Maand negenendertig

Het opvoeden van een kind wordt wel eens vergeleken met het africhten van een dier. Een hond bijvoorbeeld. Er bestaan cursussen waar mensen oefenen met honden om een betere ouder te worden. Als een hond al niet naar je luistert, dan ben je kansloos bij een kind, zo luidt ongeveer de gedachtegang.

Het klinkt wat cru, maar er valt iets voor te zeggen. Wat de hondencursus je niet leert, is dat je als ouder ook afgericht wordt. Jij hebt ontdekt dat je ons kan dresseren met de door onszelf ingestelde regels. Ik moet de eerste hond nog tegenkomen die dat kunstje beheerst.

Het werkt ongeveer als volgt.
Ik niesde.
?Gezondheid,? zei jij.
Ik snoot mijn neus.
?Noep je dank je zeggen, pappa,? zei jij. Noepen is jouw favoriete werkwoord. Voor zover ik kan nagaan overlapt het grotendeels met het werkwoord moeten.
?Dank je.?
?Goeso, pappa,? zei je. Met enige verbazing. Dezelfde verbazing die je moeder en ik tonen als jij iets sneller begrijpt dan we hadden verwacht.

Ander voorbeeld.

Je mag overdag niet meer duimen. Alleen nog in bed.
Soms wil je heel graag duimen en dan vraag je ons om toestemming.
Die we meestal weigeren.
Soms gaat mijn weigering gepaard met een poging je te omhelzen, waaraan je spartelend probeert te ontsnappen.
Vroeger dacht ik dat de liefde die totalitair regimes tonen voor hun onderdanen geveinsd was, maar inmiddels weet ik dat niet meer zeker.

Tot onze verbazing probeer je niet stiekem te duimen. Het zou zo eenvoudig zijn. Maar de categorie ?stiekem? bestaat nog niet, schijnbaar. Wellicht zijn we alleswetend en allesziend in jouw universum. Dus je maakt je elke wens expliciet en laat het oordeel over je komen. Je kunt er woedend van worden, maar je kunt de regel niet overtreden. Komt niet in je op.

Dus doe je wat mensen in andere totalitaire regimes hebben gedaan: je bestrijdt het met zijn eigen regels.
Gisteren ging je op de bank liggen.
Je vroeg me om even het dekentje over je te leggen.
Toen zei je: ?Ik lig nu in bed dus dan mag ik even duimen.?
(Dat is ook iets recents: je kunt conceptueel denken.)
Ik vind eigenlijk dat je beloond moet worden voor deze vindingrijkheid.
Maar vindingrijkheid is ondermijnend en het ouderlijke gezag is al zo broos.
Denken veel ouders.

Ik kan me vergissen, maar voor mijn gevoel zit ik steeds vaker bij gesprekken waarin ouders steun zoeken bij elkaar en anekdotes uitwisselen over de doortrapte manieren waarop hun kinderen het gezag uithollen. Sommige van hen klinken als despoten die sinds ze aan de macht is alleen nog maar kunnen denken aan de dag dat het paleis bestormd zal worden.
Ik heb me wel eens afgevraagd of hondenbezitters ook zo onzeker zijn over hun gezag.

Mijn bezwaar tegen vindingrijkheid is niet zozeer dat het ondermijnend is, maar dat de efficiëntie verstoort van de dagelijkse routine. Economen zeggen dan: het verhoogt de transactiekosten. Dat effect neem ik serieus.
Ik geloof niet in onvoorwaardelijke liefde, maar de voorwaarden zijn gelukkig overzichtelijk. Ook tegen lage transactiekosten kan de liefde woekeren.

De laatste maanden heb je een nieuw spel.
?Ben ik de papa, ben jij het kindje,? zeg je dan. ?Ga maar huilen.?
Ik begin te huilen en roep dat ik wil duimen.
?Je noep niet zo zeuren,? zeg jij vervolgens.
Een keer huilde ik verder om te zien wat je zou doen. Hoe je jezelf zou opvoeden.
Maar je aarzelde geen seconde.
?Is niet erg, kindje. Ga maar duimen,? zei je vastberaden, tevreden met je afhandeling van deze kwestie. ?Doe maar.?
Ik lachte, maar voelde me ook ineens kwetsbaar. Het paleis wordt nog niet bestormd, maar ook de adviezen van de vertrouwelingen moeten met argwaan worden bekeken.




Sofia (slot)

Eerder: 1, 2.

Op de derde dag had ik nog steeds geen enkele fiets gezien.
Ik bedoel niet: bijna geen fietsen.
Ik bedoel letterlijk geen enkele fiets.
Zelfs niet nadat ik een uur door de buurt met woonbarakken had rondgelopen. Ik was nog speciaal blijven staan bij een trapveldje waar kinderen af- en aanliepen. Te voet. Geen fiets te zien.

Het was overigens een opbeurende aangelegenheid, rondlopen in die grauwe wijk.
De woonbarakken waren torenvormig. Smal en hoog. En besmeurd met uitgelopen grijstinten en regensporen. Tussen de gebouwen lagen opengebroken straten. Ze zagen eruit alsof ze al jaren geleden opengebroken waren en ze nooit meer dichtgemaakt zouden worden. Het groen was volledig verwilderd. Overal woekerden kleine wildernissen en ineens herinnerde ik me hoezeer ik vroeger opging in verstoppertje spelen.

En tussen al dat gebrek aan onderhoud, bevonden zich opgewekte mensen. Er werd gekeuveld, geslenterd, gehangen, gelachen. Bij mannen stonden er vaak donkerbruine flessen bier op de grond voor hen. Ik zag zelden iemand een slok nemen en dronkenlappen waren even schaars als fietsen.

In winkels werd ik vriendelijk geholpen. Bij de kassa van een kleine supermarkt werd ik in keurig Engels geattendeerd op een mogelijke korting. Bij een groentestalletje zag ik een verkoper minutenlang met een klant praten over een meloen. Ze betastten het ding alsof ze een goudklomp hadden opgegraven.

Even koesterde ik de fantasie hier te wonen. Het zou geen drol kosten, Vera zou rondhangen op het trapveldje en ik zou in een kaal ingerichte woonbarak romans schrijven die in Nederland als kosmopolitisch zouden worden gezien. Alleen voor mijn vrouw wist ik zo snel geen aanlokkelijk tijdverdrijf te verzinnen.

Overdag zat ik in een vergaderzaal in de kelder van het hotel. De veertigtal deelnemers waren ambtenaren, een handvol consultants en een paar mensen die ik niet kon plaatsen. Een van hen wilde mij op de foto zetten. Ze bleek te schrijven voor een Bulgaars blad over computerveiligheid.

De meeste presentaties waren in het Russisch. Af en toe zat er een Engels woord tussen. Zo lardeerde een Moldavische rechercheur zijn betoog steeds met de term ?siebberkrimminnals?. Achter in de zaal stond een soort tuinhuisje met twee simultaanvertalers. Ik had een oordopje in waaruit monotoon Engels kabbelde.

De voorzitter van elke sessie moest de sprekers binnen de hen toegewezen tijd houden. Meestal een minuut of tien. Dat lukte vaak niet, maar het leidde toch tot enige nervositeit bij de spreker. Behalve bij een Rus. Hij was een directeur van een staatsagentschap met een ronkende naam. De traditie van ronkende namen heeft de val van het communisme schijnbaar zonder noemenswaardige schade overleefd.

De Rus oreerde met veel geestdrift en armgebaren. Ondertussen bleef de projector de eerste dia van zijn presentatie weergeven. Ik had het oordopje uitgedaan en was met mijn email bezig. Na een minuut of tien werd ik nieuwsgierig en deed het dopje weer in. De vertaler zei: ?Dit is overigens nog niet mijn presentatie.? Dat leidde tot gegniffel in de zaal, alsof de Rus iets ondeugends had gezegd.

Na twintig minuten luisterde ik weer even. Nu zei de Rus, volgens de vertaler: ?Dit was een korte introductie. Nu begin ik aan mijn presentatie.?
Een bulderend lachsalvo ging door de zaal. Het enige lachsalvo van de gehele conferentie. De lach suggereerde dat de Rus een verzetsdaad pleegde. Ik stel me voor dat ze vroeger op die manier gecodeerde, subversieve grappen maakten over de Communistische partij. Waar ze natuurlijk allemaal lid van waren. Nu werd er een ander regime ondermijnd en bevestigd door de grappen. Misschien de terreur van de efficiëntie, een Westerse ideologie waaraan je je evenmin kon onttrekken.

Tijdens de presentaties werkte ik een fikse hoeveelheid achterstallige email weg. Terloops meldde ik dan steeds dat ik Sofia verbleef. Dat mensen niet dachten dat ze zomaar een antwoord kregen.

Er ging een ongelooflijke rust uit van de bijeenkomst. Normaal ben ik enigszins nerveus tot dat ik mijn eigen verhaal heb gedaan. Maar deze presentatie had ik inmiddels zo vaak gegeven dat ik ?m kon geven terwijl ik nadacht over de vraag of ik eerst in bad zou gaan of eerst roomservice zou bestellen. Of dat ik in de stad zou gaan eten.

Na het eten corrigeerde ik de drukproeven van de roman.
De meeste avonden liet Vera me via de webcam zien wat ze aan het eten was. Dan zag ik ineens een reusachtige spaghettisliert, van waarachter haar triomfantelijke gezicht te voorschijn kwam.

Op de laatste dag ontdekte ik eindelijk een fietser. Drie fietsers, om precies te zijn. In een winkelstraat die voor auto?s gesloten was. Ik ben er niet achter gekomen wat Bulgaren tegen tweewielers hebben. De taxirit naar het vliegveld was veel te vroeg om het alsnog te vragen.




Sofia (2)

(Ik ben al een week terug uit Sofia, maar het weblog nog niet.)

Eerder: 1.

Na de douane staat een jongeman te wachten.
Hij zwaait hoopvol met een bordje waarop mijn naam staat en is zichtbaar opgelucht als ik knik.
Het blijkt dat hij al de hele dag staat te wachten.
Niet op mij.
Op niemand, om precies te zijn.
Maar hij was voor de hele dag betaald en dat was de opgegeven taak: wachten.
Ik voel me te slordig gekleed om zijn dag nog te redden.
En te ongeschoren.

Het hotel ligt aan de rand van Sofia, tussen communistische woonbarakken.
Het is nog geen jaar open, vertelt het meisje achter de balie me.

De kamer is ruim en smaakvol ingericht.
Ik hang mijn pak in de kast, zet de televisie aan en trek al mijn kleren uit.
Het heeft iets met territorium te maken.
Als ik een poosje naakt door de kamer heb gelopen, voelt het alsof ik thuis ben.
Overigens loop ik thuis nooit naakt rond.

Ik staar een poosje uit het raam, naar de chaotische verkeersdrukte voor het hotel.
Ondertussen peuter ik aan kleine oneffenheden op mijn bovenlijf.
Chaotisch verkeer is een van mijn favoriete onderdelen van onbekende steden.

Op een gegeven moment valt me op dat ik nog geen enkele fietser heb gezien.
Zodra ik dat constateer verwacht ik er elk moment een te zien.
Maar er zijn alleen bussen, auto?s en voetgangers. Zelfs geen brommer.
Wellicht wantrouwen Bulgaren vervoermiddelen met slechts twee wielen.

Dan besluit ik in bad te gaan.
Er was een periode dat ik thuis een ligbad had.
Ik heb er misschien twee keer gebruik van gemaakt.
In hotels spreekt het idee me aanzienlijk meer aan.

Ik ga de badkamer binnen en zoek naar het licht.
Het knopje bij de deur doet niets.
Naast de badkuip hangt een trekkoord.
Ik trek eraan.
Het licht gaat niet aan.

Dan pas zie ik de sticker.
?PANIC CORD. Only pull in case of extreme emergency.?
Het duurt enkele seconden voor ik de situatie kan overzien.

Er is inderdaad inmiddels sprake van enige paniek.
Ik heb het koord bijna uit de muur getrokken.
Terwijl ik op de badrand balanceer, probeerde ik het kastje waarin het koord verdwijnt weer in de muur te duwen.
Het lukt maar half.

Er kan nu elk moment iemand aankloppen.
Of wellicht maken ze zelf de deur open.
Als iemand ligt te creperen, wacht je niet op antwoord.

Ik ren de kamer in en trek zo snel als ik kan mijn kleren aan.
De sokken zijn te moeilijk.
Met een voetbeweging veeg ik ze onder de kast.

Aangekleed ga ik op de bedrand zitten.

Na een kwartier is mijn onbedoeld alarmsignaal nog steeds onbeantwoord.

Toen ben ik gaan liggen en heb ik even een klein slaapje gedaan.
Met mijn kleren aan.




Sofia (1)

In het vliegtuig naar Sofia zaten Bulgaren en enkele Nederlanders, vooral mannen in pak.
Ze zaten verspreid door de cabine, maar zodra we in de lucht waren openden ze allemaal hun laptops, als op commando.
Ik vroeg me af welke lucratieve handel er met Bulgarije te voeren was.

Tussen twee stoelen door gluurde ik naar het scherm van een van de mannen.
Hij bleek bij het Havenbedrijf Amsterdam te werken.
Een ambtenaar dus.

Ik bekeek een man aan de andere kant van het gangpad.
Hij was bezig een powerpointdia?s te maken.
Iets over visiting professors en Europese studies.
Een wetenschapper dus.
?What are our objectives?? stond er bovenaan de dia die hij net had gemaakt.

Een andere man in pak kwam een praatje maken met de meneer van het havenbedrijf.
Ik dommelde even weg. Toen ik weer bijkwam legde de meneer van het havenbedrijf uit dat hij Bulgaarse ?counterparts? bezocht om ?leerervaringen uit te wisselen?.
De man die een praatje kwam maken knikte belangstellend.
Leerervaringen waren er om uitgewisseld te worden.
God weet waar je ze anders moest laten.

Op dit soort momenten word ik overvallen door het mysterie dat economie heet.
Dat bedoel ik niet ironisch.
Dichter bij een religieuze ervaring kom ik niet.
Overal hingen mensen in de lucht die ergens dingen gingen doen, praten vooral, eten, slapen, misschien neuken. Daarna stapten ze weer in een volgend vliegtuig.
Ik ben er een van.

Op dit soort momenten kan ik moeilijk weerstand bieden aan de gedachte dat we iemand belazerd hebben. Of hele bevolkingsgroepen hebben uitgebuit. Dat we met gestolen geld ons heen en weer laten vliegen.
De slachtoffers kom ik echter nooit tegen.
Ja, goed, Afrika en zo.
Toch is dat niet het hele antwoord.
Een deel ligt in het mysterie van de economie: Er wordt waarde gecreëerd, er ontstaat geld dat niet eerst van iemand anders was. Ik kan niet uitsluiten dat naar Sofia vliegen om leerervaringen uit te wisselen ook waarde creëert.

De wetenschapper was met een nieuwe dia bezig.
Bovenaan stond: ?What are our outputs??
Dat was inderdaad de juiste vraag.