Presentatietechniek

Ik meldde me bij een landhuis in Bloemendaal voor een training in presentatietechniek. De trainer heeft een wat merkwaardig welkomstritueel.
    ‘Erg hè, om hier te werken? Wat verschrikkelijk, hè?’ zegt hij. Hij spreidt zijn armen en toont me de werkkamer.
    Ik beaam dat het landhuis erg fraai is.
    Hij raakt me amicaal aan. In de tien seconden die ik nu in zijn kamer heb doorgebracht ben ik aanraakbaar geworden. Ik zat nog te wachten tot mijn lichaam zou stoppen met zweten. Ik had er flink de vaart in gezet, op de fiets.
    ‘En het wordt nog veel erger,’ vervolgt de trainer. ‘Weet je wat? Ik woon hier twee straten verderop! Schandalig, hè?’ Hij gebaart naar het raam. Buiten is alleen het parkje van het landhuis te zien. Achter de bomen ligt een villawijk waar ik zojuist doorheen ben gefietst.
    Op zijn bureau ligt mijn roman. Hij geeft er een goedmoedig klopje op. ‘Nog niet gelezen, hoor.’
    Dan neemt hij een telefoontje aan, waarvan hij na afloop zal zeggen dat hij een ruzie moest sussen tussen twee ministers en een gedeputeerde.
    Terwijl hij met de telefoon aan het oor de kamer verlaat, bestudeer ik de foto’s in de boekenkast. Er staan diverse gezinsfoto’s. Een lachende blonde vrouw, minder knap dan ik had verwacht, en een hele schare aanstekelijk lachende blonde kinderen. Die hebben duidelijk geen training nodig in presentatietechniek.
    Ik kijk een moment naar hun gezichten en denk: dit is de toekomstige ruggengraat van onze samenleving. Monter, hardwerkend, goed in liedjes maken voor bruiloften.
    Later die ochtend zal de trainer zeggen: ik wil graag om half vijf klaar zijn, omdat ik moet tennissen met mijn kinderen.




Maand negenenveertig

Lieve Vera,

De afgelopen maand ben je ons fototoestel gaan gebruiken en sindsdien ben je verliefd geworden op je eigen voeten. Ik ben al jaren verliefd op je voeten, maar ik begrijp goed waarom er een camera voor nodig is om je eigen voeten te kunnen liefhebben.


Dit was ook de maand waarin jij over de toekomst begon te praten. Sinds kort bestaat de toekomst. Op vakantie wilde je kanoën. We kwamen erachter dat je zes jaar moest zijn. Dat maakte indruk. Toen wilde je weten hoe oud je moest zijn om alleen naar school te fietsen. Acht jaar, verzon je moeder. En hoeveel om alleen met de trein naar opa en oma te gaan? Twaalf. Het culmineerde gisteren in de vraag: ‘En wat mag ik doen als ik duizend jaar ben?’

Verder werd je vader de afgelopen tijd opvallend vaak aangesproken op zijn cynisme. Dat raakt niet direct jouw belangen, maar ik vermoed dat mijn overwegingen later een bron van amusement voor je zullen zijn. Zelfrechtvaardiging is een satirisch genre.

Ik heb me lang proberen te ontworstelen aan de term cynicus, maar dat verzet heb ik gestaakt. Misschien omdat ik cynisch werd over de zin van het verzet. Wat mensen cynisme noemen is vaak een vorm van besparing.
    Je ontkomt niet aan rantsoenering omdat je zult merken dat er een overproductie is van zaken om je druk over te maken. Bij veel mensen leidt dat tot een soort homeopathische betrokkenheid – zo verdund dat er geen enkel werkzaam bestanddeel meer kan worden aangetroffen. Andere mensen specialiseren zich. Ze bekommeren zich om een dier, een bepaalde ziekte, een land – aangevuld met een diffuus soort betrokkenheid bij de onderwerpen die gisteravond bij Pauw en Witteman besproken werden.
   (Nu wil je weten wat Pauw en Witteman is, maar ik merk dat ik alleen maar cynische antwoorden heb op die vraag. Tegen de tijd dat je dit leest, is deze zin afdoende: Het is iets van vroeger, een automatiek voor fabrieksmatig bereidde meningen, toen mensen nog dachten dat meningen voedingswaarde hadden.)

Laatst hield ik een pleidooi voor apathie, waarop iemand reageerde met de uitspraak: “Wie zich in hartstocht verliest heeft minder verloren dan wie zijn hartstocht verliest.”
    Ik wantrouw iedereen die de term hartstocht gebruikt. Je zult merken dat mensen alleen praten over datgene waar ze naar verlangen, niet over wat ze al hebben. Het is al enige tijd mode om opgewarmde kliekjes uit je gevoelsleven te serveren alsof het een grand diner betreft. Begrijp me niet verkeerd, ik hou van opgewarmde kliekjes. Alleen smaken ze me niet beter als ze een andere naam krijgen.
    Maar ik geef toe dat mijn argwaan ook voortkomt uit een gevoel van dreiging – de dreiging dat er een club van mensen bestaat die hartstocht kennen. Hun bestaan zou mijn leven achteloos omzetten in een nederlaag.

Wat kenmerkt de cynicus? Peter Sloterdijk schreef ooit: ‘In psychologische zin kan men de cynicus van deze tijd zien als melancholisch grensgeval dat zijn depressieve symptomen onder controle kan houden en tot op zekere hoogte arbeidsgeschikt blijft.’
    Het laatste zinsdeel spreekt me aan. Ik ben gehecht aan mijn arbeidsgeschiktheid. Alsof elke gang naar kantoor bewijst dat de koude hand van de waarheid geen greep op me heeft gekregen.
    Laten we dus aannemen dat ik een melancholisch grensgeval ben. Heimelijk wilde ik altijd al een grensgeval zijn.
    Je moeder observeert het grensgeval nauwkeurig.
    Vroeger zei ze regelmatig dat ik zo weinig onderhoud nodig heb. Ik vatte dat op als compliment, maar dat kwam omdat de zorgelijke toon in haar stem me ontging. De laatste tijd zwijgt ze over dit punt. Of dat betekent dat ik nu meer onderhoud nodig heb, weet ik niet.
    Misschien heeft je moeder haar aandacht verlegd naar haar eigen symptomen. Een van haar specialiteiten is het leggen van knopen in zaken die geen knopen behoren te hebben. Laatst had ze zichzelf verstrikt in de stroomkabel van haar laptop. Nadat ik haar had bevrijd zei ze: ‘Ik ben een omgekeerde Houdini.’
    Je kunt ook van mensen houden vanwege de manier waarop ze falen.

Jij observeert me eveneens nauwkeurig. Recent vroeg je me vrolijk: ‘Pap, waarom kijk je zo verdrietig?’ Alsof ik je een poets wilde bakken en jij die probeerde te doorzien.
    Vroeger zou ik op zo’n moment ontkend hebben dat ik verdrietig keek. Maar dat lokte te vaak een vervolggesprek uit. Dus antwoord ik tegenwoordig dat ik me niet verdrietig voel. Om nogal onbegrijpelijke redenen hebben mensen teveel respect voor gevoelens om die bewering aan te vechten.
    ‘O,’ zei jij, mijn antwoord negerend. ‘Zal ik je even laten lachen?’ Dan kom je voor me staan, pak je mijn gezicht in je handjes en lach je me toe. Het werkt altijd.
    Je denkt dat we een toneelstukje opvoeren. Toen je moeder een keer toegaf verdrietig te zijn, keek je haar wantrouwig aan. Daarna schoot je in de lach, alsof ze je bijna te slim af was geweest. ‘Nee,’ kraaide je. ‘Dat kan helemaal niet. Grote mensen kunnen niet verdrietig zijn, alleen maar net-alsof-verdrietig.’

Ergens vind ik dat je gelijk hebt. Veel verdriet is net-alsof-verdriet. Ook hier bestaat een ruim aanbod aan opgewarmde kliekjes. Maar dat is ongetwijfeld cynisch.
    Misschien zal ook jij me cynisch gaan noemen. Daartegen heb ik geen bezwaar. Laten we het dan wel goed definiëren. Er heerst het misverstand dat cynici alles zinloos vinden, dat ze nergens de waarde van kunnen inzien.
    Het tegendeel is waar.
    Cynisme is dat je het leven te kostbaar vindt om te leven. Ik zit op mijn leven zoals anderen op hun spaargeld zitten. Met grote verbetenheid ontmasker ik mogelijke investeringen als oplichterij. Er zitten best aardige ideeën tussen – succes, liefde, ouderschap, schoonheid, waarheid – maar uiteindelijk is geen enkel voorstel goed genoeg. Terwijl ik mijn uitgaven probeer te beperken tot wat lopende kosten en vaste lasten, knaagt de inflatie onophoudelijk aan het spaarsaldo. Net zolang tot het tegoed alleen nog toereikend zal blijken voor een haastige bekering, een vluchtige verzoening en een kort maar hevig berouw over gemiste kansen.
    Ik ben om evidente redenen terughoudend met levenswijsheden, maar deze wil ik je toch meegeven: Maak je eigen leven niet te kostbaar. Gooi er af en toe een uitverkoop tegenaan, met afbraakprijzen.




Longlist

Zojuist belde mijn redactrice bij Atlas. Ze had goed nieuws, zei ze. Tegennatuur staat op de longlist staat voor de AKO Literatuurprijs 2009.
    ‘Leuk,’ zei ik. ‘Hoe long is die longlist precies?’

Er staan vijfentwintig boeken op de tiplijst, zoals de longlist blijkt te heten. Geselecteerd uit 390 ingezonden boeken.

Ik las het persbericht.
Daarna nog een keer.
Leuk.

Ik bladerde terug naar het statistische programma waarin ik aan het werk was voordat de redactrice belde. Starend naar het scherm, voelde ik iets van vreugde door de grensbewaking glippen.
    Ik reageer op vreugde zoals andere mensen op moslims. Niet alle moslims zijn gevaarlijk, natuurlijk, dat prenten die mensen zichzelf ook in.

Ik pakte de telefoon en belde mijn vrouw.
Terwijl de lijn overging, keek ik door mijn open deur naar de collega in de kamer tegenover me. Ik nam me voor mijn stem niet te dempen.
Mijn vrouw nam niet op. Halverwege de melding van haar voicemail, hing ik op.
Ik draaide een rondje op mijn bureaustoel.
De eerste email die binnenkwam was van D.
Ik klikte onmiddellijk op ‘beantwoorden.’