Actieradius

Ik zou kunnen zeggen dat ik geen tijd heb, tegen Yanne die, niet voor het eerst, opmerkt dat het hier stil is.
Maar ik heb net een helft van Bayern München tegen Zenit St. Petersburg gekeken, terwijl ik CD hoesjes kopieerde van de Amazon website naar mijn digitale muziekcollectie.
Dat is eerder een teken van verveling dan van tijdgebrek.
In een uitzending van VPRO’s Boeken beweerde een filosoof dat verveling een vorm van onbehagen is ten opzichte van het leven.

Ik zou kunnen zeggen dat er de afgelopen paar jaar enkele taboes zijn bijgekomen. Onderwerpen waarover ik met moeite kan nadenken, laat staan dat ik er publiekelijk over zou schrijven.
Maar ook die taboes zijn er al een tijd.

Vandaag sloeg ik, zoals gebruikelijk, de uitnodiging af van mijn collega’s om mee te gaan lunchen. Ooit heb ik gezegd dat ik, ondanks de afwijzingen, toch de uitnodiging op prijs stel. Misschien omdat het suggereert dat ze me nog niet afgeschreven hebben.
Ze blijven me trouwhartig vragen.

Later haalde ik zelf lunch.
Behalve een wandeling naar de koffieautomaat was ik mijn kamer nog niet uit geweest.
Het halen van de lunch is een vaste route.
Vanuit het trappenhuis zag ik hoe allerlei collega’s in de zon zaten te eten.
Er was nog plek aan hun tafel, maar daarvan ging geen enkele aantrekkingskracht uit.
Ik verzamelde mijn gebruikelijke selectie uit het kantineaanbod en liep met het dienblad terug naar mijn kamer.
Via de vaste, tevens meest efficiënte route.
Mijn actieradius wordt steeds kleiner.
Niet omdat er iets mis is met mijn omgeving.
Het is eerder dat ik naar het centrum wordt getrokken.
Als een knikker in een kommetje.
Het is geen onaangenaam gevoel.

Het zou niet vreemd zijn als je uit deze beschrijving de indruk overhoudt dat ik enigszins contactgestoord ben.
Toch deel ik die indruk niet.
Mijn directe omgeving deelt die indruk evenmin, vermoed ik.
Het is niet dat ik geen contact kan leggen.
Alleen ben ik regelmatig de reden vergeten waarom dat ook alweer wenselijk was.
Ik probeer aan veel dingen te denken en het is onvermijdelijk dat je wel eens wat vergeet.
Eergisteren was ik van streek omdat ik bij het wakker worden besefte dat ik vergeten was de vuilnisbak buiten te zetten. Op dat moment was het al te laat. Dat gevoel bleef de rest van de dag bij me.

Mijn vrouw vroeg laatst of ik zeker wist of ik niet toch autistisch was.
Het was een oprechte vraag, geen beschuldiging.
Ze had haar tandenborstel in de aanslag.
Ik lag al in bed.
Ik zei dat ik niet autistisch was, omdat ik me wel in de gedachtegangen van anderen kan verplaatsen.
Ze knikte. ‘Dat is waar.’
Het was ontwapenend om deze vraag zo laconiek te bespreken.
Toen preciseerde ze haar observatie: ‘Je kan je wel verplaatsen in anderen, je kan er alleen niet naar handelen.’
Op die samenvatting had ik weinig af te dingen.




De kapitein van de Titanic

De afgelopen dagen bracht ik door tussen rampenonderzoekers. Voorafgaand aan de conferentie werden de CV’s van de deelnemers rondgestuurd. Die bevatten opsommingen van de rampen die ze bestudeerd hadden, zoals militairen hun onderscheidingen op de borst dragen. Een Luitenant ter zee eerste klas legde me ooit uit wat de verschillende onderscheidingen inhielden. Hij noemde ze plakplaatjes. ‘De meeste krijg je als je gewoon komt opdagen.’
Met rampen werkt het op een vergelijkbare manier. Als je kwam opdagen op een conferentie over een ramp, kon je hem op de lijst zetten. Deze conferentie was in Louisiana en de meest populaire ramp was de orkaan Katrina.
Zelf weet ik niets van rampen, maar omdat ik was uitgenodigd door een bevriende wetenschapper had ik voor de gelegenheid ook een mening gefabriceerd over rampen. Er was gelukkig weinig vraag naar mijn mening.

Bij het voorstelrondje stond een meneer op die zei dat hij de baas was geweest van FEMA ten tijde van Katrina. FEMA is de federale rampenbestrijdingsorganisatie die, volgens de rampenonderzoekers, de ramp juist had vergroot in plaats van bestreden. De meneer sloot zijn introductie af met de mededeling: ‘Ik ben hier om jullie de kans te bieden te spreken met de kapitein van de Titanic.’

Aan het einde van de tweede dag werden de rampenonderzoekers in een bus geladen en naar het huis van de Chancellor van de universiteit gereden. De Chancellor woonde in een langgerekte bungalow die uitkeek over een meer. De rampenonderzoekers schuifelden wat onwennig door de luxueuze vertrekken op weg naar de tuin waar de bar was ingericht. Op de tafels lagen zorgvuldig gerangschikte fotoboeken die door niemand werden aangeraakt.
In de tuin bestelde ik een gin tonic. Een van de rampenonderzoekers zei tegen me dat het een echt zuidelijk drankje was. Daarna praatten we een moment over het zonnige weer. Het meer weerkaatste goudkleurig zonlicht en met half dichtgeknepen ogen nipten we aan onze drankjes.

Tijdens mijn tweede gin tonic hield de Chancellor een toespraak. Hij had een kalme stem die zonder hoorbare inspanning de achterste rijen haalde van het gezelschap. Een rampenonderzoeker vertelde me dat de Chancellor de baas was geweest van NASA ten tijde van de ramp met de Challenger. Ik besefte ineens dat er duizenden kapiteins van de Titanic zijn. Eigenlijk is iedereen de kapitein van zijn of haar hoogstpersoonlijke Titanic. Als je een leven lang de tijd heb, vind je altijd wel een ijsberg.
Naast de Chancellor stond een kleine, tengere vrouw die het onderwerp bleek te zijn van de toespraak. Ze was onderwijzeres en astronaut. In de jaren tachtig was NASA een programma begonnen om onderwijzers de ruimte in te lanceren. In 1986 had ze in de Challenger moeten zitten die ontplofte. Maar ze kreeg de griep, of iets dergelijk. Dat stukje van de toespraak verstond ik niet. In haar plaats verongelukte een andere onderwijzeres.
Met die uitkomst nam ze geen genoegen. Ze trainde verder tot ze weer aan de beurt was. Dat duurde ruim vijftien jaar. Toen het moment eindelijk daar was, verongelukte shuttle Columbia op de laatste vlucht voordat zij zou vertrekken. Zoals de Chancellor het vertelde was die ramp een persoonlijke tegenslag voor haar. Ook aan de dood ontsnappen kan een ramp zijn.

De conferentie werd volledig gefinancierd door een lokale ondernemer. De man zat de hele dag achter in de conferentieruimte. Aan het einde van de dag ging het gerucht dat hij de conferentie zeer boeiend vond. De opluchting onder de onderzoekers was voelbaar.

Ik bestelde nog een gin tonic en tuurde naar het hypnotiserende gouden water. Naast me zei iemand dat het had gevroren in Nederland.