Losse eindjes van 2007 (2)

Tot voor kort verkeerde ik in de veronderstelling dat mijn arbeidsethos een jaar of vijf, zes geleden had gepiekt.
Het lukte me steeds minder om achter deze of gene ambitie aan te hollen.
Ik werd een van die mensen die vond dat hij vaker nee moest zeggen.
Ik heb weinig sympathie voor die mensen.
De verzorgingstaat brokkelt af, maar een mens met bescheiden ambities vindt velerlei mogelijkheden om het begrip vervroegd pensioen in te vullen.

Eind vorig jaar haalde ik een onderzoeksproject binnen voor een internationale organisatie.
Een toevalstreffer.
Mijn belangrijkste investering in het onderwerp was jarenlang doelloos klikken langs websites voor nerds. Procrastinatie werd met terugwerkende kracht kennisverwerving.
Ik vroeg een Amerikaanse professor om mee te doen aan het nogal omvangrijke project.
Dat was vooral een kwestie van risicospreiding.
Hij had een reputatie op dit terrein.
Ik niet.
Wat betreft geld waren de rollen omgedraaid.
Onze enige ontmoeting voorafgaand aan mijn verzoek was een gesprek geweest bij een schaal met plakjes cake tijdens de koffiepauze van een vergadering.
De Amerikaanse professor ging in op mijn verzoek en bleek bijzonder aangenaam om mee samen te werken.
Nog een toevalstreffer.

Ik wist dat er iets vreemds aan de hand was toen ik dit najaar in Ottowa na afloop van een vergadering stond te praten met een meneer van het Amerikaanse Department of Homeland Security en de bediening ons kwam vertellen dat iedereen al weg was en dat de borrel al lang ten einde was. In mijn binnenzak zat een stapel visitekaartjes van iedereen die ik de hand had gedrukt.
Normaal is de aankondiging van de borrel het signaal voor mijn aftocht.
Vervolgens zoek ik mijn heil in het dekken van de tafel voor de huiselijke avondmaaltijd of, in het geval van buitenlandse locaties, in het nauwgezet bestuderen van het lokale televisieaanbod.
Deze keer had ik genetwerkt en ik had ervan genoten.
Mijn vrouw signaleerde dat merkwaardige gegeven eerder dan ik.

De afgelopen maanden heb ik harder gewerkt dan ik me kan herinneren ooit eerder gedaan te hebben.
Zonder de gebruikelijke bijverschijnselen.
Spanning.
Procrastinatie.
Een zeker cynisme over de futiliteit der dingen – lichtvoetig gearticuleerd, maar weinig bevorderlijk voor het arbeidsethos.

De reden bleek nogal schokkend.
Ik ervoer arbeidsvreugde.
Eerst was er al de liefde, toen het vaderschap en nu ook nog dit.
Gelukkig heb ik nog een midlifecrisis om naar uit te kijken.




Losse eindjes van 2007 (1)

Ik heb een contract voor een roman.
Het boek zal rond september 2008 bij uitgeverij Atlas verschijnen.

Eigenlijk heb ik drie contracten. Twee exemplaren dien ik te tekenen en terug te sturen naar de uitgever.
Ik weet alleen niet waar ze liggen. In de drukte van de afgelopen maanden zijn ze ergens terzijde geschoven en uit beeld geraakt. Ook al hoefde ik niets meer te doen dan een handtekening te zetten.
Dit zou je commitmentvrees kunnen noemen.
Diverse geliefden hebben in de loop der tijd vastgesteld dat ik aan commitmentvrees zou lijden.
Ik koester warme herinneringen aan die vrees.
Hij heeft de wereld veel goeds gedaan.
Vrees voor de zoveelste Nederlandstalige debuutroman lijkt me ook gerechtvaardigd, temeer als je een zekere medeplichtigheid daaraan niet kan ontlopen.

Gelukkig is er meer dan vrees.
Voor het jaar om is, wil ik de contracten getekend hebben.
Daarna moet ik nog postzegels halen om ze terug te sturen.
Het schijnt dat sommige mensen een pakje sigaretten gaan halen en nooit meer terugkeren.
Het valt me op dat sigaretten en postzegels vaak in dezelfde zaken te krijgen zijn.
Net als loterijloten.




Voortgezette anamnese

Ik wilde vertellen over mijn e-mail aan een van de prinsen van Oranje-Nassau.
Maar laten we eerst mijn openbare anamnese nog even voortzetten.
Het is goedkoper dan een professioneel consult en aanzienlijk onderhoudender.

Iemand opperde smetvrees.
Het eerste waar ik aan dacht is de badkamervloer.
Mijn vrouw verlaat de douchecel zonder zich af te drogen.
Ik kan me moeilijk verplaatsen in de bewustzijnstoestand die dat een aantrekkelijke gang van zaken maakt. Alleen al de koude die daarmee gepaard gaat, dwingt mij tot afdrogen.
Hoe dan ook, de badkamer oogt vervolgens als de locatie van een zojuist beëindigde brandweeroefening.
Enige tijd daarna spring ik ongemakkelijk tussen de plassen door naar de wasbak.
Dat heeft niets met hygiëne te maken, maar wel met vrees.
Op dat moment voelt het zeer bedreigend dat mijn sokken nat worden.
Hetgeen ze onveranderlijk worden.
Afijn.
Meer steun voor de diagnose OCD, zou ik zeggen.

Een andere contra-indicatie voor smetvrees is het feit dat ik nooit iets weg gooi uit de koelkast.
Soms houdt mijn vrouw een bakje of kommetje omhoog en vraagt ze of ik nog iets van plan was daarmee. De inhoud van het betreffende bakje of kommetje beantwoordt geheel op eigen kracht die vraag, maar mijn vrouw is niet geïnteresseerd in het antwoord. In haar wereld is de beschimmelde inhoud van het bakje of kommetje een confronterende boodschap aan mijn adres.
Maar schimmel is een van de zachtaardigste levensvormen die ik ken.
In het verleden wilde ik deze nog wel eens voorzichtig uit het bakje scheppen, om daarna alsnog de maaltijd te nuttigen. Na verlengde opwarming in de magnetron, dat wel.

Geen smetvrees, lijkt me zo.
Wat het compulsieve opruimen en schoonmaken betreft: die speelt zich vooral aan de oppervlakte af.
Een kast mag een bende zijn, zolang ik maar weet waar mijn spullen liggen en de buitenkant van de kast volstrekte orde uitstraalt.
Ik weet precies waar dingen liggen.
Met een minimum aan handelingen het juiste voorwerp te voorschijn halen, vervult me met grote bevrediging.
Mijn vrouw heeft een omgedraaide preferentie: ze wil voortdurend de kast opruimen, omdat ze nooit iets kan terugvinden.
Zelfs voor haar sleutelbos heeft ze geen vaste plek.
Het lijkt me een vermoeiend universum, waar alles voordurend in beweging is.
Ik ervaar sleur als het hoogst haalbare.
Omdat haar opruimactie steeds wordt uitgesteld, legt mijn vrouw de dingen die ze wil kunnen terugvinden boven op de kast, tot er uiteindelijk meer op de kast dan er in ligt.
Dat kan natuurlijk niet.
Ik verzamel die spullen en prop ze in haar gedeelte van de kast.
Dat is mijn equivalent van het omhooghouden van het bakje of kommetje uit de koelkast.

Als ik de reacties mag geloven, heeft vooral mijn kookplaatbehandeling enige bevreemding gewekt.
Maar de kookplaat is een zeldzaam dankbare vorm van uiterlijke orde.
Met de juiste handelingen ziet de plaat er uit als nieuw.
Onaangeraakt.
Dat is bijna magie.
Zoals een sneeuwbui het maagdelijke witte sneeuwoppervlak weer herstelt.
Ik weet niet precies wat dit zo belangrijk maakt.
Misschien probeer ik iets uit te wissen.
Of tekenen van verval voor te zijn.

Na de stukjes over mijn huiselijke terreurregime, kwam W. mijn kantoorkamer binnengelopen.
‘Moeten we ons zorgen maken?’ vroeg hij.
Ik lachte wat.
Je kan de geesteszieke niet vragen zichzelf te diagnosticeren.

Zegt u het maar.




Ordnung muss sein 2

(Eerder: 1)

Vera is de enige die dispensatie geniet.
Voorlopig.
Al mag ze inmiddels niet meer met eten gooien.
Dat dient echter meerdere doeleinden dan orde alleen, waaronder het drukken van de stomerijkosten van ons bezoek.
In beleidstermen heet zoiets een no-regret maatregel.

Na enkele ogenblikken brak ik mijn opsomming van ongerechtigheden af.
Ook fascisme gedijt bij dosering.
Het schoonmaken van de keramische kookplaat had ik al een tijdje geleden opgegeven.
Mijn vrouw veegt daar over heen met een vaatdoekje dat meer vuil aanbrengt dan wegneemt.
Ik maak het eerst schoon met een sopje.
Dan krab ik minutieus de plaat schoon met de speciale krabber.
Dan zet ik een dun laagje azijn op de plaat.
Dan krab ik minutieus de plaat schoon met de speciale krabber.
Dat is om de kalk er af te krijgen.
Overkokende pannen zijn een andere zaak waar het fascisme zijn handen vanaf heeft getrokken.
Daarna reinig ik de plaat weer met een sopje.
Daarna droog ik de plaat.
Daarna breng ik een beschermde crème aan.
Daarna wrijf ik die uit, tot er een dunne glanzende laag is ontstaan.
Daarna kijk ik een moment naar de plaat, met een gevoel van harmonie in het universum.
Ergens in dat moment overweeg ik of de plaat wellicht off limits verklaard kan worden voor kookactiviteiten.

Ik weet niet wat het betekent dat ik een fascistisch gezinsideaal aanhang.
Noch waar het vandaan komt.
Maar dat het weinig goeds belooft, zoveel is duidelijk.




Ordnung muss sein 1

De billendoekjes lagen niet op hun plek.
Weer niet.
Er behoort een pak aan mijn kant van het bed te liggen.
Die leg ik na gebruik altijd meteen weer terug.
Altijd.
Meteen.
Met het plastic flapje gesloten, tegen uitdroging van de doekjes.

Mijn vrouw is meer van de leg-ik-zo-wel-terug-school.
Waarbij ‘zo’ een eufemisme is voor ‘niet.’
Maar mijn vrouw heeft om half zeven de billendoekjes niet nodig.
Ik doe de ochtend.
Naast billendoekjes heb je dan nodig: het vermogen tot spraak, parate kennis van het tweede refrein van ‘Op een grote paddestoel, rood met witte stippen’ en de techniek om peutervoetjes te masseren.
Onze dochter van twee pakt je hand en brengt die naar haar voeten. Als de massage niet meteen aanvangt, begint ze klaaglijk te kreunen.
Daarna deelt ze mede: ‘Jrote poep.’
Ze vervangt alle g’s door j’s, als een koempel uit Kerkrade.
Terwijl ik zuchtend de billendoekjes zoek, die weer eens niet op hun plek liggen, is mijn vrouw humeurtechnisch druk met wakker worden.

Gisteren zei ik tegen mijn vrouw dat billendoekjes weer niet op hun plek lagen.
Mijn vrouw antwoordde dat ze niet wist dat er een plek was.
Ik vroeg of ik meteen ook enkele andere ongerechtigheden kon aankaarten.
Ze knikte, schoorvoetend.
Ik vertelde over de lampen die ze overal aan liet in huis.
Over de oplader van haar telefoon, die ze niet uit het stopcontact haalde en die dus stroom bleef consumeren terwijl hij niet in gebruik was.
Over haar fiets die niet goed op slot stond, terwijl ze had beloofd deze aan het hek vast te maken.
En nog zo wat dingen.

Ik blijk een aanhanger van een fascistisch gezinsideaal te zijn.

(Morgen verder.)




Afscheidstoespraak

De weduwnaar las de grafrede voor – een zakelijke opsomming van de kwaliteiten van de vrouw die hij hartstochtelijk lief had gehad. Zij toewijding als echtgenoot stond buiten kijf, maar tijdens deze toespraak klonk hij als het afdelingshoofd dat hij tot zijn pensioen was geweest.

Iedereen wachtte tot zijn stem zou stokken.
Tot dusver had geen van de sprekers het droog gehouden.
Maar de weduwnaar hield de dood op afstand met de ingesleten zinsneden uit de talloze afscheidstoespraken die hij had gehouden voor vertrekkende medewerkers. Af en toe onderstreepte hij een uitspraak met een knikje in de richting van de kist.

Toen hij het blaadje met de tekst omsloeg, pauzeerde hij een moment. Hij gluurde over de glazen van zijn bril naar de menigte in de kerk.
‘Nog één blaadje,’ zei hij geruststellend.

Zonder haperingen bereikte hij zijn laatste groet.
‘Rust zacht, lieve schat.’
Hij stopte met lezen, maar zijn blik bleef gefixeerd op de blaadjes die voor hem lagen. Bevroren stond hij achter het katheder.
Toen ging het mis.
Hij richtte zijn blik op en keek gekweld de kerk in.
‘Iedereen kan nu zien, wat het gevolg is... van....’
Hij hapte naar adem, nam zijn bril af en wreef in zijn ogen. Maar er was geen stoppen meer aan.
‘...roken.’
Zijn lichaam begon te schokken.
‘Laat dit iedereen die rookt...’
Met de rug van zijn hand veegde hij de tranen uit zijn ogen.
‘Maar vooral de jeugd....’
Van zijn stem bleef alleen een krakerig, hees gehuil over.
‘Tot nadenken stemmen.’
Hij vouwde zijn toespraak twee keer dubbel en keerde terug naar zijn plaats in de kerkbanken. Zijn schoondochter sloeg een arm om hem heen.

Het koor zong het Kyrie.
De sopranen waren onvast van toon, alsof ze ook hevig geëmotioneerd waren.

Ik vroeg me af wat mijn vrouw nu dacht.
Mijn vrouw rookt.
Op bescheiden schaal, maar toch.
Ze zat naast me.
Toen ik haar aankeek, zei ze: ‘Zoveel mensen komen er niet naar onze begrafenis.’
Ik knikte en slikte iets weg.

Toen we na afloop achter in de auto zaten bij mijn ouders, zei mijn moeder dat ze geen lovende woorden wilde op haar begrafenis.
‘Waarom niet?’ vroeg ik.
‘Daarom niet. Het is nergens voor nodig.’
Langzamerhand kreeg ik buikpijn van al het slikken.




Vooruitbetaling

Ik schoof mijn dienblad naar de kassa.
‘Goedemiddag,’ zei de mevrouw achter de kassa.
‘Goedemiddag,’ zei ik.
De vrouw voerde mijn bestelling in op het touch screen.
Twee bruine bolletjes, kuipje gele kip-kerriesalade, krentenbol, kom soep, halfje melk.
Ik wachtte tot ze drie euro tien zou zeggen.
Ze moest even zoeken naar de juiste knop voor de kip-kerriesalade. Na enkele menupagina’s doorgebladerd te hebben, vroeg ze het aan haar buurvrouw.
‘Salade luxe,’ antwoordde de buurvrouw.
‘O ja.’
Ze drukte op totaal.
‘Drie euro tien.’
Ik gaf haar vijf euro. ‘Alstublieft.’
Ze nam het briefje aan en verzamelde het wisselgeld.
‘Dank u wel,’ zei ik, terwijl ze de munten in mijn handpalm legde.
‘Alsjeblieft,’ antwoordde ze. Alsof ze zei: ‘Geeft niet. Is niet erg.’

Het gesprek was waarschijnlijk identiek aan de talloze eerdere keren dat ik hier afrekende. Net als de drie euro tien. Maar ineens verbaasde ik me over de volgorde – pas ze pas alstublieft zei nadat ik haar had bedankt. Dienstverlening na vooruitbetaling.

Ik verlangde een moment naar de Amerikaanse overvloed aan hartelijkheden rondom eenvoudige economische transacties.

Terwijl ik mijn portemonnee weg stopte, schoof de man na mij zijn dienbord naar de kassa.
Kommetje soep, een kroket en een zakje mosterd.
‘Goedemiddag,’ zei de mevrouw achter de kassa.
De man staarde zwijgend naar de kroket die hij wenste aan te schaffen.




Luitenant Kolonel Petrov

Gisteravond zei mijn vrouw dat ze niemand wist die haar inspireerde.
Ze schrok er zelf een beetje van.
Op haar schoot lag een vragenlijst voor iets dat een ontwikkeltraject heet, geloof ik.
Van die bijeenkomsten waar kantoorwerkers geleerd wordt hun arbeidsproductiviteit te verhogen door te praten over inspiratie en passie.

Bij vraag 5 dienden drie namen genoteerd te worden van mensen die haar inspireerden.
Mijn naam kon ze niet noteren, beweerde ze, omdat ik bij vraag 2 al opgevoerd werd als “een familielid” die haar sterke en zwakke punten moest opsommen.
Ik zei dat ze heus wel inspirerende mensen wist, maar dat ze nu murw was omdat ze de hele dag over inspiratie gepraat had.

Ik keek naar het formulier. Het coachingsbureau beloofde dat met hun hulp “je de architect wordt van je eigen toekomst.” Ik dacht aan een tekentafel en daarna aan formulieren voor het aanvragen van een bouwvergunning. Wellicht heb je onder de toekomstarchitecten ook Rem Koolhazen, met spraakmakende ontwerpen waarvan de daadwerkelijke realisatie bijzaak is. Mijn toekomstarchitectuur speelt zich meer af in het bereik van de dakkapellen en fietsschuurtjes.

Mijn vrouw legde het formulier weg en meldde dat ze alvast naar bed ging.
Ik zei dat ik nog even de laatste samenvattingen bleef kijken van de KNVB-beker. Op dat moment werden de hoogtepunten getoond van de Treffers/Kegro tegen ASWH.

Vanochtend las ik een bericht over een man die op 26 september 1983 de wereld had gered door niets te doen. Ik belde mijn vrouw op en zei dat ik iemand had gevonden voor haar lijst.




Allesomvattende strategie (2)

Eerder: 1. 

Ik sloeg de bladzijde om van de krant.
Op pagina 2 maakte iemand zich boos dat Nederland onvoldoende voorbereid is op rampen.
Ik wist niet precies waarom, maar de gedachte dat we ooit voldoende voorbereid zouden zijn vervulde me met weerzin.

De man die zich boos maakte zei dat het gebrek aan voorbereiding “onverantwoord [was] omdat er mensenlevens in het geding zijn.”
Mijn leven is elke dag in het geding en dat leek me ineens minder verantwoord dan ik tot dan toe had aangenomen.

Het beste dat je kan overkomen is dat er mensenlevens in het geding zijn, als rapportenschrijver. De ernst van een probleem verlicht aanzienlijk de kwaliteitseisen aan wat er verder nog te berde wordt gebracht. Gelukkig zijn mensenlevens altijd in het geding. Anders zijn er altijd nog dierenlevens. Daarmee kom je tegenwoordig ook een eind. Dat heet beschaving. Beschaving betekent dat er bij herhaling wordt vastgesteld wat er onverantwoord is.

Nadat ik mijn dochtertje naar de kinderopvang had gebracht, hervatte ik mijn werk aan een rapport voor een internationale organisatie. Ik was halverwege in een redenering dat het probleem veel minder erg was dan werd aangenomen.

Problemen kleiner maken in plaats van groter is retorisch veel interessanter, omdat de bewijslast zwaarder is. Het is dezelfde asymmetrie als die tussen goed en slecht nieuws. In een krant oogt goed nieuws al snel naïef of onkritisch van de betreffende journalist. Aan slecht nieuws heeft nog nooit iemand zich een buil gevallen.

In mijn inbox trof ik een email van iemand die mijn conceptanalyse had gelezen en me op hoge toon uitlegde dat het probleem helemaal niet meeviel en juist onverantwoorde vormen had aangenomen.

Ik verplaatste de cursor naar de slotparagraaf van het document, knabbelde een moment op mijn nagelriemen en tikte toen: Vooralsnog is er geen sluitende oplossing voor dit probleem. De minuten daarna vervlogen met mijmeringen over oplossingen die zichzelf sloten.




Allesomvattende strategie (1)

De krant berichtte over een rapport waarin werd geconcludeerd dat “de leiding van de CIA geen allesomvattende strategie [had].”
De afwezigheid van een allesomvattende strategie was

.

Terwijl ik kauwde op een boterham met vegetarische paté, mediteerde ik een moment op de vraag hoe een allesomvattende strategie er uit zou zien.
Het leek me een fenomeen in dezelfde categorie als tijdreizen en wereldvrede – strikt genomen zijn ze niet onmogelijk, maar vooralsnog leiden ze een theoretisch bestaan.

Met een slok melk probeerde ik de smaak van vegetarische paté uit mijn mond te spoelen.
Melk is daar niet bijzonder geschikt voor.
Mijn dochtertje at ook vegetarische paté.
Als ik ander broodbeleg neem dan mijn dochtertje, eindigt het ontbijt ermee dat ze mijn boterhammen op eet en ik de hare.
Daarom eten we identieke boterhammen.
Met de gewonnen tijd kan ik een vluchtige blik op de krant werpen.
Het is een strategie, maar vermoedelijk geen allesomvattende.

Rapporten concluderen voortdurend dat het in deze of gene kwestie aan een allesomvattende strategie heeft ontbroken.
Of dat er onvoldoende afstemming heeft plaatsgevonden tussen dit en dat.
Of dat er iets voorkomen had kunnen worden, mits men iets anders had gedaan. De regels had gevolgd, bijvoorbeeld. Of afgeweken was van de regels.

Ik weet dit omdat ik zelf zulke rapporten fabriceer.
Het maakt niet uit voor welk onderwerp ik gevraagd word.
Af en toe wil iemand in mijn vriendenkring weten waarom men mij inhuurt een rapport over onderwerp X te schrijven, terwijl men mij nooit eerder op enige expertise aangaande onderwerp X heeft weten te betrappen.
Het gaat echter niet om expertise, maar om de vaardigheid om een rapport te fabriceren.
De belangrijkste vaardigheid daarvoor is weten dat de antwoorden al klaar liggen.
Iedereen weet dit, lijkt me.
Maar op woensdag 22 augustus was het voorpaginanieuws.

Ik sloeg de bladzijde om van de krant.

(Vervolg.)




Die Pipo

Mijn vader stoot mijn broer aan: ‘Belt ‘ie me op om elf uur ‘s avonds, die Pipo daar.’
Die Pipo, dat ben ik – en ‘daar’ is aan de andere kant van de witte formica statafel in de tuin van een oom en tante die veertig jaar getrouwd zijn.
‘Om te vragen wat kapot konijn in het zuur is,’ vervolgt hij.
Onmiddelijk daarna schiet hij in de lach. Hij moet zo hard lachen dat hij vooroverbuigt. Hij zet een stap achteruit, weg van de tafel, om ruimte te maken om te kunnen lachen. Hinnikend tilt hij een knie op en zet die met kracht weer neer. Ondertussen blijft zijn linkerhand geklemd om een bierglas op de statafel, alsof het glas een meerpaal op de kade is die moet voorkomen dat zijn lichaam door het woelige getij wordt meegenomen.

Ik schiet ook in de lach. Niet om de grap – als je het dat al kan noemen – maar om hoe grappig mijn vader het vindt.
Ik ken deze lachende man niet uit mijn opvoeding, maar sinds de laatste zoon een jaar tien geleden het huis uit ging, heeft een niet aflatende vrolijkheid van mijn vader bezit genomen. Mensen die hem niet kennen, denken soms dat hij dronken is. Wellicht is hij dronken van de gedachte dat het leven hem niets meer kan maken.

Als hij klaar is met lachen zegt hij: ‘Bah, niks zo lekker als even zeveren, helemaal nergens over.’
Over niks praten staat bovenaan in de hiërarchie van gespreksonderwerpen in mijn familie. Het is een hiërarchie die ik onderschrijf, maar mijn eigen inbreng blijft ergens in de onderste regionen hangen. Op momenten van paniek stel ik wel eens een belangstellende vraag aan deze of gene neef. Met zichtbare tegenzin verteld deze of gene neef dan over zijn werk of de net afgebouwde garage.

In de trein naar huis zegt mijn vrouw dat ze mijn kaakspieren hoorde knakken tijdens het kauwen van het konijn, precies zoals de kaken van mijn vader knakken. Thuis schijn ik dat geluid nooit te maken, maar in mijn vaders nabijheid beginnen mijn kaken spontaan te knakken.
Ik denk dat mijn lichaam iets weet dat ik nog niet weet.




Kapot konijn in het zuur

Mijn vader mailde dat kapot konijn in het zuur een optie was.
Voor zaterdag dan.
Voor zondag moesten wij maar een voorstel doen.
Groeten, Pap.

Ik vroeg glimlachend aan mijn vrouw of ze zin had om zaterdagavond kapot konijn in het zuur te eten.
Verwachtingsvol wachtte ik op de tegenvraag.
Maar mijn vrouw antwoordde dat ze er wel om heen zou eten.
Ik bleef alleen achter met mijn tegenvraag.

Om kwart over tien belde ik mijn vader.
Het was donker buiten en ik zag mezelf weerspiegeld in het venster. Terwijl de telefoon overging woelde ik door mijn haar. Mijn vrouw had er nog niets over gezegd, sinds ik dinsdag naar de kapper was geweest. De kapster had mijn haar geföhnd en ik had het nog niet thuis gewassen. Een man met geföhnd haar vraagt niet naar de oordelen van anderen.

Mijn vader nam eindelijk op.
Ik vroeg of ze al sliepen.
Nee, antwoordde mijn vader. Hij had de telefoon niet gehoord.
‘Aha,’ zei ik. Ik bel mijn ouders al negentien jaar, maar nog nooit hadden ze de telefoon niet gehoord.
‘Dat kapot konijn in het zuur,’ zei ik.
‘Ja,’ zei mijn vader. ‘Mam wil weten of jullie dat willen eten zaterdag.’
‘Wat is er precies kapot aan dat konijn?’
‘Nou gewoon.’
‘Gewoon.’
‘Hij is dood.’
‘Alle vlees is toch dood?’
‘Ja, oké,’ gaf mijn vader toe, op een toon die suggereerde dat ik een vergezocht theoretisch punt maakte. Normaliteit is een handzame uitvinding, maar deze dient met mate geconsumeerd te worden.
Ik broedde een moment op een verklaring voor mijn onbegrip.
‘Ik had het in het plat moeten zeggen,’ zei mijn vader.
‘Kepotte kenien in ut zoer,’ zei ik.
‘Ja,’ zei mijn vader.
Dat klonk net zo vreemd.
‘Zeggen ze dat zo?’ vroeg ik.
‘Nee, dat niet.’
Ik keek even naar een meneer in het raam die tamelijk in de war leek.
Toen zei ik dat we zaterdagavond graag kapot konijn in het zuur zouden eten.




Bonnetjes

Mijn vrouw vroeg gisteren of ik ongelukkig was.
Dit was nadat ik had medegedeeld een foto te gaan ophangen.
Onze dochter lag in bed en de vaatwasser was ingeruimd.
Ik zat op de bank en had net geconstateerd dat er geen nieuws was op voetbalinternational.nl.

Ze vond dat ik zoveel energie had de laatste tijd.
Ze liet het woord “energie” voorafgaan door een bijvoeglijk naamwoord, maar ik weet niet meer welk. Het was geen gewone energie, in elk geval.

Ik zei even niets.
Het afgelopen jaar zijn de woorden gelukkig en ongelukkig iets te vaak gebruikt.
Een andere samenvatting van het afgelopen jaar is: Het jaar waarin ik nerveus werd van het woord gelukkig.
Het is iets met bewijslast.
Alsof de belastingdienst me ineens vraagt alle bonnetjes te laten zien voor mijn aftrekposten in 2004.
Een samenvatting van het jaar 2004 zou kunnen luiden: Het jaar dat ik aftrekposten kreeg.

Mijn vrouw zei dat ze zelf juist actief wordt als ze ongelukkig is.
Dat was mij nog niet bekend.
Ik heb altijd beweerd een vrouw te willen trouwen die me blijft verrassen.
Dat beweer ik nog steeds. Maar ik had me niet gerealiseerd hoe verontrustend het is verrast te worden door informatie over je eigen vrouw.
Een maand geleden vroeg een vriend me iets over mijn vrouw.
Iets basaals.
Hij was geschokt dat ik het antwoord niet wist.
Deze vriend koestert strikte opvattingen over de liefde en heeft overigens zelf geen relatie.
Met terugwerkende kracht was ik ook geschokt. Op dit gebied heb ik moeite weerstand te bieden aan strikte opvattingen.
Ik nam me voor het alsnog aan mijn vrouw te vragen, maar toen ik thuiskwam was ik de vraag vergeten.

Mijn vrouw stond voor me, toen ze vroeg of ik ongelukkig was.
Ik keek op naar haar vanaf de bank en zei dat ik niet ongelukkig was.
Dat ik juist weinig energie had als ik ongelukkig was.
Ik wist niet of het waar was.
Het leek me ook niet onwaar, in ieder geval.
Ze ging naast me zitten en vroeg wat ik aan het kijken was. Ze wees naar een fotootje van kleerhangers. Ik zei dat ik Lifehackers.com las en probeerde uit te leggen wat dat was.
Samen lazen we het bericht over de kleerhangers.
Mijn vrouw vond het geen goede tip.
‘Nee?’ vroeg ik.
Ik kuste haar, vlak voor ze weer op stond.

Ik klikte op het tabblad van voetbalinternational.nl. en drukte op F5.
Er was nog steeds geen nieuws.




Maximum penalty

Op de hoek naast de bakker stonden twee jonge agenten een bon te schrijven, de all terrain bike tussen de benen. De schrijver vroeg af en toe iets aan zijn collega. Die fronste alsof ze een ingewikkeld strafproces aan het voorbereiden waren. Naast hen stond een Noord-Afrikaanse man gelaten te wachten tot de bon gereed was.

Ik stond op de vluchtheuvel te wachten tot ik kon oversteken, naar de bakker. Naast me stonden twee gekleurde mannen te keuvelen. Toen er een gat viel in de stroom auto’s, wilde ik het zebrapad opstappen. Maar ik realiseerde me dat de agenten wellicht een bon voor oversteken door rood licht aan het uitschrijven waren. Ik bleef staan. Mijn gedachten dwaalden af.

Bij het volgende gat in de stroom auto’s stak ik alsnog over, zonder na te denken. Halverwege het zebrapad realiseerde ik me wat ik aan het doen was. Achter me zei een van de twee keuvelende mannen: ‘Nee, niet doen, je krijgt een bekeuring.’

Ik keek naar de twee agenten, maar die waren nog met de bon bezig. Inmiddels stond de Noord-Afrikaanse man met zijn portemonnee in de aanslag, linkerhand op de knip, wachtend op het bedrag.
Ik bereikte de overkant en glipte de openstaande deur van de bakker binnen.
‘Zie je dat?’ riep de man vanaf de vluchtheuvel. ‘Hij krijgt geen bon omdat hij wit is. Ze geven alleen bonnen aan zwarten.’ Iets harder: ‘Ze geven alleen maar bekeuringen aan zwarten.’
Ik keek naar de blonde verkoopster om te zien of ze het had gehoord. Maar ze staarde zo ongelukkig in een andere richting, knagend op haar rozegestifte onderlip, dat ze waarschijnlijk met een prangendere kwestie bezig was dan het integratievraagstuk.
De agenten keken evenmin op, al leek het me onwaarschijnlijk dat de mededeling aan hen was voorbijgegaan.

Ik bestelde een heel volkoren.
Het werd groen.
De mannen op de vluchtheuvel staken over.
De bekeurde man had inmiddels afgerekend en frommelde met moeite zijn portemonnee in een iets te kleine broekzak. Dat ongemak onderging hij even gelaten als de bekeuring. Uiteindelijk maakt het niet uit waardoor je verstoord wordt.

De man die had staan roepen vanaf de vluchtheuvel liep zonder nadere mededelingen langs de agenten en langs het bakkersraam.
Op de rug van zijn blauwe windjack stond in gele letters: “Maximum penalty.”




Missen (1)

Ik mis zoveel dingen de laatste tijd.
Mis als in: de lichte misselijkheid die veroorzaakt wordt door de afwezigheid van iets of iemand.

Ik heb er zesendertig jaar op gewacht, maar uiteindelijk blijk ik toch in staat te zijn iets of iemand te missen.

Het blijkt oppervlakkiger dan ik dacht, het missen.
Vluchtiger.
Ik mis Vera meerdere keren per dag.
Vera is mijn dochter van achttien maanden.
De laatste minuten in de trein, vlak voor ik naar het kinderdagverblijf fiets, word ik soms fysiek onwel van de spanning haar weer te zien.
Dan kom ik de speelruimte binnen en zie ik haar zitten.
Meteen is het gevoel weg.
Er komt iets anders, iets verwarrends voor in de plaats.
Ik zie die verwarring ook bij haar.
Ze ziet me binnenkomen en in een flits draait ze haar gezicht weg en begint te wijzen naar willekeurige zaken, begeleid door enigszins nerveus gebabbel waarvan ik niet weet of het voor mij bedoeld is, voor de begeleidsters of voor haarzelf. Voor niemand, wellicht.
Het is ook niet niks, de medemens.
Ik vlucht meestal in een soort logistieke monoloog tegen haar, de begeleidsters, mezelf – tegen niemand eigenlijk – over het pakken van schoenen, aantrekken van jassen, naar buiten gaan, naar huis lopen. Net zo lang tot ik gekalmeerd ben.

Hoe langer ik een kind heb, hoe onbegrijpelijker het fenomeen kind wordt.
Het fenomeen nieuw leven, eigenlijk.
De autonomie er van.
De omvang er van.
Het is een absurd, haast hooghartig idee.
En op een dag loopt het naast je.

Terwijl ik naast haar loop begin ik alweer het gevoel te missen van mijn lippen op haar wang.
Haar op dat moment kussen loopt nogal onhandig.
Bovendien scheer ik me niet vaak genoeg, vindt ze.




Man met de hamer

Drie mannen in reflecterende hesjes, twee scheppen.
Te midden van een maagdelijk perron.
Een vlakte aan strak gelegde tegels.

Twee mannen proberen aan weerszijden van een tegel hun schep in de naad te wurmen.
Het lukt niet.
Op zoek naar een andere tegel.
Ze bewegen de uiteinden van hun scheppen vlak boven de tegels, alsof het metaaldetectoren zijn op zoek naar een schat.
Een van hen kiest een tegel.
De ander sluit aan.
Ook deze lukt niet.
Een van hen slaat de schep zo hard op de tegels dat er vonken van het metaal springen.
De derde man, scheploos, schudt zijn hoofd.

De dichtstbijzijnde man legt zijn schep neer en loopt voor mij langs naar hun gereedschap, een eindje verderop.
Een kleine man, reikt amper tot het borstbeen van zijn collega’s.

Hij lijkt op mijn oom Jean.
Klein, zwart haar.
Aardige man.
Kon fantastisch vloerbedekking leggen.
Zonder hulpmiddelen trok hij met zijn stanleymes kaarsrechte lijnen door het kamerbrede tapijt. Als de twee stukken elkaar loslieten, viel de vloerbedekking tot precies aan de plint. Zo precies dat het leek alsof de vloerbedekking onder de plint gewoon verder liep.
Op zijn vierenvijftigste zoop hij zich dood.
Over zijn vrouw mochten we het daarna niet meer hebben, bij ons thuis.
Niet dat we het daarvoor vaak over haar hadden.

De kleine man komt terug met een rubberen hamer.
Daarmee slaat hij op de omliggende tegels, terwijl de andere man zijn schep in de naad probeert te wurmen.
De kleine man steunt op een knie en slaat ritmisch op de vier omliggende tegels, niet in een cirkelvorm, maar zoals je een kruis slaat bij het binnentreden van de kerk.

Net voor ik instap, zie ik de tegel die het onberoerde middelpunt is van het percussieoptreden langzaam omhoog komen.




Waterflesmensjes

(Een paar weken geleden had ik mezelf beloofd dat ik weer tijd mocht steken in stukjes alhier zodra de eerste versie van het boekmanuscript klaar zou zijn. Op het tijdstip van die belofte had ik nog anderhalf hoofdstuk nodig om de slotscène van het verhaal te bereiken, dacht ik.
Inmiddels ben ik vijf hoofdstukken verder.
De slotscène is, denk ik, nog anderhalf hoofdstuk verwijderd.
Sta me toe dat ik u nog even met een zoethoudertje afscheep.)

We hadden een groenlichtbijeenkomst.
De groenlichtbijeenkomst is een langdurig overleg waarin formeel wordt vastgesteld dat de student mag gaan afstuderen, vier weken later.
Een hoogleraar, de eerste begeleider, de tweede begeleider – zijnde mijzelf – en de student.
Vergaderkamer, tl-licht, koffiekan, theekan en een schaaltje met tien Frou-Frou’s. Precies tien, afgeteld door de mevrouwen van het cateringbedrijf.
De hoogleraar oreerde een eind weg.
Ik lurkte aan mijn waterflesje en at een Frou-Frou.

Voor de uitvinding van de groenlichtbijeenkomst kwam het regelmatig voor dat een scriptie te slecht was om op af te studeren, maar dat de afstudeercommissie dit oordeel pas velde vlak voor aanvang van de officiële afstudeerzitting.
Opa en oma stonden al buiten het zaaltje te wachten.
Academische kwaliteitsnormen zijn heilig, maar niet bestand tegen opa’s en oma’s.

Daarom is er nu de groenlichtbijeenkomst.
In de praktijk maakt het weinig uit.
Vroeger was de eerste begeleider wel eens te optimistisch over hoeveel een student nog weet te verbeteren in vier weken.
Dat is hij of zij nog steeds wel eens.
Vooral bij slechte studenten.
Academische kwaliteitsnormen zijn heilig, maar niet bestand tegen de hoop dat iemand uit je leven verdwijnt.

Het belangrijkste verschil is dat de commissie nu een keer extra moet vergaderen.
Dat zijn twee verspilde uren voor de tweede begeleider.
Voor mij dus.
Een bijrol zonder tekst.
Niet de bedoeling dat je een plotwending forceert.

Dus ik lurkte aan mij waterflesje.
Voormalig Spa Blauw flesje.
Wordt trouw bijgevuld bij de aanrecht naast de koffieautomaat.
Die plek heet de kitchenette, zag ik ooit op de bouwtekening.

Ik nam een slok.
Deed het dopje erop.
Zette het flesje op tafel.
En herhaalde dat na ongeveer twintig seconden.

Ik ben een van de waterflesmensjes geworden.
Je ziet ze steeds vaker door kantoren schuifelen.
Een volk met iets meer vrouwen dan mannen.
Een neurose vermomd als een gezond leefpatroon.

Je moet wat, zeker tijdens een groenlichtbijeenkomst.
Het is of elke twintig seconden aan een flesje lurken, of in stilte bidden om een komeetinslag die het gebouw verwoest.
Waarna je onder de komeet vandaan kruipt en constateert dat de vergadering helaas niet voortgezet kan worden.
Liefst motregent het dan een beetje, om te voorkomen dat iemand voorstelt om de vergadering lekker buiten voort te zetten.

Een komeet en motregen of een waterflesje.
Een waterflesje dan maar.
Het regent gewoon niet vaak genoeg.