Kaasfondue met Arnon Grunberg (slot)

(Wat er voorafging.)

Ik bracht dus het nihilisme ter sprake.

Daar was een moment van klein leed aan voorafgegaan.
Een paar weken eerder was ik op het weblog van meneer Grunberg terechtgewezen voor een opmerking over nihilisme.
Door meneer Grunberg zelf.
Hij constateerde dat ik er niet veel van wist.
Punt.
Wat correct was, maar ik zag niet helemaal in waarom dat er toe deed.
Na Grunbergs terechtwijzing volgde er zich ook nog een filosofiestudente die wilde melden dat ze zich aansloot bij Grunberg en dat ze ook vond dat ik er niet veel van wist.

In alle eerlijkheid vond ik dat ik een interessant onderwerp had aangesneden dat een herkansing verdiende.
Ik zei dat ik op dat onderwerp wilde terugkomen.
Meneer Grunberg glimlachte beleefd en keek me afwachtend aan.
Door het rumoer in het restaurant kon ik me ineens niet meer herinneren wat ik ook alweer wilde zeggen.

Uiteindelijk formuleerde ik een zin over de trivialisering van het nihilisme, dat nihilisme toch niet meer gevaarlijk genoemd kon worden.
Een warrige zin, maar goed genoeg als startpunt.
Hij zou nu iets zeggen of vragen en ergens in de komende minuten zouden we de implicaties van dit fenomeen op een interessante manier duiden.

Grunberg zei dat hij nooit beweerd had dat het gevaarlijk was.
?Nee,? zei ik, ?dat is waar.?
Vervolgens ging ik nadenken over of het waar was.
Het was waar.
Tijdens mijn zwijgen bleef Grunberg me beleefd aankijken.
Ik wist niet hoe het gesprek nu verder moest.
Een paar keer probeerde ik me te concentreren, maar er gebeurde helemaal niets in mijn hoofd. Een auto waarvan de banden zich bij elke stoot gas dieper ingroeven in de modder.

Iemand anders zei iets tegen meneer Grunberg, ik geloof over kurk die in de wijn scheen te zitten.
Niet over het nihilisme, in ieder geval.
Einde gesprek.

Ik leunde achterover en nipte van de wijn.
Kurk kon ik er niet in ontdekken.

Uren later, toen we na Grunbergs optreden in de artiestenfoyer zaten, toen ik elk doel, elke eis, elke verwachting had laten varen, maakte ik onbedoeld een grap die hem beviel.
Iemand bracht Al Gore ter sprake en de gedachte aan Al Gore werd me teveel.
Na het zien van zijn film zit ik met een brok agressie jegens de man die ik nergens kwijt kan.
Ik mompelde dat Al Gore slecht was voor het milieu, of iets van die strekking.
Dat amuseerde meneer Grunberg.
Hij zei dat hij het daarover wilde hebben.
Ik glimlachte en keek hem zwijgend aan.

Einde gesprek.




De eerste recensie

In het Limburgs Dagblad staat de eerste recensie van Tegennatuur. Ik ben de eerste om toe te geven dat het er niet toe doet wat de auteur bedoeld heeft wanneer je een boek beoordeelt. Desalniettemin was ik blij dat de vergelijking met Hermans gevolgd werd door de woorden "met meer compassie en empathie". Misschien word ik ooit nog eens goed in empathie.

Verder schreef een vriendin uit het dorp waarin ik ben opgegroeid een stuk voor een gratis zondagsblad. Ik had niet door dat de oplage daarvan boven de 200.000 exemplaren ligt. Sinds dat is verschenen, worden mijn ouders op straat aangeklampt. De vriendin zelf ook. Meest gestelde vraag: ?Het is toch geen zware kost, hè??

Ik heb me in tijden niet zo Limburgs gevoeld.

Overigens had ik het stuk voor het zondagsblad niet goed gecontroleerd. Daardoor is nu het misverstand geschapen dat ik professor zou zijn. Ik kijk uit naar de volgende misverstanden die ik de wereld in ga helpen.




Wachten op groen

Deze week ben ik voor mijn werk in Hyderabad, India.
Ik wilde nooit naar India.
Mijn lage drempel voor schuldgevoelens maakte me huiverig voor de confrontatie met armoede en bedelaars.
Die vrees bleek niet onterecht, al is het gelukkig niet allesoverheersend.

We verplaatsen ons met gele driewielige voertuigen, een soort riksja?s met een brommermotor.
De voertuigen zijn open.
Bij elk kruispunt met verkeerslichten, lopen er bedelaars tussen de voertuigen. Voornamelijk kinderen, vaak met een comateus ogende baby op de arm.
Bedelaars raken je volop aan.
Ze tikken op je been, trekken aan je arm, net zolang tot het voertuig weer gaat rijden of tot je geld geeft.
Er zijn weinig verkeerslichten in Hyderabad, maar ze staan wel erg lang op rood. Tien, vijftien minuten is niet ongewoon.
Over het algemeen zit ik bevroren te wachten tot het licht op groen staat.
Zo gespannen dat zelf geld geven een onhaalbare opgave lijkt.
Twee keer gaf ik geld, waarop meteen andere kinderen zich meldden bij het voertuig.
De chauffeurs van het voertuig kijken af en toe over hun schouder met een medelijdende blik.
Ik weet niet of die voor mij of voor het kind is bedoeld.




Huiswijn

De dag was net begonnen toen de CEO van de multinational binnenkwam. Zijn directeuren hadden nerveus zitten te wachten en nu stonden ze allemaal op.
De CEO maakte een rondje door de kamer.

Ik zat terzijde, tegen de muur.
De vorige dag had ik mijn kunstje gedaan op deze leergang.
Nu was een collega aan de beurt.

Iedereen kreeg een hand van de CEO.
Ook ik.

Daarna gingen we weer zitten.
Toen het geschuif met stoelen was verstomd, hing er een gespannen stilte.

In dit bedrijf wordt het hoogste echelon nogal gemystificeerd.
Ik heb de indruk dat mystificatie vooral het product is van afwezigheid.
De CEO komt zelden in Nederland.

De directeuren worden op hun beurt gemystificeerd door de mensen die enkele lagen onder hen werken. Voordat ik de directeuren had ontmoet, werden ze door die mensen omschreven in bovenmenselijke termen. Ik kreeg ik het idee dat het alwetende roofdieren waren met een onvoorspelbare bereidheid tegenslag te vergeven. Als ze een keer genade verleenden, maakte dat grote indruk op de ondergeschikten.

Toen ik ze eindelijk ontmoette, bleken de directeuren beleefde witte mannen te zijn die zich met een zekere ongemakkelijkheid door het leven bewogen.

De CEO doorbrak de stilte met het voorstel om even een paar dingen te vertellen.
De groep knikte dankbaar.

?Mijn hele toespraak staat hierop,? zei de CEO.
Hij hield een klein kaartje omhoog in gebroken wit.
?Het is het visitekaartje van de secretaris van de ambassadeur van China.?
De groep grinnikte.

Aan het einde van het gesprek vroeg een van de directeuren wat de CEO als belangrijkste les wilde meegeven aan de directeuren.
?Bestel vaker de huiswijn,? zei de CEO.

In de pauze nadat de CEO de ruimte verlaten had, zag ik het visitekaartje liggen op een tafel.
Het was aan beide kanten beschreven.
Ik pakte het op en stak het in mijn zak.
Visitekaartje




Aangerand

Na afloop van de uitzending had ik het gevoel aangerand te zijn.
Het was niet onaangenaam, moet ik toegeven.
Ik wacht nog even met het terugkijken van de opname.




Naakt

Toen ik vrijdagavond mijn vader het boek in handen gaf, zei hij: ?Ik ga het toch eens proberen te lezen.?

Ik waarschuwde hem dat er expliciete en enigszins onsmakelijke seks in voorkwam.
Het was niet ironisch bedoeld.
Die mededeling amuseerde hem.
Hij sloeg het boek open op een willekeurige pagina en zag het woordje ?naakt?.
?O jee, hier begint het al,? zei hij grijnzend.

Later die avond vroeg hij me een opdracht in het boek te schrijven.
Ik schreef, in het dialect: Niet schrikken, alles komt goed.
Hij schoot in de lach en liet het aan verschillende mensen zien.

Als ik mijn vader zie, besef ik dat schaamte in ouderlijke relaties vooral een probleem is van het kind.




Leren skiën

De witte wijn die tijdens de presentatie werd geserveerd, smaakte beter dan ik had gedacht.
Gisteren was ik bezig met de gevolgen daarvan.
Vandaag meldden zich de eerste mensen die het boek hadden uitgelezen.
Een van hen verontschuldigde zich voor het feit dat hij het boek in enkele uren had uitgelezen, nadat er jaren werk in het schrijven waren gaan zitten.
Hij vergeleek het met leren skiën: beter skiën betekent vooral dat je sneller beneden bent en dus meer tijd doorbrengt in liften.
Die observatie sprak me aan, al was me niet geheel duidelijk wat de strekking ervan was.
Hoe dan ook, ik heb een plek gemaakt om reacties op het boek achter te laten. Dat ik het kan begrijpen is geen voorwaarde voor gebruik.

Tot slot: woensdagavond van 19-21 uur ben ik te gast op Radio 5 in het programma OBA Live (voorheen Desmet Live). Donderdagochtend schuif ik aan bij Het Balkon van Limburg, een programma op L1 Radio. De presentator heet Lubert Priems. Toen ik dat hoorde, voelde ik een moment spijt dat ik de naam van de hoofdpersoon van mijn boek niet meer kon veranderen.




23/11 - 46

Klant is koning

Sommige schrijvers vergelijken het publiceren van een boek met het voorbrengen van een kind. De analogie is enigszins hysterisch. Je mag hopen dat je een kind serieuzer neemt dan bedrukt papier.

De analogie roept wel de vraag op welke rol de schrijver nog heeft nadat het boek is voltooid.
Sommigen werpen zich op als beschermers die het kwetsbare wezen verdedigen tegen een koude of apathische ontvangst.

Andere ouders proberen hun kind te verkopen. Tijdens interviews stralen ze geluk uit als ze over hun boek vertellen, een geluk dat niets te maken heeft met de kwaliteit van het boek en alles met het verleiden van de klant, de erotiek van de handel.

Mijn jongste broer is een geboren verkoper. Hij ontdekte het geluk van een succesvolle verkoop toen hij industriële afsluiters probeerde te slijten. Die afsluiters lieten hem koud, maar hij kon er met vuur over vertellen.

Ten aanzien van mijn dochter ligt die rol me wel. Ik verkoop haar met een zekere verbetenheid aan volwassenen, heb ik ontdekt. Tegen een alleszins redelijke prijs. Een glimlach, een vertederde blik, een aai over de bol, er is weinig voor nodig om de transactie bevredigend af te handelen. Een aanbod dat je niet kan weigeren. Ik vat snel antipathie op voor eenieder die de geboden waar niet gretig afneemt.

Mijn boek verkopen, daarentegen, bevalt me niet.
Het liefst zou ik het te vondeling leggen.
Het moet zichzelf maar verkopen.
Als er geen vraag naar blijkt te zijn, deugt het product wellicht niet.
Iedereen die ooit iets over marketing heeft gelezen, kan uitleggen waarom die gedachtegang niet deugt. Maar ik kan me er moeilijk los van maken.

Het te vondeling leggen van een kind is doorgaans een wanhoopsdaad.
Dat is hier niet anders.
Het is een poging om de teleurstelling te snel af te zijn.
Vanaf het moment dat ik wist dat het boek uitgegeven zou worden, heb ik mezelf ingeprent hoe marginaal het verschijnsel debuutroman is. Er verschijnen er tientallen per jaar. De meeste daarvan worden nooit besproken, amper gelezen en nog minder verkocht.
Je mag natuurlijk hopen dat je hieraan ontkomt.
Maar hoop is gevaarlijk.

Ik probeerde de teleurstelling onschadelijk te maken door haar in te calculeren, te omarmen, dood te knuffelen.
Hoe dichterbij het moment van verschijning kwam, hoe krachtelozer deze strategie bleek te zijn.

De consequentie daarvan is duidelijk.
Als ik niet kan ontsnappen aan de teleurstelling, dan is er geen reden meer om de verkoop te mijden.
Vanmiddag om vijf uur wordt mijn boek officieel gepresenteerd.
Vanaf vanmiddag vijf uur stort ik mij op de schande en het geluk dat verkoop heet.
Ik zal schmieren, jubelen en geluk uitstralen.
En iedereen vriendelijk haten die de aangeboden waren weigert af te nemen.

De eerste regel van de verkoop is bekend: de klant is koning.
Vanaf vanmiddag bent u koning.

Mijn eerste actie: niet goed, geld terug.
De afgelopen dagen heb ik boeken verzonden aan mensen die deze via de site hadden besteld.
Het bestelformulier bevatte geen optie om aan te geven of de koper het boek wilde laten signeren. Dat besefte ik pas nadat ik begon de bestellingen te versturen.
Dus heb ik alle boek gesigneerd.
Als iemand graag alsnog een maagdelijk exemplaar wil: niet goed, geld terug.

Mijn handtekening bestaat uit een onooglijk krabbeltje gevolgd door een futloos lijntje dat langzaam uitsterft.
De mensen die daar bij nader inzien graag vanaf zien: niet goed, geld terug.

Sommige mensen gaven als opdracht mee: verzin zelf maar een opdracht.
Voor de mensen die de door mij verzonnen opdracht van onvoldoende kwaliteit vinden: niet goed, geld terug.

Voor de mensen die na lezing van het boek ontevreden zijn over de prijs-kwaliteitverhouding: niet goed, geld terug.

Het loket is open.
De medewerkers zitten klaar.

U bent koning.
Geniet ervan.




Het papier is er, nu de lezers nog




Niet langer verwacht

Zojuist werd ik gebeld door de uitgeverij dat tegennatuur vandaag van de persen is gerold, een week eerder dan verwacht. Ik heb het zelf nog niet in handen gehad, maar er is me verzekerd dat het fraai geworden is.

Het boek zal pas eind volgende week aan de boekhandels worden geleverd. Vanaf vandaag kunt u het echter bestellen via Bijzinnen.com. Met korting. Als u voor 21 november bestelt, betaalt u geen verzendkosten en ontvangt u het boek voordat het in de winkel ligt. Desgewenst gesigneerd en voorzien van een opdracht.

Bestellen kan alhier.




Kaasfondue met Arnon Grunberg

Ik zat naast Arnon Grunberg.
De kleine tafeltjes van het fonduerestaurant dwongen onze stoelen dicht bij elkaar.
We bogen allebei een beetje opzij, van elkaar weg.
Eerst had ik schuin tegenover hem gezeten. Toen moesten diverse aanwezigen van plaats verwisselen vanwege hun bestelling.
We roerden met stukjes brood door dezelfde pan met gesmolten kaas.

Ik zat naast Arnon Grunberg en ik probeerde me een houding te geven.
Het was een mijnenveld.
Mijn vrouw maakt regelmatig de grap dat ik verliefd op hem ben.
Ik glimlach dan beleefd, maar het doet ook een beetje pijn.
Toen ik laatst zei dat ik Onze Oom niet zo?n goed boek vond, zei ze: ?Hè hè, eindelijk.?
Voordat ik naar de afspraak met meneer Grunberg ging, zei ze: ?Je bent niet zo briljant, maar wel veel knapper.?
Ziedaar de balans van mijn leven op zaterdagmiddag jongstleden.

Het mijnenveld bestond uit dingen die ik wilde vermijden tijdens de ontmoeting.
De lijst was omvangrijk.
Om een paar items te noemen:
Niet zwatelen.
Niet zwijgend toekijken.
Kruiperig zijn met mate. (Over de gezagsverhoudingen bestond geen misverstand, maar het leek me prettiger die niet al te expliciet te maken.)
Niet de poseur uithangen.

Ongeveer tien minuten nadat meneer Grunberg was aangeschoven, hing ik de poseur uit.
Er was geen redden aan.

Ik had me ingesteld op een druk gesprek met schaarse mogelijkheden om iets tegen hem te zeggen. Maar de vijf andere mensen die uitgenodigd waren, bleken bescheiden en beleefd. Daardoor vielen er veel gaten in de conversatie. Ook waren er de nodige onderbrekingen door enkele mensen die werden aangeduid als ?Grunbergs hofhouding.? Later noemde iemand ze ?de onderdanen?, en meneer Grunberg nam die term zonder aarzeling over.

Elk gat dat viel oefende een zuigende werking op me uit.
Na het derde gat, meneer Grunberg had net het aantal gewenste kaasfondues geïnventariseerd, begon ik over het nihilisme.

(Wordt vervolgd.)




Maand negenendertig

Het opvoeden van een kind wordt wel eens vergeleken met het africhten van een dier. Een hond bijvoorbeeld. Er bestaan cursussen waar mensen oefenen met honden om een betere ouder te worden. Als een hond al niet naar je luistert, dan ben je kansloos bij een kind, zo luidt ongeveer de gedachtegang.

Het klinkt wat cru, maar er valt iets voor te zeggen. Wat de hondencursus je niet leert, is dat je als ouder ook afgericht wordt. Jij hebt ontdekt dat je ons kan dresseren met de door onszelf ingestelde regels. Ik moet de eerste hond nog tegenkomen die dat kunstje beheerst.

Het werkt ongeveer als volgt.
Ik niesde.
?Gezondheid,? zei jij.
Ik snoot mijn neus.
?Noep je dank je zeggen, pappa,? zei jij. Noepen is jouw favoriete werkwoord. Voor zover ik kan nagaan overlapt het grotendeels met het werkwoord moeten.
?Dank je.?
?Goeso, pappa,? zei je. Met enige verbazing. Dezelfde verbazing die je moeder en ik tonen als jij iets sneller begrijpt dan we hadden verwacht.

Ander voorbeeld.

Je mag overdag niet meer duimen. Alleen nog in bed.
Soms wil je heel graag duimen en dan vraag je ons om toestemming.
Die we meestal weigeren.
Soms gaat mijn weigering gepaard met een poging je te omhelzen, waaraan je spartelend probeert te ontsnappen.
Vroeger dacht ik dat de liefde die totalitair regimes tonen voor hun onderdanen geveinsd was, maar inmiddels weet ik dat niet meer zeker.

Tot onze verbazing probeer je niet stiekem te duimen. Het zou zo eenvoudig zijn. Maar de categorie ?stiekem? bestaat nog niet, schijnbaar. Wellicht zijn we alleswetend en allesziend in jouw universum. Dus je maakt je elke wens expliciet en laat het oordeel over je komen. Je kunt er woedend van worden, maar je kunt de regel niet overtreden. Komt niet in je op.

Dus doe je wat mensen in andere totalitaire regimes hebben gedaan: je bestrijdt het met zijn eigen regels.
Gisteren ging je op de bank liggen.
Je vroeg me om even het dekentje over je te leggen.
Toen zei je: ?Ik lig nu in bed dus dan mag ik even duimen.?
(Dat is ook iets recents: je kunt conceptueel denken.)
Ik vind eigenlijk dat je beloond moet worden voor deze vindingrijkheid.
Maar vindingrijkheid is ondermijnend en het ouderlijke gezag is al zo broos.
Denken veel ouders.

Ik kan me vergissen, maar voor mijn gevoel zit ik steeds vaker bij gesprekken waarin ouders steun zoeken bij elkaar en anekdotes uitwisselen over de doortrapte manieren waarop hun kinderen het gezag uithollen. Sommige van hen klinken als despoten die sinds ze aan de macht is alleen nog maar kunnen denken aan de dag dat het paleis bestormd zal worden.
Ik heb me wel eens afgevraagd of hondenbezitters ook zo onzeker zijn over hun gezag.

Mijn bezwaar tegen vindingrijkheid is niet zozeer dat het ondermijnend is, maar dat de efficiëntie verstoort van de dagelijkse routine. Economen zeggen dan: het verhoogt de transactiekosten. Dat effect neem ik serieus.
Ik geloof niet in onvoorwaardelijke liefde, maar de voorwaarden zijn gelukkig overzichtelijk. Ook tegen lage transactiekosten kan de liefde woekeren.

De laatste maanden heb je een nieuw spel.
?Ben ik de papa, ben jij het kindje,? zeg je dan. ?Ga maar huilen.?
Ik begin te huilen en roep dat ik wil duimen.
?Je noep niet zo zeuren,? zeg jij vervolgens.
Een keer huilde ik verder om te zien wat je zou doen. Hoe je jezelf zou opvoeden.
Maar je aarzelde geen seconde.
?Is niet erg, kindje. Ga maar duimen,? zei je vastberaden, tevreden met je afhandeling van deze kwestie. ?Doe maar.?
Ik lachte, maar voelde me ook ineens kwetsbaar. Het paleis wordt nog niet bestormd, maar ook de adviezen van de vertrouwelingen moeten met argwaan worden bekeken.




Sofia (slot)

Eerder: 1, 2.

Op de derde dag had ik nog steeds geen enkele fiets gezien.
Ik bedoel niet: bijna geen fietsen.
Ik bedoel letterlijk geen enkele fiets.
Zelfs niet nadat ik een uur door de buurt met woonbarakken had rondgelopen. Ik was nog speciaal blijven staan bij een trapveldje waar kinderen af- en aanliepen. Te voet. Geen fiets te zien.

Het was overigens een opbeurende aangelegenheid, rondlopen in die grauwe wijk.
De woonbarakken waren torenvormig. Smal en hoog. En besmeurd met uitgelopen grijstinten en regensporen. Tussen de gebouwen lagen opengebroken straten. Ze zagen eruit alsof ze al jaren geleden opengebroken waren en ze nooit meer dichtgemaakt zouden worden. Het groen was volledig verwilderd. Overal woekerden kleine wildernissen en ineens herinnerde ik me hoezeer ik vroeger opging in verstoppertje spelen.

En tussen al dat gebrek aan onderhoud, bevonden zich opgewekte mensen. Er werd gekeuveld, geslenterd, gehangen, gelachen. Bij mannen stonden er vaak donkerbruine flessen bier op de grond voor hen. Ik zag zelden iemand een slok nemen en dronkenlappen waren even schaars als fietsen.

In winkels werd ik vriendelijk geholpen. Bij de kassa van een kleine supermarkt werd ik in keurig Engels geattendeerd op een mogelijke korting. Bij een groentestalletje zag ik een verkoper minutenlang met een klant praten over een meloen. Ze betastten het ding alsof ze een goudklomp hadden opgegraven.

Even koesterde ik de fantasie hier te wonen. Het zou geen drol kosten, Vera zou rondhangen op het trapveldje en ik zou in een kaal ingerichte woonbarak romans schrijven die in Nederland als kosmopolitisch zouden worden gezien. Alleen voor mijn vrouw wist ik zo snel geen aanlokkelijk tijdverdrijf te verzinnen.

Overdag zat ik in een vergaderzaal in de kelder van het hotel. De veertigtal deelnemers waren ambtenaren, een handvol consultants en een paar mensen die ik niet kon plaatsen. Een van hen wilde mij op de foto zetten. Ze bleek te schrijven voor een Bulgaars blad over computerveiligheid.

De meeste presentaties waren in het Russisch. Af en toe zat er een Engels woord tussen. Zo lardeerde een Moldavische rechercheur zijn betoog steeds met de term ?siebberkrimminnals?. Achter in de zaal stond een soort tuinhuisje met twee simultaanvertalers. Ik had een oordopje in waaruit monotoon Engels kabbelde.

De voorzitter van elke sessie moest de sprekers binnen de hen toegewezen tijd houden. Meestal een minuut of tien. Dat lukte vaak niet, maar het leidde toch tot enige nervositeit bij de spreker. Behalve bij een Rus. Hij was een directeur van een staatsagentschap met een ronkende naam. De traditie van ronkende namen heeft de val van het communisme schijnbaar zonder noemenswaardige schade overleefd.

De Rus oreerde met veel geestdrift en armgebaren. Ondertussen bleef de projector de eerste dia van zijn presentatie weergeven. Ik had het oordopje uitgedaan en was met mijn email bezig. Na een minuut of tien werd ik nieuwsgierig en deed het dopje weer in. De vertaler zei: ?Dit is overigens nog niet mijn presentatie.? Dat leidde tot gegniffel in de zaal, alsof de Rus iets ondeugends had gezegd.

Na twintig minuten luisterde ik weer even. Nu zei de Rus, volgens de vertaler: ?Dit was een korte introductie. Nu begin ik aan mijn presentatie.?
Een bulderend lachsalvo ging door de zaal. Het enige lachsalvo van de gehele conferentie. De lach suggereerde dat de Rus een verzetsdaad pleegde. Ik stel me voor dat ze vroeger op die manier gecodeerde, subversieve grappen maakten over de Communistische partij. Waar ze natuurlijk allemaal lid van waren. Nu werd er een ander regime ondermijnd en bevestigd door de grappen. Misschien de terreur van de efficiëntie, een Westerse ideologie waaraan je je evenmin kon onttrekken.

Tijdens de presentaties werkte ik een fikse hoeveelheid achterstallige email weg. Terloops meldde ik dan steeds dat ik Sofia verbleef. Dat mensen niet dachten dat ze zomaar een antwoord kregen.

Er ging een ongelooflijke rust uit van de bijeenkomst. Normaal ben ik enigszins nerveus tot dat ik mijn eigen verhaal heb gedaan. Maar deze presentatie had ik inmiddels zo vaak gegeven dat ik ?m kon geven terwijl ik nadacht over de vraag of ik eerst in bad zou gaan of eerst roomservice zou bestellen. Of dat ik in de stad zou gaan eten.

Na het eten corrigeerde ik de drukproeven van de roman.
De meeste avonden liet Vera me via de webcam zien wat ze aan het eten was. Dan zag ik ineens een reusachtige spaghettisliert, van waarachter haar triomfantelijke gezicht te voorschijn kwam.

Op de laatste dag ontdekte ik eindelijk een fietser. Drie fietsers, om precies te zijn. In een winkelstraat die voor auto?s gesloten was. Ik ben er niet achter gekomen wat Bulgaren tegen tweewielers hebben. De taxirit naar het vliegveld was veel te vroeg om het alsnog te vragen.




Sofia (2)

(Ik ben al een week terug uit Sofia, maar het weblog nog niet.)

Eerder: 1.

Na de douane staat een jongeman te wachten.
Hij zwaait hoopvol met een bordje waarop mijn naam staat en is zichtbaar opgelucht als ik knik.
Het blijkt dat hij al de hele dag staat te wachten.
Niet op mij.
Op niemand, om precies te zijn.
Maar hij was voor de hele dag betaald en dat was de opgegeven taak: wachten.
Ik voel me te slordig gekleed om zijn dag nog te redden.
En te ongeschoren.

Het hotel ligt aan de rand van Sofia, tussen communistische woonbarakken.
Het is nog geen jaar open, vertelt het meisje achter de balie me.

De kamer is ruim en smaakvol ingericht.
Ik hang mijn pak in de kast, zet de televisie aan en trek al mijn kleren uit.
Het heeft iets met territorium te maken.
Als ik een poosje naakt door de kamer heb gelopen, voelt het alsof ik thuis ben.
Overigens loop ik thuis nooit naakt rond.

Ik staar een poosje uit het raam, naar de chaotische verkeersdrukte voor het hotel.
Ondertussen peuter ik aan kleine oneffenheden op mijn bovenlijf.
Chaotisch verkeer is een van mijn favoriete onderdelen van onbekende steden.

Op een gegeven moment valt me op dat ik nog geen enkele fietser heb gezien.
Zodra ik dat constateer verwacht ik er elk moment een te zien.
Maar er zijn alleen bussen, auto?s en voetgangers. Zelfs geen brommer.
Wellicht wantrouwen Bulgaren vervoermiddelen met slechts twee wielen.

Dan besluit ik in bad te gaan.
Er was een periode dat ik thuis een ligbad had.
Ik heb er misschien twee keer gebruik van gemaakt.
In hotels spreekt het idee me aanzienlijk meer aan.

Ik ga de badkamer binnen en zoek naar het licht.
Het knopje bij de deur doet niets.
Naast de badkuip hangt een trekkoord.
Ik trek eraan.
Het licht gaat niet aan.

Dan pas zie ik de sticker.
?PANIC CORD. Only pull in case of extreme emergency.?
Het duurt enkele seconden voor ik de situatie kan overzien.

Er is inderdaad inmiddels sprake van enige paniek.
Ik heb het koord bijna uit de muur getrokken.
Terwijl ik op de badrand balanceer, probeerde ik het kastje waarin het koord verdwijnt weer in de muur te duwen.
Het lukt maar half.

Er kan nu elk moment iemand aankloppen.
Of wellicht maken ze zelf de deur open.
Als iemand ligt te creperen, wacht je niet op antwoord.

Ik ren de kamer in en trek zo snel als ik kan mijn kleren aan.
De sokken zijn te moeilijk.
Met een voetbeweging veeg ik ze onder de kast.

Aangekleed ga ik op de bedrand zitten.

Na een kwartier is mijn onbedoeld alarmsignaal nog steeds onbeantwoord.

Toen ben ik gaan liggen en heb ik even een klein slaapje gedaan.
Met mijn kleren aan.




Sofia (1)

In het vliegtuig naar Sofia zaten Bulgaren en enkele Nederlanders, vooral mannen in pak.
Ze zaten verspreid door de cabine, maar zodra we in de lucht waren openden ze allemaal hun laptops, als op commando.
Ik vroeg me af welke lucratieve handel er met Bulgarije te voeren was.

Tussen twee stoelen door gluurde ik naar het scherm van een van de mannen.
Hij bleek bij het Havenbedrijf Amsterdam te werken.
Een ambtenaar dus.

Ik bekeek een man aan de andere kant van het gangpad.
Hij was bezig een powerpointdia?s te maken.
Iets over visiting professors en Europese studies.
Een wetenschapper dus.
?What are our objectives?? stond er bovenaan de dia die hij net had gemaakt.

Een andere man in pak kwam een praatje maken met de meneer van het havenbedrijf.
Ik dommelde even weg. Toen ik weer bijkwam legde de meneer van het havenbedrijf uit dat hij Bulgaarse ?counterparts? bezocht om ?leerervaringen uit te wisselen?.
De man die een praatje kwam maken knikte belangstellend.
Leerervaringen waren er om uitgewisseld te worden.
God weet waar je ze anders moest laten.

Op dit soort momenten word ik overvallen door het mysterie dat economie heet.
Dat bedoel ik niet ironisch.
Dichter bij een religieuze ervaring kom ik niet.
Overal hingen mensen in de lucht die ergens dingen gingen doen, praten vooral, eten, slapen, misschien neuken. Daarna stapten ze weer in een volgend vliegtuig.
Ik ben er een van.

Op dit soort momenten kan ik moeilijk weerstand bieden aan de gedachte dat we iemand belazerd hebben. Of hele bevolkingsgroepen hebben uitgebuit. Dat we met gestolen geld ons heen en weer laten vliegen.
De slachtoffers kom ik echter nooit tegen.
Ja, goed, Afrika en zo.
Toch is dat niet het hele antwoord.
Een deel ligt in het mysterie van de economie: Er wordt waarde gecreëerd, er ontstaat geld dat niet eerst van iemand anders was. Ik kan niet uitsluiten dat naar Sofia vliegen om leerervaringen uit te wisselen ook waarde creëert.

De wetenschapper was met een nieuwe dia bezig.
Bovenaan stond: ?What are our outputs??
Dat was inderdaad de juiste vraag.




In de markt

Aan het einde van een trage, rommelige vergadering ben ik alleen overgebleven met twee ambtenaren.
Sommige mensen waren niet komen opdagen, de rest had een excuus om eerder weg te gaan.
Ik moest blijven om een opleiding te verkopen.

Voor ik de deur uitga schud ik hun handen.
?Sorry,? zegt een van hen. ?Hoe was je naam ook alweer??
Ik noem mijn naam en haal uit de binnenzak van mijn colbert een visitekaartje.
?Zo,? zegt de man. ?Dat gaat soepel.?
?Ja, Jan,? zegt de ander. ?Zo doen ze dat in de markt, hè.?




De debutant

Overal liepen meisjes in strakke t-shirts.
Het waren er honderden.
Uitgevers blijken te beschikken over een enorm contingent meisjes die bereid zijn zich te hullen in een strak t-shirt met een bedrijfslogo.
Of met het woord ?KLUNEN? erop.

Misschien is dat wat mensen bedoelen als ze praten over passie in hun werk, dat je met een t-shirt wil rondlopen waarop staat: KLUNEN.
Overigens zag ik de meneer die zichzelf in een werkwoord wilde veranderen ook nog.
Hij leek erg op de man die in mijn harmonie de schellenboom droeg.
Als je geen instrument kon spelen en ook niet in het bestuur zat, kreeg je de schellenboom.

Ik had de indruk dat de meisjes met de strakke t-shirts geen inhuur waren. Ze begeleidden auteurs, bemanden stands en deden andere uitgeverachtige dingen.

Ik werd ook begeleid.
Een medewerkster van de pr-afdeling ? in strak t-shirt ? bracht me van de uitgeversstand naar het podium van het debutantenbal.
Op het plein tussen de gebouwen kwam ik Walter en Charis tegen.
?Ik word begeleid,? zei ik, wijzend naar de begeleidster.

Van mijn vijf minuten op het podium werd ik enigszins neerslachtig.
Ik was weer aan het ratelen.
Helemaal begrijpen doe ik het niet.
Ik sta voor collegezalen met meer mensen, maar dat is blijkbaar in een ander universum.

Na afloop zei mijn vrouw lieve dingen.
Je kan veel zeggen van het huwelijk, maar ik vind het prettig dat de taak om te troosten geïnstitutionaliseerd is.
Geborgd, noemen ambtenaren dat. Taken moet je borgen.
Alsof ze in de bouw werken.

Na afloop werd ik weer terugbegeleid naar de uitgeversstand.
Verschillende mensen stelden zich voor. Daarna probeerden ze voorzichtig mijn verwachtingen ten aanzien van de impact van een debuutroman te temperen.
Ik zei dat ik geen hoge verwachtingen had, hele lage zelfs, maar dat namen ze niet serieus.
Leer hen debutanten kennen.
Ik ben bang dat ze gelijk hebben.

Toen ik met een vertegenwoordiger stond te praten, onderbrak hij ons gesprek om een meneer te begroeten die zich voorstelde als Jaap Scholten.
Die naam herinnerde ik me uit een boekrecensie van een paar maanden geleden.
Ik stelde me voor en zei dat ik een recensie over zijn boek had gelezen, een positieve recensie.
Loze informatie.
We zeiden even niets.
Toen meldde de vertegenwoordiger dat ik ging debuteren. Tegennatuur is de titel, zei hij.
Ik knikte.
Zo, zei Jaap.
Hij keek me welwillend aan, maar ik wist even niets te zeggen.
Dus je bent tegen natuur, zei hij.
Nee, zei ik.
Het viel weer stil.
Nu moet ik natuurlijk iets vertellen over het boek, mijn pitch doen, zei ik.
Nee hoor, zei Jaap Scholten, op de toon van: alsjeblieft niet.

Toen gingen we overdreven hard lachen.
Ik vooral.

Thuis zocht ik de recensie op.
Hij was vernietigend.




Manuscripta

Een kleine aanvulling aangaande het debutantenpanel tijdens Manuscripta.
Ik heb net begrepen dat het voorlezen zich zal beperken tot een alinea. Door de interviewer te selecteren.
Verder is de rekensom duidelijk: acht debutanten in vijfenveertig minuten.
Dit alles als bijsluiter.

Eigenlijk is het niet zozeer een aanvulling als wel een rectificatie.
Maar goed.




Kaderstellers en regievoerders

De deuren van de stoptrein naar Rotterdam gingen open.
Mensen stapten uit.
Ik kon nog net een alinea lezen van het strategierapport.
De kaderstellers en de regievoerders moesten geïntegreerd worden, meldde die alinea.
Een paar consultants hadden de zaak onderzocht en de conclusie was helder: de kaderstellers en de regievoerders moesten geïntegreerd worden.

Voor me hielp een man een oudere vrouw met het afstapje.
De consultant schreven verder: Mogelijk wat andere rol in de beheersing vanuit het wettelijk kader.
Ik las de zin nog een keer.
En nog een keer.
De consultants hadden besloten dat werkwoorden niet langer vanzelfsprekend waren in de nieuwe strategie.
De omgeving werd steeds veeleisender, zoveel was duidelijk

Ik rolde het strategierapport op en schuifelde naar de deur.
Net voor ik in wilde stappen hoorde ik gitaarklanken.
De lijn naar Rotterdam kent een kleine schare gitaarspelers die zich niet zozeer op het spelen heeft toegelegd, als wel op het inzamelen van een publieksbijdrage.

Even overwoog ik naar de volgende deuropening te lopen.
Maar afwijken van een voorgenomen handeling is niet mijn sterkte punt.
Ik stapte in, ging op een klapstoeltje zitten en ontrolde de strategienota.
De gitaarspeler zat recht tegenover me.
Afgetrapte spijkerbroek en gympen waar geen zool meer onder leek te zitten.
De deuren werden gesloten.

Ik worstelde met de volgende alinea van de strategienota.
De onderlinge coördinatie en afstemming van ieders productenpalet.
Ook zonder werkwoorden was het belang daarvan duidelijk.

Toen pas drongen ze tot me door.
De gitaarklanken.
De jongen speelde een barok menuet.
Gemanicuurde vingernagels vlogen over de snaren en raakten ze heel licht aan.
Zachte en toch heldere klanken.
Een melodische lijn die maar niet wilde oplossen.
Telkens als het rustpunt gekomen leek, nam de melodie een andere wending.
Ik voelde ineens tranen opwellen.
Opwellen, meer was het niet.
Zodra ik het merkte, was het over.

Tot aan mijn halte kon ik mijn ogen niet van zijn vingers afhouden.
De trein stopte en ik werd me weer bewust van de strategienota op mijn schoot.
Ik rolde hem op, terwijl de jongen zijn gitaar in een koffer legde.

Hij stapte voor me uit.
Even kwam ik in de verleiding hem achterna te lopen.
Ergens in de stad zou hij verder spelen en niets hield me tegen daarbij te zijn.
Maar ik had een afspraak bij het kantoor van een ambtelijke organisatie.
Om een second opinion te geven over hun strategienota.
Ik zou ook iets gaan zeggen over kaderstellers en regievoerders.
En me daarvoor laten betalen.




Voorlezen

Over Manuscripta is mij verteld dat het een soort Uitmarkt is, maar dan voor boeken.
Ergens tussen de honderden activiteiten die op het programma staan, is een debutantenbal verstopt.
Waarom het een bal heet weet ik niet.
Vermoedelijk nemen er wat mensen achter een tafel plaats. Dat er gedanst wordt lijkt me uitgesloten. Hoogstens worden de debutanten op barkrukken gezet, omdat iemand heeft bedacht dat een zitten op een barkruk ?dynamischer? is.

Hoe dan ook: tussen zeven andere debutanten zal ik mijn eerste publieke optreden maken.
Er schijnt voorgelezen te gaan worden.

Goed voorlezen lijkt me moeilijk.
Eerder die middag vindt een voorleesworkshop plaats, maar als oplossing voor deze kwestie komt dat rijkelijk laat.
Mijn vrouw heeft voorgesteld dat ik haar elke avond in slaap lees.
Het bleek lang gekoesterde fantasie te zijn die ze nooit eerder had uitgesproken.
Ik weet niet of het mij veel vertrouwen schenkt als degene die ik voorlees telkens in slaap valt, maar goed.
Vooralsnog heb ik geen beter idee

Het debutantenbal is op zondag 7 september, van 15:45-16:30u in de Westerunie op het terrein van de Westergasfabrieken in Amsterdam. Kaarten voor de hele dag kosten 10 euro. Via Bol.com kun je gratis kaartjes krijgen. Het kan zijn dat je daarvoor je ziel moet verkopen. Voor sommige mensen is dat wellicht een welkome bijkomstigheid.




Haten op een liefdevolle manier

Mijn vrouw vroeg of ik nog meer complimenten had gekregen van vrouwen naar aanleiding van het vorige stukje.
Ik had naar complimenten gevist, vond ze.
Dat was niet mijn bedoeling geweest, zei ik.

In mijn boek komt een passage waarin beweerd wordt dat bedoelen een werkwoord is dat geen enkele nuttige functie vervult.
Mijn vrouw was zo vriendelijk die passage niet aan te halen.

Ik heb niets tegen vissen naar complimentjes.
Net als alcohol moet je complimenten echter met mate consumeren. Ik zou de mogelijkheid om te vissen liever bewaard hebben voor het eerstvolgende moment waarop mijn ego ernstige ontwenningsverschijnselen vertoont.

Ik las gisteren een stukje in Fantoompijn.
Daarin zegt een vrouw: ?Weet je wat het probleem is met jullie mannen? Dat jullie niet kunnen neuken als jullie niet de hemel in worden geprezen.?

De vrouwen in Grunbergs romans kunnen vaak scherp observeren.
Daarom worden ze ook zo gehaat door de hoofdpersonen, vermoed ik.
Waarbij ik haten bedoel op de meeste liefdevolle manier.




Geen dagtaak

Een paar uur nadat ik mijn naam had prijsgegeven, zocht ik naar een bepaalde foto van mezelf op internet. In mijn herinnering was de foto nogal onflatteus, met name omdat ik een klein jaar niet naar een kapper was geweest.
Ik zal niet zeggen dat ijdelheid een dagtaak is, maar je moet het wel een beetje bijhouden.

Ik bekeek de foto en vroeg me af hoeveel lezers die foto opgezocht zouden hebben. En vooral: of ze teleurstelling voelden toen ze hun fantasie in overeenstemming moesten brengen met de realiteit.
Dat is mezelf ook enkele keren overkomen bij andere webloggers.
Iedereen weet dat de kracht van lezen ligt in het zelf invullen van de witte vlekken.
Van foto?s heb ik nog het meeste last gehad.
Misschien omdat veel webloggers die ik graag lees blanke mannelijke dertigers bleken te zijn. Een foto brengt ze dan zo dicht bij dat ik mezelf ga zien in alle witte vlekken.
Je hoeft geen zelfhaat te hebben om dat vervelend te vinden.

Op de foto zag ik mezelf en tegelijk zag ik een vreemde.
Het was een niet onaangename gewaarwording.
Toen mijn vrouw de kamer binnenkwam, klikte ik snel de foto weg.




Tegennatuur

Na vijf en een half jaar zal ik voor het eerst mijn naam prijsgeven.

In die vijf en een half jaar heb ik af en toe een bericht ontvangen van mensen die meenden mijn naam achterhaald te hebben. Een keer zat er zelfs een weddenschap aan vast.
Ik kan niet ontkennen dat het iets erotisch had, dat iemand je probeert op te sporen.
Opgejaagd worden is ook een vorm van begeerte.
En natuurlijk is er een element van voyeurisme.
Ik kan iedereen aanraden zich te laten bespieden.

Alleen als mensen het goed hadden geraden kreeg het soms een wat grimmige ondertoon. Alsof het raam tussen mij en de voyeur werd gebroken.
De mevrouw van de weddenschap bleek die overigens te verloren te hebben. Op mijn vraag wat de andere partij nu gewonnen had, kreeg ik geen antwoord.
Sowieso verdwenen de betreffende mensen meteen zodra hun nieuwsgierigheid bevredigd was.
Begeerte is vluchtig, en daar is veel voor te zeggen.

Eigenlijk wordt niemand er beter van, dat ik mijn naam prijsgeef. De voyeurs niet en ik niet. Maar ik wilde het boek onder mijn eigen naam uitbrengen.
Uit ijdelheid, voornamelijk.
Er waren andere overwegingen, maar die wantrouw ik.
IJdelheid is een krachtige drijfveer.
Dat ik nu mijn relatieve anonimiteit moet opgeven voelt als een gepaste straf.
Ik ben al vijftien jaar niet meer in een kerk geweest, maar het idee dat ik straf verdien voor een persoonlijke zwakte blijkt niet aan erosie onderhevig.
Misschien omdat ik elke keuze wantrouw die niets kost.

Afijn.
Het boek.
De titel luidt: Tegennatuur.
Het zal in november verschijnen.
Over de flaptekst is nog niemand tevreden, maar voorlopig moet u het doen met de onderstaande omschrijving.
Wat zou u er verder over willen weten?


Als je geen wonderen kunt verrichten, ga je op de loer liggen en wacht je tot het leven een verdedigingsfoutje maakt.

Grad Vaessen, een jonge wetenschapper, probeert te ontsnappen aan de trivialiteit van zijn werk en zijn leven. Een onderzoeksproject heeft hem naar Amerika gelokt en hij woont sinds kort in de kelderkamer van een Amerikaanse professor en diens gezin. Samen met de professor zoekt hij naar oplossingen om bedreigde diersoorten te redden. Zo ontdekken ze een wereld waarin miljarden worden uitgegeven aan heropvoedingskampen voor vissen, helikopters om vogels te tellen en geavanceerde controlecentra die zeldzame dieren observeren alsof het ruimtevaartuigen zijn. Ze ontmoeten mensen die elke werkdag van negen tot vijf wonderen proberen af te dwingen.

Groots en meeslepend leven bestaat niet, denkt Grad. Maar dan verklaart de professor hem de liefde, dreigt diens vrouw haar keel door te snijden en denkt Grads geliefde dat ze de waarheid heeft gezien in een homobar. Ondertussen wacht hun onderzoek nog steeds op een wonder.




Niks

L. dacht dat ik een aantal stukjes op de plank had liggen toen ik aankondigde elke dag iets te plaatsen.
Dat is niet zo.
Het is nu 23:43 en ik heb niks.

Morgen zal ik vertellen over het boek.
En mezelf voorstellen.
Dat is onontkoombaar.

Ik kijk er niet naar uit.




Dagvaarding (2)

Eerder: zie hier.

Een week voor de rechtszitting had mijn vrouw eindelijk een Franse advocaat gevonden die beweerde Engels te spreken. Ik mailde hem de relevante stukken en enkele vragen.
Ik wilde vooral weten wat de eis was van de Officier van Justitie. Franse dagvaardingen blijken geen strafeis te vermelden.
De advocaat stuurde een rekening voor 980 euro en zei dat de strafeis pas tijdens de zitting bekend zou worden.
Ik vroeg hem wat een realistische eis zou zijn.
Hij mailde terug dat de officier meestal de maximumstraffen eiste.
In mijn geval: drie jaar cel.
Een vriend van me vermaakte zich met grappen over Senegalese criminelen die in mij een lekker hapje zouden zien.

De e-mails van de advocaat waren sporadisch en erg kort.
Uiteindelijk vroeg ik hem mij te bellen.
De volgende ochtend, een dag voor de rechtszitting zou plaatsvinden, ging de telefoon.
Ik stond met Vera aan de hand bij de kinderboerderij.
Toen ik de telefoon opnam zei een Franse mevrouw zonder verdere inleiding dat meester Huppeldepup met mij wilde spreken. Daarna klonk een klik.
?Hello?? zei ik.
?Hello?? zei iemand anders.
?Yes??
?Yes. Dies ies Master Huppeldepup. You have questions??

Terwijl Vera me richting de cavia?s trok wist ik Master Huppeldepup duidelijk te maken dat ik graag een realistische inschatting wilde van het te verwachten oordeel.
Master Huppeldepup zei dat hij het begreep.
?Realistiek iez sieks mons priezon.?
?Six months prison?? zei ik verschrikt.
?Yes.?
?Really??
?No, no, is not riel priezon.?
?Excuse me??
?Yes??
?What do you mean, it?s not real prison??
?Ah, is priezon sursie, you understand??
?No. Oh wait, do you mean it?s a suspended sentence??
?Yes, it?s sursie.?

Het bleek dus om een voorwaardelijke straf te gaan. Maar ik had niet de indruk dat hij mijn dossier bestudeerd had. Ik vroeg hem waardoor de hoogte van de straf bepaald zou worden.
?O, many zings. If you are bad person, for example. Are you bad person??
?Am I a bad person??
?Yes??
?Euh. I?m not sure what...?
?You have job??
?Yes.?
?Okay. Ies goed. Send me letter about your income.?

Aan het einde van het gesprek liet ik me ontvallen dat nerveus was. Ik vroeg of hij me meteen na afloop van de zitting wilde bellen.
Dat vond Master Huppeldepup een ongewoon verzoek.
?I guess I can do zet,? zei hij.
?Thank you,? zei ik. ?I?m anxious to know the outcome.?
?No, don?t need to be anxious. Just send me papers that you are not a bad person.?

De volgende middag wachtte ik nerveus op een telefoontje. De zitting zou om twee uur zijn.
Er werd niet gebeld die middag, behalve door mijn vrouw en twee vrienden die allemaal vroegen of er al gebeld was.
De volgende dag mailde ik Master Huppeldepup.
De dag daarna kreeg ik antwoord bestaande uit een zin: ?The session has been reported to 12 November.?

Uitgesteld.
Ik haalde mijn schouders op. Op de een of andere manier raakte het me niet meer. Alsof ik een quotum bezorgdheid had dat nu is verbruikt.

Mijn vrouw maakt grappen dat ik stiekem fantaseer over schrijven vanuit een gevangeniscel.
De vriend die grappen maakt over Senegalese criminelen vindt nu dat hij die grappen niet meer mag maken. Om ze vervolgens alsnog te maken.

Wordt vervolgd.




Totalitaire institutie

Sommige mensen zijn bang om alleen te zijn.
Ik ben bang om nooit meer alleen te zijn.

In het voorjaar was ik een weekeinde alleen in Montreux.
Zonder reden. Dat wil zeggen, er was een reden om te gaan, maar die was vervallen, in tegenstelling tot het vliegticket.
Voor ik naar het vliegveld ging grapte mijn vrouw iets over dat ik probeerde te ontsnappen aan het huwelijk.
Een van haar vertederende eigenschappen is dat ze haar eigen angsten omzet in grappen.

Het was aangenaam om ergens naar toe te gaan waar niemand op me zat te wachten en ik me nergens hoefde te melden.
Verder heb ik het hele weekeinde gedacht aan mijn vrouw en dochter.
Bij terugkomst zei ik dat het huwelijk een totalitaire institutie is, maar dan effectiever.
Het is niet bedoeld als kritiek. Ik heb geen aanleg voor het dissidentschap, en het trekt me ook niet. Een beetje onderdrukking is goed voor de mens.
Maar ik zou zo graag af en toe vergeten dat ze bestaan, mijn vrouw en dochter.
Ik vraag niet om een hele dag. Een uur zou al mooi zijn. Of het moment waarop ik wakker word.

Een paar weken geleden pakten we de spullen in voor onze vakantie in Frankrijk.
Tent, klapstoeltjes, koelbox, zonnebrandolie, boeken.
Ik had de indruk dat mijn vrouw enigszins opzag tegen drieënhalve week onafgebroken in elkaars gezelschap te verblijven. Ze grapte dat het aantal echtscheidingen na de vakantie hoger ligt dan in de rest van het jaar.
De grappen van mijn vrouw zijn soms wat somber van toon, maar ze hebben wel altijd een hoge informatiedichtheid. Ik heb een zwak voor informatiedichtheid.

Uiteindelijk bleek de vakantie bijzonder aangenaam.
Ik heb me gerealiseerd dat ik van de geur van benzine hou.
We hebben geen auto, dus die geur is verbonden met onze volgeladen huurauto en Franse tankstations.
Ook de geur van de lucht uit zwembandjes bezorgd me kortstondig geluk. Een van Vera?s favoriete bezigheden deze vakantie was het laten opblazen en leeglopen ? of in haar woorden: aanblazen en afblazen ? van de zwembandjes. Die ventielen hebben een soort leegloopbescherming, waardoor ik ze steeds met mijn tanden moest openhouden terwijl ik de lucht uit de bandjes drukte, in mijn mond. Ik heb nooit lijm gesnoven, maar ik stel me voor dat het een vergelijkbaar effect heeft.

Regelmatig wilde iets zeggen in de trant van: Wat een leven, jongens.
Maar ik had ergens een column gelezen waarin die uitspraak werd neergezet als een treurig fenomeen. Ik was het niet eens met de columnist, maar ik voelde me toch geremd. Meestal beperkte ik me tot tevreden gezucht.

Ook in totalitaire instituties bestaat geluk.
Je kunt het waarschijnlijk niet uitroeien, al zou je het proberen.




Verdrinken van een klein dier

Tijdens de vakantie bleek bijzinnen.com stuk te zijn gegaan.
Even overwoog ik het zo te laten.
Maar ik ben te laf om de stekker er uit te trekken.
Verwaarlozen, dat gaat me redelijk goed af.
Maar er een einde aan maken, dat voelt alsof ik een klein dier moet verdrinken.

Een paar maanden geleden ontdekten mijn vader en ik tijdens een klusje aan het huis een verlaten vogelnest. De jongen waren op sterven na dood, maar toen we het nest optilden hieven ze even hun kopjes omhoog en begonnen ze geluidloos te piepen.
Mijn vader zei dat we ze moesten verdrinken.
Ik knikte, maar kon mijn ogen niet losmaken van de vogelkopjes.
Ze zijn echt niet meer te redden, zei hij.
Ik knikte nog een keer.
Hij pakte een emmer met water en legde het vogelnest er ondersteboven in.
Het nest bleef drijven.
Ik werd misselijk.
Mijn vader pakte een bosje takken van de gesnoeide heg en duwde daarmee het nest onder water. Zijn bewegingen verraadden een zeker ongemak.
Samen keken we naar de emmer. Af en toe borrelde er een luchtbelletje uit de takkenbos naar het wateroppervlak.
Er hoopte zich traanvocht op in mijn ogen.
Ik schaamde me. Niet voor de emotie zelf, maar voor de hypocrisie ervan. Ik voelde opluchting dat ik de vogels niet hoefde te redden. Ik gaf niks om die beesten en tegelijkertijd werd ik erdoor gegijzeld. Te laf om er een einde aan te maken.
Mijn vader zag me en zei nog maar eens dat er echt niets meer aan te doen was.
'Ja nee zeker,' zei ik.
Toen schaamde ik me dat hij moest zien wat voor weekdier hij heeft voortgebracht.
Ik zie nu al op tegen de tijd dat mijn ouders door ziekte geteisterd gaan worden.
Lang geleden heeft mijn vader eens zijn wantrouwen uitgesproken jegens de praktijk van euthanasie.
Ik hoop dat hij dat wantrouwen tot het einde toe volhoudt.

Afijn.
Wat ik eigenlijk wilde zeggen: het weblog is gemaakt.
Deze week ga ik elke dag iets schrijven alhier.
Gewoon, omdat ik het leuk vind mezelf af en toe in het nauw te drijven.




Dagvaarding

Ik ben gedagvaard.
Een Franse officier van justitie heeft mij ontboden voor een zitting waarin mij het “toebrengen van verwondingen” ten laste wordt gelegd.
Ik heb al schuld bekend.
Eind juni dien ik me te melden bij een rechtbank in de Provence, samen met “rechtvaardigende stukken” met betrekking op mijn inkomen.

De dagvaarding was een slordig gekopieerd setje papieren in een onopvallende bruine envelop, halverwege een grote stapel post die op mijn vorige adres was bezorgd. Ik zat in de tram en werkte me langzaam door de stapel. Ik weet nog dat ik enige opwinding voelde toen ik de bruine envelop vond, blij met de afwisseling van de tientallen stukken reclamedrukwerk, achterstallige rekeningen en aanmaningen.

Na het lezen staarde ik een poos naar buiten. Toen verschillende mensen achterom keken, besefte ik dat ik al een poos hevig aan het zuchten was.

Twee jaar geleden heb ik een ongeluk veroorzaakt. Of zoals de aanklacht het omschrijft: “Het niet respecteren van een stopverplichting op de weg.” Dat betekent in dit geval het bijna doodrijden van een mevrouw in een goudkleurige auto met twee lege kinderzitjes. Uiteindelijk kwam ze miraculeus ongedeerd uit het wrak.

In de maanden daarna verdween het ongeluk naar de achtergrond. Mijn vrouw vindt autorijden nog steeds onaangenaam, maar ik heb daar geen last van.
We hadden ons voorgenomen om het slachtoffer een brief te schrijven.
Wekenlang componeerde ik kleine stukjes van die brief in mijn hoofd. Ik was mijn boetedoening aan het stileren. Een eenvoudige spijtbetuiging was blijkbaar niet goed genoeg.

Nu, twee jaar later, blijk ik die brief niet geschreven te hebben.
Wel heb ik de gebeurtenis uitgemolken tot een verslag van 1200 woorden op dit weblog.

Het menselijk tekort is zo vaak vastgesteld dat het een banaal gegeven is geworden.
Als je zelf de exponent van dat tekort bent voelt het aanzienlijk minder banaal.

Een paar dagen lang voelde ik onrust. Niet zozeer paniek. Meer het gevoel dat er een draadje los zat aan me en iemand begonnen was er aan te trekken. Soms zit er een draadje los van het stiksel van een kledingstuk. Als je het probeert te verwijderen, trek je langzaam het hele stiksel los.

Enkele juridisch geschoolde kennissen speculeerden over de mogelijke gevolgen en over enkele eigenaardige aspecten van de dagvaarding. Ze vonden het allemaal reuze interessant, maar niemand wist iets van het Frans recht.

Dagelijks was ik er urenlang mee bezig.
Op een gegeven moment begon de onrust te wennen.
Het knaagde nog steeds, maar ik besefte dat ik vooral opzag tegen de tijd die het me zou gaan kosten om het stiksel weer te herstellen. En hoe ik ondertussen allerlei andere verplichtingen moest zien af te werken.
Uiteindelijk wordt alles in mijn leven een logistiek vraagstuk. Leed is een vorm van oponthoud.

De maximumstraf op mijn misdaad is drie jaar cel. Tot dusver dacht geen enkele jurist dat het werkelijk tot een celstraf zou komen.
Even leek het me aantrekkelijk, voor enige tijd opgesloten te worden.
Gedwongen inactiviteit.
Maar als er iets is dat gevangenisfilms ons hebben geleerd, dan is het wel dat criminelen zich niet kunnen veroorloven om hun zaken buiten de inrichting te verwaarlozen.
Toen de gevangenisfantasie voorbij was gaf ik me met religieuze toewijding over aan het EK voetbal.




Geen chocopasta

De ochtend van de grootste ramp uit de universitaire geschiedenis wilde mijn dochter geen chocopasta. Daarmee kwam een eind aan een lange reeks van boterhammen met chocopasta bij het ontbijt.
Ik prentte mezelf in dat ik dit aan mijn vrouw moest vertellen.
Ik ben geen aanhanger van de theorie dat een relatie draait om communicatie, maar totdat ik weet waar een relatie dan wel om draait, zie ik het als mijn verantwoordelijkheid om gespreksstof aan te leveren.

Er kwam een cryptisch mailtje binnen van L. over de brandverzekering van de TU Delft. L. werkt bij een verzekeringsbedrijf. Enkele jaren geleden had hij me verteld hoe hij de TU Delft, mijn werkgever, van een brandverzekering had voorzien.
Ik begreep niet waarom hij daar nu over mailde.
‘Pappa, op vakantie opzetten,’ riep mijn dochter vanuit de achtertuin.
Als ik in de buurt kom van de computer is dat een aanleiding om verzoeknummers in te dienen. De computer is tevens muziekinstallatie.
Ik zette Op Vakantie op.
‘Nee, pappa, van de schilpad.’
Ik klikte vooruit naar het zevende nummer.

Mijn vrouw belde.
Ze klonk opgewonden.
‘Erg hè?’ zei ze.
Ik vroeg wat er erg was.
Toen bleek de universiteit in de brand te staan.
‘O ja?’ zei ik
Ik liep met de telefoon naar de achtertuin en keek in de richting van de campus.
Het was onbewolkt.
‘Ik zie niks,’ zei ik.

In de loop van de dag belde ze nog een paar keer met nieuwe informatie. Bijvoorbeeld dat de brand was ontstaan door kortsluiting van een koffiezetapparaat.
Ze vroeg of ik nog ging kijken.
Ik zei dat ik de groentetas nog moest halen. En een bedzeiltje bij de Hema.
Toen constateerde ze dat ik er niet erg van onder de indruk leek.
Ik had kunnen zeggen dat ik apathisch ben. Niet uit principe, maar uit efficiëntie-overwegingen. Maar dat wist ze al. Dus ik zei dat de brand een nogal abstracte gebeurtenis was, vooralsnog.

Bij het avondeten was ze namens mij teleurgesteld dat niemand me gebeld had om te vragen of ik wel in orde was.
Ik vroeg me af of ik meer emoties kon uitbesteden.
Als iemand anders die tegen lagere kosten kan produceren, dan moet je niet om sentimentele redenen de vooruitgang belemmeren.

De volgende ochtend ging ik weer naar mijn kantoor, een meter of 500 van het inmiddels ingestorte gebouw.
Ik vroeg aan een collega of hij een dag eerder de brand had meegekregen.
Hij zei dat hij af en toe op Nu.nl had gekeken.
Een andere collega had ook op Nu.nl gekeken.
Niemand was naar buiten gegaan.

Ik vroeg of er nog verbroedering had plaatsgevonden tussen mensen die in de wandelgangen nieuws hadden uitgewisseld.
Ja, dat was zo.
Alleen ging het niet over de brand.
Het gespreksonderwerp van de dag was dat iedereen die ochtend per email was ontslagen.
Die email had ik ook gehad.
Een computer van onze personeelsafdeling had die nacht iedereen zijn ontslag aangezegd.
Ik voelde een zekere teleurstelling toen meteen daarna het bericht binnenkwam waarin het hoofd van de personeelsafdeling mededeelde dat niemand was ontslagen en dat er geen reden was voor paniek.

Het was enigszins geruststellend dat ik niet alleen was in mijn apathie, maar de afwezigheid van iemand die enige opwinding wist te voelen maakte het geheel nogal bloedeloos. Met schouderophalen ben je na een paar minuten wel klaar.

’s Avonds las ik dat de NRC de brand belangwekkend genoeg vond om een deel van de voorpagina en een groot deel van de derde pagina er aan te wijden.
Misschien branden er minder vaak gebouwen af dan ik dacht.
Eigenlijk is elke ramp een vorm van goed nieuws.
Een ramp is per definitie een uitzondering.
Toen de aanslagen van 11 september 2001 hadden plaatsgevonden was het goede nieuws dat het niet veel vaker gebeurde.
Met alle respect voor hardwerkende terroristen, maar het lijkt me een sector waar je ook met een bescheiden vooropleiding best aardige resultaten kunt boeken.

Vanmiddag kreeg iedereen een mail dat de medewerkers van het bedrijf dat de koffieautomaten op de campus onderhoudt vijandig werden bejegend door studenten en medewerkers.
Niet iedereen haalt zijn schouders op over uitbesteding.

Her en der doken prachtige foto’s op van het vervallen gebouw.
Ik weet niet precies waarom, maar kijkend naar die foto's voelde ik iets dat je hoop zou kunnen noemen.

Uitgebrande Bouwkundegebouw TU Delft




Actieradius

Ik zou kunnen zeggen dat ik geen tijd heb, tegen Yanne die, niet voor het eerst, opmerkt dat het hier stil is.
Maar ik heb net een helft van Bayern München tegen Zenit St. Petersburg gekeken, terwijl ik CD hoesjes kopieerde van de Amazon website naar mijn digitale muziekcollectie.
Dat is eerder een teken van verveling dan van tijdgebrek.
In een uitzending van VPRO’s Boeken beweerde een filosoof dat verveling een vorm van onbehagen is ten opzichte van het leven.

Ik zou kunnen zeggen dat er de afgelopen paar jaar enkele taboes zijn bijgekomen. Onderwerpen waarover ik met moeite kan nadenken, laat staan dat ik er publiekelijk over zou schrijven.
Maar ook die taboes zijn er al een tijd.

Vandaag sloeg ik, zoals gebruikelijk, de uitnodiging af van mijn collega’s om mee te gaan lunchen. Ooit heb ik gezegd dat ik, ondanks de afwijzingen, toch de uitnodiging op prijs stel. Misschien omdat het suggereert dat ze me nog niet afgeschreven hebben.
Ze blijven me trouwhartig vragen.

Later haalde ik zelf lunch.
Behalve een wandeling naar de koffieautomaat was ik mijn kamer nog niet uit geweest.
Het halen van de lunch is een vaste route.
Vanuit het trappenhuis zag ik hoe allerlei collega’s in de zon zaten te eten.
Er was nog plek aan hun tafel, maar daarvan ging geen enkele aantrekkingskracht uit.
Ik verzamelde mijn gebruikelijke selectie uit het kantineaanbod en liep met het dienblad terug naar mijn kamer.
Via de vaste, tevens meest efficiënte route.
Mijn actieradius wordt steeds kleiner.
Niet omdat er iets mis is met mijn omgeving.
Het is eerder dat ik naar het centrum wordt getrokken.
Als een knikker in een kommetje.
Het is geen onaangenaam gevoel.

Het zou niet vreemd zijn als je uit deze beschrijving de indruk overhoudt dat ik enigszins contactgestoord ben.
Toch deel ik die indruk niet.
Mijn directe omgeving deelt die indruk evenmin, vermoed ik.
Het is niet dat ik geen contact kan leggen.
Alleen ben ik regelmatig de reden vergeten waarom dat ook alweer wenselijk was.
Ik probeer aan veel dingen te denken en het is onvermijdelijk dat je wel eens wat vergeet.
Eergisteren was ik van streek omdat ik bij het wakker worden besefte dat ik vergeten was de vuilnisbak buiten te zetten. Op dat moment was het al te laat. Dat gevoel bleef de rest van de dag bij me.

Mijn vrouw vroeg laatst of ik zeker wist of ik niet toch autistisch was.
Het was een oprechte vraag, geen beschuldiging.
Ze had haar tandenborstel in de aanslag.
Ik lag al in bed.
Ik zei dat ik niet autistisch was, omdat ik me wel in de gedachtegangen van anderen kan verplaatsen.
Ze knikte. ‘Dat is waar.’
Het was ontwapenend om deze vraag zo laconiek te bespreken.
Toen preciseerde ze haar observatie: ‘Je kan je wel verplaatsen in anderen, je kan er alleen niet naar handelen.’
Op die samenvatting had ik weinig af te dingen.




De kapitein van de Titanic

De afgelopen dagen bracht ik door tussen rampenonderzoekers. Voorafgaand aan de conferentie werden de CV’s van de deelnemers rondgestuurd. Die bevatten opsommingen van de rampen die ze bestudeerd hadden, zoals militairen hun onderscheidingen op de borst dragen. Een Luitenant ter zee eerste klas legde me ooit uit wat de verschillende onderscheidingen inhielden. Hij noemde ze plakplaatjes. ‘De meeste krijg je als je gewoon komt opdagen.’
Met rampen werkt het op een vergelijkbare manier. Als je kwam opdagen op een conferentie over een ramp, kon je hem op de lijst zetten. Deze conferentie was in Louisiana en de meest populaire ramp was de orkaan Katrina.
Zelf weet ik niets van rampen, maar omdat ik was uitgenodigd door een bevriende wetenschapper had ik voor de gelegenheid ook een mening gefabriceerd over rampen. Er was gelukkig weinig vraag naar mijn mening.

Bij het voorstelrondje stond een meneer op die zei dat hij de baas was geweest van FEMA ten tijde van Katrina. FEMA is de federale rampenbestrijdingsorganisatie die, volgens de rampenonderzoekers, de ramp juist had vergroot in plaats van bestreden. De meneer sloot zijn introductie af met de mededeling: ‘Ik ben hier om jullie de kans te bieden te spreken met de kapitein van de Titanic.’

Aan het einde van de tweede dag werden de rampenonderzoekers in een bus geladen en naar het huis van de Chancellor van de universiteit gereden. De Chancellor woonde in een langgerekte bungalow die uitkeek over een meer. De rampenonderzoekers schuifelden wat onwennig door de luxueuze vertrekken op weg naar de tuin waar de bar was ingericht. Op de tafels lagen zorgvuldig gerangschikte fotoboeken die door niemand werden aangeraakt.
In de tuin bestelde ik een gin tonic. Een van de rampenonderzoekers zei tegen me dat het een echt zuidelijk drankje was. Daarna praatten we een moment over het zonnige weer. Het meer weerkaatste goudkleurig zonlicht en met half dichtgeknepen ogen nipten we aan onze drankjes.

Tijdens mijn tweede gin tonic hield de Chancellor een toespraak. Hij had een kalme stem die zonder hoorbare inspanning de achterste rijen haalde van het gezelschap. Een rampenonderzoeker vertelde me dat de Chancellor de baas was geweest van NASA ten tijde van de ramp met de Challenger. Ik besefte ineens dat er duizenden kapiteins van de Titanic zijn. Eigenlijk is iedereen de kapitein van zijn of haar hoogstpersoonlijke Titanic. Als je een leven lang de tijd heb, vind je altijd wel een ijsberg.
Naast de Chancellor stond een kleine, tengere vrouw die het onderwerp bleek te zijn van de toespraak. Ze was onderwijzeres en astronaut. In de jaren tachtig was NASA een programma begonnen om onderwijzers de ruimte in te lanceren. In 1986 had ze in de Challenger moeten zitten die ontplofte. Maar ze kreeg de griep, of iets dergelijk. Dat stukje van de toespraak verstond ik niet. In haar plaats verongelukte een andere onderwijzeres.
Met die uitkomst nam ze geen genoegen. Ze trainde verder tot ze weer aan de beurt was. Dat duurde ruim vijftien jaar. Toen het moment eindelijk daar was, verongelukte shuttle Columbia op de laatste vlucht voordat zij zou vertrekken. Zoals de Chancellor het vertelde was die ramp een persoonlijke tegenslag voor haar. Ook aan de dood ontsnappen kan een ramp zijn.

De conferentie werd volledig gefinancierd door een lokale ondernemer. De man zat de hele dag achter in de conferentieruimte. Aan het einde van de dag ging het gerucht dat hij de conferentie zeer boeiend vond. De opluchting onder de onderzoekers was voelbaar.

Ik bestelde nog een gin tonic en tuurde naar het hypnotiserende gouden water. Naast me zei iemand dat het had gevroren in Nederland.




Hier is de winnaar

Ik zat alleen aan het uiteinde van een lange rij lege stoelen.
Over enkele minuten zou de uitreiking van de Dutch Bloggies beginnen.
De meeste mensen bevonden zich nog in de buurt van de bar.
Goedgeklede mensen met bijpassende kapsels.
Uit de tweehonderd aanwezigen had ik twee gezichten herkend.
En niemand aangesproken.

Mijn vrouw stuurde een sms’je dat we nog brood en melk nodig hadden.

Een groepje nam plaats in mijn rij.
Het waren er zoveel dat ook de stoel naast me bezet werd.
Een jongen ging zwijgend zitten.
Ik zweeg eveneens.
Optisch zat ik nu niet meer alleen.

Ik keek om me heen.
De lijnen van het Haagse stadhuis zijn recht en herhalend en toch verdwaalt je oog in het geheel.
Rechts van me was de balie waar ik ooit mijn bescheiden had overlegd om in het huwelijk te mogen treden.

De uitreiking begon.
Ik had een beetje last van het patatje met pindasaus dat ik op het station had genuttigd.
Bovendien had ik de fout gemaakt om in de trein het commentaar te lezen dat de redactrice had genoteerd op het manuscript van mijn roman. Dan overvalt me de gewaarwording dat ik de bomen moet redden die aan het drukken van het zoveelste debuut geofferd gaan worden.
Ik probeerde mezelf op te beuren met het feit dat we eindelijk een goede titel hadden.
‘Halfwaardetijd.’
Toen begon ik ook aan de titel te twijfelen.

De uitreiking verliep ondertussen in hoog tempo.
We klapten na elke categorie.
Af en toe lachten mijn buurman en ik tegelijk. Vooral als de winnaar de trofee uiteen liet vallen. Daarvoor was schijnbaar weinig nodig. Een jurylid grapte iets over een Ikea-bouwpakket.

De prijs voor het best geschreven weblog bevond zich in de staart van het programma.
Het applaus was inmiddels aardig uitgedund.
Een jurylid las het juryrapport voor.
Hij haalde een lelijke zin aan uit een stukje van enkele weken geleden.
Dat deed een beetje pijn.
Toen hij naar de aankondiging van de winnaar toewerkte haalde hij een andere zin aan die pijn deed. Een gratuite mening over Balkenende.
Toen wist ik dat ik gewonnen had.
Alleen niet waarom.

Ik bleef zitten tot het jurylid klaar was.
Toen ik was opgestaan, vroeg ik me af of de jongen naast me verbaasd was, maar ik keek niet achterom.

Ik nam de prijs in ontvangst.
Het beeldje viel prompt uiteen.
In mijn oren klonk een soort witte ruis.
Ik hoorde dat het jurylid me vroeg wat er door me heen ging.

Een eerdere winnaar was dat ook gevraagd.
Diens antwoord had geluid: “Lachuh.”
Vanaf dat moment had ik geprobeerd iets anders te verzinnen.
Maar niet van harte.
Alleen uit angst, eigenlijk, want het leek me bijzonder onwaarschijnlijk dat ik zou winnen.
Dit weblog heeft zijn meest magere jaar beleefd.
En ik stond tussen Wim de Bie en Martin Bril.

Ver was ik niet gekomen met het antwoord.
Flarden tekst drongen zich in willekeurige volgorde aan me op.
Ik stamelde iets over dat ik mijn ouders moest vertellen over het weblog. En over dat het weblog vorig jaar was doodverklaard door Sargasso en dat het dus een soort necrofiele award was.
Ik was allang de controle kwijt over wat er gebeurde.
Toen ik terugliep naar mijn stoel voelde het alsof ik een autowrak achter me aansleepte.

Ik nam weer plaats.
De jongen naast me keek niet op.
We hervatten ons zwijgen.
Ik durfde niet meteen mijn vrouw te sms’en en veinsde interesse in de categorie die na mij kwam.

Toen de ceremonie afgelopen was, wachtte ik een minuutje af of me nog een reden te binnen zou schieten om te blijven.
Na die minuut vertrok ik.

Op weg naar huis haalde ik twee pakken melk en een rol beschuit.
Het brood was op.
Ik had me voorgenomen om bij binnenkomst tegen mijn vrouw te roepen: 'Hier is de winnaar.'
Maar ze was aan het telefoneren.




Bloggie

Gisteravond ontving ik een Dutch Bloggie voor best geschreven weblog.
Totaal onverwacht, conform de conventie.
Afgaande op mijn humeur vanochtend heeft mijn stamelende antwoord op de vraag 'Wat gaat er nu door je heen' meer indruk op me gemaakt dan de Bloggie.
Vooralsnog.

Later meer.
Eerst moet ik rondjes rennen door de kamer ('Nee, pappa, jij niet die kant op') en de rest van het ochtendprogramma afwerken. Straks mag ik hand in hand dansen met andere gegeneerde ouders tijdens iets dat genereus wordt aangeduid als kindermuziekles. Daarna denk ik ongetwijfeld een stuk milder terug aan gisteravond.




Maand eenendertig

Lieve Vera,

Deze maand heb je voor het eerst je moeder neergeschoten.
Ze was er enigszins door ontdaan.
Je stak je wijsvinger naar haar uit en zei ernstig: ‘Pioew pioew, mamma, pioew pioew.’
Je moeder zag dat als de eerste grote slag die ze verloor tegen de maatschappij.

Zelf laat ik de maatschappij graag het vuile werk opknappen. Ik heb altijd veel plezier beleefd aan pioew pioew, maar dat is niet het soort wijsheid die je geacht wordt op je eigen kind over te dragen. Toch denk ik met liefde terug aan de Britse helm, het koppel met veldfles van het Amerikaanse leger en het groen uniformjasje waarin ik jarenlang heb rondgelopen. Tegenwoordig laat ik de computer de schietgeluiden maken.
Ik kreun er hoogstens nog passend bij.
Ook op dit terrein doet de computer allerlei vaardigheden verloren gaan.
Je zal merken dat de cultuurpessimisten overal een aanleiding in zien om de ondergang van onze beschaving aan te kondigen.
Laten we hopen dat ze gelijk hebben.
Ik ben wel toe aan iets anders.

Het was een zware maand voor je moeder.
Een week eerder waren jullie ook al met de crèche naar de McDonalds geweest.
Dus nu is het 0-2 voor de maatschappij.
Je kan het scoreverloop van de rest van de wedstrijd waarschijnlijk zelf wel voorspellen.
Mijn advies is daarom om zo snel mogelijk op te houden met tellen.
Je kan het beste voor spek en bonen meedoen.

Verder begon je deze maand meer verhalen te vertellen, meestal tijdens het eten.
Praktisch gezien gaat dit als volgt:
Jij: Gevallen!
Ik: O ja, ben je gevallen?
Jij: Ja, gevallen!
Ik: Waar ben je gevallen?
Jij knikt ernstig.
Ik: Ben je op de crèche gevallen?
Jij: Ja, gevallen. Mamma, ben gevallen!
Mamma: O jeetje.
Ik: Waarom ben je gevallen? Wat gebeurde er?
Jij, met een ondertoon van zelfmedelijden: Ja. Heel! Hard!

Verder wil ik graag voor het verslag laten vastleggen dat alle kunstjes die we je laten doen, ook door onszelf worden meegedaan. Dan heet het geen mishandeling, maar solidariteit.
Het gaat niet van harte, maar jij eist het.
Zo zaten we deze maand bijna elke avond met zijn drieën op de grond, terwijl we probeerden onze tenen tegen onze neus te duwen.
Dat is vanwege een liedje uit de musical van Nijntje, jouw favoriete vermaak van de afgelopen tijd. Verderop in het liedje wordt ook gevraagd om je oren bij je neus te doen.
Alle drie kraaien we dan verbaasd dat dat helemaal niet kan.
Je zou denken dat de verbazing enigszins slijt, maar het tegendeel blijkt het geval.
Technisch gezien heet dat: overacting.
Het is een belangrijke vaardigheid.

Tot slot moet ik nog een bekentenis doen.
Vorige week heb ik je op het asfalt laten vallen bij de crèche.
Ik tilde je uit het kinderzitje, terwijl ik met mijn andere hand de fiets vasthield.
Toen ik mijn evenwicht verloor, kon ik niet kiezen tussen het loslaten van de fiets of van jou.
Niet-kiezen is ook een vorm van kiezen, blijkt.
Je zal merken dat je vader daar erg bedreven in is.
Toen je hoofd het asfalt raakte klonk het alsof een blok openhaardhout op een steen viel.

Je moeder vroeg later die ochtend of ik er nog ziek van was.
Vroeger kon ik een dag misselijk zijn als ik bijvoorbeeld in je vinger had geknipt bij het verzorgen van je vlijmscherpe nageltjes. Ook al was jij het na vijf minuten al weer vergeten.
Maar die dag was ik niet misselijk.
Misschien ben ik minder bang je pijn te doen.
Of ik heb dat geaccepteerd als iets onvermijdelijks.
Zoals een slogan uit deze tijd al zegt: De maatschappij, dat ben je zelf.




Een mening over journalistiek

Ik zei tegen mijn vrouw dat ik een brief ging sturen aan de NRC.
Het was zaterdagochtend en ik had net mogen kennismaken met het vernieuwde magazine van de krant, genaamd Z. Het was een onaangename kennismaking en ik wilde de krant daarvan op de hoogte stellen. Ik had, kortom, een mening over journalistiek.

Niet alleen heb ik van mijn leven nog nooit een brief aan een krant gestuurd, de gedachte is zelfs nooit eerder bij me opgekomen.
Dat argument wilde ik gebruiken.
Geachte redactie,
Niet alleen heb ik van mijn leven etc.
Gelukkig realiseerde ik me op tijd dat deze zin, of een variant daarop, waarschijnlijk een klassieke opening is van een vast deel van de binnenkomende brieven.
De krant publiceert zoveel ingestuurde meningen dat ik soms denk dat ik onderdeel uitmaak van een kleine groep lezers die te lui waren om ook een mening in te sturen. Dat er een lijstje op de redactie hangt waarop de laatste non-schrijvers staan genoemd, op volgorde van de duur van hun abonnementen.
Aangezien de NRC een wat ouwelijke schare lezers schijnt te hebben, sta ik met mijn schamele tien abonnementsjaren waarschijnlijk onderaan dat lijstje.

Ik dwaal af. Het punt was: ik had een mening over journalistiek.
Ik had kunnen weten dat er iets mis was.
De avond ervoor had ik de opname van Sesamstraat gestart, als onderdeel van Vera’s avondroutine. In plaats van Sesamstraat kreeg ik een journaaluitzending te zien.
Het was een zeldzame kans om het journaal te zien.
Vrijwillig stel ik er me niet aan bloot.

Afijn, het bleek een ingelaste journaaluitzending.
Ik vroeg aan mijn vrouw of er iemand dood was.
Ze wist van niks.
Toen keken mijn dochter en ik een minuut of tien naar een persconferentie van Balkenende. Mijn dochter vroeg niet waar Pino bleef, maar dat kun je Balkenende niet aanrekenen, vind ik.
De minister-president deed een ernstig beroep op Wilders om zijn verantwoordelijkheid te nemen.
Er volgden wat vragen, waarop Balkenende bijna letterlijk diezelfde zinnen herhaalde.

Ik begon me op te winden.
In het kort schoof ons regeringshoofd de verantwoordelijkheid voor geweld en wat dies meer zij in de schoenen van de meneer die een filmpje ging uitbrengen.
Het was een zeldzaam zwakzinnige argumentatie.
Als er electoraal gewin mee te halen was, zou ik het ter kennisgeving hebben aangenomen.
Maar die verzachtende omstandigheid gold niet.
Een kort moment had ik sympathie voor Wilders.

Toen volgde de bespreking door de mensen van het journaal.
De journalisten, zullen we ze gemakshalve maar even noemen.
Ze waren zichtbaar onder de indruk van de stellingname van ons regeringshoofd.
De man op de persconferentie zei tegen de presentator: “Nou, Friso (het kan ook een andere naam geweest zijn, daar wil ik even af wezen), dat zijn zeer stevige uitspraken van Balkenende.”
Er waren allerlei adjectieven die in die zin bruikbaar waren geweest, maar het woord “stevig” zit daar niet bij.
Desalniettemin was Friso het roerend eens met deze diagnose.
Niemand gaf ook maar enige indicatie van het besef dat de redenering van Balkenende wellicht nadere ondervraging behoefde.
Het kan zijn dat het journaal Balkenendes standpunt al zo vaak fijntjes heeft gefileerd, in een van de talloze uitzendingen die ik heb gemist, dat het niet meer nodig was. Die gedachte kwam op dat moment helaas niet bij me op.

Na afloop, toen Sesamstraat dan toch eindelijk begonnen was, begon ik erover tegen mijn vrouw.
Ergens viel zelfs het woord “abject,” een woord dat ik van mijn leven nog nooit gebruikt had.
Toen bleek ik ook al een mening te hebben over journalistiek.
Als we dit gemakshalve even onder de noemer journalistiek schuiven.

En zojuist had ik de neiging om uit te gaan leggen waarom Balkenendes redenering zo “abject” is. Maar die uitleg is ongetwijfeld al uitstekend door anderen verwoord, dus dat zou een soort tweedehandsmening zijn.
Ik heb niks tegen tweedehandsmeningen, ik grossier erin, maar het hele idee is toch dat je daarmee werk bespaart. Om het dan alsnog zelf te doen is alsof je zelf een stoel maakt en die vervolgens naar de kringloopwinkel brengt.

Ik wil me niet opwinden over de kwestie van het filmpje.
Ik wil me al helemaal niet opwinden over journalistiek.
Over het algemeen wil ik me niet opwinden, maar dat is meer een karakterfout.
Het probleem is dat ik mijn afstand aan het verliezen ben tot de hysterie.
Mijn cocon begint barsten te vertonen.




Matthijs van Nieuwkerk

Aan het einde van het interview keek de man me wantrouwig aan.
     ‘Dus dit was het?’
     ‘Ja.’ Ik raapte mijn papieren bijeen.
     ‘Heb je nu wat je nodig hebt?’
     ‘Zeker, dit was zeer bruikbaar. Nogmaals bedankt voor uw tijd.’
     ‘Ja, ik vraag het maar even. De onderzoekers die ik normaal hier langs krijg hebben meestal een vragenlijst. Maar jij fietst er als een soort Matthijs van Nieuwkerk doorheen.’

Ondanks dat ik het een flatteuze vergelijking vind, had ik een poosje de pest in over die opmerking.
Alsof ik betrapt was.

Ik kan best een vragenlijst maken, maar de waarheid is dat ik in de meeste antwoorden niet geïnteresseerd ben.
Wat ik doe heet: onsystematisch.
Systematisch wil zeggen dat je ook naar dingen moet vragen die je niets kunnen schelen.
Overigens zijn daar vaak goede redenen voor.

Mijn interviews zijn jachtige zoektochten naar onderhoudende informatie.
Ik weet niet precies wie ik probeer te onderhouden.
Mezelf, maar ook de respondent en anderen – collega’s, opdrachtgevers, het is niet een duidelijke groep.

Dat doet blijkbaar denken aan Matthijs van Nieuwkerk.
Je zou kunnen betogen dat ik een geheim verlangen koester om ook op de televisie mensen te interviewen, maar ik geloof dat niet.

Toch raakt het aan iets wezenlijks.
In het romanmanuscript dat ik aan het herschrijven ben staan zeker vijftien interviews beschreven.
Mijn redactrice vindt dat ik daar in moet schrappen of ze duidelijker met het plot moet verbinden.
Ik ben echter gehecht aan de kleine verrassingen die erin naar voren komen.
Het is goed mogelijk dat mijn verrassingen nogal particulier van aard zijn. Diverse van lezers van het manuscript hebben me gemeld de interviews integraal over te slaan.

Een van Van Nieuwkerks bijzondere gaven is dat hij altijd nieuwsgierig lijkt.
Er zijn weinig interviewers die überhaupt nieuwsgierig lijken, laat staan altijd.
Ik probeer ook nieuwsgierig te zijn in de medemens, maar de medemens maakt het me niet gemakkelijk.
Als ik mezelf hoor praten, in de hoedanigheid van medemens, krijg ik vaak de neiging om vooruit te spoelen.

In alle redelijkheid kan ik mijn gebrekkige nieuwsgierigheid niet toeschrijven aan de medemens.
Net zoals je een ander niet verantwoordelijk kan maken voor je erectie, ook niet als je die ander een vergoeding verstrekt voor een stukje professionele dienstverlening. Contractueel koop je daarmee alleen een inspanningsverplichting, geen garantie op een resultaat.

Noodzakelijkerwijs krijgt ook Van Nieuwskerk te maken met gasten die hem niet werkelijk interesseren.
Er komen heel wat lichtgewichten en windbuilen voorbij.
Dus moet zijn nieuwsgierigheid deels gesimuleerd zijn, op techniek zijn gebaseerd.

Je zou kunnen beweren dat gesimuleerde nieuwsgierigheid minder waard is dan echte nieuwsgierigheid, maar ik ben geen aanhanger van deze gedachtengang.
Uit medisch onderzoek blijkt dat simulanten soms zo goed de symptomen weten na te bootsen, dat ze echt ziek worden.
Waardoor ze niet langer een simulant zijn.

Dat is mijn streven.
Ik probeer uit alle macht de symptomen van nieuwsgierigheid te simuleren, in de hoop ooit getroffen te worden door de daadwerkelijke aandoening.




Ambtenaren in oorlogstijd

Ik gaf een dag les aan legerofficieren.
Majoors uit de verschillende onderdelen van de krijgsmacht.
Bij de marine heten ze dan ‘Luitenant ter zee der 1ste klasse.’

Het was de eerste keer dat ik voor legerofficieren optrad.
Ze droegen allemaal hun uniform in het klaslokaal.
Sommige uniformen leken een imitatie van het leger, zoals de harmonie-uniformen waartussen ik een aanzienlijk deel van mijn jeugd heb doorgebracht.

De hele dag werd ik met U aangesproken.
Aan het begin van de dag had ik gevraagd om elkaar te tutoyeren.
Dat was goed.
Maar gaandeweg de ochtend spraken ze me toch weer met U aan.
We hebben een bijzonder beleefd leger.
Elke pauze vroeg tenminste één officier of hij soms een kopje koffie voor me mee kon nemen.

Het is moeilijk om beleefdheid te associëren met het vermogen te doden.
Als we de Amerikanen mogen geloven doodt ons leger met een zekere tegenzin.

Tijdens de lunch vroeg ik mijn chaperonne, een Luitenant ter zee der 1ste klasse uit de onderzeedienst, of ze onderling nog hadden gesproken over de kritiek van Gates op de Nederlandse troepen in Uruzgan.
Hij schudde zijn hoofd.
Oninteressant.
Ik vroeg waar ze dan wel over hadden gesproken.
Hij veerde op en vertelde hoe ze de avond ervoor een flesje wijn hadden opengemaakt en uitgebreid hadden gesproken over het boek dat ik had voorgeschreven voor de cursus.
Daar had je tenminste iets aan.
Het boek ging over het functioneren van overheidsbureaucratieën.




Maand negenentwintig

Lieve Vera,

Ik ben een gebrekkig schrijver gebleken. Negenentwintig maanden lang strandden mijn pogingen aan of over je te schrijven in kitsch proza. Warm kitsch proza, maar desalniettemin onuitstaanbaar. Zoals je wijn ook niet moet opwarmen. Het feit dat bepaalde volkeren dat toch doen, maakt het geen beter idee.

Ik verwijt je niets.
Niet hardop, in ieder geval.
De relatie tussen ouder en kind is een mijnenveld.
Deze mijn heet: wurgende liefde.
Straks loop ik weer op een andere mijn.
Statistisch gezien mag je aannemen dat ik over enkele zal kunnen schrijven.

Recent liep ik op de mijn die heet: corruptie.
Sinds je tegen ons bent gaan praten, maken je moeder en ik ons vrolijk over je versprekingen.
Leedvermaak dat zich aandient in de vorm van vertedering.

Een kleine verklarende woordenlijst:
Jotter (yoghurt)
Opsuiven (opschuiven)
Klielili Klieli (kiele kiele)
Bananaan (banaan)
Zeepraat (zebra)
Toppetee (kopje thee)
Tuffel (knuffel)
Tusje (kusje)

Enzovoorts.
Het leedvermaak is niet bijzonder fraai, maar dat is niet de corruptie waar ik op doelde.
Je moeder en ik kunnen geen afscheid nemen van je verhaspelingen.
We blijven vragen of je nog jotter wil, al dan niet met een bananaantje.
En of we nog een tusje mogen, en zo nee, dan een tuffel misschien?
Jij bent alweer verder.
Je uitspraak normaliseert in hoog tempo.
Wij vechten tegen het verval, proberen elke dag je taalgebruik te corrumperen, alsof je een bejaarde bent die we uit de klauwen van een oprukkende dementie moeten redden.

Dit is de prijs die je betaalt voor vertedering.
Een fijne warme emotie.
Verslavend.
Wij zijn de junkies die de kleine criminaliteit niet schuwen.

Het verlangen is hevig, maar ook vluchtig.
Ik breng je ’s ochtends naar de crèche en terwijl ik wegfiets mis ik je al.
’s Avonds fiets ik hard naar huis, zodat ik er ben wanneer jij arriveert en je gezichtje tegen het raampje van de voordeur drukt, om te kijken of ik al sta te wachten.
En dan, zodra ik je hebt vastgehouden, ebt het verlangen weg.
Alsof je junk food bent, een begeerde hamburger.
Zodra je een paar happen hebt genomen, weet je niet meer waar je je druk over maakte.

Zoals ik al zei, ik verwijt je niets.
Ik probeer je hoogstens af en toe op te eten.

Dag lief hamburgertje van me.




Gemiddelde temperatuur van een vrouw

Mijn vrouw draaide op haar zij en nam een houding aan alsof ze elk moment een granaatinslag verwachtte.
‘Snel, slapen,’ zei ze. ‘Anders zijn we morgen weer zo moe.’
Ik klapte laptop dicht waarop we net The West Wing hadden gekeken en aaide even over de donkere krullen, het enige deel van mijn echtgenoot dat niet onder het dekbed schuil ging.
‘Je programmeert jezelf verkeerd,’ zei ik. ‘Je moet tegen jezelf zeggen dat je morgen fris weer wakker wordt.’
Onder het dekbed klonk een schampere reactie.
Ik keek op de wekker en deed het licht uit.
‘We hebben nog zes uur, dat is meer dan genoeg.’
Met een paar rupsachtige heupbewegingen bewoog ik naar haar kant van het bed, waar het altijd warmer is. Het is dat de biologie haar zaken redelijk op orde heeft, anders zou ik overtuigd zijn van het feit dat vrouwen gemiddeld een graad of tien warmer zijn dan mannen.
‘Weet je dat ze de wetenschap er nog niet achter is hoeveel slaap een mens nodig heeft?’ vroeg ze.
Ik schoot in de lach en zei dat we toch niet van de wetenschap afhankelijk zijn om te weten hoeveel slaap we nodig hebben.
Buiten reed de laatste tram langs.
In de stilte die volgde, voelde ik de slaap mijn lichaam binnendringen.
‘Ik wel,’ fluisterde mijn vrouw op verontschuldigende toon.




Losse eindjes van 2007 (3)

Ik wil graag aanpikken bij 2008.
Daarom laat ik de zes losse eindjes die op mijn lijstje stonden voor wat ze zijn – op eentje na. Die over mijn mail aan een van de prinsen van Oranje. Eigenlijk alleen omdat ik het had beloofd, want ik heb er verder niets over te melden.
Na dit losse eindje gaat 2007 het archief in, rafelig en wel.
Verder wens ik u een goed 2008.

Afijn.
Ik kreeg dus een mailtje van een meneer Van Oranje. Laten we zeggen dat zijn voornaam Constantijn was.
De naam riep geen enkele associatie bij me op.
De mail was in het Engels. Iets over een vragenlijst ter voorbereiding van een ambtelijke workshop waar ik aan deel zou nemen.
Mijn oog viel op het emailadres van de afzender, omdat hij een eigen domeinnaam gebruikte met zijn familienaam. De naam oogde wat rommelig: oranje.eu.com. Niet professioneel. Verder gebeurde er niets in mijn hoofd.

De mail bleef onbeantwoord.

Een paar weken later stuurde hij een herinnering.
Ik keek naar de vragenlijst.
Elke deelnemer werd geacht aan te geven wat de meest urgente problemen waren op basis van een bijgevoegde lijst van maatschappelijk leed op het betreffende terrein.
Ik probeerde de lijst in te vullen, maar liep meteen vast.
Het lukte me niet een mening te vormen over welk leed nodig aan meer erkenning toe was. Het waren allemaal vrij beschaafde vormen van leed, voor zover ik beroepsmatig bekend met ze was. Daarnaast vermeldde de lijst enkele vormen die ik niet kende. Mijn eerste reactie is dan niet om te denken dat er schrijnend onrecht onopgemerkt is gebleven.
Na een paar minuten gaf ik het op.
Ik opende een bericht en tikte: Beste Constantijn.
In gedachten zag ik een junior medewerker voor me van het organiserende onderzoeksbureau.
Midden twintig, in bezit van enkele prachtige Italiaanse pakken die hij had aangeschaft kort nadat het bureau hem in dienst had genomen.
In enkele zinnen legde ik uit waarom ik de vragenlijst niet kon invullen.

Een paar minuten na verzending kreeg ik een mailtje terug.
Beste Michel.
Bladiebla.
“Dus je opinie is wel degelijk waardevol,” vond Constantijn.
Onzin, maar van het onberispelijke soort.

Een week later meldde ik mij in een klein zaaltje in het Circustheater in Scheveningen voor de workshop. Er zouden tien deelnemers zijn, naast de organisatoren. Ik schudde iedereen rond de koffietafel de hand. Sommige mensen kende ik, al duurde het soms even voor ik me hun naam kon herinneren.

Toen ik het zaaltje inliep om mijn tas neer te zetten, zat er in een hoek een jongen achter de laptop die de projector bediende. ‘De junior,’ dacht ik nog.
De eerste inhoudsloze dia stond al op het scherm.
Ik legde mijn spullen op een willekeurige zitplaats.
De jongen kwam overeind en liep naar me toe.
Zijn gezicht had iets bekends.
In gedachten ging ik enkele eerdere workshops af.
‘Mag ik me even voorstellen?’ vroeg hij.
Ik knikte.
‘Ik ben Constantijn van Oranje.’
Ik groette hem en stelde mezelf voor.
‘Fijn dat u gelegenheid zag om deel te nemen aan de workshop.’
Ik zocht naar een gepaste standaardantwoord in mijn repertoire, maar hakkelde uiteindelijk iets over dat het me een bijzonder interessante workshop leek.
Hij knikte en liep terug naar zijn laptop.
Zijn grijze pak viel een beetje tegen en hij was iets ouder dan ik had verwacht.

De rest van de dag maakte hij ijverig notulen van de weinig interessante workshop, zonder een woord te zeggen.

Vlak voor de lunch herinnerde ik me waar ik hem van kende.
Om de een of andere reden voelde ik ineens een grote sympathie voor hem.