    Afijn.
    Na een spotje dat Dubai aanprees als vakantiebestemming, volgde een filmpje waarin een vriendelijke, niet onaantrekkelijke blanke man door een straat in een onbenoemd ontwikkelingsland loopt. Het is een gezellige drukte in de straat. De man knikt vriendelijk naar de lokale mensen. Er klinkt een vrolijk muziekje op de achtergrond.
   Maar dan gebeurt er iets merkwaardigs. Terwijl de man al voorbij is, krijgt er achter zijn rug iemand een dreun, een kind krijgt een schop en een meisje wordt achter een deur opgesloten. De blanke man loopt ondertussen nietsvermoedend verder.

Dan wordt het beeld zwart en volgt wat reclamemensen de pay-off noemen, de boodschap. Die luidt: “Open uw ogen voor mensenhandel.”

Daar zat ik dan, in een Antwerpse hotelkamer, naakt.
Mijn ogen open voor de mensenhandel.
Wagenwijd open.
Terwijl ik daar zat, met open ogen, probeerde ik te schatten hoeveel mensen ik op dat moment aan het helpen was.
Na een paar minuten begonnen mijn ogen te prikken. Ik vocht ertegen zolang ik kon, maar toen moest ik even een pauze nemen van de strijd tegen de mensenhandel.

*

Er wordt beweerd dat de betrokkenheid afkalft, maar het tegendeel is waar. Politici kondigen de ene na de andere crisis af. Kranten berichten over een oneindige lijst maatschappelijke misstanden. Actiegroepen schermen onafgebroken met slachtoffers en het onrecht dat hen is aangedaan.

Er is geen tekort aan betrokkenheid, er is een enorme overproductie. Als er één woord is dat de huidige staat van onze betrokkenheid samenvat dan is het wel dit: hysterie. Hysterie is dagenlang zendtijd inruimen voor een meisje van dertien en haar boot.

Mijn vraag aan u is: Geniet u van de hysterie? Wordt u bevangen door een aanstekelijke levenslust als u het leed van anderen ziet? Voelt u zich een beter mens, een completer mens?

Zelf kan ik deze vragen niet bevestigend beantwoorden.

Voor alle duidelijkheid: Ik ben niet tegen betrokkenheid tout court.
Betrokkenheid is zoiets als een erectie. Bij bepaalde gelegenheden is een erectie gepast. Noodzakelijk zelfs. Maar als je er geen aanwending voor hebt, dan wordt een erectie een pijnlijke, beschamende aangelegenheid.

Ik las laatst over een man in een bejaardentehuis die per ongeluk viagra had geslikt – hoe dat kon gebeuren, is een ander verhaal. Het effect van de viagra dwong te man tot het doorbrengen van enkele wanhopige uren, opgesloten in zijn kamertje met zijn eigen vreugdeloze erectie.
Aan die man moest ik denken toen ik me in de hotelkamer in Antwerpen bevond, met mijn ogen open tegen de mensenhandel. Daar zat ik dan met mijn betrokkenheid – de viagra achter de kiezen, alleen met mijn vreugdeloze erectie.

Het antwoord op de overdaad aan betrokkenheid, op de hysterie is niet moed, verzet of opstand. Het antwoord is apathie. En ik sta vandaag hier om u te zeggen: Apathie is goed. Apathie is nodig. Apathie is de bevrijding van de vreugdeloze erectie.
Als dat het menselijk failliet is, dan kan mijn faillissement niet snel genoeg komen.

Tot slot nog dit: Misschien overweegt u ook uw eigen failliet af te kondigen. Dat staat u vrij, maar ik zeg erbij: ik ben niet geïnteresseerd in het starten van een beweging. Tolstoj zei ooit: “Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, maar ieder ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.” Iets vergelijkbaar geldt hier: Alle geëngageerde mensen lijken op elkaar, maar iedereen is apathisch op zijn eigen wijze.




Komende zondag ben ik op het Zomerparkfeest in Venlo. Voor het onderdeel Writers for President schrijf ik een toespraak.
     Het ambt van de president lijkt me overigens een nachtmerrie.  Dit gegeven is mijn vrouw bekend. Des ondanks is ze al enige tijd van mening dat ik politicus zou moeten worden. Toen ze dat een keer vertelde aan mijn baas, verslikte deze zich in zijn wijn. Toen hij uitgelachen was en zag dat mijn vrouw het niet als grap had bedoeld, bood hij zijn excuses aan.

27/08 - 3

Dagtaak

Langs onze tent wandelt een Nederlands echtpaar van middelbare leeftijd. De man draagt een strohoed en een smetteloos wit poloshirt. De ene hand houdt een mobieltje tegen zijn oor, de andere hand zit ontspannen in zijn broekzak. ‘Ja, hier is het ook heel warm,’ zegt hij in de telefoon.
    Zijn vrouw loopt een meter of twee achter hem. Haar korte witte broek is hoog opgetrokken en eindigt vlak onder haar grote boezem. Ze knikt naar ons. Ik glimlach terug.
    Als ze voorbij zijn volgt er nog sjokkende zwarte hond. De vrouw draait zich om en zegt: ‘Bas, even erbij blijven, jongen.’
    ‘Nee, wij hadden vandaag een rustdag,’ zegt de man ondertussen op gezaghebbende toon in de telefoon.
    Ze slaan rechtsaf. Het ommetje zit er alweer bijna op. Het is een rondje om onze tent, eigenlijk. De camping is zo schattig klein, daarop heeft iedereen hem uitgezocht.

Even later loopt een andere man telefonerend langs onze tent. Tijdens het gehele rondje om onze tent luistert hij zwijgend naar de telefoon.

Ik denk aan mijn mobieltje in de auto en voel enige opluchting dat ik nog niet bellend heb rondgelopen. Zelfrechtvaardiging is een dagtaak waarvan je geen vakantie kunt nemen.




Losse eindjes

1.
In februari stuurde ik tien zwerfboeken het land in. Opvallend patroon: alle mannelijke ontvangers, op een na, schreven een reactie en stuurden het boek verder. Alle vrouwen zwegen en hielden het boek zelf in bezit. Verklarende theorettes zijn welkom.

2.
Ik kreeg bericht dat er een nieuwe database werd gelanceerd waarin wetenschappers elkaars publicaties kunnen opzoeken. Het systeem heet NARCIS. Revenge of the nerds.

3.
Over narcisme gesproken, ik voelde me gevleid toen Wilders aan het begin van zijn campagne tegen de elite een eervolle vermelding schonk aan “bestuurskundedoctorandussen met designerbrillen”. Ik kijk al jaren uit naar het moment waarop mijn ogen voldoende verslechterd zijn om ook een designbril te kunnen aanschaffen. Blijkbaar zit ik in het juiste vak. (Inmiddels zijn alle doctorandussen toegelaten tot de elite. Pietsje vulgair.)

4.
Ik mag maximaal twee uitroeptekens per jaar gebruiken. Maar die regel is ernstig in verval geraakt in de e-mailcorrespondentie met enkele vrouwen. Ik las een aardig stuk over de voorliefde van vrouwen voor het uitroepteken. In mijn geval dwingt dat wederkerigheid af. Ik wil niet zuinig overkomen. Esthetische offers zijn daarvoor gerechtvaardigd. Als de keuze bestaat uit gierig of smakeloos, dan kies ik smakeloos.

5.
Heel af en toe leer je iets kennen dat je met terugwerkende kracht gaat missen. Zo ontdekte ik pas recent de columns van Peter Middendorp. Hij hangt elke dag rond op het Binnnhof en schrijft daar over nieuwsonwaardige situaties. Stylistisch doet het denken aan wijlen Bril, maar voor Middendorp staat iets anders op het spel. Hij tast af hoe hij zich moet verhouden tot wat ik maar even 'de politiek' noem. Aftasten vormt een belangrijk onderdeel van mijn levensgeluk. Het is een poos geleden dat ik jaloers was op iemands baan.

6.
Ik wil u niet dwingen de laatste recensies van mijn roman te lezen door ze hier uit te meten. Mocht u toch benieuwd zijn, er zijn enkele nieuwe besprekingen toegevoegd aan de betreffende pagina.
     Verder is er serieuze interesse van buitenlandse uitgevers. Dat verraste mij ook, ja. Op dit moment laat het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds een hoofdstuk vertalen – niet het openingshoofdstuk, maar "De Verkeerde Natuur", over het bezoek aan het boerenechtpaar op het eiland. De hoop is dat daardoor iemand zal toehappen. Ik reken nergens op. Dat probeer ik, althans. Hoop is toxisch in hoge concentraties.




Maand zesenveertig

Lieve Vera,

Kleine reus van me. Ik ben je kinderlijfje kwijt. ’s Ochtends in bed schurk ik aan tegen een volwassene met een groeistoornis. Een duimende lilliputter.
    De geboorte van je zusje Jules heeft alle verhoudingen veranderd. Soms slaat mijn vervreemding om in wantrouwen, alsof ik met een dubbelganger te maken heb. Een infiltrant die op pad is gestuurd met jouw uiterlijk als vermomming, maar wiens opdrachtgever een kleine meetfout heeft gemaakt, waardoor de proporties tussen jouw lichaam en het mijne ineens niet meer kloppen.
    Als ik je uit bed til, past je lichaam niet meer in het kuipje dat ik met mijn armen vorm. Aan alle kanten bungelen uitstekende ledematen. Voorzichtig manoeuvreer ik met mijn lading door deuropeningen en trapgaten. Je giechelt naar me, alsof we een parodie uitvoeren.

Dat is trouwens een geliefde bezigheid van ouders: je eigen verrichtingen beschrijven als een parodie op ouderschap. Er is een bescheiden, maar commercieel levensvatbare tekstindustrie ontstaan rond dit gegeven. De schrijver speelt vadertje of moedertje, doet af en toe een schijnbaar gewaagde bekentenis over zijn of haar falen en bespot zo de normen van goed ouderschap, tot bevrediging van de lezer.
    De speelruimte voor bekentenissen is nauw omlijnd. Ze beginnen bij ogenschijnlijk laakbaar gedraag. Je ouderlijke taak ontlopen door de langdurige herhaling van de DVD van Spongebob. Of toegeven dat er momenten zijn waarop je je kinderen wilt uitbesteden aan vierentwintiguursopvang.
    Maar de bekentenissen eindigen altijd ruim voor de streep van werkelijke normoverschrijding. Het zijn pseudobekentenissen. Het feit dat de betreffende ouder er, letterlijk, mee te koop loopt, zegt genoeg. De ogenschijnlijke overtreding wordt altijd voorzien van verzachtende omstandigheden, waarbij de grote, liefst bovenmenselijke inspanningen van de ouder breed worden uitgemeten. De lezer concludeert dan zelf: Dit is een goede ouder, maar ergens houdt het op. Herkenbaar en geruststellend. Een conclusie waarbij alle deelnemers aan de transactie zich beter voelen. De column wordt geplaatst, het tijdschrift verkocht, de lezer bevredigd.
    Laatst vatte iemand dit genre handzaam samen: De vrouwelijke schrijvers willen vergeving, de mannen applaus. Uiteindelijk is dat hetzelfde: erkenning van hun ouderlijke kwaliteiten.
    Ik ben geen uitzondering. (Dat is overigens het mantra van je vader: Ik ben geen uitzondering. Ik zal je deze vier woorden zo spoedig mogelijk aanleren. Veel leed wordt voorkomen door het elke ochtend tegen je eigen spiegelbeeld te prevelen.) Ook ik vul mijn brieven aan jou met onheuse bekentenissen, bedelend om jouw applaus. En, indien mogelijk, ergens een betaalde column. Ook voor zelfgenoegzaamheid is een markt, zolang je het maar verpakt als gemankeerde liefde of zelfkritiek. Vooral naar gemankeerde liefde is een onverzadigbare vraag. Gemankeerde liefde, liefst iets gemankeerder dan gemiddeld, verkoopt mensen de illusie dat ze zelf normaal zijn. Dat is het laatste waarop bezuinigd wordt tijdens een crisis.

Het valt me af en toe zwaar een bekentenis te vinden die voldoet aan de spelregels. De enige die me recent te binnen schoot was mijn neiging om voortdurend aan je billetjes te voelen. Die oefenen een onweerstaanbare aantrekkingskracht op me uit. Mijn vaderlijke handtastelijkheden raken aan een taboe, maar blijven op veilige afstand van de terzakedoende strafrechtelijke categorieën. En, onmisbaar in dit genre, ze drukken liefde uit. Maar het ligt wat precair, natuurlijk. Vermoedelijk zijn allerlei incestplegers eveneens bezeten van liefde.
    In dat opzicht kan ik je echter geruststellen: mijn liefde voor jou is groot, maar ik ben nog nooit bezeten geweest door wat dan ook.




Vreemde dagen

Het zijn vreemde dagen.
    Gezinsgeluk is een soort verdoving. Zo een waar je een zekere lichtheid van in je hoofd krijgt.
    Ik poetste net een streepje poep van de wc-bril. Vera moest zelf haar billen afvegen omdat ik iets met Jules aan het doen was. Weet niet meer wat. Er was me verteld dat ze inmiddels zelf haar billen kan afvegen, maar tot nu toe zag ik geen noodzaak die vaardigheid in te schakelen. Delegeren is vaak een synoniem voor inefficiëntie.

Over inefficiëntie gesproken, onze politici hebben het steeds vaker over mensen ‘in het spitsuur van hun leven’. Meestal gevolgd door iets wat empathie moet uitdrukken. Ik ben bang dat ik strikt genomen tot de doelgroep behoor van die boodschap en dat bevalt me maar matig. Ik vond het prettiger toen politici me geen empathie probeerden te verkopen. Toen voelde ik me aangesproken door een categorie als ‘de oppassende burger’. Prima lui, de oppassende burgers, je hebt er geen omkijken naar, maar het zijn ook een beetje sukkels. Juist die sukkeligheid ontsloeg de politieke woordvoerders van de plicht tot empathie.

Het gezinsgeluk kende dit weekeinde een ongewone cesuur. Mijn vrouw reisde met enkele vriendinnen en alle bijbehorende kroost af naar een vakantiepark. Halverwege het weekeinde meldde ze telefonisch dat het weliswaar verschrikkelijk was, het vakantiepark, maar toch ook wel erg prettig.
   De markt kent ons beter dan wij onszelf en dat is soms confronterend, maar zelden onprettig.

Ik keek dit weekeinde zeven films. (Meest verrassend: Unser täglich Brot.)
    Zondagavond besloot ik mijn laptop van een schone installatie van Windows te voorzien. Ik heb nooit geprobeerd geluk te definiëren, maar het is in ieder geval dit: een schone Windows-installatie.
    Alleen ging het mis. De laptop liep voortdurend vast. Wat ik ook deed, het hielp niet.
    Uiteindelijk stopte ik de vorige harde schijf er weer in, waarop een oude, maar functionerende installatie stond.
    Prompt liep die ook vast.
    Het duurde nog een avond en een ochtend voor ik het euvel had gevonden. Ik had tijdens de schone installatie ook nog even snel een BIOS-update gedaan. Even snel, dat is een omineuze uitdrukking in deze context. De update had de IRQ’s van alle randapparaten op hetzelfde nummer gezet. Niemand wil dit weten, maar ooit ga ik dit stukje teruglezen en me afvragen wat het euvel ook alweer was. Ik kan alle crises die me als computerbezitter hebben bezocht in groot detail construeren. Daar streef ik niet naar. Sommige vaardigheden maak je je eigen ondanks jezelf.

Vanochtend, vlak voordat ik Vera uit school ging halen, was het opgelost. Vera gaat af en toe een ochtend ‘wennen’ – zoals dat heet in het jargon van de kinderprofessionals. Een soort Jip en Janneketaal waarin het woord ‘lekker’ sterk oververtegenwoordigd is. Ook deze ochtend had Vera weer een ‘lekker ochtendje’ gehad. Het onderwijs is zoals bekend gefeminiseerd en de populariteit van ‘lekker’ is daar een direct gevolg van. Je hoort het ook op andere plekken. Lekker in je vel zitten. Of: Lekker even een weekendje weg zijn. Of: Lekker dan.
   Het is een bepaalde groep vrouwen die deze zes letters de kracht toeschrijft het leven tot zijn essentie te reduceren.

Ik dwaal af. Vera gaat dus naar school. Zo goed als. Het is een constatering die onvermijdelijk de verzuchting uitlokt dat het allemaal zo snel gaat. Daar kan ik niets tegen in brengen. Het gaat allemaal zo snel. Weemoed is onmiskenbaar deel van het gezinsgeluk.




Bommeldingen en moedermoorden

De afgelopen dagen woonde ik een conferentie bij van onderzoekers en ambtenaren. Er is een lange periode geweest waarin ik nauwelijks conferenties bezocht. Het moderne kantoorbestaan heeft rituele vormen van zingeving nodig, maar ik had de indruk dat de rituelen beter gedijden in mijn afwezigheid.

Dat is langzaam veranderd, moet ik inmiddels constateren. Gisteren werd me duidelijk waarom: Ik ben een zakkenroller geworden. Terwijl het ritueel wordt uitgevoerd, snuffel ik rond in de zakken van de aanwezigen. Mijn bezoek is geslaagd als ik naar huis kan met een paar curieuze feitjes of amusante ideeën.

Zo hoorde ik gisteren dat de meldkamer van de politieregio Amsterdam-Amstelland per dag zo’n 200 bommeldingen binnenkrijgt. Deze informatie beurde me enorm op. De mensen die de telefoon beantwoorden besluiten in bijna alle gevallen de betreffende informatie te negeren. Daarvoor moeten we ze dankbaar zijn. Zodra een melding wordt voorgelegd aan een superieur is escalatie nauwelijks meer te voorkomen. Dan moet iedereen ineens zijn taak gaan uitvoeren. Waar dat toe leidt zagen we eerder dit jaar rond de Ikea in Amsterdam.

Tijdens het diner hoorde ik nog de interessante theorie dat de films van Walt Disney worden getekend door mannen met een moedercomplex. In veel verhalen komt de moeder op brute wijze om het leven. Ik moet toegeven dat ik het een van de charmantste eigenschappen vind van die films.




Barbatrick

Waar komt Barbapappa vandaan? Ik zal het maar meteen zeggen: uit de grond. Als een soort bloembol. Nee, ik geloofde het eerst ook niet.

Sinds Vera Youtube heeft ontdekt worden allerlei jeugdmysteries ontrafeld. Zo weet ik ook sinds kort waarom ik het liedje van Peppi en Kokki nooit verder kon zingen dan ‘toet toet, boing boing, Peppi en Kokki’. Omdat het namelijk onnazingbaar is.

Voordat ze Youtube ontdekte, keek ze filmpjes uit een door mij met veel zorg aangelegde videotheek op de multimediacomputer in onze woonkamer. De typering ‘met veel zorg’ is niet overdreven. Zo ben ik drie avonden bezig geweest met het omzeilen van de kopieerbeveiliging van Jungle Book en het omzetten van het DVD-formaat naar een makkelijk afspeelbaar videobestand, met behoud van beeldkwaliteit. Vooral dat laatste blijkt een soort anale fixatie bij me op te roepen. Bij het afspelen drukte ik mijn neus tegen het dertig inch beeldscherm, speurend naar compressie-artefacten. Als ik teveel blokjes zag, deed ik de hele conversie weer over, met andere instellingen. Het uiteindelijke resultaat heb ik een paar keer met veel bevrediging aanschouwd. Haarscherp en toch tot een vijfde van de omvang teruggebracht. Niet dat die verkleining nodig was, met twee terabyte aan opslagruimte. Maar zelfopgelegde beperkingen verhogen de arbeidsvreugde.

Toen ontdekte Vera Youtube. Sindsdien kijken we elke avond na het badje naar een gruwelijk korrelig filmpje. Vera wuift compressie-artefacten heel achteloos weg. Dat heeft ze van haar moeder.

Afijn. Barbapappa dus.
    Vooral de Duitse Barbapappa is op Youtube terug te vinden. Die bevalt mij ook beter, al was het maar om het vibrato van de meneer die Barbalalaaaaaaaaaa zingt. Die gaat met plezier naar zijn werk, dat hoor je meteen. Ook hoor ik liever Ra-Ro-Rick, Barbatrick, dan Huup Huup, Barbatruuk. Het rijmt, meer zeg ik niet.

Op een gegeven moment vroeg Vera om de aflevering “van de vingernas, van dat Barbapappa gesloten is”. Vingernas is gevangenis. En inderdaad, ik zag een plaatje van Barbapappa achter tralies. Titel: Die Geburt. Rare titel, dacht ik nog.
    Het begint met een keurig Duits gezin. Papa met snor, aktetas en hoedje, moeders de vrouw onzichtbaar in een huisje, een poes en twee van die kinderen die altijd vrolijk zijn, maar nooit eens een leuk idee hebben.
    Terwijl de kinderen, een jongen en meisje, in de tuin spelen, zie je onder de grond een roze bloembolletje met twee oogjes. Of zoals de verteller zegt: Ein winziges Klumpchen. Toen regende het en begon het Klumpchen te wuchsen. Te groeien, als het ware. Uiteindelijk komt Barbapappa uit de grond en stelt zich in vlekkeloos Duits voor aan de twee kinderen. Het eerste dat die doen is hem meenemen naar Vati en Mutti. Dat soort kinderen, inderdaad.
    ‘Een Barbapappa?’ zegt de vader. ‘Wat moet ik daarmee? We hebben al een poes. Ik roep de dierentuin aan.’
    Even later wordt Barbapappa afgevoerd in een kooi, huilend.
    Gelukkig weet hij uiteindelijk te ontsnappen.
    De volgende aflevering blijkt hij vreemd genoeg weer terug te zijn bij die saaie kinderen en hun vader, die vindt dat een poes al bont genoeg is als huisdier.

Dan volgen enkele tragische verhalen over de zoektocht van Barbapappa naar andere Barbapappa’s. Die kinderen hobbelen wat achter hem aan, maar ze zullen nooit eens zeggen: Zal ik de raket misschien even van je overnemen, Barbapappa? Of: Waarom zet je niet een advertentie op Markplaats?

Uiteindelijk vindt Barbapappa een Barbamamma. Hij is net terug uit het heelal, wanneer ze als een mol uit de grond opduikt. Zonder aarzeling verklaart Barbapappa haar de liefde en ze trekken zich terug in een huisje. De volgende ochtend stapt Barbapappa met een blik van bevredigde wellust uit de voordeur en blijkt mamma de buidel vol eitjes te hebben. Die stoppen ze in de grond.

Juist.

Kort daarna dumpt Barbapappa eindelijk de duffe kinderen. Die duiken enige jaren later op als sidekicks van Pippi Langkous, waar hun rol zich beperkt tot het spuien van burgerlijke bezwaren bij Pippi’s plannen. Zodat kindjes als ik zich ook met iemand konden identificeren.

Blijft de vraag waar het eitje van Barbapappa vandaan kwam. Is er nog ergens een Barbapappapappa? We hebben nog heel veel afleveringen te gaan, maar ergens hoop ik dat een rechthebbende zich binnenkort bij Youtube meldt en alle filmpjes offline laat halen.




De helderziende

Toen ik vertelde dat ik naar een helderziende ging, maande mijn vrouw me aan wel eerlijk te zijn tegen de man.
    Maar het mooie van deze helderziende bleek dat je niet tegen hem kon liegen. Niet doelgericht, in ieder geval.

De helderziende heet Joost. Na afloop van onze sessie vroeg ik hem hoe hij zijn beroep benoemde. Hij zei: ‘Energie-reader.’ Dat lijkt me een geschikte naam voor een relatiegeschenk van Nuon. Of misschien voor de meteropnemer, wanneer managers besluiten dat de functieomschrijving ‘meteropnemer’ in al zijn nauwkeurigheid iets te weinig allure uitstraalt. Ik vond het enigszins ontsierend, misschien omdat ik die voorliefde niet begrijp voor het rondstrooien van brokjes Engels.

In het afgelopen jaar heeft Joost een kleine schare webloggers en schrijvers op bezoek gehad. Hij nodigt ze uit. De afspraak is: hij leest je energie en jij schrijft er een stukje over. Die stukjes plaatst Joost vervolgens op de site van zijn praktijk. Een van de sympathiekere vormen van marketing.

Op zijn eerste uitnodiging antwoordde ik terughoudend. Ik heb me vroeger door verschillende geliefdes laten overhalen me ‘open te stellen’ voor esoterische praktijken en die ervaringen hebben mijn nieuwsgierigheid tamelijk vakkundig uitgeroeid.

Na zijn tweede uitnodiging realiseerde ik me ineens dat ik mijn eigen scepsis niet meer interessant vond. Ik geloof er niet in, prima. Dat is nog geen reden je energie niet te laten readen.

En zo zat ik gistermiddag op een stoel in een bovenkamertje aan een Utrechts woonerf. Op zo’n stoel die je dwingt rechtop te zitten.
    Joost zat op een identieke stoel recht tegenover me, op een meter afstand.
    Terwijl hij zich concentreerde bekeek ik het interieur. Er lagen allerlei stenen op tafeltjes en plankjes, het soort stenen dat, om mij onbekende redenen, mensen in het alternatieve circuit tot een grote verzamelwoede weet te brengen.
    Toen zag ik, tussen de stenen, een kleine bandiet.
    Een zwart playmobielpoppetje met een zwarte cowboyhoed, een zwarte zakdoek over zijn neus en mond, twee kogelriemen om het bovenlijf en in elke hand een pistool. Alleen al dat bandietje maakte de reis naar Utrecht de moeite waard. Ik probeerde te bedenken wat het verhaal was van het bandietje. Dat er een verhaal was, leek me duidelijk.

Joost keek me recht in de ogen en zei dat hij af en toe zijn ogen dicht zou gaan doen. Dat vond ik een geruststellende mededeling. Ik kan niemand langer dan enkele seconden in de ogen kijken. Dan krijg ik het gevoel dat er stoppen op het punt staan door te slaan, ergens vlak achter mijn ogen. Met een uiterste wilsinspanning kan ik die tijdspanne soms oprekken, bijvoorbeeld als ik het idee heb dat wegkijken mijn zojuist gedane bewering leugenachtig doet voorkomen. Overigens zegt mijn vrouw dat ik dan gekweld kijk, hetgeen mijn waarachtigheid evenmin bevordert.

De sessie duurde anderhalf uur. Ik zei niets, op de mededeling na dat ik niets te zeggen had. Joost vroeg me alleen af en toe mijn naam uit te spreken.
    ‘Hallo, Michel van Eeten,’ antwoordde hij dan. Glimlachend. Met zijn ogen dicht.

Tijdens de sessie vertelde hij wat hij in mijn energie zag. Ik had niet verwacht iets nieuws te horen en hoorde dat dan ook niet.  Wat niet wil zeggen dat het onjuist was of oninteressant. Maar ik vermoed dat een trouwe lezer van dit weblog me even accuraat zou kunnen ontleden.

Wat me voor Joost innam is dat hij zeer zorgvuldig en helder formuleerde. Dat hield hij anderhalf uur lang vol, ook als hij toch alleszins vage observaties probeerde te articuleren. Ik dacht: esoterie zou een stuk verdraaglijker zijn als andere beoefenaren dezelfde taalbeheersing als Joost zouden hebben.

De sessie begon met een sterk beeld dat mijn huidige preoccupaties zeer handzaam samenvatte. Gaandeweg de reading merkte ik dat mijn aandacht aan het verschuiven was. Ik begon Joost interessanter te vinden dan de mededelingen over mezelf. Na afloop probeerde ik hem te interviewen, maar hij moest zijn kinderen van school halen, dus dat was niet mogelijk. Ons schoolsysteem predikt tolerantie, zolang als iedereen maar tijdig zijn kinderen komt afhalen.

We namen afscheid bij zijn voordeur. Ik fietste twee keer verkeerd voor ik de uitgang van het woonerf had gevonden.




Samenvatting

Ik keek voetbal. Mijn vrouw kwam even naast me zitten. Ze komt graag naast me zitten als ik voetbal kijk, want dan zit ik stil en kan ze op mijn schoot slapen.
    Vroeger wilde ze nog wel eens vragen welke competitie het was. Het antwoord beklijfde niet, dus die vraag hebben we achter ons gelaten.

De bal werd wat breed gespeeld, onderschept en weer breed gespeeld. Het soort voetbal dat veel mannen in mijn omgeving deed klagen dat de samenvattingen van RTL te lang waren.
    Alleen mensen die niet van voetbal houden zeggen zoiets. There is no such thing als een te lange samenvatting.
    Een korte samenvatting kijken is alsof je van de Tour alleen alle eindsprints bekijkt, van Idols alleen het winnende lied luistert, van een boek alleen de, nou ja, samenvatting leest.
    Maar ik ben alleen in die mening, schijnt.
    Ik mis evenzeer de analyses van Jan van Halst. Ook dat is een vrij eenzaam soort missen. Gelukkig kan ik bij Match of the Day nog wel fijne ontledingen zien van verdedigers die precies op tijd inschuiven of falende zonedekking op het middenveld of hoe het toch mogelijk is om tussen de linies te spelen terwijl je tegenstanders dat proberen te beletten.

Een rood poppetje wierp in, waarna het eindeloze zoeken naar de vrije man op het middenveld weer verder ging. Ondertussen werd er jolig gezongen op de tribunes.

Toen zei mijn vrouw ineens: Zo is het veel spannender dan een samenvatting.
    Ik keek naar haar hoofd in mijn schoot. Ze wil nog wel eens praten in haar slaap, al ging dat tot dusver nooit over voetbal. Maar ze sliep niet.
    En ik dacht: het huwelijk is een mooie uitvinding.




Synchronisatie

Het linker toilethokje was vrij.
Het rechter ook, maar daarin is het licht al maanden stuk. Voorafgaand aan het overlijden heeft de spaarlamp dagenlang onregelmatig geknipperd, waardoor de stoelgang een nogal surrealistische aangelegenheid werd.

Ik ging het linker hokje binnen. Hier is de toiletbril stuk. Een van de klemmen is verdwenen. Bij een onvoorzichtige beweging komt de gehele bril los van de pot.

Al maanden lang ga ik er van uit dat de reparaties nu elk moment kunnen plaatsvinden. Ik heb zelf de defecten niet gemeld aan het gebouwbeheer. Enkele tientallen mannen maken gebruik van dit toilet en een van hen zal bellen. Dat was de aanname, in ieder geval. Zo werkt het ook bij defecte kopieerapparaten.
Maar er is een verschil.
Kopieerapparaten worden ook door vrouwen gebruikt.
Ik heb geen kennis uit eerste hand van de staat van onderhoud van de vrouwentoiletten, maar ik maak me sterk dat een defect binnen een dag aan gebouwbeheer zou zijn gemeld. Als het de volgende dag nog niet verholpen zou zijn, zou er opnieuw gebeld worden.

Nee, dan de mannen. Enkele tientallen mannen, mezelf incluis, blijken al maandenlang in een soort chicken game verwikkeld zijn: Welke sukkel gaat er bellen.
Ondertussen draperen we voorzichtig onze billen op de loszittende toiletbril. En zuchten we als we onnadenkend het andere hokje inlopen, de deur op slot doen en dan vervolgens merken dat het licht het niet doet. Wat we al wisten. Het mooiste is het moment dat dan volgt: de zojuist ingesloten man drukt nog een keer of drie op de lichtknop. Dat kun je goed horen vanuit het linker hokje. Klik klik klik. Dan de zucht, dan het slot dat wordt opengedraaid, dan de deur die zich opent, dan het wegbenen uit de toiletruimte.
O ja, en dan het niet bellen.

Vandaag besloot ik, voorzichtig zittend in het linkerhokje, dat ik ging bellen.
Of nee, dat ik de secretaresse ging vragen om te bellen.
De enige vraag was nog of ik dat per email ging doen of dat ik de vijf meter zou lopen naar haar kamer. Het liefst natuurlijk per email, maar het respect van secretaresses is niet iets om lichtvaardig te verspelen.

Tijdens het handenwassen had ik mijn besluit genomen.
Net voor ik naar buiten liep, opende ik de deur van het rechterhokje. Ik drukte op de knop. Er gebeurde niks. Net toen ik de deur weer wilde sluiten, sprong de lamp aan. De spaarlamp, moet ik zeggen.

Verbluft verliet ik de toiletruimte.

Ooit heeft onderzoek beweerd dat menstruatiecycli synchroon gaan lopen bij samenwonende vrouwen. Misschien zijn wij, de tientallen mannen die dit toilet bezoeken, ook gesynchroniseerd geraakt. Ik kon een gevoel van verbondenheid niet onderdrukken.
Nu die toiletbril nog.




Centjes

Zaterdagmiddag arriveerde ik in Venlo voor een radio-uitzending. In de winkelstraten die het station verbonden met het café waar de uitzending zou plaatsvinden, was een rode loper uitgerold.
     Hoeveel gemeentelijk winkelplannen zullen niet de uitdrukking bevatten: de rode loper uitrollen voor het winkelende publiek. Om vervolgens iets op te merken over bloembakken en parkeerfaciliteiten. In Venlo neemt men beleidspoëzie aanzienlijk serieuzer.

Ik ga het café binnen. De uitzending, het cultuurprogramma van de Limburgse zender L1, is al enkele uren bezig. Een medewerker heet me welkom en wijst naar een oudere man, die met mij het laatste uur zal verzorgen.

De oudere man begroet me en verontschuldigt zich dat hij mijn boek niet heeft gelezen. 
     Ik knik. Het cynisme dat gearriveerde schrijvers verspreiden over de media maakt dat ik hier niet door verrast ben. Bovendien had de redactie me pas donderdag gebeld, omdat een andere gast was verhinderd.

Dan zegt de man iets waaruit blijkt dat hij niet de presentator is, maar eveneens een gast. Als hij begrijpt welke conclusie ik had getrokken, reageert hij geschokt. Hij deinst letterlijk achteruit bij de gedachte dat de presentatoren het boek niet gelezen zouden hebben. Dat zou een schande zijn.

Terwijl we wachten op het laatste uur van de uitzending wordt de man aangekondigd als ‘cultureel ondernemer’.
     Ik vind dat een sympathieke functieomschrijving.
     Hijzelf blijkt er minder gelukkig mee. 
     'Waarom?' vraag ik.
     Het doet hem teveel aan ‘centjes’ denken. Hij trekt een vies gezicht. Hij voegt er nog aan toe: ‘Ik ben altijd braaf in loondienst geweest.’
     Afstand houden tot ondernemers en centjes werd lang gezien als een relikwie uit een ander tijdperk. Innmiddels is het een stellingname waarmee je weer gezien mag worden.

We brengen samen een genoeglijk uur door met de presentatoren, die zich uitstekend voorbereid blijken te hebben.

(L1 heeft geen audio-archief, maar de uitzending wordt morgen, dinsdag, herhaald om 20:00u.)




Incontinentie (slot)

(Wat er voorafging.)

Toen de kookwekker de nul had bereikt, werd er fluisterend overlegd tussen de witte jassen. Het viel me nu pas op dat het drie jonge vrouwen waren. Twintigers, hooguit begin dertig.
    Een van hen, een vrouw met sproeten en pluizig rood haar, keek me aan en verkondigde het oordeel: ‘Ze komt wat moeilijk op gang.’
    De zorgvuldigheid waarmee ze dat medische eufemisme uitsprak, maakte dat er iets brak in mij. Ik knikte. Ik wist niets meer.
    Jules werd per couveuse afgevoerd. Ik liep er werktuiglijk achteraan. We sloegen linksaf, terug de kraamkamer in.
    De seconden die toen volgden ben ik kwijt. Het volgende moment wierp ik me huilend in de armen van mijn vrouw. Ik zag nog net haar geschrokken blik. Ze dacht dat er iets mis was gegaan met Jules. Met moeite wist ik dat misverstand te herstellen.
    Samen keken we een moment naar de couveuse.
    Ondertussen bestreed mijn lichaam uit alle macht de incontinentie van mijn ogen. Er werd gestaag terreinwinst geboekt.
    Ik voelde schaamte en tegelijkertijd iets van trots over mijn gejank. Ik huil ongeveer twee keer per decennium en dat lijkt hoe langer hoe meer op een tekortkoming. Het huilen heeft een enorme emancipatie doorgemaakt de laatste jaren. Niemand kijkt meer op van mensen die huilen om meeslepende boeken, stotterende kinderen, overleden bekende Nederlanders, onbeantwoorde liefde, beantwoorde liefde, middels siliconen herrezen borsten, onbeleefde helpdeskmedewerkers, winnaars van talentenjachten op televisie, verliezers van talentenjachten op televisie, en natuurlijk ook om een breed assortiment aan onrecht in de wereld.
    Na mijn gesnik in de kraamkamer koesterde ik me even in de warme boezem van de medemens.

Ik liet mijn vrouw achter en volgde de couveuse door de gangen. Mijn ogen bleven waterig, ook al wreef ik ze af en toe droog met mijn trui. ‘Kijk,’ zei ik in gedachten tegen het medisch personeel, ‘kijk, ik huil. Ik ben net als jullie.’
    Na een poosje viel me op dat het medisch personeel zorgelijk naar me keek. Ik begreep niet waarom. Huilende vaders zijn eerder regel dan uitzondering, neem ik aan. Het leek alsof ze het roken: hier is iets niet in de haak.

Later die avond liep ik van de kinderafdeling terug naar de kraamafdeling, waar mijn vrouw werd opgelapt. De neiging te huilen was nog niet helemaal weg. De lift naar beneden was leeg. Ik probeerde even toe te geven aan die neiging. Er gebeurde niets. Om het een handje te helpen begon ik hardop te snikken, als een soapsterretje. Maar mijn ogen waren droog en bleven droog.

Door de nachtelijke regen liep ik van het ziekenhuis naar het station. Dikke, warme druppels na een broeierige dag. In plaats van het drankenkabinet te openen, maakte ik thuis een bakje muesli met melk klaar.

~oOo~

(Inmiddels maakt iedereen het goed. Bijgevoegd enig bewijsmateriaal.)




Incontinentie

Na de eerste bevalling van mijn vrouw, drieënhalf jaar geleden, was ik enkele weken lichtelijk drankzuchtig.
    Deze keer niet.
    Misschien omdat ik even heb gehuild, een paar minuten nadat Jules met grof geweld aan mijn vrouw was ontrukt. De vorige keer verzette mijn lichaam zich daartegen, alsof tranen een vorm van incontinentie zijn. Daar valt wat voor te zeggen.
    Deze keer werd het echter overrompeld.
    De bevalling was een slagveld. Of beter: een verkeersongeluk.
    Geschreeuw, getrek, hitte, zweet, bloed, kots, opgerolde mouwen, piepende alarmen, loodgietergereedschap, infusen en plakband. Heel veel plakband. Doorzichtig, wit, bruin, kilometers ervan. Genoeg voor alle seizoenen van MacGyver en de bevoorrading van een middelgrote doehetzelfketen.
    Plakband stond de hele dag centraal in het medische proces. Elke verpleegkundige en arts droeg minimaal één rol in een jaszak. Er ging geen bezoek aan het kraambed voorbij zonder dat de betreffende professional de rol tevoorschijn haalde en ergens nog een plakbandje toevoegde. De hand waarop het infuus was aangebracht groeide in de loop van de dag uit tot een bolvormige klomp die als een soort pacman de onderarm van mijn vrouw begon te verorberen.

Ik viel niet flauw. Wel keek ik af en toe achter me of er scherpe voorwerpen stonden. Tijdens het hoogtepunt van de uitdrijving voelde ik alleen nog maar de behoefte om iedereen van mijn vrouw af te duwen en haar mee naar huis te nemen, met de mededeling dat we bij nader inzien nog even moesten nadenken over de wenselijkheid van verdere voortplanting.

Op het moment dat Jules ter wereld kwam bestudeerde ik de oneffenheden op de witte muur achter het hoofdeinde van het kraambed. De hand van mijn vrouw was inmiddels zo heet dat ik bang was dat hij versmolten was met de mijne.

Jules bleek een wit bloederig spookje dat even aan mijn vrouw werd getoond, zoals je een bewijsstuk toont aan een sceptische jury, en toen meteen werd afgevoerd door drie witte jassen. Ik holde er achteraan.

De witte jassen verzamelden zich in een ruimte rondom iets dat een reanimatietafel bleek te heten. De naam deed geen recht aan de absurdistische installatie die niet zou misstaan in het Stedelijk Museum.

Jules werd op de tafel gelegd, waarna een witte jas een beademingspomp op haar gezichtje zette. De andere witte jassen deden niets. Of beter gezegd: ze observeerden in stilte.
    Het leek alsof ze mediteerden.
    De stilte werd alleen onderbroken door het geluid van apparaten. Ergens in de installatie telde een kookwekker af, elke minuut markerend met een opbeurend geluidje dat vooral probeerde uit te drukken dat het geen alarm was.
    Eindelijk klonk een zwak huilen van Jules, gedempt door de ademhalingspomp.
    De kookwekker telde ondertussen verder af en ik vreesde het moment dat hij bij nul zou arriveren, alsof het een quiz was en we nog maar even hadden om het juiste antwoord te roepen.

(Morgen het slot. Het loopt goed af, heus.)




Jules

Ze is woensdagavond geboren, na een lange dag waarin ik me verdiepte in winterbanden, nadacht over MacGyver, met washandjes depte en mijn vrouw wilde ontvoeren.

Moeder en dochter zijn nog in het ziekenhuis. Thuis tellen Vera en ik af.




Nagekomen

Nog twee nagekomen besprekingen. Het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds heeft Tegennatuur geselecteerd als een van de tien boeken die ze onder de aandacht brengen van buitenlandse uitgevers. Daarvoor heeft men een Engeltalige beschrijving van het boek gemaakt met enkele genereuze zinnen, zoals deze:

“Debut novelist Michel van Eeten has a tremendous talent for looking at things from the reverse side.”

Zojuist plaatste 8weekly een uitgebreide recensie van Tegennatuur. Een paar hoogtepunten:

“Voor karakters en landschappen geldt: een natuur in ontwikkeling treft tegenkrachten waarvan zij afhankelijk wordt. Tegennatuur van Michel van Eeten beschrijft dit machtsspel meeslepend en beschouwend.”

“Essayistische vragen met geestige antwoorden...”

“De lezer worstelt mee in het machtsspel, de intuïtieve sympathie strijdt met de ratio. De mens kan immers niet kiezen: hij wil behouden en gebruiken. Maar hij moet kiezen, in elk geval voor meer literair lekkers van Van Eeten.”

Het is overigens de tweede recensie die wijst op taalfouten: “Van Eetens grammatica is soms onjuist (‘het enige, dat (...) iets, dat’), maar dat valt in het niet bij de heldere symboliek en het poëtische idioom, dat alinea’s voorziet van aforistische gedachtestrepen...”

Eerder wees Koen Eykhout al op “taalslordigheidjes”. Daarnaast kreeg ik gisteren een reactie van een lezer die melding maakte  van een “ongewone en geestige vertaalfout”.

Het is modieus om uitgevers de schuld te geven van de gebrekkige taalverzorging die veel nieuwe romans schijnt te kenmerken. Zelf zou ik eerder de auteur aanwijzen. Maar zoals bekend is het identificeren van schuldigen iets anders dan het probleem oplossen.




Besprekingen

Veellezer IJsbrand van boeklog.info schreef een van de mooiste besprekingen tot nu toe. “Goede boeken, als deze, laten de lezer over onderwerpen nadenken, waar die voorheen blind voor was.”

Daarnaast is een zwerfboek besproken. Begin februari stuurde de uitgever tien exemplaren het land in. De meest zuidelijke bestemming was Ham in Belgisch Limburg. Dens moest eerst zes studieboeken doorwerken, maar vorige week kwam hij toe aan Tegennatuur. Zijn bespreking lees je hier (en hier).

De overige zwerfboeken staan op onderstaande kaart. (Ik wilde eigenlijk elke nieuwe bespreking via de kaart melden, maar het gaat mijn technische vermogens te boven om de kaart zo weer te geven dat de betreffende tekstballon geopend is. Suggesties zijn welkom.)


Zwerfboeken Tegennatuur weergeven op een grotere kaart




Maand drieënveertig

Lieve Vera,

Ooit namen we je mee naar een diner bij een professor, een man met een meedogenloze intelligentie. Terwijl we aan het aperitief nipten, keek hij naar zijn eigen kind, een wat slungelig jongetje met een afgeplakt oog, worsteldend met een stuk speelgoed. ‘Ze zeggen dat kinderen zo snel leren,’ mompelde de professor. ‘Maar dat vind ik helemaal niet.’
    Het is onvermijdelijk dat ouders teleurgesteld raken door hun kinderen. De enige manier om dat te ontlopen is geen enkele verwachting te koesteren. Dat lijkt me een vorm van kindermishandeling. Als teleurstelling onontkoombaar is, valt er iets voor te zeggen het zo snel mogelijk achter de rug te hebben.
    Je vader wordt binnenkort ook benoemd tot professor, maar het lukt me nog niet teleurgesteld te raken in jou. Volledigheidshalve moet ik er bij zeggen dat het een gekocht professoraat is. Bij zulke posities worden aan meedogenloosheid noch intelligentie al te hoge eisen gesteld.

Al met al zijn we bijna in het eindstadium beland. Zo meteen zijn er twee kinderen, maatschappelijk succes, een jaren-dertig-huis en een fietskar. Je moeder vatte dat kernachtig samen: ‘De doodsteek.’
    Je kunt erop wachten tot we dingen gaan roepen als ‘we moeten ook tijd voor onszelf maken’ of ‘ergens ben ik mezelf kwijtgeraakt’. Ik ben mezelf al jaren geleden kwijtgeraakt, zo ik mezelf al ooit gevonden zou hebben, maar toch zal die gedachte zich langzaam naar binnen vreten tot ik ga denken dat het oorzaak benoemt van wat er ontbreekt aan mijn leven. Ik zal niet weten wat er precies ontbreekt, maar dat er iets zal ontbreken, daarover bestaat gelukkig geen twijfel. Ergens op kunnen rekenen is ook een vorm van troost.
    De rest kun je zelf uittekenen. Iemand zal de schuld krijgen en bij het aanwijzen van schuldigen is het prettig als je niet te ver van huis hoeft. Dat maakt het allemaal wat aanschouwelijker.

Er is geen reden tot zorg, integendeel. Het is noodzakelijk dat jij je van me losmaakt. Zie mijn ingeslikte verwijten, mijn misplaatste verwachtingen, mijn kille teleurstelling, als hand- en spandiensten bij dat proces.

Je moeder observeerde dat ik de laatste tijd bijna uitsluitend schrijf over mijn assimilatie in de middenklasse. Zelf strooi ik te pas en te onpas met de term midlifecrisis. Je moet alert zijn bij dit soort dingen, want voor je het weet is het weer voorbij. Er zijn al heel wat crises onopgemerkt aan mij voorbij gegaan en daar heb ik nog steeds last van.

Ondertussen vermaken we ons met dans. Je bent altijd al een liefhebber geweest van deze bezigheid, net als je moeder. Deze maand brak er echter een nieuwe fase aan. Je ging voor ons optreden. Tot nu toe was het verplicht dat wij meedansten, maar nu dartel je alleen door de kamer.
    Gisteren viel je even terug in je oude patroon. Je trok je hoogzwangere moeder van de bank om mee te dansen. Na twee passen schudde je je hoofd en zei: ‘Mama, je noep weer gaan zitten.’
    We beperken ons nu tot toekijken. Ik weet niet waarom, maar het voelt enigszins voyeuristisch. De blikken die je op ons werpt om te controleren of we nog kijken, zijn vol spanning, alsof je ons probeert te verleiden. Het is een oogopslag die ik me herinner uit de benauwde uren die ik in mijn vroege puberteit doorbracht aan de rand van de dansvloer.
    Blijkbaar ben je er niet helemaal gerust op, behoort afwijzing tot de mogelijkheden. Dat zweept je op tot grote hoogten.
    Misschien is mijn voyeuristische gevoel niets anders dan de ongemakkelijke sensatie toeschouwer bij – nee, deelnemer aan, het geluk te zijn. Er zijn weinig zaken die me nerveuzer maken.

De teleurstelling zal komen en in sommige opzichten zal het een opluchting zijn.




De verkeerde Kiers

Halverwege de maaltijd, de wijn had inmiddels de zeurende pijn doen vergeten die mijn voet beheerste sinds ik uit frustratie tegen de muur van de squashbaan had getrapt, keek ik opzij.
    Aan het halfhoge muurtje van de open keuken hing de poster van het Delfts Bluesfestival. De enige naam die ik herkende was Blood, Sweat &, wacht even, Kiers?

Kiers?

Thuis bezocht ik de site van de band.
Het was de verkeerde Kiers, natuurlijk.




De partnerles (slot)

(Wat er voorafging.)

De yogalerares kijkt naar de groep. Ze taxeert ons, zoals ik net haar huis taxeerde.
Dan brengt ze de vrouwen op de hoogte van een rampzalig vroeg begonnen bevalling van een medecursist. Ondertussen tast haar hand naar de afstandsbediening van de Zweedse muziekinstallatie. Die ligt tussen enkele glanzende stenen die vermoedelijk niet te onderschatten gezondheidsvoordelen bieden. Haar slechte nieuws wordt overdadig begeleid door sitarklanken, tot de vrouw eindelijk de volumeregeling heeft gevonden. Ook dan is het nog niet naar haar zin. Ze draait zich naar de installatie en maakt een wuft gebaar. Zonder dat ze de glanzende zwarte doos aanraakt glijdt er een paneel open. Ze drukt op enkele knopjes.

Er volgt een les met weinig yoga en veel theorie over hoe je geacht wordt te bevallen. Het belangrijkste kenmerk van die theorie, zo begrijp ik na enige tijd, is dat het onmogelijk is om correct te bevallen.
Mijn vrouw ziet nogal op tegen de bevalling en dat lijkt me een alleszins rationeel standpunt. De meeste middelen om de zaak draaglijker te maken, worden door de yogalerares systematisch in diskrediet gebracht.

Aan het einde van de les wordt geïnventariseerd of de mannen de volgende week ook weer meekomen. Ook dat blijkt een soort partnerles, hetgeen enige verwarring binnen de groep oplevert. Eigenlijk zijn alle lessen partnerlessen, merkt de lerares zuinigjes op.

Mijn vrouw vraagt of ik dan ook weer meekom.
Ik glimlach en zeg dat we dan even de oppas moeten bellen.
Andere mannen lachen ook.

Dan gebeurt er iets vreemds.
Ineens gonst het dat de mannen niet meekomen.
Even later wordt officieel vastgesteld: de mannen komen niet mee.
Ik weet niet waar dat het gerucht is ontstaan.
Maar ik ben dankbaar.
De andere mannen lachen nog steeds, maar nu van opluchting.
De vrouwen dringen niet aan.
Integendeel. Ik verdenk ze ervan dat zij het gerucht hebben verspreid.

Als we weer thuis zijn, hervat ik mijn werkzaamheden aan de zojuist aangeschafte fietskar.
Mijn vrouw zegt: Zwangerschapsyoga en een fietskar, gelukkig vinden we het niet erg om burgerlijk te zijn.
Ik knik glimlachend en hoop dat ze gelijk heeft.




De partnerles

Donderdagavond, half negen. In de hal van een statig herenhuis verzamelt zich een tiental stelletjes. Echtparen, is waarschijnlijk een nauwkeuriger aanduiding. Maar dertigers zijn mensen die graag vertellen dat ze nog moeten wennen aan termen als ‘echtpaar’ en ‘mijn vrouw’.

Er wordt vriendelijk geknikt en gegroet.
De vrouwen wijzen de weg, de trap op, de geur van de wierook achterna.
We doen onze schoenen uit en verdelen ons over de matjes in de kamer. Er staat een sitar tegen de muur, maar het geluid komt uit een sobere zwarte muziekinstallatie van Zweeds design.

Ik kijk om me heen naar de mannen.
Ze zoeken zich een houding op het matje.
Knielend of de benen over elkaar gevouwen of tegen de muur hangend.
Witte dertigers, glimmende huid, doorvoed, vriendelijk, vol goede wil, gehuld in kleding die je eerder eigentijds dan modieus zou noemen. Spijkerbroeken, overhemden, truien met hier en daar een Engelstalig woord.
Hier zitten we dan, de burgerij, de ruggegraat van de economie, het marketingsegment dat smeekt om authenticiteit, de kern van elk electoraal succes, de mensen aan wie je iets kan overlaten, de kopers van kinderkarren en weekendjes in Maastricht, want we werken niet alleen aan onze carrière maar ook aan onze relatie. Men heeft ons uitgelegd dat dat moet en nu vinden wij dat ook.

Sommige mensen vragen zich af wie ze zijn, suggererend dat ze een mysterie zijn dat doorgrond moet worden.
Zelf heb ik meer last van een gebrek aan mysterie.
Ik kijk om me heen naar de mannen.
Dit ben ik dus.
Ik probeer de mannen met meer mededogen te bekijken.

We zijn allemaal gekomen voor de partnerles.
Geen van ons heeft gedacht: samen leren ademen, dat is liefde.
Maar we zijn er wel.
We zijn niet zwanger en dat schept verplichtingen.
De matjes zijn langwerpig en we hebben allemaal achter onze vrouw plaatsgenomen.
We lachen teveel. Ongemak vormgegeven als beleefdheid.

Ik bestudeer het pand, het glas in lood, de deurkozijnen, het siergips aan het plafond.
Als mijn blik terugkeert naar de groep, zie ik dat een andere man ook taxerend het onroerend goed opneemt.
Ik kan niet zeggen dat ik veel locaties heb bezocht waar zwangerschapsyoga wordt verzorgd, maar in beide gevallen kreeg ik het idee dat het doceren van yoga een manier was je te verhouden tot materieel succes, en wellicht tot de lange avonden wanneer je man ergens buitenshuis bezig is dat succes af te dwingen.

Het duurt even voor de yogalerares zich bij ons voegt.
Als ze heeft plaatsgenomen op haar matje, is haar eerste woord: ‘Zo.’

(Morgen het slot.)




Zwijgende commando-eenheid

Na de presentatie bij de opdrachtgever haast ik me terug naar Gare du Nord. Het heeft iets nonchalants, een retourtje Parijs voor een bijeenkomst van twee uur. Ik was vergeten hoe dat voelde, nonchalance.
    De avondspits heeft de wagons van lijn 9 volgeladen.
    Naast me zit een jonge vrouw zich op te maken. De vrouw tegenover haar, zelf aanzienlijk minder aantrekkelijk, slaat het wantrouwend gade.
    We passeren een serie kleine stations waar weinig mensen in- of uitstappen.
    Ik kijk uit het raam om te zien waar we zijn. Richelieu Drouot.
    Het perron aan de overkant is leeg, op twee oudjes na. Een grijze man in een muts en winterjas werkt zich systematisch door de inhoud van een prullenbak. Een meter of drie achter hem staat de vrouw, voorovergebogen over een stok. De panty’s om haar benen vertonen gaten. Ze is minder warm gekleed dan de man – een vestje over een bloemetjesjurk, van het soort dat mijn oma’s droegen, en sandalen aan haar voeten.
    Ze kijkt speurend in beide richtingen het perron af. Misschien staat ze op wacht.
    De man woelt verder, haalt een krant uit de prullenbak, bekijkt die vluchtig en stopt hem weer terug.
    De vrouw schuifelt iets dichterbij. De zolen van haar sandalen komen niet los van de stenen stationsvloer.
    Dan klinken de waarschuwingstonen en sluiten de deuren van de wagon zich.
    De man kijkt achterom naar de vrouw en knikt met zijn hoofd richting uitgang.
    De vrouw knikt bevestigend.
    Terwijl de metro optrekt, stappen ze behoedzaam achter elkaar over het perron, op weg naar de trap. De vrouw kijkt nog eens achterom, maar vooralsnog blijft het gevaar uit.
    Ik verdwijn in de donkere tunnel. In gedachten zie ik ze naast elkaar liggen in een groezelig bed tegen de muur van een vervallen appartement. Twee mensen door een onbekend lot aaneengesmeed tot een zwijgende commando-eenheid achter vijandelijke linies.
    Even ligt de liefde binnen handbereik – mijn vrouw en ik, oud, schuifelend door de stad als een zwijgende commando-eenheid. Maar al snel besef ik dat we beide lijden aan een gebrek aan vijanden.




Van oude koeien, en de dingen die voorbij gaan

Internetoudjes herinneren zich nog Kiers. Hij liet op allerlei weblogs commentaren achter die vaak lezenswaardiger waren dan het stuk waar ze onder stonden.
    Ooit kwam ik een lezer van Bijzinnen tegen die vertelde mijn stukken over te slaan en meteen naar Kiers’ commentaar door te klikken.
    Kiers ontvouwde eens de prachtige theorette dat mannen eigenlijk van mannenbillen houden; slank, strak en gespierd. Zelf had hij een vriendin met een royale bilpartij die buiten dat esthetische ideaal viel en dit was zijn manier om het ideaal te diskwalificeren.
    Niet lang daarna schreef Kiers zijn eigen In Memoriam en verdween van de internets.
    In de roman heb ik zijn theorette in de mond van een homoseksueel personage gelegd. Ik moest er ineens aan denken toen ik het kopje “Billenmannen” zag staan boven een bespreking van het boek in het universiteitsblad van de TU Delft.
    Naast deze oude koe, het stuk verscheen al voor de Kerst, twee iets minder oude koeien: een interview in Schrijven Magazine en een bespreking in Natuurwetenschap & Techniek.

O, en tot slot, Bijzinnen is opgenomen in de favorietenlijst van Vrij Nederland. In de categorie Opinie. Blijkbaar doe ik aan opinie. In alle eerlijkheid, dat was even slikken.




Maand tweeënveertig

Lieve Vera,

Deze maand had je vooral honger. De honger was niet nieuw, het obsessief melden daarvan wel. Je was een actrice die haar eerste rolletje had gekregen en wanhopig alle variaties uitprobeerde van de schamele hoeveelheid tekst die haar moest ontrukken aan de anonimiteit.
    In jouw geval bestond de tekst uit drie woorden: Ik heb honger.
    Vier woorden voor smeekbedes: Ik heb honger, pappa.
    In alle eerlijkheid, je gesmeek was weinig overtuigend. Meer zelfmedelijdend gejammer. Onthoud dit: zelfmedelijden roept eerder walging op bij het publiek dan sympathie. Het is veel effectiever hun medelijden op te wekken door je leed met waardigheid te dragen. Waardigheid, dat vinden de mensen mooi. Het ontslaat hen van de onaangename gewaarwording slachtoffers weerzinwekkend te vinden. Niemand kijkt voor zijn plezier naar een uitgeteerd kankerlichaam. Het is wel zo prettig als de patiënt zelf monter opmerkt vrede te hebben gesloten met de ziekte. Natuurlijk is het gespeeld, maar dat is geen schande. Alle waardigheid is geacteerd, alleen de kwaliteit van de voorstelling varieert.

Vandaag had je het ineens door. We liepen we over straat en je zei kalm: ‘Ik heb honger. Als ik niet eet, dan krijg ik hoofdpijn.’
    Zoals bekend zijn ouders snel onder de indruk van hun kroost. Maar voor iemand van drieëneenhalf vond ik dat een verbluffend waardig optreden. Ik heb je onmiddellijk meegevoerd naar de dichtstbijzijnde bakker. Je smeekbedes om de kaasstengel te vervangen door een marsepeinen varkenspootje heb ik genegeerd. Ook dat verlies nam je majestueus.

Februari was eveneens de maand dat je de interesse verloor in je aanstaande broertje of zusje. De komst daarvan wordt al tijden aangekondigd, maar weigert zich vooralsnog te voltrekken. Een poos lang vroeg je getrouw elke dag: ‘Is de baby al af?’ Nu lijk je te denken: ‘Ik zie het wel als het zover is.’ Die houding heb je van je vader. Je moeder is meer van de scenariostudies en contingency planning.
    Je hebt je aandacht verlegd naar de ‘plaatswerk’ – een houten timmertafeltje – en een zaagje dat je bij voorkeur aanwendt voor het amputeren van ledematen. Je vraagt overigens beleefd vooraf of je mijn arm of been mag afzagen.

Sinds de tweede voortplanting is medegedeeld aan vrienden en bekenden, krijgt je vader onveranderlijk dezelfde reactie van andere mensen die zich vaker dan eens hebben voortgeplant: twee is heel anders dan een. Waarbij ‘heel anders’ code is voor ‘veel erger’. Ook tot de code behoort de mededeling dat je ‘er wel veel voor terugkrijgt’. Verrassend genoeg zijn dit dezelfde mensen die het cynisch noemen als je menselijke relaties voorstelt als ruilhandel.
    Jij krijgt ook nog je aandeel, straks. Iedereen gaat je vragen te bevestigen hoe leuk het wel niet is, een broertje of zusje. Dat zul je een tijdje bevestigen. Alles wat nieuw is kan op jouw enthousiasme rekenen. Daarna zul je de vraag stilletjes gaan haten. En het mormel dat je koninkrijk is binnengedrongen ook. De stille haat zal niet verdwijnen, maar je zult merken dat je er een alleszins productief leven mee kan leiden. Liefde legt lam, het is de onvrede die ons vooruitgang brengt.




Geslagen hond

Enkele studenten wilden hun tentamen inzien, waaronder een jongen die zijn antwoorden had voorzien van enkele emoticons. Een aantrekkelijke, wat oudere student met een zachte stem en een bescheiden voorkomen.

We bespraken zijn antwoorden. Veelvuldig knikkend incasseerde hij de uitleg voor zijn ruime onvoldoende. Toen kwamen we bij de vraag waar hij een lachebekje had getekend.
    ‘Echt waar? Heb ik dat gedaan?’
    Hij trok het antwoordvel naar zich toe en staarde geschokt naar het bewijsmateriaal.
    ‘O, wat erg.’
    Hij verborg zijn gezicht in zijn handen en keek tussen zijn vingers door naar het papier. Het moment duurde lang. Ik had met hem te doen.
    Uiteindelijk ging hij weer recht zitten en zei: ‘Ik kom van het HBO.’
    Hij zag mijn onbegrip.
    ‘Ik bedoel, ik kan niet zo goed schrijven.’
    Ik glimlachte ongemakkelijk.
    ‘Sorry, laat maar,’ zei hij zachtjes.
    De rest van de bespreking zat hij erbij als een geslagen hond.

Opwaartse sociale mobiliteit mag aantrekkelijk zijn, maar het is lastig om onbeschadigd de eindstreep te halen.




Een koopje

In de trein naar Den Haag las ik dat Kees van Kooten beweerde dat masturberen vroeger, zonder het internet, een hele klus was. Tegenwoordig was er geen eer meer aan te behalen.
    Ik deel zijn wantrouwen jegens dat wat gemakkelijk of comfortabel is. Daarin ben ik niet alleen. De toerisme-industrie biedt al een poosje reizen aan waarvan het gebrek aan comfort het voornaamste verkoopargument is. Dat heet dan authenticiteit.
    Wellicht bestaan er ook zulke nichemarkten in internetporno, voor mensen die comfortabele orgasmen wantrouwen.
   
D. en ik aten dim sum in de Wagenstraat.
    Hij wilde weten waarom ik boos word wanneer iemand het begrip authenticiteit in de mond neemt.
    Er volgde een warrig gesprek. Ik geloof niet dat je de waarheid over jezelf kan opdiepen tijdens een cursus of consult. Wel geloof ik dat veel mensen bereid zijn om iemand te betalen die uitlegt dat hun ongemak, angst of weerzin jegens de medemens alleszins acceptabel is. Het woord authenticiteit schijnt in dat verband wonderen te doen.
    Dat lijkt me weinig bezwaarlijk. Ik hoor wel eens klachten over de tarieven van loopbaancoaches en vergelijkbare beroepsgroepen, maar voor het produceren van wonderen komt een uurtarief van honderdvijftig euro me redelijk marktconform voor. Goed, Jesus werkte gratis, maar het was wel lastig een afspraak met hem te maken tijdens kantooruren.
    In de marketing verschijnen de laatste jaren boeken over authenticiteit. Ze beantwoorden de vraag hoe je als bedrijf consumenten de illusie kunt verkopen dat ze uniek zijn en een echt leven leiden. Voor zo’n product ben ik ook in de markt, ik hou me aanbevolen voor tips.
    Al met al werd mijn boosheid niet opgehelderd.

We eindigden in café De Paas. Op mijn verzoek reconstrueerden we de paden die ons nu hadden afgeleverd in de boezem van de oppassende middenklasse. De meest dramatische wending in het pad van D. had zich voorgedaan toen hij, na twee jaar, er achter was gekomen dat de studie bedrijfskunde zich nogal vasthoudend met bedrijven bezighield. Toen is hij iets anders respectabels gaan studeren. Een dergelijk inzicht had zich bij mij nog niet voorgedaan.
    Vlak na de conclusie dat we geen van beide aanleg hadden voor avontuur, sprong hij ineens op om zijn trein te halen. Anders zou hij te laat in bed liggen.
    Zo bleef ik achter met twee halfvolle bierglazen.
    Naast me vroeg een oude man aan de barkeeper of hij nog een vrouw voor hem in de aanbieding had. Hij was er wel weer aan toe.
    De barkeeper schudde zijn hoofd.
    De man knikte zachtjes. Om zijn hals hing een plastic buisje, alsof hij een stethoscoop droeg onder zijn trui.
    We luisterden naar de muziek.
    ‘Is dit Perry Como?’ vroeg hij aan de barkeeper.
    Het bleek Sinatra te zijn.
    Bij het volgende nummer vroeg de man weer of het Perry Como was.
    Maar ook dat was niet Perry Como.
    Ik had grote moeite mijn bierglas leeg te drinken.
    De man staarde voor zich uit. Er waren genoeg lege barkrukken, maar hij wilde blijkbaar liever staan.
    Tijdens een ander muzieknummer verzuchtte hij: ‘Ik was nog jong toen dit op de radio kwam.’
    Toen legde hij zijn hoofd op de rand van de bar.
    Echtheid.
    Honderdvijftig euro om je daarmee te verzoenen is een koopje.




Respectvolle desinteresse

Mijn ouders kwamen op bezoek. Het programma is altijd hetzelfde: klussen, spelen met kleindochter, eten, televisiekijken.

De eerste klus was het schoonmaken van de dakgoten. Ik liet mijn vader op het gladde dak klimmen. Boven me hoorde ik gescharrel met pakken natte bladeren. Ondertussen vroeg ik me af vanaf welk moment het niet langer vanzelfsprekend zou moeten zijn dat de vader het dak op gaat, in plaats van de zoon. Het leek me dat het moment een kleine tien jaar geleden gepasseerd was.

Halverwege de middag dronken we koffie.
    Ik vroeg mijn vader of hij een stuk vruchtenbrood wilde.
    Voordat mijn vrouw was gaan werken, had ze me opgedragen iets lekkers te kopen voor mijn ouders.
    Het probleem is: mijn ouders vinden alles lekker. Behalve gesmolten kaas.
    Bij de bakker keek ik langdurig naar het assortiment. Ook zonder gesmolten kaas waren er allerlei mogelijkheden. Ik geloof niet dat er iets bij zat dat mijn vader onaangenaam zou vinden.
    Op de toonbank lag een rijtje vruchtenbroden met spijs en poedersuiker. Ik hou wel van spijs en poedersuiker.
    ‘Ach ja, geef maar een stuk,’ zei mijn vader.

Drie stukken later zei hij: ‘Wat ik nou niet begrijp, hè. Ze zeggen dat de economie vier procent krimpt. Maar waarom is dat zo erg? Als jij of ik vier procent minder verdienen, dan is er toch ook niet zoveel aan de hand?’
    Goed punt.
    Ik dacht aan het mysterie dat economie heet. Eerst zei ik het ook niet te weten, gevolgd door de  opmerking dat veel maatschappelijke processen gebaseerd zijn op groei. Als er geen groei is, loopt de zaak vast. Daarna oreerde ik nog wat over de aflossing van de staatsschuld, werkeloosheid en kettingreacties – een ontluisterende verzameling klokken en klepels.
    Mijn vader knikte en zei dat hij gek werd van alle geleuter op televisie.
    Wat de crisis ook mogen inhouden, dat in ieder geval: slechte televisie.
    Ik vermoed dat mijn ouders graag vier procent van hun inkomen zouden inleveren om verlost te worden van het gekakel.
    Het zou een elegante oplossing zijn. Iedereen levert vier procent van zijn inkomen in en dan praten we nergens meer over.
    Als economen dan willen uitleggen waarom economie niet zo werkt, betalen we allemaal een procent extra om de economen te laten zwijgen. Zoals je in een restaurant de violist een fooi geeft om je met rust te laten.
    Maatschappelijke betrokkenheid is mooi, maar tegen een redelijke vergoeding zou respectvolle desinteresse ook mogelijk moeten zijn.

Het vruchtenbrood was op.
    ‘Goed,’ zei mijn vader. Hij gaapte en kwam overeind. ‘Wat nu?’
    ‘De gordijnrails,’ antwoordde ik.




Fietstrommel (slot)

Voorafgaand: zie hier.

    De eerste les van het ambtelijke bestaan is: er bestaan geen eenvoudige problemen.
    Zo ook in dit geval.
    De wethouder zat in zijn maag met het fietstrommelbeleid. Er werden te weinig fietstrommels gebouwd. Alles waarmee de wethouder in zijn maag zit, daar plooit de ambtelijke organisatie zich loyaal omheen.
    Het zat zo. Burgers kunnen fietstrommels aanvragen. Tot zover geen probleem.
    Dan volgen er welstandstoetsingen, verkeerseffectrapportages en draagvlakpeilingen. Uiteraard.
    Het cynische publiek wil dit soort procedures nog wel eens schamper benaderen. Dat is het lot waarin de bureaucraten zich schikken. Ook zij verliezen wel eens uit het oog dat het publiek de procedures zelf heeft afgedwongen. Of ze zijn te beleefd om het publiek daaraan te herinneren.
    Ik ken iemand die gesneuveld is op de inkoop van koffieautomaten. Dat zou niet zorgvuldig genoeg gebeurd zijn. De kranten stonden er vol met verhalen over wanbeleid. Voortaan moet er dus een brede doelmatigheidstoetsing worden uitgevoerd.
    Afijn.
    Door alle zorgvuldigheid kan het meer dan vijf jaar duren voor een fietstrommel wordt geplaatst. Of hij wordt helemaal niet geplaatst. In de gemeenteraad was de wethouder hierover kritisch onderhouden. De fietstrommeldoelstellingen stonden op de tocht.
    De jonge ambtenaar glimlachte deemoedig en vroeg of ik nog tips had.
    Ik had geen tips, alleen nederigheid. Dit leek me de apotheose van beschaving. Bestuur als geïnstitutionaliseerde hypocrisie.

Zijn verhaal bleef nog dagen bij me. Er zijn mensen die troost vinden in literatuur of muziek. Ik vind troost in de fietstrommel.




Fietstrommel

Toen ik de jonge gemeenteambtenaar vroeg waar hij zich mee bezig hield, zei hij: ‘De fietstrommel.’
    ‘De fietstrommel,’ herhaalde ik, iets te nadrukkelijk. Ik had zelden een mooier antwoord op die vraag gehoord. Even voelde ik de behoefte hem te omhelzen en tegen me aan te drukken.
    De ambtenaar glimlachte behoedzaam, alsof hij wachtte tot ik een grap ging maken.
    ‘Fietstrommel als in: broodtrommel?’ vroeg ik.
    Hij knikte.

Ineens zag ik ze voor me, de halfronde plexiglazen stallingen met plaats voor een handvol fietsen. Een kaasstolp, daar dacht ik aan als ik er langs fietste. Maar nu begreep ik dat het uit de kluiten gewassen broodtrommels waren. Je opende ze door met een handvat een deel van de zijwand omhoog te schuiven in de rest van de constructie.
    Tot dan toe verkeerde ik in de veronderstelling dat mensen die zelf voor hun deur hadden neergezet. Dat was naïef. Er is een fietstrommelbeleid. De gemeente wil graag fietsbezit stimuleren, vanwege milieu, gezondheid, verkeer, waarvoor niet eigenlijk. Er zijn burgers die graag hun steentje bijdragen, maar die geen plek blijken te hebben om hun fiets te stallen.
    Veel maatschappelijke problemen zijn onoplosbaar, maar het bouwen van een plek om een fiets te parkeren, dat moet toch mogelijk zijn. En zo kan het gebeuren dat een jonge verkeerskundige ineens de baas is van het gemeentelijke fietstrommelbeleid.
    Maar de eerste les van het ambtelijke leven is: er bestaan geen eenvoudige problemen.

(Wordt vervolgd.)




Emoticons

Een dag lang keek ik tentamens na. Dit jaar stonden er voor het eerst emoticons tussen de antwoorden. Het zijn handgeschreven antwoorden, maar toch waren sommige emoticons een kwartslag gekanteld, alsof ze getikt waren op een toetsenbord.
    Ik keek er een moment naar en vroeg me af wat een cultuurpessimist hierover zou melden. Maar ik kon mijn aandacht er niet bij houden. Cultuurpessimisme zal zo nu en dan best gerechtvaardigd zijn, maar het is onveranderlijk saai. Het verkleint de werkelijkheid tot wat luie extrapolaties vanuit het verleden.

Laatst werd me een cultuurpessimistisch boek aangeraden. Volgens de Guardian was de auteur “one of the heroic few”, zo beweerde de achterflap. Ik kwam niet eens door de flaptekst heen.
    Het boek werd ook geprezen om zijn bijtende humor. Maar in dit genre is humor doorgaans kunstig geformuleerd geklaag.
    Ik kan niet tegen geklaag. Het roept een fysieke reactie op. Misselijkheid bij mensen die ik mag. Irritatie of woede bij anderen.
    Het geldt ook voor mezelf. Mijn vrouw probeert me op een onbewaakt ogenblik wel eens tot klagen te verleiden, maar na een paar woorden snijdt mijn lichaam me altijd de pas af.
    Het gaat te snel om vast te stellen of het misselijkheid of irritatie is. Of woede.
    Het achterwege laten van geklaag heb ik lange tijd als een verdienste gezien.
    Ik vind het nog steeds een vriendelijke eigenschap, vooral in gezelschap.
    Wel vermoed ik dat het minder een verdienste is dan een noodzaak. Als ik de onvrede heb uitgesproken is het een feit geworden waar ik niet meer omheen kan.
    Er zijn al genoeg feiten in mijn leven waar ik niet omheen kan, ik weiger die verzameling groter te maken dan strikt noodzakelijk is.

Ik geloof niet dat ik eigenlijk wilde klagen over de emoticons op het tentamen, al is zo’n vraag natuurlijk onbeantwoordbaar als je een beetje talent hebt voor onderdrukking.
    Ze riepen zelfs een zekere intimiteit op, de knipoogjes en lachebekjes. Nabijheid begint met grensoverschrijding.
    Overigens bestond er geen verband tussen het gebruik van emoticons en de kwaliteit van de antwoorden.




Varia

De zwerfboeken zijn verstuurd. Via Google Maps zal ik bijhouden waar ze zijn en wat er over gemeld wordt.  Coert heeft de leiding genomen door vals te spelen en een bespreking te plaatsen van een exemplaar dat hij al had gekocht. Ik zie het kopen van boeken voor deze keer door de vingers.

Verder verscheen er deze week een interview in de Intermediair. Met een hoofdrol voor het broodjesassortiment van ons cateringbedrijf. 

Wie niet graag naar groezelige scans kijkt, kan het interview hier lezen.




Mijn spaargeld

Het lukt me maar niet ongerust te worden over de economische crisis. Ik voel eerder opluchting. Ondernemingszin, zelfs. Al het aangekondigde onheil heeft me doen beseffen dat veel van mijn handelen samen te vatten is in een woord: voorzichtig.
    Het gevolg is inertie. Stilzitten. Zo werk ik inmiddels ruim vijftien jaar bij dezelfde organisatie. Er is een groep mensen bij wie dat gegeven medelijden opwekt.
    Overigens vind ik medelijden een sympathiek fenomeen. Zij die klagen dat de menselijke verhoudingen verkillen, kan ik aanraden zichzelf wat meelijwekkender te gedragen.
    Maar goed.
    Stel dat het waar is dat het hele bouwwerk binnenkort in elkaar kan donderen. Dat de hardwerkende en oppassende middenklasse langzaam naar de slachtbank schuifelt. Dan gaat het om de vraag hoe je die gang wilt vormgeven. Voorzichtigheid is geen antwoord.
    Een paar dagen geleden  las ik dat Nassim Nicholas Taleb, een van de nieuwe profeten van de Totale Ontwrichting, vond dat je goedgekleed en gladgeschoren naar je eigen executie diende te gaan. Dat is een bruikbare suggestie, maar met het uitvoeren daarvan ben je na een minuut of vijf wel klaar – zeven minuten als ik rustiger scheer om voor een keer geen snijwonden te veroorzaken. Blijft de vraag wat je de rest van de tijd doet.

In de New Yorker stond een artikel over een in Amerika woonachtige Rus die de zichzelf voorbereidde op de ineenstorting van de Westerse samenleving – al vond hij zijn maatregelen alleszins bescheiden. Hij zei: “I’ve never been a complete collapsitarian.”
    Dat lijkt me een mooi antwoord op de vraag welk sterrenbeeld je bent: “Collapsitarian.”
    De Rus zei ook: “When faced with a collapsing economy, one should stop thinking of wealth in terms of money.”

En zo begon ik te fantaseren over het opmaken van mijn spaargeld.
    Ik kan me niet herinneren eerder over mijn spaargeld gefantaseerd te hebben. Mijn spaargeld had altijd maar een doel: te bestaan. Niet om gebruikt te worden, want dan zou het niet meer bestaan en dat moest te allen tijde voorkomen worden.

De afgelopen dagen verzin ik bestemmingen voor mijn spaargeld. Frivole bestemmingen. Liefst wel milieuvriendelijk. Ook als iets geen zin meer heeft, wil dat niet zeggen dat je het achterwege kunt laten.

Toen ik mijn spaargeld ter sprake bracht, begon mijn vrouw zelf over de crisis. Ze was niet bang, maar ze had beredeneerd dat ze eigenlijk bang zou moeten zijn. Ze keek me aan alsof ze hoopte dat ik ter plekke de angst in haar zou weten te jagen.
    Net als ik werkt ze in de publieke sector. Misschien is dat wel de essentie van het ambtenarenschap: de onmogelijkheid om een wezenlijke breuk met de routine serieus te nemen. Alhoewel. Wellicht is het de essentie van de oppassende en hardwerkende middenklasse.

Terzijde: Toevallig had enkele dagen eerder een onbekende me een korte e-mail gestuurd met de mededeling dat een goede baan, een vrouw en een kind mooie dingen waren, maar niet wanneer je schrijver wilde zijn.
    Punt.
    Einde mededeling.
    Ik heb zelden een raadselachtiger bericht ontvangen. Zou de man gedacht hebben: ‘Iemand moet het hem vertellen?’ Alsof er deze wijsheid een gedroogd korstje van snot was dat onopgemerkt aan mijn neusgat bungelde.
    Mijn vrouw vroeg droog: Dus hij vond het geen goed boek?

Vooralsnog heb ik geen concrete plannen voor mijn spaargeld, maar de lichtzinnigheid waarmee ik het in gedachten uitgeef sijpelt langzaam door in andere delen van mijn leven. Een hele hoop vragen blijken overbodig. Behalve deze: Welke hobby’s heeft een collapsitarian?




01/02 - 1

Vrijwilligers gezocht voor humane exploitatie

Het boek is nu negen weken oud en nog steeds heb ik geen antwoord op de vraag: Waar gaat het over?
In het begin vond ik dat een probleem.
Inmiddels begrijp ik dat het een hooghartige vergissing is te denken dat ik onmisbaar zou zijn. Mijn antwoord op die vraag is niet bijster relevant. Anderen vertellen me waar het over gaat en ze blijken het boek beter te kennen dan ik.

Iemand schreef bijvoorbeeld: “Dit boek [...] gaat over de verhoudingen tussen mensen en hun gammele bouwwerk van verlangens, beleefdheden, manipulatie, grensbewaking en schuldbesef dat piept en knarst maar toch niet omvalt.”

Of: “...de bizarre werkelijkheid van het Californische waterbeheer [is de] achtergrond voor een verhaal over iemand die krampachtig probeert drama’s te vermijden. Wat uiteraard niet lukt.”

Het enige dat ontbreekt om mezelf geheel overbodig te maken is kwantiteit.
Dat is gelukkig eenvoudig op te lossen.
We gaan het lezen van Tegennatuur uitbesteden.
Consultants noemen dat: crowdsourcen. “The act of taking a job traditionally performed by a designated agent and outsourcing it to an undefined, generally large group of people in the form of an open call.”

Ik stuur gratis exemplaren de wereld in.
Wie er een wil ontvangen, meldt zich hier of stuurt me een e-mail.
De enige spelregel is dat je vertelt waar het boek over gaat – op Bijzinnen, je eigen website, waar dan ook – en daarna het exemplaar aan iemand anders doorgeeft.

Het gaat niet om recensies. Een foto van een brandend exemplaar zou voldoende zijn, mits adequaat belicht en gevrijwaard van een al te artistiek cameraperspectief. Liegen is ook een mogelijkheid, stel dat de inhoud een onoverkomelijk obstakel blijkt te zijn. Zolang het onderhoudender is dan de waarheid.

Marxisten hebben crowdsourcing ontmaskerd als het zonder vergoeding exploiteren van arbeiders. Die kritiek onderschrijf ik. Ik zal dan ook exploiteren tegen een vergoeding. Degenen die het eerste een keten van tien lezers hebben opgebouwd, krijgen een boek naar keuze toegestuurd uit het fonds van Atlas.

Als u toch geëxploiteerd moet worden, en voor de meesten van ons is dat een gegeven, dan is dit een relatief humane oplossing. Biedt uw arbeid aan in de commentaren of via blog@bijzinnen.com.

Update: We hebben voor nu voldoende arbeiders, we staken de recrutering.




Inni

In de tram naar Den Haag Holland Spoor staat een lange, stevige conducteur omringd door drie jonge conducteurs die naar hem opkijken. Hun jassen, voorzien van het HTM logo, zijn smetteloos. Ze klagen tegen de lange man over iemand die Inni heet en kennelijk met hen de opleiding tot conducteur volgt.
    ‘Inni, die irriteert me,’ zegt een van hen.
    ‘Mij ook. Gek word ik van dat mens. Zo kun je toch niet met klanten omgaan,’ zegt een ander.
    ‘Och,’ zegt de lange man. ‘Maken jullie je daar maar niet druk over. Die krijgt vanzelf een keer klappen.’




De artiest

Aan het einde van de middag stond ik in een kleine koeienstal op het erf van de familie Arkesteijn. Meneer Arkesteijn vroeg me of ik de artiest was.
    Ik was de artiest.
    De artiest had op weg van de auto naar de koeienstal een klein flesje witte wijn gekocht bij de lokale supermarkt en daaruit, al lopend, gulzig gedronken.
    Mijn vrouw was hiervan getuige.
    Ik kan me niet herinneren ooit eerder lopend een fles wijn genoten te hebben, maar toch had ik het gevoel haar deelgenoot gemaakt te hebben van een verborgen deel van mijn leven.

Meneer Arkesteijn wees me op de thermoskan met koffie die op de schroefbank stond. Daarna liet hij mijn vrouw en mij achter in de schuur.
    Langs de balken van het plafond slingerde een lichtslang.
    De elektrische kachel stond uit.
    ‘Die zet ik straks nog even aan,’ had meneer Arkesteijn gezegd toen hij de schuur verliet.
    De strekking was duidelijk: voor de bezoekers ging hij aan, niet voor de artiest.
    Ik had onmiddellijk een zwak voor meneer Arkesteijn.

Door het raampje zag ik de familie rond de eettafel zitten in het woonhuis.
    Ik legde mijn jas op de vriezer en zocht een stopcontact voor mijn laptop.
    Aan een van de muren was een bedlaken bevestigd als projectiescherm. Een kleine reeks geborduurde bloemen versierde de rechterrand.
    Mijn vrouw ging op een van de stoelen zitten en ik nam de laatste slokken van de witte wijn.

Om half zes zaten er zes mensen voor me. Mijn vrouw, drie mensen van de festivalorganisatie en twee bezoekers. Een echtpaar. Tijdens het voorlezen kwamen er wolkjes uit mijn mond die werden uitgelicht door de videoprojector. Achter me werden enkele foto’s geprojecteerd.

De man van het echtpaar stelde verschillende vragen die nogal beschouwelijk van aard waren. Toen het halfuur voorbij was, vroeg hij zachtjes aan zijn vrouw of ze mijn boek zouden kopen.
    Ik deed of ik niets hoorde.
    Ze kochten een boek.

Om zes uur aten we huzarensalade en een krentenbol in het gebouw van de plaatselijke scouting. Naast ons zaten andere artiesten en medewerkers van het festival. Mijn vrouw informeerde naar de huizenprijzen. Het dorp oefende een grote aantrekkingskracht op haar uit.

Om kwart voor tien las ik nog een keer voor.
    Nu zaten er vijftien mensen. Met dikke jassen en mutsen.
    Tijdens het voorlezen had ik grote moeite om het bibberen van mijn lichaam niet op mijn stem te laten overslaan. Mijn overjas had ik weer op de vriezer gelegd, ondanks de kou. Ik had ’s middags een pak aangetrokken en die keuze moest nu tot zijn logische consequentie worden uitgevoerd.
    Er kwamen diverse vragen, vooral over de verhouding tussen mens en natuur.
    Twee echtparen kochten elk een boek.

We eindigden in het enige café van het dorp. Iemand vertelde me dat hij op straat de volgende conversatie had gehoord:
    ‘Waar ga jij nu heen?’
    ‘Naar Michel van Eeten.’
    ‘O, die filosoof.’

Het was al met al een gedenkwaardige avond, tijdens het charmante Cult Royale in Schipluiden.




Die schoenen

Op het balkon van de trein zit een jonge vrouw te bellen. Haar benen zijn over elkaar geslagen en ze draait rondjes in de lucht met een schoen. Terwijl ze praat, buigt ze voorover en veegt ze iets van de schoen – een zwart open model met een hoge hak en een spitse neus. Ze zien er duur uit, al is damesschoeisel een terrein waarvan ik me afvraag of goedkoop wel bestaat.
    ‘Ik ben een pitbull, mannen vallen niet op pitbulls,’ zegt ze. ‘Ik was geen onderbroeken en dat zeg ik ze ook. Jij bent meer een meisje. Ik heb een grote bek, dat willen mannen niet.’
    Uit de telefoon klinkt gebrom. Ze zucht en luistert ongedurig naar haar gesprekspartner.
    ‘Nee, maar jij kan echt dingen zeggen, dat ik denk van, serieus’?
    Ze duwt een paar keer op het uiteinde van een leren riempje waarmee haar voet in de schoen wordt gehouden. Het riempje krult enigszins omhoog.
    ‘Nee, je moet even met me nadenken. Dus jij denkt zeker dat hij me leuk vindt.’
    Ze gaat recht zitten en kijkt uit het raam. Polderweilanden in schemerlicht.
    ‘Ik geef ‘m mijn telefoonnummer.’ Het klinkt als een capitulatie. Alsof ze de vuile onderbroeken al voor zich ziet.
    ‘Blijf je daar zitten?’
    Haar gesprekpartner blijkt een uitgebreid antwoord op die vraag te hebben. Misschien zijn daar ook nog wat principiële vraagstukken op te lossen. De vrouw gaat echter nergens op in.
    ‘Dan ga ik van hieruit naar die jongen toe. Ik zie er niet uit, maar ja.’
    Ze buigt haar voet in alle denkbare standen en bekijkt hem argwanend.
    ‘Die schoenen, ik weet het echt niet.’

Als ze heeft opgehangen, zucht ze nog een keer. Dan richt ze zich op. Ze woelt in haar handtas en haalt een spiegeltje tevoorschijn. Als ze het voor haar gezicht houdt, kijkt ze een ogenblik onbewogen en koel naar zichzelf.




Sein veilig

Het weblog was stuk, maar inmiddels werkt alles weer. Dankzij Bob, de maker van PivotX, de software waarop dit weblog draait.
    Bob is iemand die ik eens in de drie, vier jaar mail omdat ik iets heb stukgemaakt.
    Bob is iemand die mij vervolgens op maandagochtend 6:35u mailt met de mededeling: ‘Ik zal er eens naar kijken.’

Er zijn andere mensen die helpen bij het maken van Pivot.
    Op het forum waar eenvoudige gebruikers als ik met hun problemen komen, woont ene Hans.
    Een Noor, als ik me niet vergis.
    Hans programmeert, maar beantwoordt ook domme vragen. Tientallen domme vragen per jaar, als het er geen honderden zijn.
    De meeste antwoorden beginnen met de mededeling dat het antwoord al elders op het forum te vinden was, of anders wel in de handleiding.
    Een beetje nerd volstaat in zo’n situatie met vier letters: RTFM.
    Read the fucking manual.
    Niet Hans. Zijn toon verraadt soms dat hij heeft gezucht voordat hij het antwoord tikte, maar daar blijft het bij. Hij noemt de link naar de betreffende informatie en vertaalt het in een hapklare brok voor de vragensteller.

Bob, Hans en anderen, ze maken prachtige software die ze gratis weggeven en ze helpen de mensen voor wie gratis nog niet genoeg is.

Ik vroeg Bob of hij nog een wensenlijst had.
Ooit had hij zo’n lijst bij Amazon en zo kon ik na een hulpactie hem iets toesturen.
Maar hij heeft geen wensenlijst meer.
Hij had alles al, beweerde hij.
Dat is mooi, natuurlijk.
Mensen die genereus hulp verstrekken zijn wellicht niet zulke goede ontvangers.
Hij suggereerde dat ik dan maar wat zendingswerk moest doen: het wonder dat PivotX heet te verspreiden.
Bij dezen.




11/01 - 0

Welcome to PivotX - 2.0.0: beta 12d

If you can read this, you have successfully installed . Yay!! To help you further on your way, the following links might be of use to you:

And, of course: Have fun with PivotX!

(lees verder)




Maand eenenveertig

Lieve Vera,

Het was de maand van de lichtjesavond.
We liepen samen in de steenkoude binnenstad.
Je trok me aan een hand door de mensenmassa. Soms nam ik je op de arm om te kunnen kijken naar het vermaak dat in de straten rondom de markt was georganiseerd ? een verzameling kitsch zoals alleen de middenstand die bijeen kan brengen. (De middenstand, dat is een groep winkeleigenaren die zich niet verontschuldigen voor hun smaak. Verkoop werkt bevrijdend, zoveel is duidelijk.)

Je keek ernaar met open mond.
En ik keek naar jou.

Bij het betreden van de markt werd ons een kaars in de handen gedrukt. Van Amnesty International. Vlammen voor de vrijheid, stond op een sticker.
In verschillende interviews rondom het boek wordt me gevraagd mijn ongemak ten aanzien van engagement te verklaren. Dat behoeft blijkbaar verklaring.
Vlammen voor de vrijheid.
Straks zouden duizenden mensen een kaars aansteken.
Voor de vrijheid.
Iemand zou een podium beklimmen en iets zeggen over de opgesloten medemens.
Er zou applaus volgen en daarna was het tijd voor een glaasje glühwein.
Of om nog even terug te lopen naar het kraampje waar ze die antieke dekschaal hadden. Hij was wat aan de prijzige kant, maar soms moet je jezelf verwennen. Met sombere westerlingen schieten de politiek gevangenen ook niets op.

Jij wilde de kaars vasthouden.

Aan de andere kant van de markt speelde een harmoniekapel trage kerstmuziek. We liepen naar het dranghek voor het podium. Jij klom erop en ik ging achter tegen je aan staan, mijn wang naast de jouwe.

De blazers waren ingepakt in dikke winterjassen, op enkele trompettisten na. Die keken triomfantelijk om zich heen, hun uniformjasje open en de vlinderdas onberispelijk recht. De klarinettisten hadden de vingertoppen uit hun handschoenen geknipt.
Ergens op de zolder van mijn ouders heb ik ook nog zo?n paar liggen.

Langgerekte akkoorden gleden over ons heen.
Onzuivere intervallen. De koude klarinetten te laag, de fluiten te hoog, het koper alle kanten op.
Precies als mijn harmonie.
Ze hadden het meeste slagwerk thuisgelaten, waardoor het geluid ongewoon sober was.
Ik sloeg mijn armen om je heen.
Je keek om en zei: ?Heel erg mooi prachtig, hè pappa??
Ik knikte en keek naar de opwinding in je ogen.
Je draaide je weer naar het podium.
Ik kon mijn ogen niet van je losmaken.
Tranen borrelden op.
Ik dacht: Toe maar, laat maar gaan.
Misschien wilde ik bewijzen dat ik nog leefde.
Het was donker om ons heen, niemand zou me zien.
Ik drukte mijn wang weer tegen de jouwe.
De tranen zetten niet door.

Ik sloot mijn ogen, voelde jouw warme adem en de pap in mijn benen.
Voor zover ik leef, leef ik door jou.
Via jou.
Dat lijkt me een recept voor een ramp.
Maar ik ben niet meer zo bang voor rampen.
Dat is ook een vorm van vooruitgang, ja.

Ik heb je moeder dit nog niet verteld.
Terwijl ik tijdens het wegslikken van de tranen nog dacht: ik moet dit vertellen.
Om haar te laten zien dat ik nog leef.
Maar ik ben het vergeten.
Ik heb vooral over jou verteld.