Incontinentie (slot)

(Wat er voorafging.)

Toen de kookwekker de nul had bereikt, werd er fluisterend overlegd tussen de witte jassen. Het viel me nu pas op dat het drie jonge vrouwen waren. Twintigers, hooguit begin dertig.
    Een van hen, een vrouw met sproeten en pluizig rood haar, keek me aan en verkondigde het oordeel: ‘Ze komt wat moeilijk op gang.’
    De zorgvuldigheid waarmee ze dat medische eufemisme uitsprak, maakte dat er iets brak in mij. Ik knikte. Ik wist niets meer.
    Jules werd per couveuse afgevoerd. Ik liep er werktuiglijk achteraan. We sloegen linksaf, terug de kraamkamer in.
    De seconden die toen volgden ben ik kwijt. Het volgende moment wierp ik me huilend in de armen van mijn vrouw. Ik zag nog net haar geschrokken blik. Ze dacht dat er iets mis was gegaan met Jules. Met moeite wist ik dat misverstand te herstellen.
    Samen keken we een moment naar de couveuse.
    Ondertussen bestreed mijn lichaam uit alle macht de incontinentie van mijn ogen. Er werd gestaag terreinwinst geboekt.
    Ik voelde schaamte en tegelijkertijd iets van trots over mijn gejank. Ik huil ongeveer twee keer per decennium en dat lijkt hoe langer hoe meer op een tekortkoming. Het huilen heeft een enorme emancipatie doorgemaakt de laatste jaren. Niemand kijkt meer op van mensen die huilen om meeslepende boeken, stotterende kinderen, overleden bekende Nederlanders, onbeantwoorde liefde, beantwoorde liefde, middels siliconen herrezen borsten, onbeleefde helpdeskmedewerkers, winnaars van talentenjachten op televisie, verliezers van talentenjachten op televisie, en natuurlijk ook om een breed assortiment aan onrecht in de wereld.
    Na mijn gesnik in de kraamkamer koesterde ik me even in de warme boezem van de medemens.

Ik liet mijn vrouw achter en volgde de couveuse door de gangen. Mijn ogen bleven waterig, ook al wreef ik ze af en toe droog met mijn trui. ‘Kijk,’ zei ik in gedachten tegen het medisch personeel, ‘kijk, ik huil. Ik ben net als jullie.’
    Na een poosje viel me op dat het medisch personeel zorgelijk naar me keek. Ik begreep niet waarom. Huilende vaders zijn eerder regel dan uitzondering, neem ik aan. Het leek alsof ze het roken: hier is iets niet in de haak.

Later die avond liep ik van de kinderafdeling terug naar de kraamafdeling, waar mijn vrouw werd opgelapt. De neiging te huilen was nog niet helemaal weg. De lift naar beneden was leeg. Ik probeerde even toe te geven aan die neiging. Er gebeurde niets. Om het een handje te helpen begon ik hardop te snikken, als een soapsterretje. Maar mijn ogen waren droog en bleven droog.

Door de nachtelijke regen liep ik van het ziekenhuis naar het station. Dikke, warme druppels na een broeierige dag. In plaats van het drankenkabinet te openen, maakte ik thuis een bakje muesli met melk klaar.

~oOo~

(Inmiddels maakt iedereen het goed. Bijgevoegd enig bewijsmateriaal.)




Incontinentie

Na de eerste bevalling van mijn vrouw, drieënhalf jaar geleden, was ik enkele weken lichtelijk drankzuchtig.
    Deze keer niet.
    Misschien omdat ik even heb gehuild, een paar minuten nadat Jules met grof geweld aan mijn vrouw was ontrukt. De vorige keer verzette mijn lichaam zich daartegen, alsof tranen een vorm van incontinentie zijn. Daar valt wat voor te zeggen.
    Deze keer werd het echter overrompeld.
    De bevalling was een slagveld. Of beter: een verkeersongeluk.
    Geschreeuw, getrek, hitte, zweet, bloed, kots, opgerolde mouwen, piepende alarmen, loodgietergereedschap, infusen en plakband. Heel veel plakband. Doorzichtig, wit, bruin, kilometers ervan. Genoeg voor alle seizoenen van MacGyver en de bevoorrading van een middelgrote doehetzelfketen.
    Plakband stond de hele dag centraal in het medische proces. Elke verpleegkundige en arts droeg minimaal één rol in een jaszak. Er ging geen bezoek aan het kraambed voorbij zonder dat de betreffende professional de rol tevoorschijn haalde en ergens nog een plakbandje toevoegde. De hand waarop het infuus was aangebracht groeide in de loop van de dag uit tot een bolvormige klomp die als een soort pacman de onderarm van mijn vrouw begon te verorberen.

Ik viel niet flauw. Wel keek ik af en toe achter me of er scherpe voorwerpen stonden. Tijdens het hoogtepunt van de uitdrijving voelde ik alleen nog maar de behoefte om iedereen van mijn vrouw af te duwen en haar mee naar huis te nemen, met de mededeling dat we bij nader inzien nog even moesten nadenken over de wenselijkheid van verdere voortplanting.

Op het moment dat Jules ter wereld kwam bestudeerde ik de oneffenheden op de witte muur achter het hoofdeinde van het kraambed. De hand van mijn vrouw was inmiddels zo heet dat ik bang was dat hij versmolten was met de mijne.

Jules bleek een wit bloederig spookje dat even aan mijn vrouw werd getoond, zoals je een bewijsstuk toont aan een sceptische jury, en toen meteen werd afgevoerd door drie witte jassen. Ik holde er achteraan.

De witte jassen verzamelden zich in een ruimte rondom iets dat een reanimatietafel bleek te heten. De naam deed geen recht aan de absurdistische installatie die niet zou misstaan in het Stedelijk Museum.

Jules werd op de tafel gelegd, waarna een witte jas een beademingspomp op haar gezichtje zette. De andere witte jassen deden niets. Of beter gezegd: ze observeerden in stilte.
    Het leek alsof ze mediteerden.
    De stilte werd alleen onderbroken door het geluid van apparaten. Ergens in de installatie telde een kookwekker af, elke minuut markerend met een opbeurend geluidje dat vooral probeerde uit te drukken dat het geen alarm was.
    Eindelijk klonk een zwak huilen van Jules, gedempt door de ademhalingspomp.
    De kookwekker telde ondertussen verder af en ik vreesde het moment dat hij bij nul zou arriveren, alsof het een quiz was en we nog maar even hadden om het juiste antwoord te roepen.

(Morgen het slot. Het loopt goed af, heus.)




Jules

Ze is woensdagavond geboren, na een lange dag waarin ik me verdiepte in winterbanden, nadacht over MacGyver, met washandjes depte en mijn vrouw wilde ontvoeren.

Moeder en dochter zijn nog in het ziekenhuis. Thuis tellen Vera en ik af.




Nagekomen

Nog twee nagekomen besprekingen. Het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds heeft Tegennatuur geselecteerd als een van de tien boeken die ze onder de aandacht brengen van buitenlandse uitgevers. Daarvoor heeft men een Engeltalige beschrijving van het boek gemaakt met enkele genereuze zinnen, zoals deze:

“Debut novelist Michel van Eeten has a tremendous talent for looking at things from the reverse side.”

Zojuist plaatste 8weekly een uitgebreide recensie van Tegennatuur. Een paar hoogtepunten:

“Voor karakters en landschappen geldt: een natuur in ontwikkeling treft tegenkrachten waarvan zij afhankelijk wordt. Tegennatuur van Michel van Eeten beschrijft dit machtsspel meeslepend en beschouwend.”

“Essayistische vragen met geestige antwoorden...”

“De lezer worstelt mee in het machtsspel, de intuïtieve sympathie strijdt met de ratio. De mens kan immers niet kiezen: hij wil behouden en gebruiken. Maar hij moet kiezen, in elk geval voor meer literair lekkers van Van Eeten.”

Het is overigens de tweede recensie die wijst op taalfouten: “Van Eetens grammatica is soms onjuist (‘het enige, dat (...) iets, dat’), maar dat valt in het niet bij de heldere symboliek en het poëtische idioom, dat alinea’s voorziet van aforistische gedachtestrepen...”

Eerder wees Koen Eykhout al op “taalslordigheidjes”. Daarnaast kreeg ik gisteren een reactie van een lezer die melding maakte  van een “ongewone en geestige vertaalfout”.

Het is modieus om uitgevers de schuld te geven van de gebrekkige taalverzorging die veel nieuwe romans schijnt te kenmerken. Zelf zou ik eerder de auteur aanwijzen. Maar zoals bekend is het identificeren van schuldigen iets anders dan het probleem oplossen.




Besprekingen

Veellezer IJsbrand van boeklog.info schreef een van de mooiste besprekingen tot nu toe. “Goede boeken, als deze, laten de lezer over onderwerpen nadenken, waar die voorheen blind voor was.”

Daarnaast is een zwerfboek besproken. Begin februari stuurde de uitgever tien exemplaren het land in. De meest zuidelijke bestemming was Ham in Belgisch Limburg. Dens moest eerst zes studieboeken doorwerken, maar vorige week kwam hij toe aan Tegennatuur. Zijn bespreking lees je hier (en hier).

De overige zwerfboeken staan op onderstaande kaart. (Ik wilde eigenlijk elke nieuwe bespreking via de kaart melden, maar het gaat mijn technische vermogens te boven om de kaart zo weer te geven dat de betreffende tekstballon geopend is. Suggesties zijn welkom.)


Zwerfboeken Tegennatuur weergeven op een grotere kaart




Maand drieënveertig

Lieve Vera,

Ooit namen we je mee naar een diner bij een professor, een man met een meedogenloze intelligentie. Terwijl we aan het aperitief nipten, keek hij naar zijn eigen kind, een wat slungelig jongetje met een afgeplakt oog, worsteldend met een stuk speelgoed. ‘Ze zeggen dat kinderen zo snel leren,’ mompelde de professor. ‘Maar dat vind ik helemaal niet.’
    Het is onvermijdelijk dat ouders teleurgesteld raken door hun kinderen. De enige manier om dat te ontlopen is geen enkele verwachting te koesteren. Dat lijkt me een vorm van kindermishandeling. Als teleurstelling onontkoombaar is, valt er iets voor te zeggen het zo snel mogelijk achter de rug te hebben.
    Je vader wordt binnenkort ook benoemd tot professor, maar het lukt me nog niet teleurgesteld te raken in jou. Volledigheidshalve moet ik er bij zeggen dat het een gekocht professoraat is. Bij zulke posities worden aan meedogenloosheid noch intelligentie al te hoge eisen gesteld.

Al met al zijn we bijna in het eindstadium beland. Zo meteen zijn er twee kinderen, maatschappelijk succes, een jaren-dertig-huis en een fietskar. Je moeder vatte dat kernachtig samen: ‘De doodsteek.’
    Je kunt erop wachten tot we dingen gaan roepen als ‘we moeten ook tijd voor onszelf maken’ of ‘ergens ben ik mezelf kwijtgeraakt’. Ik ben mezelf al jaren geleden kwijtgeraakt, zo ik mezelf al ooit gevonden zou hebben, maar toch zal die gedachte zich langzaam naar binnen vreten tot ik ga denken dat het oorzaak benoemt van wat er ontbreekt aan mijn leven. Ik zal niet weten wat er precies ontbreekt, maar dat er iets zal ontbreken, daarover bestaat gelukkig geen twijfel. Ergens op kunnen rekenen is ook een vorm van troost.
    De rest kun je zelf uittekenen. Iemand zal de schuld krijgen en bij het aanwijzen van schuldigen is het prettig als je niet te ver van huis hoeft. Dat maakt het allemaal wat aanschouwelijker.

Er is geen reden tot zorg, integendeel. Het is noodzakelijk dat jij je van me losmaakt. Zie mijn ingeslikte verwijten, mijn misplaatste verwachtingen, mijn kille teleurstelling, als hand- en spandiensten bij dat proces.

Je moeder observeerde dat ik de laatste tijd bijna uitsluitend schrijf over mijn assimilatie in de middenklasse. Zelf strooi ik te pas en te onpas met de term midlifecrisis. Je moet alert zijn bij dit soort dingen, want voor je het weet is het weer voorbij. Er zijn al heel wat crises onopgemerkt aan mij voorbij gegaan en daar heb ik nog steeds last van.

Ondertussen vermaken we ons met dans. Je bent altijd al een liefhebber geweest van deze bezigheid, net als je moeder. Deze maand brak er echter een nieuwe fase aan. Je ging voor ons optreden. Tot nu toe was het verplicht dat wij meedansten, maar nu dartel je alleen door de kamer.
    Gisteren viel je even terug in je oude patroon. Je trok je hoogzwangere moeder van de bank om mee te dansen. Na twee passen schudde je je hoofd en zei: ‘Mama, je noep weer gaan zitten.’
    We beperken ons nu tot toekijken. Ik weet niet waarom, maar het voelt enigszins voyeuristisch. De blikken die je op ons werpt om te controleren of we nog kijken, zijn vol spanning, alsof je ons probeert te verleiden. Het is een oogopslag die ik me herinner uit de benauwde uren die ik in mijn vroege puberteit doorbracht aan de rand van de dansvloer.
    Blijkbaar ben je er niet helemaal gerust op, behoort afwijzing tot de mogelijkheden. Dat zweept je op tot grote hoogten.
    Misschien is mijn voyeuristische gevoel niets anders dan de ongemakkelijke sensatie toeschouwer bij – nee, deelnemer aan, het geluk te zijn. Er zijn weinig zaken die me nerveuzer maken.

De teleurstelling zal komen en in sommige opzichten zal het een opluchting zijn.




De verkeerde Kiers

Halverwege de maaltijd, de wijn had inmiddels de zeurende pijn doen vergeten die mijn voet beheerste sinds ik uit frustratie tegen de muur van de squashbaan had getrapt, keek ik opzij.
    Aan het halfhoge muurtje van de open keuken hing de poster van het Delfts Bluesfestival. De enige naam die ik herkende was Blood, Sweat &, wacht even, Kiers?

Kiers?

Thuis bezocht ik de site van de band.
Het was de verkeerde Kiers, natuurlijk.