Maximum penalty

Op de hoek naast de bakker stonden twee jonge agenten een bon te schrijven, de all terrain bike tussen de benen. De schrijver vroeg af en toe iets aan zijn collega. Die fronste alsof ze een ingewikkeld strafproces aan het voorbereiden waren. Naast hen stond een Noord-Afrikaanse man gelaten te wachten tot de bon gereed was.

Ik stond op de vluchtheuvel te wachten tot ik kon oversteken, naar de bakker. Naast me stonden twee gekleurde mannen te keuvelen. Toen er een gat viel in de stroom auto’s, wilde ik het zebrapad opstappen. Maar ik realiseerde me dat de agenten wellicht een bon voor oversteken door rood licht aan het uitschrijven waren. Ik bleef staan. Mijn gedachten dwaalden af.

Bij het volgende gat in de stroom auto’s stak ik alsnog over, zonder na te denken. Halverwege het zebrapad realiseerde ik me wat ik aan het doen was. Achter me zei een van de twee keuvelende mannen: ‘Nee, niet doen, je krijgt een bekeuring.’

Ik keek naar de twee agenten, maar die waren nog met de bon bezig. Inmiddels stond de Noord-Afrikaanse man met zijn portemonnee in de aanslag, linkerhand op de knip, wachtend op het bedrag.
Ik bereikte de overkant en glipte de openstaande deur van de bakker binnen.
‘Zie je dat?’ riep de man vanaf de vluchtheuvel. ‘Hij krijgt geen bon omdat hij wit is. Ze geven alleen bonnen aan zwarten.’ Iets harder: ‘Ze geven alleen maar bekeuringen aan zwarten.’
Ik keek naar de blonde verkoopster om te zien of ze het had gehoord. Maar ze staarde zo ongelukkig in een andere richting, knagend op haar rozegestifte onderlip, dat ze waarschijnlijk met een prangendere kwestie bezig was dan het integratievraagstuk.
De agenten keken evenmin op, al leek het me onwaarschijnlijk dat de mededeling aan hen was voorbijgegaan.

Ik bestelde een heel volkoren.
Het werd groen.
De mannen op de vluchtheuvel staken over.
De bekeurde man had inmiddels afgerekend en frommelde met moeite zijn portemonnee in een iets te kleine broekzak. Dat ongemak onderging hij even gelaten als de bekeuring. Uiteindelijk maakt het niet uit waardoor je verstoord wordt.

De man die had staan roepen vanaf de vluchtheuvel liep zonder nadere mededelingen langs de agenten en langs het bakkersraam.
Op de rug van zijn blauwe windjack stond in gele letters: “Maximum penalty.”




Missen (1)

Ik mis zoveel dingen de laatste tijd.
Mis als in: de lichte misselijkheid die veroorzaakt wordt door de afwezigheid van iets of iemand.

Ik heb er zesendertig jaar op gewacht, maar uiteindelijk blijk ik toch in staat te zijn iets of iemand te missen.

Het blijkt oppervlakkiger dan ik dacht, het missen.
Vluchtiger.
Ik mis Vera meerdere keren per dag.
Vera is mijn dochter van achttien maanden.
De laatste minuten in de trein, vlak voor ik naar het kinderdagverblijf fiets, word ik soms fysiek onwel van de spanning haar weer te zien.
Dan kom ik de speelruimte binnen en zie ik haar zitten.
Meteen is het gevoel weg.
Er komt iets anders, iets verwarrends voor in de plaats.
Ik zie die verwarring ook bij haar.
Ze ziet me binnenkomen en in een flits draait ze haar gezicht weg en begint te wijzen naar willekeurige zaken, begeleid door enigszins nerveus gebabbel waarvan ik niet weet of het voor mij bedoeld is, voor de begeleidsters of voor haarzelf. Voor niemand, wellicht.
Het is ook niet niks, de medemens.
Ik vlucht meestal in een soort logistieke monoloog tegen haar, de begeleidsters, mezelf – tegen niemand eigenlijk – over het pakken van schoenen, aantrekken van jassen, naar buiten gaan, naar huis lopen. Net zo lang tot ik gekalmeerd ben.

Hoe langer ik een kind heb, hoe onbegrijpelijker het fenomeen kind wordt.
Het fenomeen nieuw leven, eigenlijk.
De autonomie er van.
De omvang er van.
Het is een absurd, haast hooghartig idee.
En op een dag loopt het naast je.

Terwijl ik naast haar loop begin ik alweer het gevoel te missen van mijn lippen op haar wang.
Haar op dat moment kussen loopt nogal onhandig.
Bovendien scheer ik me niet vaak genoeg, vindt ze.