Onbestuurbaar

1.
Alles in orde hier, hoor.
Ik mag van mezelf het woord ‘druk’ niet gebruiken – niet zonder aanhalingstekens, in ieder geval.
Ondertussen blijft het hier stil.
U bent een vriend geworden die ik nodig moet terugbellen.

2.
Het boek. Is het al af en wat dies meer zij.
Tja.
Ik nader de voltooiing van de eerste complete versie.
Daarna volgt een omvangrijke herschrijfexercitie die ik nog niet kan overzien. Als ik sommige hoofdstukken teruglees, komt het begrip uitzichtloos lijden bij me op. In andere passages verras ik mezelf.
Het blijkt een heel ander boek te worden dan ik had verwacht.
Serieuzer, vooral.
Dat zit me niet lekker.
Ik mis de toon van het weblog, de veilige haven van ironie.

3.
Het land wordt onbestuurbaar. Hoor je tijdens zo’n kabinetscrisis.
Overdreven natuurlijk.
Toen ik het ministerie belde, werd de telefoon nog gewoon opgenomen – of de blackberry, moet ik zeggen. Het hele ministerie heeft inmiddels een blackberry.
Ik vroeg of mijn offerte voor een onderzoeksproject was goedgekeurd.
Ja, die was goedgekeurd. Het contract zou die dag nog de deur uit gaan.
Mooi.
Een week later zou een Amerikaanse collega komen en ik moest de man wel kunnen betalen.

Een paar dagen daarna belde de ambtenaar me terug.
Een kleine kink in de kabel.
Bleek dat de minister het contract moest tekenen.
Nou ja, en die was dus druk met andere zaken. Zoals je begrijpt.
Ik begreep.
Dus de minister moet tegenwoordig ook voor zo’n klein contract tekenen?
Ja, die regels waren recent aangepast, vertelde de ambtenaar.
Aha.
Moet ik dan ook de minister bellen om een parkeerplaats te reserveren voor de volgende vergadering? Even theoretisch dan, want ik kom met de vouwfiets.
Ha ha ha, lachte hij.
Ja, lach er maar om, zei hij vervolgens.
Het land wordt onbestuurbaar, zei ik.
Nadat we opgehangen hadden keek ik even op internet wie ook alweer de minister was op dat ministerie.

Vandaag puzzelde ik aan een noodscenario voor mijn Amerikaanse collega.
Toen kwam een email binnen van de financiële afdeling van het ministerie.
De minister had zojuist mijn contractje getekend.
Prachtig.
Ik pakte de telefoon en belde naar de blackberry van mijn ambtelijk contactpersoon om de zaak in gang te zetten.
Ik werd doorgeschakeld naar de secretaresse.
Ja, nee, die meneer was er niet.
Nee, volgende week ook niet. Januari pas weer.
Hij had nog verlofdagen over en die moesten op voor het einde van het jaar.
Lijkt me ook.

De kabinetscrisis is inmiddels voorbij. Gelukkig kunnen de gevestigde instituties het prima alleen af, qua onbestuurbaarheid.

4.
Iemand mailde me het bericht op Bicat dat Kiers dood zou zijn.
Kiers, mijn liefste reageur.
Heel even maakte ik me echt zorgen.
Dat was een fijn moment.
Ik ben niet goed in me zorgen maken, behalve als het om mensen gaat van wie ik hou.
Hij is niet echt dood, natuurlijk.
Toch is het droevig dat de Kiers as-we-know-him niet langer onder ons is.
Dag lieve jongen.

5.
Beloofd is beloofd, er verschijnt nog een vervolg op Fractal.
Tot dat moment heb ik het woord ‘binnenkort’ op de zwarte lijst geplaatst, net boven ‘druk.’




Morele superioriteit

Toen ik de ingang van het Centraal Station naderde moest ik fors remmen om een mevrouw in een jasje van GroenLinks niet omver te rijden. Ze hief eerst haar handen op, alsof ze zich overgaf, en bood me daarna een folder aan. Ik bedankte daarvoor.

In de hal stond een heel peloton aan mensen in gelijkgekleurde jassen. Koffiemelkkleurig. Niet echt een geschikte kleur voor een politieke partij, maar in ons weelderige electorale aanbod worden de kleuren schaars. Op een gegeven moment is zelfs toiletverfrisserblauw al vergeven. Toen ik de eerste koffiemelkkleurige jas naderde stak deze zijn hand uit in mijn richting. Ik bedankte weer. Toen pas zag ik dat de jongen me geen politieke overtuiging wilde aanreiken, maar iets dat volgens de verpakking een Cracotte heette. Een soort koekje.

Ik nam de roltrap naar de galerij boven de stationshal. Er stond een lange rij voor het stembureautje. Het bureautje bestond uit een eenzame stemcomputer en een tafel met daarachter drie adolescenten en een kale man van middelbare leeftijd. Het oogde breekbaar en aandoenlijk, democratie.

In het midden van de hal stond een jongen naast een grote berg dozen vol Cracottes. Met een grote lach en brede gebaren deelde hij ze uit aan de passerende forensen, als een Prins Carnaval die snoep strooit.

De rij stokte omdat de kale man begonnen was aan een langdurige instructie van de drie adolescenten. Blijkbaar deden ze iets niet goed. De mensen in de rij keken op hun horloge. Ik ook.

Voor me namen twee jongens, beide midden twintig, de campagne nog eens door. Op een gegeven moment draaide een van hen zich om.
    ‘Wat gaat u stemmen, meneer?’ vroeg hij.
    Beleefd en brutaal tegelijk – ik schoot in de lach en vroeg of hij een exit-poll deed.
    ‘Nee, u bent de eerste aan wie ik het vraag.’
    ‘Aha. Wat stem jij?’ vroeg ik, om uitstel te winnen. Ik had na eindeloos getwijfel dan toch maar besloten om PvdA te stemmen. Dat was geen keuze die ik met trots wilde verkondigen.
    ‘VVD,’ zei de jongen op verslagen toon . ‘En u?’
    ‘PvdA.’ 
    ‘Ach nee,’ zei de jongen hoofdschuddend.
    Ik haalde verontschuldigend mijn schouders op.
    ‘Waarom nou toch?’ vroeg hij.
    Het eerste argument dat me te binnen schoot was dat ik voor afschaffing van de hypotheekrenteaftrek ben. Ik gooide er ook iets achteraan over subsidie aan de rijken. 
    ‘O ja,’ schamperde hij. ‘Huurhuis of koophuis?’ 
    ‘Koophuis,’ zei ik. Iets te triomfantelijk. 
    ‘Hou toch òp,’ zei de jongen ongelovig. Hij draaide zich weer om.
    ‘En ik heb net een nòg duurder huis gekocht,’ zei ik tegen zijn rug. 
    Daarna voelde ik me een beetje vies. Morele superioriteit is zoiets als masturberen in het bijzijn van anderen. Het is niet iedereen gegeven.

Een paar dagen eerder vertelde ik aan een vriend dat ons nieuwe huis in een mooi en truttig buurtje lag. De buurtvereniging was zeer actief, vooral met het tegenhouden van een daklozenopvangcentrum. Schandalig natuurlijk, zei ik.
    ‘Ja,’ zei mijn vriend. ‘Maar voor jullie is het een ideale combinatie: je kunt je moreel superieur voelen aan de buurtgenoten en tegelijkertijd worden mooi de junks uit je straat geweerd.’
    Toen mijn vrouw en ik door de buurt wandelden zagen we posters tegen het opvangcentrum en voor linkse partijen. Daarna voelde ik me een beetje vies.

De rij naar het stembureautje schuifelde langzaam verder. Beneden op de stationshal werden in een moordend tempo Craccottes uitgedeeld. De opkomst van forensen was hoog. 

Een paar meter achter de tafel van het stembureautje, met goed zicht op de schuifelende rij, had een NS’er in een reflecterende hesje zich opgesteld. Hij pelde de verpakking open van een Cracotte, nam een hap en aanschouwde traag kauwend het geheel. Als je wat te knabbelen hebt is democratie best uit te houden.

(Terzijde: Het vervolg op Fractal volgt binnenkort.)




Fractal

Vakgroepoverleg. Ik schuifel achter mijn collega’s naar binnen. Meteen na de deur staat een vreemde man. Grote buik, bretels en oorbel. Hij kijkt opgewekt en geeft iedereen die binnenkomt een hand.
Als ik aan de beurt ben, voel ik hoe mijn hand verdwijnt in een soort barbapappa-achtige vleesmassa aan het uiteinde van zijn arm.
Ik kijk hem aan en wacht tot hij zich voorstelt.
Op zulke momenten besef ik dat ik niet weet wat de etiquette voorschrijft over wie zich aan wie moet voorstellen. Ik neem me steeds voor het betreffende voorschrift toch eens na te vragen. Tijdens deze overwegingen blijkt de man zijn naam genoemd te hebben, die ik dus niet heb geregistreerd. In de ergernis die daarop volgt vergeet ik meteen dat ik van plan was om nu eindelijk eens het voorschrift na te vragen. En vervolgens vergeet ik waar ik me eigenlijk aan ergerde. Als ik aan de vergadertafel ga zitten, is er van het voorval niet meer over dan een echo van ongemakkelijkheid.
Dit patroon werkt al jaren prima voor me. Je hoeft geen incestslachtoffer te zijn om de vruchten te plukken van selectief geheugenverlies.
De man overhandigt mij een brochure over RSI, een blaadje met Dos en Don’ts en een folder met de titel Vergeet je lijf niet.
Ik vergeet mijn lijf regelmatig. Het zijn mijn gelukkigste momenten. Een bestaan zonder zwaartekracht.

De professor opent de vergadering.
‘Ik geef meteen het woord aan onze bezoeker, euh,’ hij buigt voorover en bestudeert een moment zijn aantekeningen. ‘Han van Brummelen.’
‘Nou, ik ben dus Han van Brummelen,’ zegt de man. Hij kijkt even lachend rond. Niemand reageert.
‘Ik heb jullie zojuist enkele papieren gegeven over ons Arbo-beleid. En ik zal het maar meteen zeggen, het spijt me heel erg, maar ik doe niks.’
Weer kijkt hij lachend rond, alsof hij iets ondeugends heeft gezegd.
Mensen bladeren gelaten door de brochures, ondertussen kauwend op broodjes kaas en corned beef. Deze keer geen cervelaat.
‘Ja, ik zeg het maar zoals het is. Wat ik bedoel is: Jullie werken hier. Jullie moeten het dus doen. Ik kan jullie alleen maar helpen met advies.’

Ik kijk naar Han van Brummelen en herinner me de opening van de cursus met de Mannen van Miljard. Mijn baas, een Britse hoogleraar en ik hadden ons voorgesteld. Daarna hield de Britse hoogleraar een omstandig verhaal over de opzet van de cursus. ‘Ik zal heel eerlijk zijn,’ zei hij. ‘Wij gaan jullie niet vertellen hoe het moet. Jullie moeten het doen. Wij kunnen jullie alleen faciliteren.’ Ook hij zei het lachend, alsof het ondeugend was. Ook toen reageerde niemand.
Ik ben in een soort fractal beland. De schaal is met negen nullen vergroot, maar het patroon is precies hetzelfde.

Wordt vervolgd.




Proberen het water te vergeten

Een jonge collega die ik heb jarenlang heb begeleid stapte mijn kamer binnen.
‘Ik heb, euh, nieuws,’ zei hij.
Ik trok mijn wenkbrauwen op.
Hij had een nieuwe baan. Bij een adviesbureau.
Ik slikte een golf van teleurstelling weg. Hij was een ideale collega. Competent en opgewekt. Om een of andere reden is het voor wetenschappers moeilijk om beide te zijn. Of een van beide.
Ik zei dat ik blij voor hem was, maar dat ik het ook heel jammer vond.
Hij ook, zei hij.
Die zin hing even tussen ons in.
Ik herinnerde me hoe het mijn vrouw had dwars gezeten dat niemand bij haar vorige werkgever had gezegd het jammer te vinden dat ze wegging, toen ze aankondigde dat ze een nieuwe baan had.
Ik herhaalde nog eens dat ik het jammer vond. Kut zelfs. Het kon ook klote zijn geweest.
Even later lukte het me om zonder overmatige acteerinspanning te delen in zijn enthousiasme over zijn nieuwe baan.

Toen ik weer alleen was in mijn kamer dacht ik aan hem en aan een andere collega die ook vertrekt en ik werd overvallen door verontwaardiging. Wat dachten ze wel. Waren we soms niet goed genoeg. Alsof het allemaal zo geweldig was bij dat adviesbureau. En wat me nog het meest boos maakte, was de gedachte dat ze gelijk hadden door weg te gaan.
Het was een onthutsend intiem moment tussen mij en mijn woede.
Ik knaagde langdurig op de dop van een viltstift, wachtend op de terugkeer van iets dat beroepsmatigheid genoemd kon worden.

Ik liep naar mijn baas, die het nieuws ook net had gehoord.
‘Kut hè,’ zei ik. Het kon ook klote zijn geweest.
Mijn baas knikte, met een klein lachje. Hij zei dat hij een rouwproces doormaakte.

Terug op mijn kamer herinnerde ik me een passage uit Walters De Hondenkoning. Een van de personages citeert een scène uit de film Jaws. De sheriff van het eiland waar het verhaal zich afspeelt haat water. Iemand vraagt hem waarom hij in vredesnaam op een eiland woont als hij zo’n hekel heeft aan water. De sheriff antwoordt: “It’s only an island if you look at it from the water.”
Mijn vertrekkende collega’s dwongen me vanaf het water te kijken.

De dag erna, toen de routine alweer elke emotionaliteit had afgevlakt, ik bedoel ik knaag elke dag langdurig op de doppen van viltstiften, kreeg ik het nieuws dat mijn aanvraag voor een groot Europees project was goedgekeurd.
Ik zag dat mijn baas er was en ging zijn kamer binnen.
Ik zei dat ik goed nieuws had.
Hij gooide wanhopig zijn armen de lucht in en zei: ‘Je gaat ook weg.’
Ik keek hem even ontsteld aan en zei toen: ‘Dat is toch geen goed nieuws?’
‘Ow,’ verzuchtte hij. ‘Zei je goed nieuws?’
Nee, vooruit, dat project was best goed nieuws.
Hij was nog in de rouw.
En ik probeerde het water te vergeten.




In media res

‘Ga je nog iets schrijven?’ vroeg mijn vrouw.
Ik zei dat ik het wel van plan was.
‘Waarover?’
Wist ik nog niet.
‘Waarom schrijf je niet een stukje over dat ik zo lief ben,’ stelde mijn vrouw voor.
Ik aaide over haar donkere krullen en zei dat mensen dat toch niet interessant zouden vinden. Ik zei er snel achteraan dat ik er wel heel blij mee was. Hoor.
Ze haalde haar schouders op en draaide zich terug naar haar laptopscherm. ‘Wat maakt het nou uit wat andere mensen er van vinden,’ zei ze, terwijl ze door haar email klikte.
Daar had ik geen antwoord op.
Er lag me iets over ijdelheid op de lippen, maar mijn stomheid duurde iets te lang om nog op ironie te kunnen terugvallen.

Dus.
Mijn vrouw is heel lief.
Dan weet u dat.

Punt. Het voelt onwennig, maar ik ga hier ophouden. Korter moet het. Morgen weer verder. Ja, u leest het goed: morgen. En later deze week nog het vervolg over mijn avonturen met de Mannen van Miljard. Recent heb ik enkele dagen met hen in een peperduur hotel gezeten, rond een elektrisch kacheltje.




Een kleine mol

Na een paar dagen trok de moedeloosheid weg.
Moedeloosheid blijkt heel vermoeiend te zijn.
Misschien is het een kwestie van oefening.

Op donderdag beëindigde ik het hoorcollege voortijdig, omdat ik naar een lezing van Grunberg wilde. Ik overwoog dat te vertellen aan de honderdveertig eerstejaarsstudenten, maar kwetsbaarheid is niet mijn sterkste punt. Om dezelfde reden trek ik voor elk hoorcollege een pak aan.

Vanaf het station fietste ik naar de boekhandel in het Haagse stadhuis. Ik kocht Tirza, het nieuwe boek van Grunberg, en stapte in de lift naar de tiende verdieping.

Aan een statafel, tegenover twee vrouwen, las ik de eerste pagina’s. De ene vrouw zei tegen de andere dat bij dit soort gelegenheden vooral vrouwen van boven de veertig kwamen. Het klonk afkeurend, maar het kon ook ironie zijn geweest. Bij sommige mensen valt dat samen. Ik keek naar de vrouw. Overmatig gebruik van de zonnebank had haar leeftijd ontraceerbaar gemaakt. Het kon een oudere vrouw zijn die probeerde jonger te lijken – of een jonge vrouw die er uit zag als een oude vrouw die probeerde jonger te lijken. Als uiterlijke verzorging bedoeld is om de werkelijke leeftijd te maskeren, dan was de vrouw daarin geslaagd.

Ik las de eerste bladzijden van Tirza. Ze waren een beetje teleurstellend. Te gewoon. Ik had jarenlang gewacht op een boek van Grunberg met een normale hoofdpersoon, maar ik blijk toch minder geïnteresseerd te zijn in normale personen dan ik dacht.

Na dertien pagina’s bleef ik hangen bij deze zin: “Ergens moesten ambities in uitmonden.” Op zich geen bijzondere zin, maar ik was nog herstellend van mijn moedeloosheid – en die draaide om ambities, realiseerde ik me.

Jarenlang weigerde ik het woord ambitie op mezelf toe te passen. Ik liet het me aanleunen als andere mensen mij ambitieus noemden. Me laten aanleunen is een van mijn gaven. Valse bescheidenheid is een andere. Ik zoek nog een beroep waarin die gaven tot volle bloei kunnen komen.

Een kort overzicht:
Ik wil een vrouw.
Ik wil een kind.
Ik wil een omhoogvallende baan – waarbij ‘willen’ in dit geval betekent: ik verzet me er niet tegen.
En nu ook nog een boek.

Blijkbaar heb ik ambities. En die moeten ergens in uitmonden, stond op pagina 13 van Tirza.

Grunberg las het eerste hoofdstuk voor.
Het bouwde langzaam op. Na een half uur was ik verkocht.
Ik had terecht gewacht op een normale hoofdpersoon.

Na afloop sloot ik aan in de rij om mijn boek te laten signeren.
Toen ik aan de beurt was, stak ik mijn hand uit.
Arnon moest zijn pen overnemen met zijn linkerhand om me de hand te kunnen schudden.
‘Hallo,’ zei ik.
‘Hallo,’ zei Arnon.
Hij had zeer zelfverzekerd voorgelezen en de stupide vragen uit het publiek beantwoord, maar nu deed hij me ineens denken aan een kleine mol wiens ogen maar niet willen wennen aan het daglicht.
Ik vroeg: ‘Zou u willen schrijven: Ergens moeten ambities in uitmonden.’
‘Heel goed,’ zei Arnon – en hij kraste in twee seconden de tekst op de titelpagina.

Toen ik buiten kwam, duurde het even voor ik weer aan het daglicht gewend was.




Pauze

Het zit er even niet in.
Dat had u zelf ook al geconstateerd, maar het leek me gepast dat officieel vast te stellen.

Ik voel me schuldig als ik geen stukje schrijf.
Ik voel me schuldig als ik wel een stukje schrijf, in plaats van aan mijn boek te werken.

Dat gaat wel weer weg.
Na een korte pauze.




Een schitterende persoonlijkheidsstoornis (slot)

Eerder: 1.

‘Tot slot,’ zei de voormalig staatssecretaris.
‘Ja,’ zei ik.
‘Stel je voor.’ Hij glimlachte alvast.
‘Ja?’ Ik glimlachte mee.
‘Over dertig jaar loop je met je dochter over straat. Ze is dan zelf dertiger, misschien ben je wel al grootvader.’
Ik knikte en keek nadenkend door het raam. Buiten regende het pijpenstelen. Mijn voorstelling van 2036 werd gedomineerd door de behoefte voor de regen te schuilen.
‘En dan laat je haar zien wat jij dertig jaar geleden hebt gerealiseerd met jouw programma.’
‘Juist.’
‘Wat zou je haar dan willen laten zien?’
‘Hm.’
In mijn voorstelling regende het inmiddels niet meer. Ik zag een laan met bomen – mooie volle bomen, glinsterend van de regen. Ik holde een stukje vooruit, maar er kwam geen einde aan de laan. Als ik hiervan iets aan mijn dochter moest laten zien, diende ik mijn carrière voort te zetten bij de gemeentelijke plantsoenendienst.
‘Ik heb te weinig fantasie voor deze vraag,’ bekende ik.
Voor een voormalig staatssecretaris leek me dat een adequaat signaal dat zijn schaarse tijd wellicht elders nuttiger besteed kon worden.

Maar de man grijnsde en leunde achterover. Zijn rechterhand draaide een paar rondjes in de lucht, alsof hij vooruitspoelde door mijn pogingen de vraag te ontwijken. ‘Probeer het gewoon eens.’
Ik ging terug naar de laan met de bomen. Uiteindelijk arriveerde ik bij een anoniem kantoorgebouw – glas, beton, rechthoekig, the whole nine yards. Ik moest voor mijn dochter aanwijzen wat ik had gedaan en het enige dat me te binnen schoot was een anoniem kantoorgebouw.
‘Een gebouw,’ zei ik. ‘Zoals waarin we nu zitten.’
De man keek me indringend aan.
‘Ik heb echt te weinig fantasie voor deze vraag,’ zei ik nog maar eens.
‘Is er niet iets dat je met dit programma hoopt te verwezenlijken?’ hield de man aan.

Enige irritatie bekroop me.
‘Laten we eerlijk zijn,’ zei ik. ‘Alles wat we in dit programma doen is vluchtig. Ik zou op dit moment al niet iets kunnen aanwijzen waarvan ik het intellectuele eigendom zou durven claimen, laat staan over dertig jaar.’
De man tikte enkele letters op zijn laptop.
‘Jij functioneert op een heel ander bestuurlijk niveau dan ik, daar werkt het wellicht anders.’
Hij zweeg.
Dus ging ik verder.
‘Bovendien vereist het een bepaald type persoonlijkheidsstoornis om iets van enig maatschappelijk belang aan te wijzen en dat terug te voeren op je eigen prestaties van drie decennia geleden.’
De man schoot in de lach. Ik amuseerde hem.
Vervolgens zei hij op droge toon: ‘Ik zou wel iets weten. ‘
‘Wat dan?’
Hij vouwde zijn handen ineen achter zijn hoofd. Het interview was voorbij en hij ging nu een verhaal vertellen.
Het verhaal ging over een groot project dat hij had geleid. En verdomd, het project had geresulteerd in een innovatie waarmee ik en honderdduizenden anderen hadden rondgelopen in hun portemonnee.

Het was een mooi verhaal, met schurken en slimme streken en absurde gebeurtenissen. En met hemzelf als held.
Daarna namen we afscheid.

Ik nam weer plaats achter mijn bureau en keek een poosje uit het raam, verlangend naar het juiste type persoonlijkheidsstoornis.




Een schitterende persoonlijkheidsstoornis

De voormalig staatssecretaris zei dat hij 26 vragen voor me had.
Ik knikte.
Ik was er klaar voor om geïnterviewd te worden.
Het was weliswaar een standaardinterview dat hij ook met zeven anderen afwerkte, maar ik was toch een beetje giechelig.
Ik heb geen routine als geïnterviewde.

De man boog voorover en bracht zijn gezicht recht boven het toetsenbord van de laptop.
Met zijn rechterwijsvinger drukte hij een paar keer op de cursortoetsen. Vervolgens keek hij op naar het scherm om te zien of de cursor inmiddels op de juiste plek was aangekomen. Die twee handelingen herhaalde hij een paar keer.
Hij had geen routine als interviewer.

Ik zweette onstuimig van een haastige fietstocht.
Toen ik twee minuten voor de afspraak bij mijn kamer was gearriveerd, stond hij bij onze secretaresse om te vragen of ze mij al gesignaleerd hadden.
Daar zul je ‘m hebben, wees de secretaresse.
Ik ben niet te laat, stelde ik. Toch? vroeg ik.
Toen gaf ik de voormalig staatssecretaris een hand.

Ik liet hem mijn kamer binnen, zette mijn tas neer en deed mijn jas uit. Terwijl ik met mijn overhemd wapperde om de ergste transpiratielucht te verdrijven, bood de man aan even koffie voor me te halen.
Dat ging me te ver. Ik pakte een mok en rende naar de automaat. De man had beleefd bedankt en wachtte rustig op mijn terugkeer.

Toen we eenmaal met het interview bezig waren, was mijn belangrijkste zorg geen saaie geïnterviewde te zijn. Als interviewer hield ik me nooit zo bezig met hoe saai de geïnterviewde al dan niet was. Dan was mijn voornaamste zorg geen saaie interviewer te zijn.

Na drie kwartier waren we bij vraag 26 aanbeland.
Ik was redelijk onderhoudend geweest, had ik de indruk.
Wat daarvan bewaard bleef was me niet duidelijk, want slechts af en toe hadden mijn antwoorden aanleiding gegeven voor de man om met twee wijsvingers enkele toetsen aan te slaan. Meer dan tien woorden kon hij niet genoteerd hebben.

Dat betekende niet zo veel.
Ik noteerde me altijd ongans tijdens interviews – of ik nam iemand mee die zich ongans noteerde achter een laptop – maar de rapporten die ik uiteindelijk schreef maakten zelden of nooit gebruik van die notities.

Inmiddels hing ik ontspannen achterover in mijn bureaustoel.
‘De laatste vraag,’ zei de man.
‘Prima,’ zei ik. Ik wilde hem niet de indruk geven dat het interview belangrijker was voor mij dan voor hem.

(Morgen verder. Heusch.)




Het lettertype van God

Inmiddels is het te laat.
Er was iets met de overlijdensadvertentie onder mijn ontbijtbordje.
Ik begon aan een stukje.
Na een paar alinea’s vond ik het genoeg voor die dag.
Ik tikte ‘Morgen verder.’
Dat was vorige week dinsdag.
Inmiddels weet ik niet meer wat ik daarover wilde zeggen.
Weblogstukjes zijn zelden memorabel.
Niet geschreven weblogstukjes zijn nooit memorabel.

Het enige dat ik me herinner is de aanleiding.
Ik lees nooit de overlijdensadvertenties, maar deze was me opgevallen.
Hij oogde vrolijk.
Als de aankondiging van een verjaarspartijtje.

Ik keek preciezer en zag dat de advertentie was opgesteld in Comic Sans.

Ik scande snel de rest van de pagina, maar alle andere advertenties waren opgemaakt in het gebruikelijke schreefloze lettertype. Arial of iets dergelijks. Als het persoonlijk werd, werd er wel eens uitgepakt met cursief. Maar verder was het sober en uniform. De enige variatie bestond uit de dikte van de zwarte lijn die de advertentie omlijste.

Zo niet deze advertentie. De familie had bedongen – of op zijn minst verzocht – of de advertentie in Comic Sans kon. Wellicht niet in die termen. Misschien hadden ze gevraagd om een ‘persoonlijk tintje’ of om een ‘warmer lettertype.’ Warmer was zeker. Het broeide zowat in dat zwarte kadertje.

Ik had het gesprek graag gehoord. De medewerker van de advertentieverkoop had het familielid even in de wacht gezet, terwijl ze de meerprijs navroeg voor een warmer lettertype. Het familielid wist al dat hij ging instemmen. Rondom de dood ga je niet op koopjesjacht.
Ik was het vrolijk krullende lettertype al eerder tegengekomen rond de dood, bij een begrafenis van de vader van een vriendin.
“Comic Sans is het font van GOD” – reageerde Klaus toen.
Hij heeft gelijk.

Al heeft God strikt genomen niet het intellectueel eigendom van Comic Sans.
Dat ligt bij Microsoft, blijkt.
Een medewerker van Microsoft ontwierp het lettertype als imitatie van de handgeschreven woorden in de tekstballonnen van stripverhalen.
Ik denk niet dat mensen de dood met een stripverhaal verwarren.
Maar misschien willen we graag dat de dood handgeschreven herdacht wordt.
Als we iets graag willen, maar het zelf niet kunnen opbrengen, dan is er technologie.
Beter kunnen we het niet maken, wel makkelijker.

Het is de gedachte die telt – dat is de boodschap van Comic Sans.




Familiebericht

Mijn ontbijtbordje stond op de opengeslagen krant. Op de pagina met overlijdensadvertenties, om precies te zijn. ‘Familieberichten’ heet die pagina in de NRC. Dat doet niet helemaal recht aan de inhoud – alsof je de bijbel aanduidt als ‘een verzameling teksten.’ Een overlijdensadvertentie is geen bericht, van familiaire noch andere aard, maar een kleinschalige vorm van performance art over de dood, omkaderd door een dun zwart lijntje.

Rouwen vind ik persoonlijk een van de mooiste kunstvormen, maar die mening wordt niet gedeeld door de subsidieverstrekkers.

Als het werkelijk ‘familieberichten’ waren, zouden de meeste inzendingen over ziekte handelen. “Ze hebben geprobeerd alles weg te snijden, maar je weet het niet, hè?” Ziekte heeft cliffhangers, de dood niet. De enige spanning in overlijdensadvertentie draait om timing: De gestorvene overleed onverwacht, dan wel na lang lijden. (Die twee omschrijvingen kunnen prima tegelijk van toepassing zijn, maar je treft ze zelden in dezelfde advertentie aan. Als je onverwacht dood gaat, is de vermelding van de lijdensweg niet meer relevant – zoals in een goedkope thriller het ook alleen om de ontknoping gaat. Bovendien worden overlijdensadvertenties per woord afgerekend.)

Op mijn ontbijtbordje lag een boterham met plantaardige leverworst. Niet voor mezelf, maar voor Vera. Af en toe eet mijn vrouw ook van die sojaworst. Als je zelf deelt in de ellende die je veroorzaakt, heet het geen onrecht meer, maar solidariteit.

Ik had nog niet gezien welke advertentie bedekt werd door het ontbijtbordje. Toen trok ik het bordje dichterbij om de boterham in hapklare brokjes te snijden.

(Morgen verder.)




Wormgat

Een paar avonden geleden zei ik het voor het eerst hardop: Ik ben verliefd op Arnon Grunberg.
Acceptatie is de eerste stap op weg naar genezing.

Ooit was ik gewoon fan. Maar het ging mis toen Arnon menselijk werd. Zijn gestuntel in RAM. Zijn weblogstukjes die verdacht veel lijken op weblogstukjes. Zijn toeschietelijke meelachen als een interviewer een grapje maakt dat niet echt grappig is.

Een paar weken geleden kreeg ik de genadeklap. Ik keek gebiologeerd naar een televisie-interview met Arnon, toen ik enige misselijkheid voelde opkomen. Een zwijgzaam deel van mijn bewustzijn dat niet door Arnon bevangen was probeerde zich te herinneren wat ik ook alweer gegeten had. Tot ik merkte dat de misselijkheid meegolfde met Arnons antwoorden. Het was geen misselijkheid, het waren vlinders.

Dat was niet bevorderlijk voor mijn zelfbeeld, maar de werkelijke klap moest nog komen. Ergens halverwege de uitzending vroeg de interviewer of Arnon zichzelf een dagelijks quotum oplegde als hij aan een roman werkte. Dat was inderdaad zo. Hij moest elke ochtend 1200 woorden schrijven, daarna mocht hij andere dingen doen.

Een lichte duizeligheid overviel me. Terwijl het interview verder ging, opende ik mijn manuscript en selecteerde 1200 woorden. Het bleek iets meer dan twee pagina’s. Als ik tijd had om te schrijven, haalde ik ook wel eens 1200 woorden op een ochtend. Of op een dag.

Het zijn natuurlijk 1200 woorden die tot een ander universum behoren, maar toch. Ik had een wormgat gevonden. Te klein om door te kruipen, maar theoretisch was er nu een verbinding tussen mij en Arnon. Dat idee veroorzaakte de nodige consternatie. Fantaseren is niet goed voor me. Het getal 1200 zong nog dagen rond in mijn hoofd.

Het duurde niet lang.
Sinds die uitzending schreef ik zelf geen woord meer aan het manuscript, laat staan 1200 per ochtend.
Langzaam sloot het wormgat zich.
Arnon is weer ver weg.
En misselijkheid is weer gewoon vanwege het eten.




Maand twaalf

Vera, je bent vandaag een jaar geworden.
‘Gaat snel, hè?’ zeggen mensen.
‘Het gaat snel,’ zeg ik dan.
En voel me een tikje ongemakkelijk.
Een sluimerende vorm van paniek.
Alles wat snel gaat wijst vooruit naar de dood.
Dat komt omdat je vader zesendertig is. Dood hoort bij die leeftijd, zoals borsten bij de puberteit – ongrijpbare fenomenen die langzaam binnen handbereik lijken te komen.

Het regent. Een paar honderd meter hier vandaan, in het kinderdagverblijf, word je in een kring gezet en zingen twee meisjes een liedje voor je. Een kinderdagverblijf is een plek met een gecertificeerde procedure voor verjaardagen.

Straks, als ik klaar ben met de mensen van het ministerie, kom ik je halen, samen met opa en oma. Dan pakt een van de meisjes een schema erbij, glijdt met haar vinger langs de rijen tot ze bij jouw naam komt en vertelt vervolgens hoe jouw dag was geweest, hoeveel minuten je hebt geslapen en hoe het voedselinnameregime is afgewikkeld. Dat heet de overdrachtsprocedure.
Soms vergeet ik te vragen naar het schema. Soms vergeet ik zelfs te wachten. Dan loop ik met je naar de deur en roept een van de meisjes me na.
‘O ja,’ zeg ik dan. En loop terug naar het meisje.
Daar luister ik zo belangstellend mogelijk naar de opsomming van de cijfers. Het doet me denken aan de radio-uitzendingen waarin op sobere toon de waterstanden werden voorgelezen. Mystieke informatie, waarvan het voorlezen belangrijker leek dan de betekenis ervan.

Het meisje – het is steeds een ander, maar dankzij de gecertificeerde procedures zijn ze allemaal deel van hetzelfde wezen – eindigt steevast met de opmerking dat je zo lief bent geweest.
Dan knik ik. Je bent ook altijd lief.
Dat is natuurlijk niet waar, maar ik vergeet de uitzonderingen. Letterlijk. Ik kan die momenten niet terughalen – omdat ik je alles onmiddellijk vergeef, vermoed ik.
Vergevingsgezindheid blijkt een krachtige vorm van geheugenverlies.
Als we allemaal vergevingsgezinde Christenen zouden zijn, zouden we geen geschiedenis hebben. Ik weet niet of dat erg is, maar iets zegt me dat het goed is dat er moslims zijn.

Soms vervangt het kinderopvangwezen het woord ‘lief’ door het woord ‘makkelijk.’ Dat je zo makkelijk bent.
Dat past in het discours waarin kinderen obstakels zijn in een logistiek proces – al dan niet gecertificeerd.
Ik heb ook vrienden die in dat discours opereren. Hun belangstellende vragen naar hoe het met jou en mij gaat, staan in de toonaard van medelijden. De grondtoon is het gevoel dat alles zwaar is. Het is mooi, een kind, maar wel zwaar – dat is het gevoel dat men wil delen.
Maar ik vind het niet zwaar.
Dat zeg ik dan ook.
Daarop volgt altijd deze reactie: ‘O, dat komt nog wel.’ Eventueel afgerond met een omineus lachje.
Alsof ze steun vinden in de gedachte van een soort afgedwongen solidariteit.
Sommige mensen hopen op een links kabinet, met het oog op de solidariteit.
De vaders die ik ken putten meer hoop uit de gedachte aan gemeenschappelijk lijden.

Hoe dan ook, proficiat, mijn liefste obstakeltje.
Nog vele jaren.




Van onder de riolen

 ‘Mensen van boven de riolen,’ zei Jan Marijnissen op de radio. ‘Euh, rivieren.’

Ik genoot even van zijn verspreking die onbedoeld mensen van boven de riolen beledigde. Of misschien niet onbedoeld.

Maar twee seconden later begreep ik niet meer waarom ik dacht dat het een belediging was – nog afgezien van de vraag waarom het dan alleen de mensen erboven zou betreffen, en niet die eronder.
Ik dwaalde even af bij de gedachte dat het eigenlijk feitelijk correct was: Die rivieren functioneren als riolen.

En toen begreep ik waarom ik had genoten: Ik wil graag dat mensen van boven de riolen worden beledigd.
Ik ben zeventien jaar geleden naar het westen verhuisd, maar emotioneel heb ik Limburg nooit verlaten.
Ik kan me nog herinneren hoe gekleineerd ik me voelde toen ik als puber op de bank voor de televisie zag hoe Hollandse presentator op ironische toon aan een Limburgse man vroeg: ‘En dan moet u huilen?’
‘Ja-a,’ snikte de man zangerig. Hij kwam uit de buurt van Maastricht en moest huilen als hij ouderwetse Bugatti’s zag.
De presentator liet de man seconde of tien huilen, draaide zich toen tevreden naar de camera en sloot het programma af.
Het was weer een onderhoudende uitzending geweest.




De zakdoek

Camping, Hautes Alpes, de avond van de finale. Naast ons keek een gezin met drie zoontjes naar het kleine televisieschermpje dat de campingeigenaar voor de gelegenheid buiten had gezet, op een wit plastic tuintafeltje naast de receptie. De familie keek grotendeels zwijgend naar het scherm. Alleen het oudste jongetje kreunde of steunde af en toe, zij het op merkwaardige momenten. Als een Italiaanse pass niet aankwam, bijvoorbeeld.

Tijdens de penalties, kwam de familie eindelijk tot leven. Maar de enige die uit zijn stoel sprong toen Trezeguet zijn penalty tegen de lat schoot was het oudste jongetje. Hij juichte en maakte met zijn armen een pompend gebaar. Daarna ging hij weer zitten. Frankrijk stond op het punt te verliezen. Elke daarop volgende Italiaanse penalty ging er in en telkens juichte de jongen.

Na de laatste penalty, die het Italiaanse kampioenschap een feit had gemaakt, sprong de jongen op en begon aan een hele serie pompende uithalen met de armen, terwijl zijn heupen stotende bewegingen naar de hemel maakten. Elke stoot werd begeleid door een hartgrondig Yes.

Toen de serie voltooid was, vroeg hij aan zijn moeder een zakdoek. Hij was nog van de leeftijd dat je moeder het wonderbaarlijke logistieke vermogen heeft om elke denkbare benodigdheid onmiddellijk uit de handtas te kunnen opdiepen.

De moeder gaf hem een zakdoek. De jongen liep naar zijn jongste broertje en bood hem de zakdoek aan. Met grote moeite onderdrukte hij een grijns. Het jongste broertje keek even van de zakdoek naar zijn oudere broer en weer terug. Toen verborg hij zijn betraande gezicht in de grote sjaal van het Franse elftal die de hele avond over zijn schouders had gehangen.




Kruising (slot)

Eerder: 1, 2, 3.

De ambulance arriveert en voert de vrouw binnen enkele minuten af.
Mijn nutteloze positie naast het slachtoffer is verdwenen en ik raak op drift.

Een vrachtwagen komt langs om twee gesneuvelde verkeersborden en diverse losse auto-onderdelen af te voeren.
Een keukenjongen van een nabijgelegen hotel veegt de straat schoon.
Het ongeluk blijkt voor de meeste partijen een logistieke aangelegenheid te zijn.
Met een zekere schoonheid.
Iedereen weet precies wat te doen.

Iedereen, behalve ik en de mijnen.
Maar ik hoef het ook niet te weten, het gaat vanzelf.
De auto’s staan op de sleepwagen.
De agent neemt mijn papieren in en geeft me een kaartje van de sleepdienst voor de verzekering.
Ik krijg een tijdstip waarop ik me op het politiebureau moet melden.
Ze bieden ons een lift aan naar het dorp.

Niemand is boos op me.
Niemand vraagt iets aan me.
Als we in de politieauto wegrijden is het kruispunt schoon en rijdt het verkeer weer verder.

Het duurt nog een paar uur tot de verhoren beginnen.
In een café bel ik mijn vader en het alarmnummer van het autoverhuurbedrijf.
De Franse jongen die me te woord staat verzekert me dat hij zijn uiterste best gaat doen om meteen een nieuwe auto te regelen.
Ik hoef geen auto, zeg ik. Ik wil dat die vrouw geholpen wordt. Dat jullie alles voor haar regelen.
Hij begrijpt niet wat ik bedoel.
Ik hang op.

Dan zit ik daar.
Voor me een glas Orangina, naast me mijn vrouw en dochter.

Twee uur later beginnen de verhoren.
Ze zullen vier uur duren.
Men geeft aan dat een onderzoeksrechter moet beslissen of ze me laten gaan.

Ik ben ongerust en uitgeput.
De vrouw heeft twee jonge kinderen die toevallig niet in de auto zaten.
De dreiging met straf voelt bijna aangenaam.
Boetedoening.
Eindelijk is iemand geïnteresseerd in mijn schuld.

Dan komt het bericht dat de onderzoeksrechter me laat gaan met een boete, omdat de vrouw die avond al naar huis mag uit het ziekenhuis.
Ik omhels mijn vrouw.
De rest zien we later wel.




Kruising 3

Eerder: 1, 2.

De eerste hulpverlener arriveert.
Een klein rood koekblik met zwaailichten stopt naast de plek waar de vrouw ligt.
Een jongen stapt uit.
Jaar of 23. Blauwe overall, hesje van reflecterend oranje.
Hij loopt naar de vrouw toe en knielt.
Praat even met haar.
Knikt.
Staat weer op.
En kijkt vervolgens afwachtend om zich heen.
Op zijn auto staat ‘pompiers.’ Waarvoor je dan precies gekwalificeerd bent blijft me onduidelijk.
Een Duitse toerist beweert dokter te zijn.
De mensen om de vrouw heen gaan opzij.
De dokter tikt en kriebelt op ledematen.
De vrouw voelt alles.
Ik streep voorzichtig ‘verlamming’ af van mijn lijst van misdaden.

Naast het hoofd van de vrouw zit een oude dame geknield.
Ze aait zachtjes over het haar van de vrouw.
Ik zou ook willen aaien.
Ik heb enorme behoefte te zeggen dat het me spijt.
Maar dat voelt egoïstisch, dus ik zwijg.
Als alternatief voor een spijtbetuiging probeer ik onzichtbaar te worden.

Twee gendarmes arriveren.
Ze lopen van de vrouw, naar de auto van de vrouw, naar onze auto, naar mij.
‘Bent u de bestuurder van de blauwe auto,’ vraagt een van hen beleefd.
Ik zeg dat ik dat ben.
Meteen daarna loopt de gendarme verder, terwijl ik nog zoek naar de juiste woorden om te zeggen dat het mijn schuld was.
Mijn schuldbelijdenis doet niet ter zake.

Dan arriveren de moeder en verloofde van de vrouw.
De mensen wier leven ik ook bijna verwoest had.
De oude dame heeft hen gebeld.
Ik kijk naar ze, met een blik die zegt: Ja, ik was het.
Iets in mij zet me schrap tegen een woedeaanval van een van hen.
De moeder en de verloofde kijken niet naar me.
Ze negeren me niet eens, ze tonen gewoon geen interesse.
Ik ben niet relevant.

Even later moet ik in een zakje blazen.
Dan arriveert de sleepdienst, nog voor de ambulance.
Twee mannen vol olievlekken bekijken in stilte de twee verwrongen voertuigen, overleggen met enkele handgebaren hoe het slepen zal worden uitgevoerd en gaan aan het werk.
Hun discrete en precieze handelingen ontroeren me.
De routine heeft iets geruststellends en ongepasts tegelijk.

(Morgen het slot.)




Kruising 2

Eerder: 1.

Ik wil niet arriveren bij de auto.
Ik wil er naar toe rennen zonder ooit aan te komen.
Dan verschijnen er twee armen in het passagiersraam.
En een gezicht.
‘Aidez-moi,’ roept het gezicht.
Haar armen strekken zich naar mij uit.
Ik pak haar armen onder de ellebogen en trek.
Je mag slachtoffers niet verplaatsen, schiet door mijn hoofd.
Voor dat soort overwegingen was ik bang.
Ik zou bloed, dood, gemangeld vlees aantreffen en vervolgens omkomen in een machteloze calculus van handelingen.

Nu is er geen calculus nodig.
Ik trek aan de armen van de vrouw, zo precies en gestaag mogelijk.
Ik vind houvast aan haar armen, meer dan zij aan de mijne.
Ze staat naast de auto.
Verbaasd.
Zet een paar stappen en zegt dan: Zag je het stopbord niet?
Ik... ik... ik – zeg ik.
Ze loopt naar de berm en gaat daar zitten.
Ze kijkt niet om naar de auto.
Ik kijk wel om naar de auto.
Leeg.
Ik ga naast haar staan.
De calculus begint alsnog.

Dan pas zie ik allerlei mensen op ons af rennen.
Het is een vreemd beeld, alsof ik in een afvoerputje sta en alles naar me toe stroomt.
Verschillende mensen omringen de vrouw.
Ik doe een stap achteruit en laat de mensen tussen mij en de vrouw komen.
Niet in de weg staan, calculeer ik als mijn bijdrage.

Op de weg zijn andere mensen bezig het verkeer te regelen.
Auto’s en motoren staan stil op alle vijf wegen van de kruising.
Knipperende lichten, zwaaiende armen, ernstige gezichten – een opgewonden soort ernst, passend bij een rol in iets dat groter is dan zijzelf.

Dan pas kijk ik achterom. Op het midden van de kruising staat een blauwe auto.
Onze auto.
Waarvan de voorkant grotendeels ontbreekt, alsof het een demonstratiemodel is van de fabrikant.
Ik realiseer me dat ik mijn vrouw en mijn dochter heb achtergelaten op het midden van een kruising vol razend verkeer.
Ze blijken echter al uitgestapt te zijn en naast de weg te staan.
En er is geen razend verkeer meer, maar een verlaten kruising met alleen een blauwe auto.
Om de een of andere reden lijkt het heel belangrijk dat ik de auto van de kruising afhaal.
Ik ren naar de auto en stap in.
Tot mijn verbazing start de motor.
Als ik langzaam naar de berm rol hoor ik knerpende en krakende geluiden van glas en metaal.
Ik stap uit en zeg iets tegen mijn vrouw. Geen idee wat.
Ik ren terug naar het slachtoffer en ga weer doelloos naast de mensen staan die haar omringen.
Bij haar mond zit wat bloed en op enkele andere plekken ook, maar het lijkt te weinig.
Ze ligt op haar rug. Terwijl mensen tegen haar praten, kijkt ze recht omhoog de lucht in.
Haar lichaam begint te trillen en dan te schokken.
Ik voel de behoefte om over te geven.
Mijn handen trekken aan mijn haar of drukken tegen mijn gezicht, alsof het op het punt staat uiteen te vallen.

Mijn vrouw komt naast me staan. Onze dochter zit op haar arm.
We omhelzen elkaar. Wat er ook gebeurt, zegt ze, we gaan hier door heen komen.
Ik knik en begin te huilen.
Dat voelt enorm ongepast.
Ik ben de dader.
Ik heb iemand gedood, zo goed als.
Ik verberg mijn gezicht in de hals van mijn vrouw en wacht tot het snikken stopt.

(Morgen verder.)




Meanwhile, on the cliff

Wat komt er na een cliff-hanger?
De ontknoping, is het enige antwoord dat me te binnen schiet, maar dat is een andere metafoor.
Hoe dan ook, er arriveerde allerlei mails die vroegen naar de afloop van onderstaand stukje.
Ook van vrienden die ontstemd waren dat ze dit via het weblog moesten vernemen.
Mijn excuses – had ik niet goed over nagedacht.
Aan de andere kant: Het stukje vertelt beter wat er gebeurd is dan ikzelf blijk te kunnen.
In die zin voelt het zelfs persoonlijker.

Laat ik alvast dit zeggen: het loopt onwaarschijnlijk goed af.
Gelukkig, inderdaad.
Het vervolg is nu niet meer spannend.
Maar dat zijn weblogs zelden, dus daar bent u aan gewend.

Zoals gezegd: morgen verder.




Kruising

Zuid-Frankrijk, een drukke kruising.
Ik ben aan het rennen over het asfalt, weg van de auto met mijn vrouw en mijn huilende dochter.
Hun bestaan ben ik even kwijt.
In mijn hoofd gebeurt verdomd weinig.
Geen doel, geen idee.
Een rennende automaat.
Ik voel de cadans van mijn voeten op het wegdek. Regelmatig en met een mooie afwikkeling van hak naar teen.
In de verte ligt een platgedrukte, goudkleurige auto dwars op de weg.
Die schijn ik geraakt te hebben.
Zei mijn vrouw.
Of nee, ze zei: ‘Hij gaat over de kop!’
Ik wist niet waar ze het over had.
Ik had wel een klap geregistreerd en was nog bezig de verbazing daarover te verwerken.
Een ontspannen soort verbazing. Zoals tijdens een trage voetbalwedstrijd waarin ineens een doelpunt valt en je denkt, huh, hoe ging die er nou in?
Ik stapte uit en keek in de richting waarin zij keek, meer als ramptoerist dan als betrokkene.
In de verte lag een platgedrukte, goudkleurige auto dwars op de weg.
Die auto had ik nog nooit eerder gezien.
Ik begon te rennen.
Na een paar passen deed ik mijn zonnebril af.
Een paar passen daarna drong een vaag besef tot me door dat er iets heel erg mis was.
Ik liet de zonnebril vallen.
Als in een slechte film.
Mijn blik is gefixeerd op een platgedrukte goudkleurige auto. Minivan.
Die ik geraakt schijn te hebben.
De weg naar de auto is bezaaid met spullen.
Kinderzitjes, onder andere.
De auto heeft als een centrifuge alle losse spullen er uit geslingerd.
Ik nader de auto.
Er dringt een vage notie van dood en bloed tot me door.
Een abstractie, maar concreet genoeg om bang van te worden.
Ik word bang.

(Morgen verder.)




Nog handelen

We gaan morgen op vakantie.
De VIHB zei vorige week dat ze de lijst voor de vakantie in een Access database had gezet. Ze had eerder een lange papieren lijst gemaakt met zaken die nog gedaan moesten worden en zaken die ingepakt moet worden.
Ik lachte naar mijn echtgenote en zei dat het mooi was dat het nu in een database stond.
‘Handig, hè?’
‘Ja, handig.’
Ze wachtte even en zei toen dat ze een enthousiastere reactie had verwacht. Ik had immers ook het Outlook ingevoerd als systeem voor de gezinslogistiek.
Ik zei dat een elektronische lijst me handig leek, maar dat de papieren versie eigenlijk ook prima bruikbaar was.
De VIHB beweerde dat een database veel leuker was.
Ik zei dat zij degene was met een database-fetish, niet ik.
Ze keek beteuterd.
Maar, zei ik snel, ik heb wel een fetish voor mensen met een database-fetish.
Hm, zei de VIHB.

Een uurtje later gingen we eten.
De VIHB zette haar laptop op de gedekte tafel.
Niet naast haar bord, maar naast het mijne.
Ik kreeg een demonstratie.
De schellen vielen van mijn ogen.
Hoe had ik ooit kunnen denken dat een papieren lijst ook voldoende was.
Er stonden 144 records in de database, met zeven velden elk.
Pull down menu presenteerden voorgeprogrammeerde opties. Zoals:
-nog kopen
-nog handelen
-in huis
-ingepakt
Er waren voorbereide queries. Bijvoorbeeld: nog handelen + nog kopen + verantwoordelijk:Mies + onmisbaar.
Het veld 'onmisbaar' (false/true) is toegevoegd omdat we een wat kleine auto hebben gehuurd.

Stuur me dat lijstje maar even, zei ik.
Ik draai wel even een reportje, zei de VIHB.
In Outlook ontving ik een fraai reportje.

Ik zei dat het prachtig was.
Dat dacht ik ook, zei de VIHB.

Afijn, we gaan dus met vakantie.
Met tent en mud aardappelen.
O, en mijn laptop.
Ik ga proberen mijn, kuch, boek af te schrijven.
Op dit moment is de inhoudsopgave:

I. Schaduwprijs
II. Likken aan een batterij
III. Verdedigingsfoutje
IV. Succesvol incompleet
V. Evolutionaire voordelen
VI. De verkeerde natuur
VII. Probleemeigenaren
VIII. Zero tolerance
IX. Institutioneel schroot
X. Intensive care unit
XI. Onttovering
XII. Niet dood zijn duurt praktisch gezien een paar minuten
XIII. Rommelen in de marge
XIV. Een hamer van beetjes goede wil
XV. Weer Rorschach

Daar moeten nog een stuk of 10 van die informatieloze titeltjes bij, schat ik zo.

Sammenvattend: Tot 17 juli geen nieuws alhier. Vanaf morgen gaan de commentaren uit, wegens spam. Ik spreek u later.




Homobladen (slot)

De hoogleraar die van Formule 1 houdt vertelt over hoe hij de Board of Directors van Virgin Air mee had genomen naar de pits. De directeuren kregen training in de taken van de pitcrew en deden toen een wedstrijd om de snelste pitstop. Ze streden tegen een team van vrouwelijke directeuren van een ander bedrijf dat er toevallig ook was. De vrouwen wonnen.
Ik stel een vraag en de hoogleraar houdt een lange verhandeling over de Ferrari-hegemonie. Die ontstond doordat Ferrari haar eigen motoren minder belangrijk was gaan vinden.
Mooi.
Maar ik moet iets met voetbal hebben. Een detail dat ik nog niet ken. Een tactische observatie. Desnoods blessurenieuws.

Ik vraag nog eens of ze het WK dus echt niet volgen.
Het stellen van controlevragen is een belangrijke vaardigheid van sociale wetenschappers.
Dan arriveert de derde hoogleraar.
Hij houdt wel van voetbal, zegt de hoogleraar die van Formule 1 houdt.
De derde hoogleraar glimlacht naar me.
Gelukkig, zeg ik.

We lopen naar de vergaderruimte.
Ik stel de derde hoogleraar allerlei vragen.
Hij antwoordt beleefd.
Hoe schat hij de kansen in?
Nou, als ze goed spelen, maken ze best kans.
Aha.
Misschien moet ik wat gerichter vragen.
Als we in de vergaderruimte plaatsnemen zeg ik dat Nederland vrij snel kruist met Engeland.
O ja? antwoord de hoogleraar. Hij ordent zijn papieren.
In de tweede of derde ronde, zeg ik.
De hoogleraar knikt.
Wacht, zeg ik, ik kijk het even na.

Ik sta op, loop naar mijn tas en trek er een printje uit met daarop de groepsindeling en het speelschema.
O my God, zegt de hoogleraar die van Formule 1 houdt.
Die mensen kijken geschokt naar mij en het speelschema.
De derde ronde, zeg ik.
Maar ik ben de enige die dat relevante informatie vind.

Na een lange vergadering zet de chauffeur me af bij de vertrekhal.
Ik ben te vroeg en loop naar de kiosk.
Een wand met tientallen tijdschriften belooft ontspanning.
Ik zoek de afdeling met voetbaltijdschriften, maar die zie ik nergens.
Veel bladen over lippenstift, haarvitalisering en relatiesjit.
En popmuziek.
En dan, op een lage plank, vind ik het enige voetbaltijdschrift.
Dat kan niet. Ik controleer nog een keer de hele wand.
Eén voetbaltijdschrift.
Ik pak het uit het rek.
Ernaast staan drie homobladen.
Dat dan weer wel.




Homobladen

Donderdagochtend, Luton airport. De chauffeur die me komt ophalen heeft een vriendelijk gezicht en het gebit van een recent gestopte roker. We lopen naar de auto. Op de voorportieren staat het logo van de universiteit waar we heen gaan.

Zodra we op de snelweg zitten begin ik over het WK. Ik klamp iedereen aan om over voetbal te praten. De oefenwedstrijden zijn al dagen voorbij en het toernooi is nog niet begonnen. De spanning kan nergens heen. Het voelt als seksuele opwinding, maar dan zonder de mogelijkheid tot masturbatie.

Ik interview de man over het Engelse elftal. Of Ferdinand niet te grillig is voor centraal achterin. Dat het middenveld grote namen bevat. Waarom er voorin iemand staat die Crouch heet. O ja, Crouch, zegt de man. Hij weet niet van welke club Crouch is.

Op de snelweg passeren auto’s met Engelse vlaggetjes. De man zegt dat hij zijn vlaggetje bewaart voor als Engeland moet spelen. Anders is ‘ie al helemaal stuk van het rijden op de snelweg.

Ik vraag hem welke groepswedstrijd hij het meeste vreest. Mijn voetbalopwinding is sterk gedreven door angst. Angst kent evenmin de mogelijkheid tot masturbatie.
De man vraagt me wie er ook alweer bij Engeland in de groep zitten.
Ik beantwoord zijn vraag en verander het onderwerp naar het tolsysteem van Londen.

Op de universiteit zitten twee professoren in de lederen banken van een koffiehoek op me te wachten. Ik begroet ze en neem plaats. Er is nog iemand onderweg op wie we moeten wachten.

Ik begin over het WK.
Ik hou meer van Formule 1, zegt de ene hoogleraar.
Ik haat voetbal, zegt de andere hoogleraar.

(Morgen verder.)




Knippen en plakken

Er arriveerde een mailtje met een verzoek. Of preciezer: een uitnodiging – maar het voelde hetzelfde.
Ik besloot vriendelijk maar beslist te weigeren.
Dat voelde goed. Ik verkeer in een fase waarin ik meer voldoening haal uit de dingen die ik niet doe.
Daarna besloot ik dat ik nu even geen zin had om terug te mailen.
In zekere zin was ik altijd al goed in dingen niet doen. Alleen heette het vroeger procrastinatie en ging het gepaard met schuldgevoelens.

Die schuldgevoelens ben ik inmiddels kwijt.
Ik mis ze.
Schuldig voelen betekent dat ik iets beters van mezelf verwachtte. Of in ieder geval op iets beters hoopte.
Blijkbaar verwacht of hoop ik dat niet meer.
Dat heet dan berusting.
In literatuurrecensies wordt vaak met sympathie gesproken over romanpersonages die in iets berusten, alsof dat een prestatie is.
Dat zegt wellicht iets over de fase waarin de recensent verkeert.
Persoonlijk heb ik meer bewondering voor stug volgehouden ontkenning dan voor berusting.

Afijn.
Ik beantwoordde het mailtje niet meteen.
Toen bedacht ik dat ik lang geleden eens iets geschreven had dat min of meer aan het verzoek voldeed.
Ik beantwoordde het mailtje en zei dat ik de uitnodiging graag aannam – en knipte en plakte mijn eerdere tekst in het mailtje.
Mijn werk als wetenschapper bestaat ook steeds meer uit het knippen en plakken uit eerdere teksten. Soms denk ik dat ik de komende dertig jaar het werk van de afgelopen tien jaar blijf knippen en plakken. Daar voel ik me steeds minder schuldig over. Helaas.

Hoe dan ook, de uitnodiging was van mevrouw Mis, oudgediende onder de lezers van Bijzinnenpuntcom. Zij heeft met enkele collega’s het plan opgevat om honderd mensen te laten schrijven aan hetzelfde verhaal. Ze had gevraagd of ik het openingsstuk wilde schrijven. Dat is inmiddels geknipt en geplakt op dit adres. Vervolgafleveringen kunt u, als ik het goed begrepen heb, alhier indienen.




En passant 19

Ik heb vandaag alleen twee crackers gegeten. Niet dat ik er op let, hoor.

(Meisje tegen haar moeder in de rij bij de kassa van het Kruidvat, 17:55u., Den Haag)




Fragment nummer 150

Richard geeft deze week zijn hele boek weg aan tweehonderd weblogs. Volgens de inzichten van de langestaarteconomie zou dat ook nog goed moeten zijn voor de verkoop van het boek. Mooie uitvinding, de economie.

wembley
Dit is fragment nummer 150 van het boek "Wembley" van Richard Osinga.
Onderbroek vergeten
We zijn kampioen. We drinken bier onder de douche en we zingen liederen waarvan elk woord la is. Ik zing mee. In Afrika zingen teams liederen voor de wedstrijd, liederen om moed te verkrijgen, hulp van bovenaf. Bij Rap zingen we nu voor het eerst.
De meeste jongens zijn dronken. Ik drink niet, maar ik ben blij voor de anderen. Ik droog me af met mijn shirt, de gladde stof neemt het water slecht op. Vanochtend heb ik niet goed opgelet. Ik heb geen handdoek in mijn tas gestopt en geen schone onderbroek. De slip die ik tijdens de wedstrijd aanhad is nat en vies. Ik stop hem in mijn tas en schiet mijn trainingsbroek aan. Beest maakt een grap als hij ziet dat ik geen onderbroek aantrek. Ik hoef het niet te begrijpen om me te schamen.
De kampioenswedstrijd was nooit een wedstrijd. We stonden na een kwartier met twee-nul voor. Een droge schuiver van Beest en een volley van mij op een voorzet van Pino. Schellingwoude deed verder weinig. Het leek alsof ze begrepen dat het beste wat ze konden bereiken het verstoren van een feestje was.
Het is twee-nul gebleven en voor een keer veinst Arie geen boosheid omdat ik geen vier goals gemaakt heb. Ik heb in dertien wedstrijden zesendertig keer gescoord, net geen drie per wedstrijd.
We hebben nog vijf wedstrijden te spelen, we zijn de eerste kampioen van Nederland.
Brekke laat me de krant zien, een krant met veel kleuren. 'Hier,' zegt hij. 'Wij, Rap, kampioen,' en hij wijst de plek aan waar morgen een verhaal over ons kampioenschap zal staan. Ik vraag me af of ze bij Ajax de krant lezen. De eerste kampioen, dat moet iets betekenen. Dan willen ze toch weten aan wie het succes te danken is.
Leolo zou komen maar ik heb hem nog niet gezien. Ik heb hem al weken niet persoonlijk gesproken, maar ik heb een boodschap achtergelaten bij de dame die de telefoon opneemt. Dat we kampioen worden, dat hij er moet zijn, dat we nu over het volgende seizoen moeten praten.
Ik ben voor mijn gevoel klaar bij Rap. Ik zal nog een paar wedstrijden spelen, maar dat is het. Ik heb mijn plicht gedaan. Leolo heeft gezegd dat ik Rap ook niet zomaar kon verlaten, dat ik niet ondankbaar kon zijn, en daar heeft hij gelijk in. Ik ben niet ondankbaar, maar nu ben ik klaar en kan ik weg.

Naar het begin - Doe mee - Lees verder >>




Na het eten

Mijn ouders en ik waren klaar met eten.
En ook met praten.
Ik had van de VIHB instructies gekregen dat ik moest doorvragen over enkele medische kwesties die mijn moeder aan het lijf heeft. De VIHB kon er zelf niet bij zijn. Ik had beloofd door te vragen. Ik kan heel goed doorvragen, dat is mijn vak.

Na een kwartiertje wist ik niks meer te vragen.
Ik blijk mijn ouders niet te kunnen interviewen.
En mijn ouders blijken heel goed hermetische antwoorden te kunnen geven.
Niet omdat ze niet willen praten, maar omdat er niet zoveel te zeggen is.
Meest gebruikte frase: ‘Dus ja.’
‘Dus ja’ betekent: Klaar. Verder niets over te melden. Einde verhaal.
Waarbij het verhaal uit twee, drie zinnen bestaat.
Als mijn moeder ‘dus ja’ gezegd heeft, kijkt ze vaak even opzij, weg van degene die haar interviewt. Soms maakt ze een zuigend geluid met de tong tegen haar tanden. Een soort interpunctie op weg naar het volgende verhaal.
In een kwartier ben je dan wel door de verhalen heen.
Door mijn moeder ga je je afvragen hoe schrijvers ooit op het absurde idee zijn gekomen dat we een heel boek nodig hadden om een verhaal te vertellen.

We stonden op van de eettafel.
Ik vroeg of mijn ouders televisie wilde kijken.
Dat wilden ze wel.
Televisie kijken betekent computerscherm kijken, want dat is het enige scherm in de woonkamer.
Ik stopte de coaxkabel in het televisiekaartje, startte het televisieprogrammaatje op en vroeg welk kanaal ik op moest zetten.
Is er voetbal? vroeg mijn vader.
Nee, er was geen voetbal.
Welk kanaal zal ik dan opzetten?
Gewoon.
Oké.
Gewoon was deze keer Nederland 3.

Na het journaal volgde een documentaire over Metallica.
Beukende heavy metal vulde de woonkamer.
Mijn computer heeft geen afstandsbediening, dus er werd niet gezapt.
Ik wachtte even tot een van mijn ouders zou vragen of er niet iets anders op was.
De vraag bleef uit.

Anderhalf uur lang keken we naar de herrie die uiteindelijk de cd St. Anger op zou leveren – zelfs naar de maatstaven van de heavy metal een luidruchtige verzameling liedjes.
De herrie werd afgewisseld met therapeutische gesprekken tussen de bandleden.
De band stond op het punt van uiteenvallen.
Een van de leden vertelde dat hij heel graag heel hard Fuck wilde roepen.
De tweede zei dat hij vooral een heel leeg gevoel had als hij aan de band dacht.
De begeleidende psychotherapeut vroeg dan vervolgens wat het derde bandlid daar van dacht.
Verderop in de documentaire zeiden de bandleden dat ze niet zonder de therapeut verder durfden.

Na anderhalf uur vroeg mijn vader hoe lang dit nog duurde.
Ik wist het niet.
Ik zei dat ik wel een andere zender op kon zetten.
Nee, dat was het niet.
Mijn vader wilde gaan slapen.

Hij stond op.
Mijn moeder stond niet op, ze kwam overeind – dat is wegens de medische kwesties.
Net voor ze de woonkamer verlieten, wierp mijn moeder nog een blik op Metallica.
Blijven ze bij elkaar? vroeg ze.




Metacliché

Er werd ergens gehandbald. De stem van de radioverslaggever klonk ingeblikt vanwege de telefoonverbinding, maar je hoorde nog steeds de akoestiek van een gemeentelijke sporthal. Er is geen enkele ruimte die klinkt als een gemeentelijke sporthal. Ik kon bijna de kleedlokalen ruiken – en de kunststoffen vloer en het hout van de rekstokken en de asbakken in de kantine waar niet gerookt mag worden, maar het toch gebeurt, aan het uiteinde van de bar.

Groningen werd weggevaagd, zei de verslaggever. En toen zei hij: ‘Groningen moet in de tweede helft uit een ander vaatje gaan tappen. Het is een cliché, maar het is wel waar.’

Die laatste zin kaatste een paar keer door mijn hoofd. Een cliché over een cliché – een metacliché. Vreemd dat me die nog niet eerder waren opgevallen. Ik probeerde nog een ander voorbeeld te verzinnen, maar het lukte niet. Misschien is er alleen behoefte aan die ene.




Berichten uit de anonimiteit

Ik was nog niet helemaal klaar met Peter. Hij meende dat ik niet tegelijk elitair en anoniem kon zijn.
Vorige week leek dat mij de moeite waard om op te reageren.
Dat vind ik nu ook verrassend klinken, ja.
Enfin.
Ik bedacht dat ik daar allang iets over geschreven had. Over hoe ik als aspirant-lid van de elite telefoneerde met een meneer die aanzienlijk eliteriger was.

Verder vond Peter dit weblog een argument tegen mijn anonimiteit. Geloof ik. Zeker weten doe je het niet met Peter.
Hoe dan ook, inmiddels weten we zeker: een weblog is de meest effectieve vorm van anonimiteit.
Er worden er 12344567456 per minuut begonnen – pin me even niet vast op het precieze nummer. Er zijn meer weblogs dan atomen in het universum.
Zodra je een weblog begint komt iemand in een overall langs om de laatste restjes van wat je ooit je persoonlijkheid noemde veilig af te voeren in een stralingsvrije container. In plaats daarvan abonneer je jezelf op een honderd procent onderhoudsvrije collectieve identiteit die bestaat uit rondzingende meningen, herkenbare emoties en ongevaarlijke zelfinzichten.
Anonimiteit was nog nooit zo onderhoudend.

En toen, aan het einde van Peters laatste openbaring, viel ook nog dat andere woord: integriteit.
Tja.
Ik word daar wat onrustig van.
Net als van die andere term: authenticiteit.
Het lukt ons niet eens om vast te stellen of schilderijen van Rembrandt authentiek zijn. Hoe dat dan moet met personen, is me nooit duidelijk geworden. Misschien dat anderen het wel weten. Maar bij de term authentiek moet ik altijd denken aan zelfgekleide asbakken.
Voor mijn leven zijn dit soort termen net zo relevant als de uitdrukkingen ‘Ik voel het nou eenmaal zo,’ ‘Rechtsdraaiend melkzuur’ en ‘Baan om de zon.’




Twee minuten

Het was bijna acht uur. Ik vroeg me af of ik de twee pitten moest uitzetten om te gedenken. Ik probeerde in te schatten hoe oneerbiedig pruttelende pannen waren voor de overledenen. Toen realiseerde ik me dat de elektrische kookpitten minimaal twee minuten heet blijven na uitschakeling. Het leek mij dat de doden daar begrip voor hadden.

Ik stopte met het snijden van de courgette en luisterde naar de trompet die the last post speelde. Ik ging even op de bank zitten.

Vorig jaar zat ik om tijdens dodenherdenking in een trein tussen Tilburg en Eindhoven. De trein remde en stond precies om acht uur stil. De volgende twee minuten keek ik naar twee mensen op een parkeerplaats. Ze stonden met de handen in de zij naast hun auto. Hun ogen gingen heen en weer tussen de geopende kofferbak en een reusachtige zak compost die ze zojuist in het tuincentrum naast het spoor hadden gekocht.

Het is mooi dat het vrede is.
Maar af en toe een beetje oorlog doet je beseffen dat compost geen vanzelfsprekende zegening is.

Na twee minuten ging de trein weer rijden.
De zak paste nog steeds niet in de kofferbak.

Dit jaar stond ik na twee minuten op van de bank en liep terug naar de courgette.
Ik zou zweren dat ik licht ontroerd was.




Vormfout

Ik ben de elite.
Vindt Peter.
Hij heeft gelijk.
Ik heb het opgezocht.
Bijna negentig procent van mijn landgenoten verdient minder dan ik.

Soms prevel ik het tegen mezelf. ‘Ik ben de elite.’
Ik word er wat giechelig van.
Geef toe, het klinkt als een grap.
Soms zeg ik tegen mensen om me heen dat we tot de elite behoren, om hen ongemakkelijk te maken. Eerst volgen ietwat nerveuze ontkenningen. Dan schoorvoetende erkenningen.

Ik zat ooit in de auto bij twee hoogleraren uit Berkeley. Ze spraken over ‘de rijken.’ Ik vroeg hoeveel zij verdienden. Ze verdienden ongeveer 150 duizend dollar per jaar. Elk.
‘Dan horen jullie toch bij de rijken?’ vroeg ik vanaf de achterbank.
Er ontstond enige consternatie voorin de auto.
Ik vind ons niet rijk, zei de vrouw.
Haar huis kende inderdaad nogal wat achterstallig onderhoud.
‘Nou ja, technisch misschien wel,’ gaf ze uiteindelijk toe.
Alsof ze door een vormfout werden veroordeeld tot de elite, terwijl ze onschuldig waren.

Ik ben ook een vormfout.
En ik heb er hard voor gewerkt om er een te worden.
Maar niet harder dan negentig procent van mijn landgenoten.
Dat heb ik ook wel eens gezegd tegen een bevriende verpleegster en keukenzetter.
Ze vonden dat ik me niet moest aanstellen.
Een waardevol advies.

Blijft over de vraag of je anoniem kunt zijn in de elite.
Peter denkt van niet: “Anonimiteit is een keuze, een gelofte van armoe, een bewust nastreven van een opgaan in en leven vanuit de massacultuur, en kiezen voor het volk en tegen de elite, tegen de gepriviligeerdheid.”

Het doet me denken aan een scène uit Life of Brian.
Maar daarover later meer.




Een goede dag voor waanzin

‘Mijn specialisatie is rendiermanagement,’ zei de Finse hoogleraar.
Hij wachtte even op mijn reactie.
Toen die uitbleef, zei hij: ‘Sommige mensen vinden dat een beetje raar.’
Ik zei dat mij leek dat rendieren net zoveel recht hebben op management als andere diersoorten.

Naar het scheen had de VN recent een rechtzaak behandeld van twee Finse broers die ruzie hadden. De ene broer had rendieren. Dat betekent praktisch gezien: hij vloog af en toe in een klein vliegtuigje over de toendra om te kijken waar zijn rendieren uithingen.
De andere broer was houthakker. De houthakker had bomen omgehakt waarop een soort parasiet groeit. Die parasiet is het enige wat rendieren wensen te eten in de winter. Zul je net zien.

Een van de privileges van mijn baan is dat de waanzin voor het opscheppen ligt.
Ik vind iets geruststellends uitgaan van waanzin.
Het blijkt allemaal nog net iets gekker dan je dacht.
Verrassender.
Even hapert het beeld van een rechtlijnig en extrapoleerbaar leven.

Ik ben ook een groot voorstander van de rehabilitatie van het Noodlot.
Maar ik dwaal af.

Het was een goede dag voor waanzin.

Eerder sprak ik een collega die meewerkt aan onze opleiding voor GlobalChem. Hij doet de mannen van een ton. Die zijn net in dienst. Dat doet hij samen met enkele Amerikaanse wetenschappers.

Nu mogen de Amerikanen die meewerken aan de opleiding van overheidswege geen les geven over technische zaken aan Syriërs, Noord-Koreanen, Iraniërs en nog zo wat hardwerkende volken.
‘Lastig,’ zei ik.
Nou nee. De Amerikanen hadden allemaal twee laptops. Eentje voor gebruik in de VS en eentje voor in het buitenland. Volgens de gegevens op de laptop in de VS bestonden de Syriërs niet, noch het lesmateriaal dat zij van overheidswege niet mochten zien. Op de andere laptop stond alles. Binnen GlobalChem bleken veel mensen twee laptops te hebben. Er was zelfs een alternatief intranet gebouwd voor de Syriërs, omdat ze officieel niet op het Amerikaanse corporate intranet mochten. Het alternatieve intranet was vollediger en informatiever dan de officiële versie.
Waanzin haalt het beste in mensen en organisaties boven.

Net voor ik naar huis ging kreeg ik een mailtje van de uitgever van mijn inmiddels lang vergeten proefschrift. Een proefschrift is een boek dat maar geen boek wil worden, schreef Kees Fens ooit. Hij noemde de kamer van de universiteitsbibliotheek waar de proefschriften stonden opgeslagen ‘een mausoleum.’
Afijn.
De uitgever mailde dat er vorig jaar zeventig exemplaren verkocht waren.
Dat leek me een foutje.
Zelfs in het eerste jaar na verschijning haalde ik dat niet.
Wat bleek.
Een burgemeester had mijn acht jaar oude proefschrift gelezen en in een tijschriftje voor burgemeesters lovend gerecenseerd.
Ik heb van mijn leven nog nooit een burgemeester gesproken. Een keer stond ik op een feestje naast Schelto Patijn. En at zwijgend een roomsoesje. Schelto ging vanzelf weer weg.

De burgemeester bestierde een gemeente die ik niet kende. Winterwael. Zoiets. Misschien was het zo’n naam die uitgevonden moest worden wegens een gemeentelijke herindeling. Ik zocht de gemeente op in de Staatsalmanak. Tienduizend inwoners.
Ik zag een beeld van een notenhouten bureau in een kamer met lambrisering en uitzicht op de dorpsmarkt. Naast het postboek van de burgemeester, met daarin de laatste raadsstukken en een brief van een burger die ageerde tegen de nieuwe rotonde op de Veneweg, lag een boekje waaruit kleine geeltjes staken met aantekeningen.
Mijn proefschrift.
Waarin het woord gemeente niet voorkomt.
En dat verder ook geen relevantie kan claimen ten aanzien van burgemeesterlijke besluitvorming.
Maar de burgemeester van Winterwael vond dat hij zijn horizon moest verbreden.
En daarom las hij een vergeten proefwerkje van een anonieme beginnende wetenschapper.

Zoals ik al zei, de waanzin ligt voor het opscheppen.




Fuk, fukt, verfukt

De grote kladderadatsch is begonnen. Zonder dat ik aan de code heb geprutst werkt het uitklappen van de commentaren ineens niet meer op bijzinnen.com. Op www.bijzinnen.com werken ze nog wel. Ga figuren.

Daar moet ik een deskundige bij halen.
Verder inmiddels duidelijk: in Opera komt de witte titelbalk te hoog uit. Geen idee waarom. Dus die balk blijft voorlopig te hoog.

Ook zag ik via browsercam dat sommige browsers het lettertype als Times weergeven, terwijl het toch echt Georgia is en dat schijnt een bijzonder webveilig lettertype te zijn. Voor zover er zoiets bestaat als webveilig.

Verder heeft U gelijk, de kleuren zijn pet.
Maar wie A zegt moet ook B zeggen.
Dus: stuur me een link naar een website met een kleurenschema dat u graag alhier zou zien.
Ikzelf, beschaafd als ik ben, neig naar dit schema: thebignoob.com.

De opbouw van de voorpagina blijft gelijk, afgezien van het vele kleine grut dat nog steeds moet gebeuren.

Samenvattend: U mailt, ik klus dit weekend en vanaf maandag gaan we weer gewoon lezen.

Later vandaag nog een normalig stukje. Om mezelf eraan te herinneren waarom ik ook alweer een weblog heb.

Later: Ik heb het uitklappen van de commentaren voorlopig uitgeschakeld. Volgens de deskundige ligt het ingewikkeld. Iets met browser-related security.




Fukken

Ik ben aan het fukken.
Ik begon te fukken omdat ik vergeten was dat ik niet goed ben in fukken.
Dat heet ook wel: optimisme.

Hopelijk staat er over enkele uren iets leesbaars alhier.

Later: Zoiets dus. Er is nog een hoop klein grut te doen, zoals het corrigeren van de priegelletter waarin de commentaren worden weergegeven. Daar van afgezien blijkt Eliane gelijk te hebben: Het is "wel *erg* beschaafd." Er moet iets ontregelends in. Een knipperend gifje of zo. Ik had een idee voor een kolom aan de rechterkant waar de bezoekers een soort annotatielog konden bijhouden, maar daar kom ik technisch niet uit. Andere suggesties zijn welkom.




Slechtnieuwsgesprek op een paal

De twee gezichten zweven soeverein een meter of tien boven het asfalt. Ze heersen over de Amsterdamse Veerkade. De schreeuwerige reclameborden houden zich muisstil sinds de twee gezichten zijn gearriveerd. Ook de verkeersborden wijken respectvol. Sommige berichten zijn nu eenmaal belangrijker dan andere.

Er zijn zelden vrolijke berichten, blijkt. Meestal worden we bij thuiskomst ontvangen door twee beteuterde smoelwerken. Ik heb het rechtse gezicht wel eens zien lachen, maar echt goed nieuws kan er toch niet te melden zijn over ‘fijnstof’ – daar gaat die rechtse over. Zijn broer doet NO2. Maar ach, de gemeente vindt het reden tot vrolijkheid als ze voor even de Europese norm niet overschrijden – en geef ze eens ongelijk. Wie het kleine niet eert, houdt het niet lang vol bij de overheid.

Ik sprak toevallig een raadslid, vlak voor de verkiezingen. Ik vroeg haar wat ik moest stemmen. Ze zei dat haar partij veel aan luchtverontreiniging ging doen.
Is luchtverontreiniging zo erg? vroeg ik.
De Veerkade is meest verontreinigde straat van Nederland, zei ze.
O ja, dat had ik geloof ik al eens gehoord.
Ik zei dat ik mijn dochter naar de crèche aan de Veerkade breng en er niets van merkte.
Dat was het verkeerde antwoord.
Ze was geschokt dat ik het probleem niet serieus nam. En dat ik haar bracht naar een crèche aan de Veerkade.
Ik begon te twijfelen aan mijn ouderlijke kwaliteiten. Ik had zonder nadenken mijn dochter uitgeleverd aan de fijnstof. Dat beloofde weinig goeds voor de bedreigingen die nog zouden volgen. De enige bedreiging die ik tot dusver hoog op mijn agenda had geplaatst werd gevormd door bleke knaapjes met brommers. Het was nog een jaar of veertien te vroeg om daarvoor de noodtoestand uit te roepen.

Het raadslid citeerde uit haar hoofd een statistiek van het RIVM. Het was iets prachtigs dat ik niet kon onthouden. Zestienduizend mensen in Den Haag overlijden een jaar eerder vanwege de luchtverontreiniging – iets in die geest. Er ging iets geruststellends uit van het idee dat het RIVM weet wanneer wij geacht worden te overlijden en dat de overheid zich bekommert om een jaartje meer of minder. Ik voelde de warmte van goede bedoelingen.

Daarna somde ze de aandoeningen op die mijn dochter kon oplopen vanwege de luchtverontreiniging. Dat klonk toch verdomd alarmerend.
Misschien heeft u gelijk, zei ik.
Het raadslid knikte ernstig.
Het was even stil.
Ik krabde aan mijn achterhoofd en vroeg me af of ik een nieuwe crèche moest gaan zoeken – eentje ver uit de buurt van sombere gezichten op palen.
Ik vroeg of ze vond dat ik mijn dochter van die crèche moest halen.
Er veranderde iets in de houding van het raadslid.
Nu kwam het deel van haar baan dat ze het leukst vond.
Ze zei dat ze gelezen had in een gemeentenotitie dat de crèche aan de Veerkade een zeer geavanceerd afzuigings- en ventilatiesysteem had.
Er was dus geen reden tot paniek.

In één gesprek werd me een ernstig probleem aangepraat en van een oplossing voorzien.
Mooier dan dit kan politiek niet zijn.

Maar dan die paal met de twee gezichten.
Elke keer als de VIHB en ik ‘m passeren schrikken we een beetje.
Niet vanwege het slechte nieuws, maar omdat we vergeten waren dat hij er stond. En omdat we in verwarring raken. De paal suggereert dat we iets moeten met die informatie en we weten niet wat.
Dat we ons zorgen moeten maken, misschien.
We speculeren dan even over de ambtelijke vergaderingen die zijn besteed aan de vormgeving van de paal. Een communicatiedeskundige legde uit dat burgers niet weten wat fijnstof en NO2 is. Dat je daarom smileys moest gebruiken, want dat snapt iedereen.

Ze hadden gelijk.
We snappen het.
Wat de communicatiedeskundige niet heeft uitgelegd is wat we met die informatie moeten.
Blijft over een slechtnieuwsgesprek op een paal.
En het milde schrikken.
Een van de leukere kanten van het ouderschap.




De trouwring en de cartograaf

Collega M. zei dat hij net terug was van vakantie.
Hij stond in de deuropening. Hij behoort tot de populatie van mensen die in deuropeningen staan. Soms hangen tegen de deurpost. Maar niet doorlopen tot in de kamer. Misschien valt deze groep samen met de populatie die badslippers dragen onder de gemeenschappelijke douches van het sportcentrum.
Hij had het fijn gehad op vakantie.
Mooi.
Ik veegde de roos van de schouders. Het was woensdag ? vier dagen sinds ik mijn haar gewassen heb. Vanaf woensdag begint het obsessieve vegen van de schouders. Van zaterdag tot woensdag haal ik obsessief mijn handen door het haar. Pas gewassen haar valt steeds in mijn gezicht. Maar op woensdag is het enigszins vet geworden en blijft het zitten. Dan heb ik precies op tijd mijn handen vrij voor het vegen van opkomende roosbuien.

Collega M. zei dat hij nu vandaag, zijn eerste werkdag, bezig was met het in kaart brengen van de werkzaamheden. Ik dacht aan cartografen die exotische gebieden in kaart brachten zonder een moment de intentie te hebben die gebieden te bezoeken.
Aha, zei ik. Voor een woensdag lag er toch al behoorlijk wat roos op mijn schouders. Misschien leek dat maar zo door mijn donkerblauwe overhemd. Ik veegde iets fermer over mijn schouders.
Ineens schrokken we op door een harde metalen knal en enkele daaropvolgende tikken.
We keken allebei in de richting van het geluid.
Ik zag niks.
Collega M. vroeg wat dat was. Hij deed een heel klein stapje de kamer in, stopte abrupt toen hij zichzelf daarop betrapte en ging reikhalzend voorover hangen vanuit de deuropening.
Goede vraag, zei ik.
Ik keek naar mijn rechterhand.
De trouwring was weg.
Oeps, zei ik. Ik liep om mijn bureau heen en kroop op handen en knieën langs de radiator, computerkabels en dozen met boeken.
Collega M. keek het even aan.
Nou, dan ga ik maar weer eens aan het werk, zei hij uiteindelijk.
Hij wachtte of ik nog iets zou zeggen dat enig oponthoud zou veroorloven alvorens zijn cartografische expeditie weer hervat zou moeten worden.
Ik kroop rond en dacht na over hoe ik dit in vredesnaam thuis kon uitleggen.
Toen ik de ring onder de kapstok gevonden had, keek ik op.
De deuropening was leeg.




Twaalfhonderdelf foto's

We zijn twaalfhonderdelf foto’s verder.
Honderdeenenvijftig komma vier per maand.
Pak ‘m beet vijf per dag.
Elke dag.

Afdrukken is eenvoudig.
Ik kijk naar mijn dochter en ik druk mechanisch op een knopje.
Dat wordt dan een bestand op mijn computer.
Benoemen waarom ik blijf afdrukken is lastiger.
Laat staan twaalfhonderelf keer.

De VIHB zegt af en toe dat we de collectie moeten opschonen. De leuke er uit halen en de rest weggooien. Het zijn van die dingen die je zegt als je twaalfhonderdelf foto’s hebt en je kind is pas acht maanden.
Dan blader ik door het digitale fotoalbum en kan geen foto vinden die ik wil weggooien.
Een vreemde ziet driehonderd keer dezelfde lach.
Ik eigenlijk ook.
Maar herhaling biedt houvast.
Als een ritueel.
Elke dag brand ik vijf kaarsjes voor wat ik niet kan bevatten.

Een poos geleden las W. mijn stukje over het onbevattelijke.
Hij schudde het hoofd. Zo ingewikkeld was het toch niet, legde hij uit. Eten, slaap en troost – het zuigelingenleven verklaard. Of elk leven eigenlijk.
Ik kreeg de indruk dat hij mijn mystificatie onkies vond. Of gemaakt.
Maar zoals in elke religie is ook hier enige inspanning gevraagd van de gelovige.
Wonderen dringen zich niet aan je op.
Als God te druk is met beschermen van de zwakken, het liefhebben van de zondaars en het ontmoedigen van anale seks, moet je je eigen openbaring organiseren.

Het blijkt niet moeilijk.
Schep enkele rituelen.
Herhaal ze met fanatieke toewijding.
En zorg er vooral voor dat je het niet te goed begrijpt.
Begrip is het einde van elke openbaring.




Aantrekkelijke constructie

‘De waarheid is een aantrekkelijke constructie,’ meldde het NRC op pagina 15. In grote vette letters. En dan zeggen ze dat kranten geen goed nieuws brengen.

In het artikel vatte een filosofe de filosofische stand van zaken samen aangaande de waarheid. Filosofen zien het als hun opgave de grote vragen des levens te doordenken. Dat betekent doorgaans dat ze vakkundig indexeren wat andere mensen over die vragen gezegd hebben. Ik voorspel dat filosofie binnenkort overgenomen zal worden door bibliothecaressen – de hogepriesters van het indexeren van andermans ideeën. Met een gericht bijscholingprogramma kan het banenverlies onder filosofen beperkt blijven.
     De taak van het beantwoorden van de grote vragen des levens, is al een poosje geleden overgenomen door het vakgebied van de logistiek. De nijpende vraag is niet wat belangrijk is in het leven, maar hoe we zoveel mogelijk belangrijke dingen in een door inefficiënte algoritmes geplaagd mensenleven gepropt krijgen.

Ik wilde tegen de VIHB zeggen dat ik goed nieuws had, dat de waarheid een aantrekkelijke constructie was. Maar ze was nog boos op me wegens een pijnlijke misser mijnerzijds.

Ik leefde tot nu toe in de veronderstelling dat de waarheid juist bestond uit onaantrekkelijke constructies. Het menselijk tekort. Fundamentele eenzaamheid. Zinloos lijden. Zwarte gaten. Een geliefd merk chocopasta dat ineens van de markt wordt gehaald.

Maar nee, de waarheid is een aantrekkelijke constructie, schijnt.
Een geruststellend en aanlokkelijk idee.
Ik vermoed dat het niet waar is.




Een maandag waarop de wereld niet instortte

1.
Maandagmorgen. De jas uit en aan het haakje. Tas naast het bureau. Vooroverbuigen om bij de startknop van de computer te komen die onder het bureau staat. Beetje kreunen. Even kijken naar het startscherm van de pc. Bewegende blauwe blokjes. Er zit een ongrijpbare kleurschakering in die blokjes die me elke ochtend ontglipt. De suggestie van reliëf of zoiets. Op adem komen van de zes trappen. Zo meteen koffie halen. Hand al rond het oor van de mok geklemd.

2.
In de kamers om me heen hoor ik mensen elkaar vragen hoe het weekend was. Ik ben de enige die alleen zit op een kamer. Dat is het voorrecht van omhoogvallen, dat je steeds allener zit op kamers. Ik weet zo snel geen antwoord op de vraag hoe het weekend was.

3.
Tot de lunch dan. Een collega vraagt of ik nog iets leuks gedaan heb dit weekend. Een fijne gesloten vraag. Ja schuine streep nee – doorhalen wat niet van toepassing is. Voor de meeste onderwerpen prefereer ik gesloten vragen. Al blijkt de gesloten vraag uiteindelijk altijd toch een slecht geformuleerde open vraag. Wat heb je dan gedaan. Hoezo was het dan niet leuk.

De lunch is een vergadering. Een monoloog begeleid door vijftien paar kaken die op broodjes kaas malen. Of corned beef met een schijfje tomaat en alfalfa. Af en toe een slok melk uit een bekertje van dun wit plastic. De karnemelk blijft altijd over. Op gezette tijden drukt iemand een homp nat brood tegen de binnenkant van zijn of haar wang en stelt een vraag.

4.
Ik bel een man bij een bedrijf. Zijn baas heeft hem afgevaardigd naar een bijeenkomst die ik organiseer.
Ik vertel dat de bijeenkomst zal draaien om de problemen en vragen die de deelnemers willen voorleggen aan hun collega’s bij andere bedrijven. Dat ze met elkaar in gesprek gaan.
De man antwoordt dat hij dat had gelezen in de email, ja.
Mooi, zeg ik.
Het is even stil.
Had je een onderwerp in gedachten, vraag ik.
Nou, zegt de man, ik heb er even over nagedacht. En het ook intern even voorgelegd. Maar we hebben geen problemen.
Ik houd even mijn adem in.
Misschien is problemen een te groot woord, zeg ik. Jullie hebben vast wel vragen, zaken waar je mee worstelt.
Nee, zegt de man. We hebben geen vragen. Alles loopt prima.

Ik word overvallen door het verlangen naar een voortijdige dood.
Het is geen cynisme, geen het-hep-toch-allemaal-geen-zin.
Het is absurdisme waarvoor ik de energie niet heb. 
Misschien een academisch onderscheid.
Maar daar word ik dan ook voor betaald.

Een man zonder problemen.
Ik verzoen me met mijn nederlaag en voel vervolgens enige jaloezie.
Hij klonk niet dwars. Niet geïrriteerd. Hij had oprecht nagedacht en geconcludeerd dat er geen problemen waren.
Hij liet zich niks aanpraten.
Hij ging elke dag op tijd om vijf uur naar huis en de wereld stortte niet in.
Dus.

Veel mensen gaan elke dag om vijf uur naar huis en merken dat de wereld niet instort.
Toch leidt dat zelden tot de conclusie dat ze geen problemen hebben

5.
Ik ga om iets na vijf uur naar huis.
Ik til mijn dochtertje van het speelkleed en probeer haar innig te zoenen.
Ze worstelt zich vrij, omdat ik prik.
Ik heb me al een paar dagen niet geschoren.
Dat had best even gekund, van het weekend.




De microfoon

Ik schreef een poosje terug over mijn Duitse avonturen in Battlefield 2. Als de Duitse Gruppenführer me iets vroeg via het intercomsysteem, moest ik stoppen met lopen, een tekstveldje openen en een antwoord tikken. Ik had namelijk geen microfoon. Dat stond de Große Verbrüterung in de weg. Bovendien betekent stilstaan meestal dat ergens een sluipschutter begint te grijnzen en zijn cross hair op je schedel richt.
“Koop een microfoon,” suggereerde Alper.
Nou nee.
Ik speel in de woonkamer met een koptelefoon. Dat zou betekenen dat de VIHB alleen mijn fragmentarische uitroepen in paniekerig Duits zou horen. Dat is het equivalent van iemand die vals meezingt met zijn walkman.
Een week later kwam ik langs de Mediamarkt. Ineens stond ik toch in de kelder, voor het rek met de koptelefoons met ingebouwde microfoon. Ik kocht de eerste de beste Logitech-set die ik zag.
Thuis sloot ik de set aan en ging spelen.
De VIHB zat op de bank met haar laptop. Ik voelde me bekeken.
In de eerste squad waar ik mee speelde werd amper gepraat.
Ik betrapte mezelf op enige opluchting.
Maar de volgende squad had een actieve Gruppenführer. Toen ik naast hem spawnde, achter een fabriekgebouw, begroette hij me via de intercom. ‘Tag Kloek. Wie gehts?’
Het zweet brak me uit.
Mijn vinger ging naar de muisknop waarmee ik mijn microfoon kon activeren.
Ik schraapte mijn keel.
Toen stopte ik met lopen, opende een tekstveldje en tikte: Hallo.
Ik durfde niet.
Een half uur later stopte ik met spelen. De VIHB merkte op dat ze me niets had horen zeggen. Ik zei dat ik me een beetje geneerde. Ze zei dat dat volledig terecht was.

Een paar dagen later speelde ik weer. De VIHB was niet thuis en ik was vastberaden om mijn schroom te overwinnen. De Große Verbrüterung was binnen handbereik.
Licht zwetend meldde ik me aan bij een squad.
Ik werd niet begroet, maar ze waren dan ook bezig om een basis achter de frontlinie in te nemen. De Gruppenführer plakte C4 op de brug die naar de basis leidde en blies ‘m op. Dat zou ons iets meer tijd geven, voor de tegenaanval zou komen. Er werd druk gepraat, maar ik had nog niets te zeggen gehad.
Ik was hospik en strooide wat ehbo-pakketjes rond de basis voor als mijn kameraden daar geraakt zouden worden.
Ineens zag ik op onze linkerflank een amfibische pantserwagen de rivier oversteken. De rest van het squad hield alleen het gebied rond de brug in de gaten. Dit was het moment. Dit was belangrijk.
Ik drukte op het intercomknopje op de muis. Een klein geel luidsprekertekentje verscheen in de hoek van mijn scherm. Ik zou mijn eerste mededeling gaan doen op het slagveld en het zou levens gaan redden.
Ik zei: ‘APC linke Flanke! Panzer Abwehr, schnell!’
Mijn ademhaling was onregelmatig, maar het was er toch redelijk verstaanbaar uitgekomen.
Ik keek achterom of er al iemand kwam met het anti-tank wapen.
Er kwam niemand.
De pantserwagen had me gezien en begon me te beschieten met het boordkanon. Ik verstopte me snel achter een pilaar van een gebouw. ‘Bitte schnell Panzer Abwehr bitte!’ Dat was een bitte te veel, maar beter een bittetje teveel dan te weinig, leek me zo.
Niemand reageerde of zei iets.
‘Halloooo!’ riep ik in de microfoon.
‘Kloek,’ zei de Gruppenführer. ‘Könntest du bitte dein Microfoon lauter abstellen? Ich kann dich nicht hören.’
Hij had ook het gele luidsprekertekentje zien oplichten met mijn naam erachter en vervolgens was er alleen wat ruis doorgekomen.
Ik draaide alle schuiven open. ‘Hallo! Kannst du mich jetzt hören?’
Mijn squad werd inmiddels geslacht door de pantserwagen. Onze anti-tank-specialist had ‘m te laat gezien.
‘Kloek,’ zei de Gruppenführer. ‘Könntest du bitte dein Microfoon lauter abstellen? Ich kann dich noch immer nicht hören.’
Ik leefde nog als enige van het squad en kon niet uit mijn schuilplek komen om de Gruppenführer te reanimeren, omdat de meneer in de pantserwagen wist dat ik daar nog ergens rondhing.
Ik stopte met lopen, opende een tekstveldje en tikte: Entschuldige.
We verloren.
Ik trok de stekkers van de koptelefoon en microfoon uit de geluidskaart en stopte de set terug in de verpakking.




En passant 18

Wel, joh, we hebben hartstikke veel in de verkoop staan. Die spikes, bijvoorbeeld. En die F16's van Jordanië. Dus.

(Bolle man in windjack praat voorovergebogen in een mobieltje. Onder zijn arm zit een conferentietasje waar op staat: ComDef 2002. Station Schiphol, perron 5, maandagmorgen.)




Kleingeld

Ik was op een kleine conferentie in Pittsburgh. Na mijn presentatie begon de lunchpauze. Een oude man kwam naar me toe. Hij had de hele ochtend op een stoel in de achtergrond gezeten, niet aan de u-vormige tafelopstelling waar de wetenschappers achter hun naambordje zaten.

De man pakte mijn onderarm en kneep er zachtjes in.
?You?re gifted,? zei hij.
?Thank you,? zei ik.
Sommige complimenten zijn als het overgebleven kleingeld van een land waar ik ooit geweest ben, maar nooit meer zal terugkomen. Je koopt er niets voor, maar ik bewaar ze met religieuze toewijding. Bij mijn laatste verhuizing kwam ik zeven muntsoorten tegen, waarvan er drie niet langer bestaan.

Ik liep langs het zelfbedieningsbuffet en ging bij een Amerikaanse onderzoeker zitten. Ik zit graag bij Amerikanen, omdat ze het gesprek kundig gaande houden. Stilte wordt gezien als falen. Dat is eigenlijk in de meeste culturen zo, alleen is men daar vaak meer gewend aan falen dan in de Amerikaanse cultuur.

Verder zat er een Zweed en Sloveen aan de tafel. De Zweed bleek de conferentie te financieren. Hij werkte bij een defensie-instituut ? dan koop je een blik sociale wetenschappers met het wisselgeld van reserveonderdelen. Overigens had eerder die ochtend een Amerikaanse onderzoekster uitgelegd dat de uitkomst van volgende oorlog bepaald ging worden door de beschikbaarheid van reserveonderdelen.

De Zweed zei dat mijn presentatie diepe indruk op hem had gemaakt en dat we dringend verder moesten spreken. 
?I?d like that very much,? zei ik. Bij twijfel doe ik Amerikanen na.
Tijdens het schrijven van het artikel was ik overvallen door grote gevoelens van trivialiteit. Dat was op zichzelf niet al te zorgelijk. Gevoelens van trivialiteit horen bij moderniteit. Zoals luchtverontreiniging of gironummers voor noodhulp.
Sociale wetenschappers zijn zo gewend aan trivialiteit dat men die eigenschap geen belemmering vindt voor het complimenteren van elkaars werk.
Ik zei tegen de Zweed dat ik erg uitkeek naar zijn presentatie, later op de dag.
Mijn imitatie van Amerikaanse omgangsvormen kwam redelijk goed uit de verf.

Terwijl de wetenschappers hun bordjes leeg aten, zag ik twee oude mannen en een oude vrouw binnenkomen. De vrouw droeg een roze trui met vlekken. Een van de mannen had een blauwe pet op met een gele symbool van een legereenheid. Ze begroetten niemand, liepen naar het gratis buffet, bespraken fluisterend het aanbod en gingen met volle borden aan een apart tafeltje zitten, waar ze zwijgend hun lunch aten.

Na de lunch gingen ze mee terug de vergaderzaal in en namen plaats naast de oude man die mij gecomplimenteerd had. Ze luisterden een uur naar een discussie over de definities van kwetsbaarheid. Het was een duurbetaalde lunch.




Zonder lekken

Ik stond in de deur en hield een usb-stickje omhoog tussen duim en wijsvinger. Met mijn andere hand streek ik mijn das recht. Ik keek even of ik roos zag liggen op mijn linkerschouder, maar als je kleurenblind bent biedt een gemêleerd bruin pak te weinig contrast voor het signaleren van hoofdhuid. Het kon echter niet anders dan dat er roos lag. Ik blies over mijn schouder, zo stil mogelijk. Het gesprek was goed gegaan, maar dat was nog geen reden om te verslonzen.

De man keek op van zijn bureau. Zijn computer stond weggedraaid van het grote raam. Met reden. We waren op de achttiende verdieping van hun hoofdkantoor en het raam bood een hypnotiserend uitzicht over Amsterdam.
?Dat gaat niet werken,? zei hij ? en knikte naar mijn opgestoken hand. ?We kunnen geen usb-sticks gebruiken op onze computers.?
?Dat hebben jullie dan beter geregeld dan onze vrienden van Defensie,? zei ik.
Ik wachtte op een lachje. Met mij kun je lachen.
?Ach,? zei de man bedrukt. ?Voor lekken hebben we de ondernemingsraad.?
Hij stond op en keek onwillekeurig door het raam.
Hij bevroor en staarde een ogenblik naar buiten.
Daarbuiten, daar was het.
Iets.
Zonder lekken.




Kleine esthetica der groentetas

Romanesco bloemkool
Rode kool




Groentetas

Toen ik nog een persoon was, telde ik ook als huishouden. Volgens het CBS. Het eenpersoonshuishouden. Zie ook: Alleenstaande. (Je kan merken dat sociologen niet houden van mensen. Enkel huizen stijgen in waarde door alleen te staan en zelfs daar spreekt men liever over vrijstaand.)

Maar voor een huishouden leek me altijd toch iets meer nodig dan mijn haastige opruimacties een half uur voor het bezoek zou arriveren.
Inmiddels is het dan zover: man, vrouw, 1.0 kind ? een huishouden.

Het kloppend hart van ons huishouden: de Groentetas.
Elke woensdag halen we bij de natuurwinkel een bruine papieren zak met groenten.
Pastinaken, koolrabi, penen, schorseneren, postelein. En zo.
Voor het mejeu.

Daar praten we dan over op woensdagavond. Over wat er in de zak zit. Soms moeten we zoeken op internet om te achterhalen wat het is.

De groentetas is het hoogtepunt van de week, zei de VIHB laatst tegen een vriendin.
De vriendin schoot in de lach. Die malle VIHB toch, met haar ironische kijk op het huwelijk.
De vriendin was alleenstaand.
De VIHB lachte bij nader inzien toch maar mee.
Sindsdien is ze wat terughoudender met het delen van haar wekelijkse hoogtepunt.

Er zijn verschillende abonnementen.
Wij hebben de eenpersoonsgroentetas.
Die krijgen we niet op.
Ik neem aan dat de omvang van die tassen op een normale eetpatroon is gebaseerd. Of misschien op CBS statistieken over groenteconsumptie van hoog opgeleide witte dertigers. Andere mensen zie je namelijk niet in de natuurwinkel. Ja, soms mensen die ooit hoog opgeleide witte dertigers zijn geweest.
Bij ons blijft er aan het einde van de week vaak iets over.
Zelfs als eenpersoonhuishouden schieten we tekort.




De goeroefase

Het meisje mocht niet lachen.
Ze zat aan een tafeltje bij het raam, waar het designcafé op zijn meest designs was.
 ?Sorry,? zei ze en lachte gespannen om zich te verontschuldigen voor het lachen.

Ze mocht niet lachen van een magere man met een grijze bos krullen. Hij danste om het meisje heen en zat af en toe aan haar om een haarlok anders te leggen of om haar kin te scharnieren in een betere positie.
Ik kon hem niet verstaan, maar zijn fladderende armen gebaarden dat er iets van binnenuit moest komen. Het zou ook het universele gebaar voor braken kunnen zijn.

Tegenover het tafeltje met het meisje stonden drie mannen. Een man hield een rond schermpje in de lucht, als een hoepel waar het meisje doorheen zou gaan springen. De twee anderen stonden voorovergebogen achter het statief met hun fotocamera en tuurden naar het meisje. Ze knepen hun vrije oog zo hartstochtelijk dicht dat hun gezicht verwrongen leek van de pijn. Er bleef te weinig gezicht over om hun tanden te bedekken. Af en toe wisselende de mannen van positie en moest een ander met het reflecterende schermpje staan.

Omdat ze niet mocht lachen, maakte het meisje tussen de foto?s door overdreven gaapbewegingen met haar onderkaak.

Na twintig minuten besloot de fladderende meneer dat er genoeg van binnenuit het meisje was gekomen. Hij applaudisseerde in zijn eentje voor het meisje en knikte dat het goed was. Echt heel goed, hoor.
De drie andere mannen peuterden aan hun apparatuur.
Het meisje stond op.
Ze lachte nog steeds niet.

Even later verplaatste het groepje zich naar een ander tafeltje in het café. Een tafeltje om aan te zitten. Om gezellig aan te zitten.

Ze bestelden drankjes.
Even was het stil.
De fladderende meneer bleef glimlachend naar het meisje kijken en zei dat het heel goed was gegaan.
Een van de drie fotografen vertelde dat hij steward was geweest bij de KLM en begon uitgaanstips te geven voor als ze nog eens in Houston waren. Zijn haar was te blond en te vol en te net en te mooi in een scheiding.
De twee andere fotografen waren beide licht kalend, met een juristenbrilletje, een dunne wollen truien met daaronder een streepjeshemd. Ze droegen een soort zwartleren toilettasje onder hun arm. Ze lachten beleefd bij de tips van de steward, maar hun ogen dwaalden steeds af naar het meisje.

Het meisje zei iets dat ik niet verstond. Ze zat met de rug naar me toe.
De fladderende meneer knikte begripvol.
?Dat is een kwestie van leren,? zei hij geruststellend.
Hij hoefde niks meer te leren.
Hij keek zoals een hoge ambtenaar ooit naar mij keek. Hij had een lange uiteenzetting gegeven en wachtte even tot ik klaar was met opschrijven. Toen ik opkeek, glimlachte hij en zei: Ik ben nu in de goeroefase aangekomen.
Er mocht nu gelachen worden, maar veel aanleiding daartoe was er niet.




Mannen van Miljard (slot)

Eerder: 1, 2, 3.

Na een korte stilte zei een van de Britse professoren dat hij het wel met me mee eens was. Er klonk enige opluchting in zijn stem.
     De vertegenwoordigers van GlobalChem keken wantrouwend. Wellicht berekenden ze in stilte hoeveel onze reis en verblijf hadden gekost.

Er was geen weg meer terug.
Ik zei dat ik, om te beginnen, het event wilde inkorten van vijf naar drie dagen.
Wenkbrauwen gingen omhoog.

In een onderonsje met mijn baas hadden we ingeschat dat we de Mannen van Miljard maximaal een dag konden vermaken. Onze powerpointdia’s zijn prettig van kleur, maar ze houden niet lang stand tegen de gedachte aan een actuele kostenoverschrijding van honderden miljoenen in Zuid-China.

Dus, zei ik. De eerste dag brengen we de mannen met elkaar in gesprek.
    De tweede dag zouden we daarop ingaan. Met gebruik van onze modellen. Ik knikte naar de Britten en zei dat hun modellen me daarvoor bijzonder inspirerend leken.
    Op de flipover stond nog steeds het model met drie blokjes en geen pijlen. Die simpliciteit zou een shock and awe-effect hebben op de mannen.
   Mijn baas en ik zouden dan ’s middags onze modellen inzetten. De facto betekende dat een goochelshow van een uur of twee. Als we in vorm waren zouden we de discussie twee uur weg kunnen houden van de International Business Environment.

De derde dag zouden we de mannen in gesprek brengen met hun bazen, om over en weer ‘beelden uit te wisselen.’ Deze omschrijving doet vermoeden dat een moderne onderneming sterk lijkt op een ruilbeurs van postzegelverzamelaars. Dat zou kunnen kloppen, als postzegelverzamelaars iemand boven zich zouden hebben om tegen te klagen dat het niet hun schuld is dat de belangrijkste postzegels ontbreken in hun collectie.

‘Zoiets dus,’ zei ik.
‘Interessant,’ zei iemand van GlobalChem. ‘Ik heb nog nooit meegemaakt dat een academicus voorstelt om een cursus in te korten.’ Hij tikte met een gestrekte wijsvinger tegen zijn lippen en keek even peinzend voor zich uit. ‘Maar misschien is dat wel goed,’ besloot hij.
    Dat was het teken voor de andere mensen van GlobalChem om ook instemmende geluiden te maken.
    Als de academici tegen hun eigen belang in handelden, moest het wel doordacht zijn.

De belofte op consensus hing in de lucht.
    ‘Maar wacht even,’ zei een Afrikaanse meneer van GlobalChem. ‘Hoe garanderen we dan dat de leerdoelen worden gerealiseerd?’
    Hij keek me aan. Mijn antwoord bestond uit een nerveuze glimlach.
    ‘Nou,’ zei de Britse professor van het model met de drie blokken. ‘Kijk.’ Hij pakte het blaadje met de achtentwintig leerdoelen, liep naar de tekening van zijn model en gaf bij elk leerdoel aan in welk van de drie blokjes het hoorde. Het was inderdaad een geniaal model. Alles wat je ooit wilde leren over de International Business Environment zat er in.

De rest van de dag vulden we het programma verder in.
Ik zei tegen mijn baas dat we elkaar moesten beloven dat we de ander niet in zijn eentje moesten laten gaan, als het event zou plaatsvinden. De Mannen van Miljard mochten dan een zeldzame diersoort zijn, ik was er niet gerust op dat hun voedingspatroon vrij was van bleek academisch vlees.

Een paar dagen vertelde ik een vriend over deze reis. Hij vroeg me waarom ze in vredesnaam mij hadden gevraagd om met Mannen van Miljard over de International Business Environment te praten.
    ‘Weet je daar dan iets van?’ vroeg hij.
    ‘Nee,’ antwoordde ik.
    ‘Dus?’

Ik stotterde wat, maar wist niet waar ik een spoor van het antwoord vinden kon.
    Later realiseerde ik me dat het probleem is dat we allebei veronderstelden dat dit soort processen meritocratisch zijn – dat je positie bepaald wordt door je verdiensten.
    Dat klopt niet. Ze zijn attractocratisch. Er komt iets langs en er blijft van alles aan kleven. Zoals je door een veld kan lopen en het kleefkruid laat kleine groene balletjes achter op je broekspijpen.
    Ik ben zo’n balletje.




Mannen van Miljard

Eerder: 1, 2.

De Mannen van Miljard mochten dan het hoogste echelon van het bedrijf vormen, in beginsel is iedereen gebrekkig en zondig. Ze zouden aan de achtentwintig leerdoelen onderworpen worden die hun eigen afdeling Global Corporate Learning voor hen hadden bedacht.

De leerdoelen waren onderdeel van een bureaucratisch meesterwerk met JCP’s, FTU’s, TOL’s en PIR’s. Ik begon tafelruimte te claimen bij mijn buurmannen om alle uitgedeelde papieren te kunnen overzien. Mijn rechterbuurman zag me peinzend kijken en gaf me een gedrukte lijst waarboven stond: TLA – three letter acronyms.

Ik werd ongemakkelijk. Ook mijn baas draaide onrustig in zijn stoel. Waarom kwelden deze mensen hun eigen directeuren met zoveel bureaucratie?

Tussen de drieletteracroniemen door zeiden de vertegenwoordigers dingen als: ‘Dit is een zeldzame diersoort die je zelden in een groep aantreft. We mogen blij zijn als ze naar dit high level learning event komen.’
    Of: ‘Dit zijn veeleisende mensen, het is zeer belangrijk dat het event aan de hoogste eisen voldoet.’

Langzaam werd het duidelijk: het was een angstbezweringsbureaucratie. Bureaucratie is het wapen van de onmachtigen. Een Franse socioloog ontdekte ooit dat ondergeschikten meer aan bureaucratische procedures gehecht waren dan de leidinggevenden die de procedures hadden ingesteld. Het was een schild geworden. Zolang de ondergeschikten de procedures volgden, konden ze zich verantwoorden en zich immuniseren tegen het oordeel van hun bazen.

De Britse academici deden hun best om de leerdoelen te vertalen in iets wat we met de Mannen van Miljard konden doen. Maar ze liepen langzaam vast.
    Mijn baas en ik zeiden niets. We hebben één kunstje. Een academische goochelact. Iedereen houdt van goochelen – daarop gokken we. Je moet ons niet vragen een acrobatisch nummer op te voeren. We zijn te ervaren om brokken te maken, maar boeiender wordt het er niet van. Mijn meest acrobatische vaardigheid is de koprol. Na een keer of vier heb je dat wel gezien.

We hadden dus geen keus.
Toen de vergadering even stokte, schraapte ik mijn keel.
‘Vergeef me mijn directheid,’ zei ik.
‘Ik weet niet hoe jullie hier over denken,’ zei ik.
Mijn voorspel is doorgaans nogal uitgebreid. Dit om teleurstellingen aangaande het hoofdspel te verzachten. Ik durf na afloop nooit te vragen of het heeft gewerkt. Ik vermoed dat de tegenpartij na afloop niet durft te vertellen dat het de teleurstelling alleen maar groter maakt. Ik deed immers zo mijn best, dat moeten zij ook toegeven.
‘Maar,’ zei ik. ‘Ik denk dat niemand in deze ruimte in een positie is om de directeuren iets te leren.’

~Vervolg~




Mannen van Miljard

Eerder: 1.

Reve schreef ooit, meen ik, dat hij bij een stationsloket had gevraagd om een kaartje naar de Wereldmarkt. Hij was op zoek naar een koopje en in de krant stond dat de prijs van koffie was gezakt op de Wereldmarkt. Ik moest nu op zoek naar de International Business Environment. En dan dat deel van de environment waar je vertoeft als je anderhalf tot vijf miljard te besteden hebt, niet het deel waar mijn oom rondhangt die sloffen sigaretten verkoopt aan Duitsers op de Venlose kerstmarkt.

Ik vroeg me af of de andere mensen in het zaaltje er wel eens geweest waren. Mijn baas niet, dat wist ik. Wellicht de vier Britse academici.

De eerste professor was een Schot met instappers en een grote armgebaren. Hij stelde voor om het high level learning event – het woord cursus schoot ernstig tekort voor wat GlobalChem van ons vroeg – te beginnen met een oefening. Even lekker losmaken. Hij had nog wel een oefening liggen waarin mensen samen een opdrachtje moesten uitvoeren en er vervolgens achterkwamen dat mensen uit verschillende culturen anders denken.

Ik probeerde me voor te stellen hoe ver je moest gaan om de Mannen van Miljard tot fysiek geweld te bewegen. Deze oefening leek me op eigen kracht al een eind te komen.

Een andere professor, jong en blond en traag pratend, had een model dat hem zeer bruikbaar leek. Hij liep naar de flipover en tekende drie blokken met daarin steeds een woord: environment, stakeholders, operations.
    Ik wachtte tot hij de onvermijdelijke pijlen in het model zou tekenen. In mijn vak geldt: bij twijfel liever een pijl teveel dan te weinig. Als er een warboel aan pijlen ontstaat is dat des te beter. Dan spreken we van complexiteit en doet het er niet meer toe wat de pijlen precies betekenen. Want het is complex, immers.
    Maar de professor tekende geen pijlen. Hij was voorbij de pijlen. Drie blokjes, drie woorden. Daarmee zouden we de Mannen van Miljard nieuwe dingen gaan leren. Duizelingwekkend zou het zijn – geen bijeenkomst maar een event.

O, zei de derde professor, als we op deze toer gaan heb ik ook nog wel wat modellen liggen.

Ja maar wacht even, zei een van de vertegenwoordigers van GlobalChem. Het is wel belangrijk dat we de leerdoelen in de gaten houden. Hij knikte naar een assistent. Die stond op en deelde een stapeltjes kopieën uit aan iedereen. De academici pakten hun stapeltje en bladerden even in stilte. Er waren achtentwintig leerdoelen voor de Mannen van Miljard. Je kon niet zomaar Operaten in de Global Business Environment.

~Vervolg~




Mannen van Miljard

Het ging om mannen van tussen de anderhalf en vijf miljard. Dat vertelde een vertegenwoordiger van GlobalChem aan het begin van de vergadering – dat het ging om directeuren van projecten tussen de anderhalf en vijf miljard. Als je projectleider was met een begroting onder de anderhalf miljard mocht je niet meedoen.
    Er zijn plekken in deze wereld waar als je een miljard te besteden hebt, je nog steeds kan hopen op een betere toekomst.

We zaten in een zaaltje op een voormalige Britse luchtmachtbasis – zes vertegenwoordigers van GlobalChem, vier Britse academici, mijn baas en ik. De grijsbruine inrichting stamde nog uit de tijd dat de luchtmacht als taak had het eiland te verdedigen en vliegen een bijzaak was. Toen hadden ze nog geld voor inrichting. Je zat immers meer binnen dan in de lucht.

Een paar jaar geleden was de verzameling bakstenen gebouwen verkocht aan een universiteit en herdoopt tot Management Development Centre. Een fraaie auto met het logo van het Centre had ons van het vliegveld afgehaald. Management Development was een stabielere markt dan oorlog.

Op het projectiescherm het logo van GlobalChem en de tekst: Operating in the International Business Environment. Wij zouden de mannen van anderhalf tot vijf miljard iets gaan leren over Operating in de International Business Environment. Vanuit die veronderstelling betaalde GlobalChem de reis, het verblijf en ons dagtarief.

Van de International Business Environment weet ik nog minder dan van het Middelpunt der Aarde. Van die laatste locatie is tenminste nog de route bekend, ook al laat de bereikbaarheid enigszins te wensen over. Men dient af te dalen in den krater van den Sneffels Yocul, dien de schaduw van den Scartaris treft vóór den eersten Juli.
    Waar men zich dient te vervoegen voor de International Business Environment was mij onbekend.

~Vervolg~




Een uit talloos veel miljoenen

Voor wie het nog niet wist, Arnon Grunberg blogt ongeveer wekelijks. In het Engels, want betaald met subsidie van de Amerikaanse overheid. Wie kwaad wil, zou hem een blogger kunnen noemen. Terloopse stukjes, dagelijkse zaken. Maar regelmatig is er zo?n zin die hem ongeschikt maakt als kandidaat voor een Bloggie. Zoals: Like Darwinism, intellectual property is just a theory.

Men zou hem moeten inhuren als tekstschrijver voor een chatbot die automatische bijdragen levert aan gesprekken via MSN. Ergens zit iemand te slapen met haar hand in een subsidiepotje waarop staat: Jeugd en Literatuur.




Mijn Arische gebit

De halfjaarlijkse tandartscontrole was ingevoerd door de Nazi?s, zei W.
Of met medewerking van de Nazi?s, dat kon ook.
Nou ja, in ieder geval tijdens het bewind van de Nazi?s.
In 1942.
Dat had een fysiotherapeut hem verteld.
Naar het schijnt zijn de fysiotherapeuten erg jaloers op dat kunstje van de tandartsen. Dat mensen elk half jaar vrijwillig langskomen, ook al hebben ze nergens last van. Een goudmijn, onder het mom van preventie.
?Kijk,? zei W. ?Dat idee van preventie is oplichterij.?

Een minuut eerder dacht ik dat hij ging opstaan van de eettafel om naar huis te gaan.
Toen herinnerde hij zich de naakte, bleke mannen die ons omringd hadden tijdens het douchen na de squashwedstrijd. Ze wisselden tips uit over zorgverzekeringen. Het ging er ruig aan toe. Iemand zei dat je per definitie moest wisselen van verzekeraar, dat was altijd beter. Een ander zei dat je altijd het middelste pakket moest kiezen. Als je een gezin had tenminste. Maar een derde man vond dat het afhing van het collectieve contract van je werkgever. Maar de eerste twee mannen vonden collectieve contracten slap. Je kon in je eentje meer voordeel behalen.
Ze waren begonnen bij het uittrekken van hun onderbroeken. Maar ze hadden zoveel tips dat ze bij het afdrogen van hun geslacht elkaar nog in de rede vielen.

W. vroeg of wij nog verzekeringstips moesten uitwisselen.
Ik zei dat ik geen tips had. Maar dat ik wel eindelijk eens mijn tandartsverzekering moest terugschroeven, want ik ging nooit naar de tandarts.
En toen was W. over een stokpaardje gestruikeld.
?Onmiddellijk stopzetten,? zei hij.
?O?? zei ik.
?Ja sorry, dit is een stokpaardje van me. De macht van het tandartskartel stoort me mateloos.?
Toen ging het snel. Binnen een minuut waren we bij de Nazi?s.
Ik vond het een beetje flauw. Altijd maar dat stigmatiseren van de Nazi?s. Misschien hadden de tandartsen betoogd dat het voortbestaan van het Arische Gebit bedreigd werd door allerlei geïmporteerde zoetigheden. Dat klonk toch alleszins redelijk.

?Ja kijk,? zei W. ?Als jij graag een mooie jacht van een tandarts wil helpen financieren, als dat je doel is, dan moet je vooral die tandartsverzekering afsluiten en op controle blijven gaan.?
De kern van zijn redenering was dat tandartsen niet echt aan preventie deden. Bij kanker of zo slaat preventie ergens op. Maar tandartsen krabben tijdens de controle wat aan je tanden en als je een gaatje hebt gaan ze boren. Dan is het al te laat. Dan kun je net zo goed pas gaan als je ergens last van hebt. Zoals we met alle andere ziektes doen.

Ik zei dat zijn redenering hout sneed. Dat hij dit aan de kaak moest stellen. Die woordspeling bleef gelukkig onopgemerkt. Misschien moest hij een kamerlid bellen of een ingezonden brief schrijven.
?Ja,? zei W. Hij stond op om naar huis te gaan.
Ik liet hem uit en nam me voor om mijn tandartsverzekering stop te zetten. Er ging bij voorbaat al een zekere voldoening van die beslissing uit.

De dag erna rende ik de trap af, aan de late kant voor mijn trein.
Met grote sprongen nam ik de treden. Halverwege de trap voelde ik bij elke sprong de vullingen in mijn kiezen. Een stekende pijn die ik niet eerder had gevoeld.
Ik dacht eerst even aan de medische experimenten van de Nazi?s.
En toen aan hoe lang ik al niet meer op controle was geweest.




Vijf maanden

Het is mijn kind niet. Reproductietechnisch gezien wel, maar verder niet. Ze staat los van mij.  Een vreemde. Om verliefd op te worden, dat wel. Alleen op een vreemde kan ik verliefd worden.

Ik ging er impliciet van uit dat ze nog niet af was, als pasgeborene. Dat pas langzaam het koddige lijfje bewoond zou gaan worden door een personage. Zo zou ik haar leren kennen. En ergens daarin zou de frase ?van mij? vanzelfsprekend gaan klinken.

Maar vanaf het begin was ze helemaal af. Volwassen, bijna. Ze had genoeg aan zichzelf. Soms keek ze welwillend naar de vreemden om haar heen die pogingen tot amusement aanboden. Soms volgde ze hen wantrouwend. Ze was alleen niet zo?n prater. Het stille meisje op een schoolfeest. Autonoom. Onpeilbaar. Verrassend.

Een neveneffect hiervan is dat ik het gevoel heb dat ze hier te logeren is en elk moment kan weggaan. Als ze het mooi geweest vindt. De VIHB en ik zijn best aardig, maar je moet het niet te gek maken. Vertrekken, nu het nog leuk is.

Aan de eettafel wordt elke avond operationeel overleg gevoerd tussen de ouderlijke instanties. Diverse logistieke details worden geplot tegen trendlijnen en voortschrijdende gemiddelden. Aan het slot van de vergadering volgen enige pogingen tot interpretatie van het fenomeen. Twee Dr. Clavans die het Kremlin proberen te duiden.

Meestal buigen we snel ons hoofd voor het onkenbare. Ons liefste black boxje. (Kijk, met ironie lukt het wel, bezittelijke voornaamwoorden gebruiken.)




Informatiemanagement

Licht duizelig liep ik naar buiten. In een uur had ik een stuk of vijftig artikelen en rapporten doorgekeken. Ik was bezig een onderzoeksaanvraag te schrijven. Dat vereist een literatuuroverzicht. Het probleem is: in mijn vakgebied leest bijna niemand meer de literatuur. Geen tijd. Alleen mensen die niet publiceren lezen nog. De rest ?kijkt door.?

Vorige week zat ik achter mijn bureau en las ik een boek. Na een uurtje of twee werd ik ongemakkelijk. Alsof ik spijbelde van mijn echte werk. Boeken lezen zit nu in dezelfde categorie als de icoontjes op je bureaublad sorteren.

Ik liep over straat met teveel informatie in mijn hoofd. Aan de overkant stond een blauwe vrachtwagen. Een meneer in een overall bestuurde een grijparm die een grote metalen bak ondersteboven keerde. Een papierlawine verdween in een donker gat. Op de zijkant van de vrachtwagen stond in grote gele letters: Pietersen Informatiemanagement.




Jaarbalans

Een jongen op het oudejaarsfeestje zei dat Daan en ik hetzelfde aan hadden. Ik keek naar Daans kleren en Daan keek naar mijn kleren. We hadden hetzelfde aan. Op de middag van oudjaar hadden we allebei in de kast gekeken en iets in oranje gepakt bij een donkere broek. Toeval natuurlijk.
    ?En jullie hebben ook nog ongeveer hetzelfde halflange haar,? zei de jongen.
    We keken even naar elkaars haar.
    Ik overwoog iets te zeggen. Dat Daan rood haar heeft bijvoorbeeld.
    ?O,? zei de jongen. Tot zijn eigen verrassing was hij nog niet klaar. ?En jullie vrouwen hebben hetzelfde aan.?
    Daan en ik keken naar onze vrouwen. Ze droegen allebei een zwarte trui, zwarte panty?s en een rokje dat bij navraag aangeduid bleek te worden met de term tweed.
    Vier mensen hadden zonder het te weten elkaar geïmiteerd.
    Op onzekere financiële markten blijkt niet winstmaximalisatie maar imitatie de meest voorkomende tactiek van handelaren. Imitatie garandeert dat je nooit in je eentje verliest. En als iedereen verliest, verliest niemand. Dan gelden andere beschrijvingen ? abstracter en veiliger, zoals ?de markt zakt in.? Slechts een enkeling vindt de kans om in je eentje te winnen opwegen tegen het risico in je eentje te verliezen.
    Ik keek naar de VIHB. Haar trouwring tikte tegen het wijnglas dat ze van tafel pakte. Ik dacht aan het wiegje in de kamer naast ons, waar op dat moment een zuigbaar duimpje van ongeveer een centimeter het meest geruststellende deel van het universum was.
    Ineens had ik het gevoel dat in het afgelopen jaar de balans is verschoven. Vanaf nu is er meer te verliezen dan te winnen. Het was een opwindend soort angst.
    De dag erna, op een winderig perron van Amsterdam Lelylaan, zei de VIHB melancholisch dat ze zich nu niet meer kon veroorloven om zelfmoord te plegen.
    Ik beurde haar op en zei dat als ze er echt voor zou gaan, het nog best zou kunnen.