De vakantie is aangebroken. Dat had ik een week eerder moeten constateren, maar goed. Morgen gaat het internet uit.
Er resteert alleen nog de mededeling dat degenen die interesse hadden in de tekst van mijn oratie, de voordracht die een gepensioneerde ingenieur uit zijn slaap hield, zij deze alhier kunnen downloaden.
Tot 1 augustus.

Een wonder uit armoede
(Ooit heb ik een klarinetensemble opgericht. Daar ben ik al jaren geen lid meer van, maar ik werd gevraagd een stukje te schrijven ter gelegenheid van het twintigjarig jubileum. Dit is mijn bijdrage aan het lustrumboekje.)
Wat bezielt iemand om een klarinetensemble te beginnen? Het antwoord luidt: armoede.
Begin jaren negentig woonde ik in Leiden. Ik had geen hobby’s. Ik had wel een klarinet.
De opties voor het bespelen van de klarinet waren beperkt. Als je talent had, was er misschien een plekje in een symfonieorkest te veroveren. Begin jaren negentig had ik geen talent. In de late jaren negentig evenmin, overigens.
De andere optie was me aan te sluiten bij een Leidse harmonie. Ondanks de afwezigheid van talent, voelde ik me daar toch te goed voor. Ik had jaren gespeeld in de harmonie van het Limburgse dorp waar ik ben opgegroeid. Laat ik daarover dit zeggen: voor de rest van mijn leven had ik voldoende gemarcheerd. Ik vond marcheren een mooie uitvinding, maar mijn voorkeuren hadden zich verlegd. In al die jaren had ik een keer gezoend met een saxofoniste en een avond op een bank zitten rommelen met de trompettiste. De conclusie was duidelijk: harmoniemuziek brengt niet het losbandige boven in de mens.
Geen symfonieorkest en geen harmonie. Die armoede aan opties heb ik me een paar jaar laten aanleunen. Toen had ik een belangrijk inzicht: er moest een substantieel aantal klarinettisten zijn dat mijn lot deelde. Zij zouden evenmin getalenteerd zijn, anders zaten ze wel bij een symfonieorkest. En ze zouden, noodgedwongen, met mededogen kijken naar andere bespelers van de klarinet – een van de minst begeerde instrumenten uit de muziekgeschiedenis.
Ik dacht: ik breng enkele dolende klarinettisten bij elkaar om troost te vinden in het getto van de klarinetmuziek. Met terugwerkende kracht besef ik dat ik eigenlijk een zelfhulpgroep heb opgericht.
Ik stapte naar de enige klarinettist die ik kende in Leiden: Tjy-ying. Tjy vond het een goed idee. Pas later besefte ik dat Tjy met hoge frequentie iets een goed idee vond. Dat verklaarde ook waarom hij vertrok na een van de eerste bijeenkomsten. Bijeenkomsten waarin bijzonder onwelluidend gemusiceerd werd, precies zoals een collectief gebrek aan talent doet vermoeden. Hij vertrok omdat hij wel talent had en, inderdaad, een plek had veroverd in een symfonieorkest.
En zo kwam het dat begin jaren negentig, een stuk of vijf matig spelende klarinettisten een avond per week bijeenkwamen in een zaaltje van het LAK-theater en zich door een paar liedjes van Scott Joplin heen ploeterden. Zo’n liedje paste op een enkel blaadje en had niet overdreven veel noten. Toch bleek het lastig om het enigszins herkenbaar ten gehore te brengen.
Daarna gebeurde er iets vreemds. De zelfhulpgroep kreeg ambities. De repetities werden serieuzer. Er sloten zich nog enkele mensen aan. Dat was op zich niet zo bijzonder. Nee, we hadden eerst lang gepraat over de vraag of de nieuwelingen wel goed genoeg waren. Je blijkt gradaties te kunnen aanbrengen in talentloosheid. Op tijd op de repetitie verschijnen, telde bijvoorbeeld mee. Of überhaupt op de repetitie verschijnen.
Daarna wordt het schimmig in mijn herinnering. We verhuisden naar Catena en trokken een dirigent aan. Ergens was het idee ontstaan dat we een dirigent nodig hadden. Vraag me niet dat uit te leggen. Hoe dan ook, het groeide uit tot een ensemble. Een paar mooie jaren volgden. Er werd gedronken, er werd gezoend, er werd gezweet op moeilijke stukken.
Een van de prettige effecten van saamhorigheid is dat je vergeet je te schamen. Achteraf komt de schaamte alsnog. Bijvoorbeeld als ik terugdenk aan de opvoering van de tune van het A-team. Zogenaamd met ironie. Speciaal voor dat nummer bediende ik tijdens het bespelen van de basklarinet met mijn rechtervoet een basdrum. Dat was lastiger dan vermoed. Tijdens het jaarlijkse concert in de Lokhorstkerk voerden we dit nummer ook op. Marco had zich verstopt in de kansel. Halverwege het nummer kwam hij tevoorschijn, getooid met een militaire helm en een megafoon. Hij brulde wat onverstaanbare teksten de kerk in. Het publiek keek meewarig toe.
Na afloop, in een naburig café, dronken we zo snel dat de schaamte geen kans kreeg ons in te halen.
Het is goed mogelijk dat schaamte vooral mijn eigen preoccupatie is en niet door de andere leden uit die tijd gedeeld wordt. Ik schaam me voor alles. Het feit dat er een periode is geweest waarin ik me niet heb geschaamd voor de striemende orkaan van vijfentwintig krijsende klarinetten, is een vorm van puur geluk. Voor de concerten nodigde ik iedereen uit die ik kende. Geen moment vroeg ik me af of ik niet teveel vroeg van vriendschappen en familiebanden. Geluk en zelfgenoegzaamheid zijn soms moeilijk van elkaar te scheiden.
Op een gegeven moment was het klaar. Ik had geen zin meer. Ik stopte. Niet veel later belandde mijn klarinetkoffer onder in de kledingkast.
Met enige teleurstelling constateerde ik niet onmisbaar te zijn. Lignum bleef monter haar publiek trakteren op striemende orkanen van krijsende klarinetten. Pas daarna voelde ik dankbaarheid voor het feit dat een groepje mensen mij even de illusie had verschaft onmisbaar te zijn. Die illusie kan ik iedereen aanraden.
Nu resteert slechts de verbazing. Na twintig jaar bestaat Lignum nog steeds en het gaat haar goed. Sommige wonderen worden uit armoede geboren.
Gisteren was ik begeleider van de schoolreis van Vera’s klas. Er waren bijna alleen vrouwelijke begeleiders. Ik weet niet of het opzet was, maar de twee wildste jongetjes, beide vijf jaar, waren in mijn groepje ingedeeld.
Mijn vrouw vroeg per sms of alles onder controle was. ‘Ik heb de wind er flink onder,’ schreef ik terug.
Halverwege de dag liep ik na het zoveelste toiletbezoek met een van de wilde jongetjes terug naar de groep. We zwegen een poosje. Toen vroeg hij op beschouwende toon: ‘Meneer de pappa van Vera, waarom zegt u zo vaak sorry?’
Ik vond dat een verontrustende vraag.
Ik ben in Cambridge, Massachusetts voor een conferentie op de campus van Harvard University. Op de route van het hotel naar de conferentie loop ik langs Obama's oude hangplek, de Law School.
Op vakantie in eigen land (slot)
(Wat er vooraf ging.)
De eerste spreker in de schouwburg van Barendrecht was geoloog Salomon Kroonenberg, klimaatscepticus. Hij noemde zichzelf liever klimaatrelativist. Hij liet een dia zien met een serie vrouwelijke onderbroeken uit verschillende tijdperken. Ze werden steeds kleiner. Conclusie: het wordt warmer. De zaal gierde het uit.
De rest van het betoog kwam er op neer dat de opwarming weinig te maken had met CO2 en alles met de activiteit van de zon. Klimaatneutrale producten was een vorm van oplichterij waarmee geld kon worden verdiend. Voor me zat een oudere vrouw met gespalkte onderarmen. Ze mompelde na elke bewering van Kroonenberg: ‘Ja ja, zo is het wel.’
Onder een warm applaus verliet de spreker het podium. Er was gelachen, er was gejoeld, er was geklapt. Het eigen gelijk heeft al snel amusementswaarde. Cabaret is een bedrijfstak die bestaat dankzij dat gegeven. Je zoekt het engagement uit dat bij je past. Vervolgens koop je een kaartje voor een avond lachen en het gevoel aan de goede kant te staan. Een koopje.
Na een tweede spreker, een geoloog met verstand van ondergrondse reservoirs, was ik aan de beurt. Ik vroeg de aanwezigen een hand op te steken als ze tegen de opslag waren. Een paar honderd handen gingen omhoog. Er werd gegniffeld over zoveel eendracht. Daarna vroeg ik of er voorstanders waren. Twee jongenmannen in het midden van de zaal staken hun hand op. Er ontstond wat geroezemoes en er werd wat geroepen. Ik zei dat die jongens na afloop een drankje moesten krijgen voor het feit dat ze hun hand hadden opgestoken. De twee jongens joelden. De zaal schoot in de lach.
Ik hield mijn betoog – dat er niets uitzonderlijks was aan de CO2-opslag in Barendrecht, dat we zulke risico’s voortdurend nemen en dat, cru gezegd, Barendrecht levens tegen geld moest ruilen – en ging weer zitten. Er volgde een beleefd applaus, zonder boegeroep.
Tijdens de discussie aan het slot van de avond werd gekaapt door buitenstaanders die hun product om CO2 op te slaan kwamen verkopen. Een Vlaamse man met een woeste haardos en een oranje stropdas vertelde dat zijn Iraanse partner allang een oplossing voor het probleem had uitgevonden, maar dat de grote bedrijven die tegenhielden. Daarna volgde iets warrigs over CO2 die oneindig lang in een quantumtoestand werd gebracht. De twee geologen naast me keken elkaar vragend aan. Een andere ondernemer had een oplossing die iets met het zand in de Sahara te maken had. De zaal wist niet wat ze er mee aan moest. Zoals bekend zijn innovatie en oplichting moeilijk van elkaar te scheiden.
Na afloop werd ik in de foyer aangesproken door de twee jongemannen die voor de opslag waren. Ze bleken niet bij Shell te werken en verder weinig van de opslag te weten, net als ik. De gemeentesecretaris van Barendrecht haalde twee biertjes voor ze.
De voorlopige conclusie van de avond: het maatschappelijk verzet is gastvrij en lacht graag.
Op vakantie in eigen land
Het avontuur lonkt en afgelopen woensdag lonkte het vanuit Barendrecht. Een paar honderd boze burgers kwamen die avond bijeen in het lokale theater.
Ik herinnerde me televisiebeelden van diezelfde boze burgers in datzelfde theater, afgelopen najaar. Toen kwamen twee ministers uitleggen dat de voorgenomen CO2-opslag onder Barendrecht veilig, nuttig en noodzakelijk was. Het journaal verkneukelde zich toen over beelden van ongemakkelijk kijkende bewindsvrouwen, afgewisseld met beelden van burgers in de zaal, met hun priemende vingers en bijtende zinnen in de richting van de ministers op het podium.
Een paar weken geleden kwamen twee actievoerders tegen de CO2-opslag bij mij op bezoek. Op zoek naar wetenschappers die wilde spreken op hun symposium. Je kunt een pastoor vragen om de wielerkoers te zegenen. Zo worden wetenschappers gevraagd om meningen te zegenen.
Ze hadden allerlei wetenschappers gevraagd en die hadden allemaal geweigerd. En nu waren ze bij mij uitgekomen. Ze wisten zelf ook niet goed waarom. Iemand had mijn naam genoemd, meer wisten ze niet. Meer hoefden ze ook niet te weten. Een naam was meer dan geen naam.
‘Waar doet u eigenlijk onderzoek naar?’ vroeg een van de actievoerders.
‘Kunt u misschien iets met dit onderwerp?’ vroeg de ander hoopvol.
‘Wat vind u van burgerlijke ongehoorzaamheid?’ vroeg de een.
Ik dacht aan de beelden van de zwetende ministers en nam de uitnodiging aan. Op vakantie in eigen land, dat was ongeveer de gedachte. Ik had geen idee wat ik er zou gaan vertellen.
Afgelopen woensdag meldde ik me in de foyer van het theater. Er heerste een gezellige drukte. Een ding konden we alvast concluderen: het maatschappelijk verzet gaat onberispelijk gekleed en heeft een voorliefde voor cappuccino.
(Wordt vervolgd.)
Er is leven na de vuistslag
Gistermiddag was ik in Den Haag voor het Elsevier Technologiedebat over de veiligheid van internetbankieren. Na afloop liep ik met twee bossen bloemen over het Plein. De tweede bos was van een ander panellid, een journalist. Die weigerde echter om, in zijn woorden, rond te lopen met geamputeerde geslachtdelen.
Op een terras op het Plein raakte ik in gesprek met een onderzoeker die het debat had bijgewoond. De bloemen had ik op een stoel naast me gelegd.
Ineens hoorden we gejoel in de verte. Het klonk alsof in een van de cafés een voetbalwedstrijd werd gekeken. Maar er was geen voetbal.
Het geluid zwol aan. Uit een steegje dat eindigde bij ons terras verschenen enkele politieagenten. Ze liepen achteruit, de blik gefixeerd op het steegje.
Inmiddels hoorden we massaal gescandeerde leuzen. Een betoging. De voorhoede, jongemannen met Turkse vlaggen, bereikte de terrassen. Het steegje balde het geluid van de menigte samen en dwong het onze kant op. De leus was nu verstaanbaar. Allahu akbar. Het geschreeuw had de geestdrift van een opwelling, van iets ondoordachts. Op het Plein zijn vaak betogingen, maar die ogen doorgaans even spontaan als lijndansen. Het proces van maandenlange voorbereiding en overleg heeft de eventuele geestdrift en verontwaardiging gekanaliseerd in de keuze van de lunchpakketten en de lettertypes op de voorbedrukte borden.
De eerste demonstranten liepen om de terrassen heen, maar de grote groep die volgde stroomde als vloedgolf over de terrassen, op weg naar het open gedeelte van het Plein. Veel Turkse en Palestijnse vlaggen. Een enkeling had zijn gezicht verborgen achter een sjaal.
De borrelende terrasbezoekers zaten vertwijfeld in hun stoelen. Een handvol agenten te paard had het plein betreden. Iemand wees naar de busjes van de Mobiele Eenheid. De onderzoeker met wie ik zat te praten stond op en zei: Ik ga mijn iPad in veiligheid brengen.
Een stroom scanderende mannen passeerde onze tafel. De onderzoeker ging weer zitten, de tas met de iPad op schoot. De mannen keken naar ons, onze drankjes en bloemenbossen, en wij keken naar hen, met hun vlaggen en sjaals.
Een van hen zei: ‘Niet bang zijn, er gebeurt niets.’
Het meest vernederende van het leven in de middenklasse is de frequentie waarmee je jezelf betrapt op angstgevoelens. Of anderen je daarop betrappen. Ik ben in de markt voor een cursus in burgerlijke weerbaarheid. Les 1: Er is leven na de vuistslag. Incasseren en uitdelen.
Toen verschenen de eerste vrouwen. Een van hen droeg een bord van de Socialistist Workers Party. Daar ging een zekere geruststelling vanuit. Ons onbehagen heeft inmiddels de vorm aangenomen van nostalgische verlangens naar de tijden van gewelddadige linkse vrouwen.
Het was me nog steeds niet duidelijk waartegen er gedemonstreerd werd. Met behulp van mijn telefoon begreep ik dat ik het nieuws had gemist over de Israëlische commando-actie op het hulpkonvooi.
Inmiddels had de achterhoede van de demonstratie het terras bereikt. Vrouwen met kinderen. Een klein meisje zwaaide vrolijk met een vlag. Haar moeder, gekleed in een chador, zei dat ze voorzichtig moest doen, want er liepen mensen langs.
Een passerende vrouw knikte naar de stoel naast me en zei: ‘Mooie bloemen.’
Ik las een bericht van Teletekst waarin stond dat de sfeer in Den Haag grimmig was. ‘Er heerst hier een grimmige sfeer,’ zei ik tegen de onderzoeker. We lieten zeer nadrukkelijk merken dat we dat onzin vonden. ‘Echt weer de media,’ zei hij.
Op het Plein waren de toespraken begonnen. De eerste werd gehouden door een studentikoos ogende jongeman. Hij had een zeker oratorisch talent.
De Palestijnse vlaggen die boven de menigte wapperden vertoonden uitzondering nog de vouwen van de verpakking waar ze eerder op de dag uit waren gehaald. Na de tweede toespraak verdampte de betoging binnen enkele minuten. Een paar demonstranten streken neer op de terrrassen.
De zon was nog niet helemaal verdwenen achter sociëteit de Witte. Hier en daar werd alweer genipt aan een wijntje.
Vandaag kocht ik een zwarte tweedehands vouwfiets voor zeshonderd euro. Een vriend had me een dag eerder voorgerekend dat hij zojuist 16500 euro aan een tweedehands auto had uitgegeven, bovenop de inruilwaarde van zijn BMW. Waar ik me druk over maakte, was zijn onuitgesproken vraag.
De man die de vouwfiets verkocht, vertelde dat hij een nieuwe vouwfiets had gekocht ter waarde van 2300 euro.
Kortom, iedereen was zeer behulpzaam. Het bezit van anderen kan een bron van afgunst zijn, maar zelf ervaar ik het als bevrijdend.
Men and women who love their partner are more likely to fake. (Freakonomics weblog, Who’s More Likely to Fake It in the Bedroom?)
Verlangen naar een vouwfiets
Toen ik vanochtend wakker werd, dacht ik aan vouwfietsen. De diefstal heb ik een paar dagen geleden achter me gelaten, nu worstel ik met de begeerte. Wie ben je als je verlangt naar een opvouwbare fiets van zevenhonderd euro?
Ik ervaar bijna alle verlangens als beschamend. De willekeur ervan, het zelfzuchtige. De waarheid over wie je bent wordt zichtbaar als een pisvlek in een onderbroek.
In het geval van verlangens naar consumptiegoederen, heb ik een omgangsvorm ontwikkeld die bestaat uit langdurige kruisverhoren. Het verlangen wordt ondervraagd over het nut van de aanschaf. Als er nut is, heb ik een alibi om tot aanschaf over te gaan. Ik moet mezelf dus bedriegen.
Het bedrog gaat me makkelijker af als het iets is dat ik veelvuldig gebruik. Toen ik mijn vouwfiets nog elke dag gebruikte, was ik er na een paar dagen uit dat ik acceptabel vond om duizend euro neer te tellen voor een mooi exemplaar. De periode van dagelijks gebruik is echter voorbij. De begeerte niet.
Het ergert me dat ik wakker wordt, opnieuw, denkend aan vouwfietsen. Ook de rest van de dag zijn ze aanwezig. Voor zover dat nog niet duidelijk was, weet ik nu: de mens heeft een beperkte tolerantie voor vouwfietsen.
De bedrieger is vindingrijk en ruikt zijn kans. De zevenhonderd euro is niet langer de prijs van een nieuwe vouwfiets, maar losgeld. Ik koop de vrijheid om aan iets anders te kunnen denken. Ik ben niet op de hoogte van de huidige prijzen, maar een paar honderd euro om bevrijd te worden van een verlangen lijkt me een alleszins redelijk aanbod.
Acceptatie van verlies
Een vriend en ik keken de finale van de Champions League in een café op de Zeedijk in Amsterdam. Even verderop werden onze fietsen gestolen. Daar zouden we pas later achterkomen.
Aan de bar zaten twee jonge vrouwen gekleed in t-shirts van Bayern München. Geconcentreerd volgden ze de wedstrijd.
Vrouwen in voetbalshirts, het is een verschijning die je in Nederland weinig ziet. Dat zou je de Nederlandse vrouw kunnen verwijten, maar ik vermoed dat het eerder de vaders zijn die hun plicht hebben verzaakt.
Na de verloren wedstrijd staarden de twee vrouwen met holle ogen voor zich uit. De teleurstelling werd langzaam verteerd. Het moet gezegd, het lijden, ontdaan van zijn morele ballast van slachtoffers, daders, verontwaardiging en engagement, was prachtig.
Een voetbalclub is zoiets als een romanpersonage. Je wordt verleid tot identificatie, tot de illusie dat een verzinsel je iets kan schelen. Dat is vaak makkelijker dan het lijkt. Zadel een personage op met een verschrikkelijke ziekte en je bent al aardig op weg. Wanneer een miljoenenbedrijf, een organisatie van miljonairs, erin slaagt om identificatie op te wekken, is dat echter een kunststukje dat meer respect afdwingt dan de bedenksels van veel romanschrijvers.
We dronken nog wat bier en liepen daarna terug naar onze fietsen. Of liever, naar de plek waar we ze aan een hek hadden geketend. Mijn dure vouwfiets schitterde in afwezigheid, net als de zoveelste fiets op rij van mijn vriend. Drommen toeristen slenterden nog steeds de Zeedijk af, maar het had de dieven niet weerhouden. Dat dwong ongewild ook enig respect af.
Een paar dagen eerder zat ik in een discussiepanel met CDA-kamerlid Haersma Buma. Het ging over de vraag of je acceptatie van veiligheidsrisico’s kunt verkopen aan de burger. Ik had beweerd dat het kon.
Nou, dacht deze burger. Laat maar eens zien dan.
Op het grote scherm verschijnt een Youtube filmpje van K3.
‘Nee, die wil ik niet,’ zegt Vera. ‘Die heeft allemaal blokjes. Dat is lelijk.’
Ik kuste haar.
‘Wat is er?’ vraagt ze.
‘Je hebt gelijk, zeg ik.
Eindelijk deelt Vera mijn afkeer van compressieartefacten. In zaken als partnerkeuze en politiek is het raadzaam om artefacten te leren aanbidden. Daarnaast gun ik iedereen een gebied waar het gebrek geen bestaansrecht heeft en uitgeroeid moet worden.
Those types of PowerPoint presentations, Dr. Hammes said, are known as “hypnotizing chickens.” (Elisabeth Bumiller, We Have Met the Enemy and He Is PowerPoint)
Mijn vrouw zegt: ‘Ik vind dat wij goed zijn in scheiden.’
Ik kijk op. Een moment lang verdwaal ik in de vraag hoe je goed scheidt. Snel en kort, als het verwijderen van een pleister? Genereus, qua bezittingen en bezoekregelingen?
Dan pas zie ik de zak in haar handen, vol plastic. Sinds kort zamelt onze gemeente plastic afval gescheiden in. Zonder het onderling te bespreken zijn we het plastic gaan scheiden. Het is zo langzamerhand een dagtaak om welvarend te zijn.
Ik knik. We zijn goed in scheiden.
Meer ontsnapping dan we konden verorberen
Drie loonslaven in een auto, weg van huis en gezin, zonder plan. We reden over een industrieterrein in het Amsterdamse havengebied. Zomaar.
‘Kijk, ijzererts,’ zei Wijn.
We keken naar de bergen van ijzererts. Die zagen we anders nooit. Het avontuur was begonnen.
Op het fietspad naast het terrein met de ijzererts liepen drie mensen in oranje kledingstukken.
We hadden geen plan, behalve dat we Koninginnedag zouden ontvluchten. O, en we zouden misschien met een bootje gaan varen, ergens in het veen bij Landsmeer. Verder zouden we wel zien. Als drie loonslaven zeggen dat ze op avontuur gaan, dan bedoelen ze dat ze de routebeschrijving niet hebben uitgeprint.
Een kwartiertje later passeerden we een plaatsnaambord. Kadoelen, stond erop. Kadoelen, we proefden het woord een paar keer in de mond. Op een kilometer of vijf ten noordwesten van Amsterdam Centraal begon een nieuw land.
We passeerden een Lidl. Hij bleek open. Thuis was alles dicht, maar in Kadoelen was een Lidl gewoon open. Wijn trapte op de rem. Even later betraden we de supermarkt. Ik geloof niet dat een van ons ooit in de Lidl was geweest. Een nerveus soort koopzucht maakte zich van ons meester. Bakjes huzarensalade, 32 cent. Met moeite beperkten we ons tot drie bakjes. De rest van de kar vulde zich met genoeg proviand voor een kleine week, ook al zouden we hooguit een nacht wegblijven. We kochten hier geen eten, maar ontsnapping.
In het uitgestorven veengebied Ilperveld maakten we een boottochtje. Daarna toerden we langs een paar dorpen. In Ransdorp had de bevolking zich verzameld voor de ringsteken. Er was een soort achtbaan gebouwd. De ringsteker ging op een karretje zitten, een lange stok in de handen geklemd. Het karretje werd losgelaten op de achtbaan. De ring hing een meter of dertig verderop boven de baan. De mannen in het dorp waren te geoefend en staken met grote precisie de stok door de ring. We moesten een klein half uur wachten voor iemand het doel miste en de bak met water over zich kreeg.
In het café van Ransdorp raadpleegden we onze iPhones. We besloten naar een luxe hotel te gaan in Edam. Waar de loonslaaf op avontuur is, daar is ook de creditcard.
Tijdens het uitgebreide diner spraken we over de toekomst. Wijn zei dat hij over tien jaar best in de goot kon liggen, maar het klonk niet erg overtuigend. Het was alsof hij zich moed probeerde in te praten. Wanneer hij een beetje zijn best zou doen, behoorde de goot ook tot de mogelijkheden – zoiets. Ik herkende dat gevoel. We hebben de goot nodig om de wurgende vlakheid van de jaren die voor ons liggen onder ogen te kunnen zien.
In een café speelden we biljart. De zaak was leeg, op twee mannen na die zich over de fruitautomaten hadden ontfermd. Edam is een prima locatie om Koninginnedag te ontlopen.
We sliepen met zijn drieën in de bruidsuite van het hotel. Ik scheen enorm te hebben gesnurkt. In plaats van schaamte daarover, dacht ik met genegenheid aan mijn vrouw. Ze laat mijn gesnurk doorgaans onvermeld.
De volgende middag leverden we de leenauto weer af op zijn vaste plek bij Station Sloterdijk. Uit de kofferbak haalden we de volle boodschappentas van de Lidl. Het pakje ham, de voorgesneden kaas, drie appels, ik weet niet wat er verder nog in zat, maar het was allemaal onaangeroerd gebleven. We hadden meer ontsnapping gekocht dan we konden verorberen.
Onheil is een product
In een recent verschenen boek wordt beweerd dat de Verenigde Staten in ongeveer 15 minuten geheel ontregeld kan worden. Via internetaanvallen. Er zijn al vele van zulke boeken verschenen. De enige reden waarom dit boek aandacht kreeg is omdat de auteur ooit een hooggeplaatst bestuurder was.
Onheil is een product. Er is een bepaald type deskundige dat zich specialiseert in dit product. Voorspellingen van onheil kunnen tegen lage kosten worden geproduceerd en de vraag ernaar is redelijk conjunctuurbestendig. Vroeger dacht ik dat het gedragen werd door angst – indien niet bij de deskundigen zelf, dan toch bij de afnemers van dat onderzoek. Maar bij de mensen die dat onderzoek inkochten, zeg de overheidsdiensten die met de openbare veiligheid zijn belast, zag ik geen angst. Ze waren vooral gefascineerd, soms geamuseerd.
Naast de bedrijfstak die onheil produceert, bestaat een iets kleinere, maar ook levensvatbare sector die relativering van onheil levert. Daar werk ik. Afgelopen vrijdag gaven een collega en ik les aan ambtenaren. Een van de ambtenaren zei: “Het valt me op dat er nogal wat relativisten langskomen in deze opleiding.” Het is geen goedkope opleiding, dus we kunnen vaststellen dat ook relativering economische waarde heeft.
Zelf vind ik relativering een iets sympathieker product dan onheil. Maar zoals bekend is verkoop gebaat bij een zeker geloof in het eigen product.
Soms fantaseer ik dat ik me specialiseer in de verkoop van apathie. Daarvoor heb ik echter nog weinig afnemers kunnen vinden. Misschien geloof ik er zelf onvoldoende in.
Hartstochtelijk staren
Op het terras aan de achterkant van het ministerie stonden vier ambtenaren zwijgzaam te roken. De zon scheen, maar verder was er niemand. In dit gebouw werken enkele duizenden mensen, maar ze lieten het terras bij de koffiehoek aan de rokers.
De rokers hadden zich verdeeld over de vier hoeken van het terras en keken allemaal naar de groen uitgelopen bomen van het Haagse bos, aan de andere kant van de sloot die achter het ministerie liep. Vogels kwetterden. Een fietser kwam voorbij, de banden knerpend over het grind.
Als roken een band schept, dan bestond hij in dit geval uit de afspraak te zwijgen en te staren. Mooiere banden worden er niet geschapen tussen mensen. Niemand keek op zijn Blackberry, niemand las een vergaderstuk. Er werd hartstochtelijk gestaard en teder aan sigarettenuiteinden gezogen.
Een oude man die niet meer goed ter been was, slofte zich vooruit door het grind. Als je je ogen dichtdeed, klonken zijn slepende voetzolen als tientallen legerlaarzen die in de verte voorbij marcheerden. De ambtenaren staarden naar de man en langs hem heen, het groen in. Een van hen zuchtte hoorbaar. Een ander kuchte.
Uiteindelijk doofden ze een voor een hun sigarettenstompje in de asbak naast de deur en gingen ze weer naar binnen, zodat ik alleen achterbleef.
Kort daarna kwamen twee vrouwen naar buiten, de een met een flesje water en de andere met een kop cappuccino. ‘Jeutje, het is nog best wel koud, hé,’ zei een van hen. ‘Zullen we weer naar binnen?’
Vera heeft leren bidden. Op school was een tentoonstelling over verschillende landen, waaronder Marokko.
‘Zal ik even laten zien hoe moet bidden?’ vraagt ze. Ze laat zich op haar knieën zakken en buigt dan voorover. Met haar voorhoofd tegen de vloer, kijkt ze opzij en zegt: ‘Zie je? Zo moet je het doen.’ Het oogt overtuigend.
‘Maar Vera, weet je ook waarom mensen bidden?’
‘Ja. Het is een soort gymnastieken.’

